Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887

Part 11

Chapter 11 3,849 words Public domain Markdown

Men begrijpt hoe, bij het overlijden van een vermogend man die geene beheerders voor zijne vakoef heeft aangewezen, de leden der geestelijkheid in de weer zijn om elkander het beheer dier goederen en hetgeen daarmede samenhangt te betwisten. Om dien strijd te beslechten is zeer dikwijls de tusschenkomst van den Shâh en de uitspraak der moesjteïds noodig. Dit is het eenige geval, waarin de mollahs, anders steeds in meer of minder verborgen oppositie tegen het burgerlijk gezag, al hunne grieven vergeten en de medewerking en den steun komen vragen van den gouverneur of van andere invloedrijke personen, die hunne belangen bij den Shâh kunnen voorstaan. Op dit oogenblik betwisten de geestelijkheid van Saveh en die van Ispahan elkander het beheer van zulk een domein; en al zijn wij geen getuigen van de audiëntiën die de generaal verleent, toch kunnen wij ons een denkbeeld vormen van den ijver, waarmede de mollahs hunne zaak bepleiten. Eene zitting van vier uren elken voormiddag is hun nog niet genoeg om al hunne argumenten in het veld te brengen; zij komen nog in stilte, ieder voor zich, nu en dan terug; en uit de achting waarmede men ons behandelt, afleidende dat ook wij lieden van invloed zijn, aarzelen zij niet ook ons het hof te maken.

28 Juli.--Sedert vier dagen wonen wij in hutten nabij den beroemden dijk, dien mijn echtgenoot onderzoeken moet. De vallei loopt vrij steil omhoog tusschen twee loodrechte bergen en versmalt zich eindelijk zoozeer, dat de rotsen aan den voet elkander schijnen te raken. De opening wordt gesloten door een dam, van groote steenen en cement opgetrokken. Ongelukkig heeft men dien dam niet op de rots zelve gelegd, maar op eene zware laag losse steenen uit de bedding der rivier. Het natuurlijk gevolg daarvan was, dat het water, zoodra het een zeker peil bereikt had en genoegzame drukking kon uitoefenen, begon door te kwellen; zoodat eerst het zand, daarna de losse steenen en eindelijk de blokken zelven werden losgewoeld en er een belangrijk gat ontstond, waardoor het water uit het bekken wegvloeide. Sedert een reeks van jaren hebben de gouverneurs zich bezig gehouden met de herstelling van dien dam; bij herhaling hebben zij de opening trachten te stoppen met steenblokken en cement; maar aangezien de oorzaak der kwaal niet werd weggenomen, baatten deze hulpmiddelen niets, en gingen de nieuw aangebrachte steenen al spoedig den weg van hun voorgangers.

Mijn echtgenoot heeft den dijk opgemeten en onderzocht; het werk zelf is stevig en soliede genoeg, maar de grondslag deugt niet; hij heeft de bovengelegen vallei in het ruwe opgemeten om de hoeveelheid water te berekenen, die in het bekken geborgen kan worden; hij zal nu van daag een onderhoud hebben met den meestermetselaar of bouwkundige, die hem de prijzen moet opgeven van het hout en andere materialen, het arbeidsloon, en verder hem al die inlichtingen moet verschaffen, die hij voor het opmaken zijner begrooting behoeft. De generaal en de bouwkundige wachten met zichtbaar ongeduld op de uitkomst dezer bespreking. De bouwkundige neemt het woord, en doet zijne opgaven, waaruit blijkt dat de kosten van dergelijke werken hier zoowat het dubbele zouden bedragen van hetgeen in Frankrijk en Engeland gevorderd zou zijn; en dat niettegenstaande het loon van een goed perzisch werkman hoogstens anderhalve frank per dag bedraagt, en de materialen ten deele door den aanbesteder geleverd worden. Marcel, geërgerd over dit onbeschaamd bedrog, maakte spoedig een einde aan de conferentie, en verklaarde aan de beide vertrouwden van den prins, dat aangezien hij zijne berekeningen niet kon gronden op blijkbaar verkeerde opgaven, hij het ontwerp te Ispahan zou opmaken en van daar rechtstreeks aan den prins zenden; tot basis voor zijne begrooting zal hij dan de gemiddelde prijzen in Frankrijk nemen. Naïeb Soltaneh moet dan maar zien, wat hij daarmede zal aanvangen. Dit antwoord bevalt den generaal niet; hij gaat heen zonder iets te zeggen; maar even daarna liet hij zich wegens ongesteldheid verontschuldigen dat hij niet aan tafel zou komen; ook kon hij, tot zijn spijt, ons niet naar Koem vergezellen, maar dwong zijne gezondheid hem, onverwijld naar Teheran terug te keeren. In verband daarmede, besluiten wij nog dien eigen avond naar Koem te vertrekken.

Toen het tijd werd om de muildieren voor het vertrek gereed te maken, kwam men ons mededeelen, dat de generaal die dieren naar Teheran had terug gezonden. Daar de Ramadân overmorgen begint, was er geen tijd meer, om andere muildieren, met hunne drijvers van Saveh te gaan halen. Er schoot dus niets anders over, dan onze bagage op een ouden kameel te laden, die niet meer dan achttien mijlen per dag kon afleggen; of wel die bagage in kleine pakketten te verdeelen, welke dan gedragen zouden worden door ezeltjes, niet veel grooter dan honden. Dit laatste verdient in ieder geval de voorkeur. Wij bestijgen onze rijpaarden, die wij de voorzichtigheid hebben gehad altijd bij ons te houden; en vergezeld door een enkelen soldaat als militair geleide, verlaten wij onze hut, en slaan den weg in naar Koem, gevolgd door onze karavaan van miniatuur-ezels.

XI

30 Juli.--Heden morgen omstreeks vier uren zijn wij van Avah vertrokken, waar wij ons eenige uren hebben opgehouden en een weinig rust genoten. Een tocht door de woestijn van Koem, in de maand Juli en op den vollen middag, is voor Europeanen ondoenlijk, wanneer dat op de gewone manier der karavanen moet gaan. Wij vertrouwden dus al onze bagage, met inbegrip van onze geweren en van drieduizend francs aan los geld, aan onze gidsen toe; en alleen vergezeld van Hosein, den soldaat, evenals wij op een fiksch paard gezeten, gingen wij op weg, met het vaste besluit om vóór achten te Koem te zijn, al moesten wij de paarden van Naïeb Soltaneh dood rijden. Er was bepaald dat wij telkens een kwartier zouden galoppeeren en dan vijf minuten stappen.

Wij reden eerst door eene steenachtige vallei, ingesloten tusschen twee geheel kale heuvelreeksen. Met uitzondering van de schorpioenen, tusschen de steenen verscholen en bij onze nadering vluchtende, heb ik geen levend wezen gezien. Ten vijf uren kwamen wij aan de ruïnen van eene karavanseraï zonder water; volgens Hosein, zijn wij nu half weg. Onze paarden houden zich uitmuntend; maar zullen zij het ten einde toe kunnen volhouden?--Tegen zes uren wordt de hitte ondragelijk. Na verloop van nog een uur, beginnen onze zadels onder de werking der zonnestralen om te krullen, als papier voor het vuur; een stijgbeugelriem breekt; de anderen zijn over hunne geheele lengte gespleten. Het zweet loopt tappelings langs ons lichaam; de teugels ontglijden aan onze vingers; onze oogen zijn verblind door de weerkaatsing der zon op het gloeiende zand; ons hoofd suist en bonst, alsof het barsten moet. Ook de paarden, ondanks hunne taaie kracht, zijn uitgeput en struikelen telkens over de steenen. Eindelijk, omstreeks acht uren, bespeuren wij den vergulden koepel van de moskee van Fatma, de beschermheilige van Koem, stralende in het zonnelicht.

Wij komen aan eene fraaie karavanseraï, die echter op dat oogenblik geheel is ingenomen door eene talrijke karavaan van joodsche kooplieden. De conciërge, aan de kleur van de staarten onzer paarden ziende dat zij uit de koninklijke stallen afkomstig zijn, houdt ons natuurlijk voor personages van hoogen rang; en zijn eerbied voor ons wordt nog grooter, als Hosein hem met zekeren trots vertelt, dat wij in ruim drie uren van Avah naar Koem zijn gereden. De brave man haast zich, om ons te helpen afstijgen; en ziende dat wij van de hitte geheel bevangen zijn, gelast hij zijn bedienden de waterkruiken te gaan vullen, ten einde gedurende een paar minuten ijskoud water op onze gloeiende hoofden te gieten. In het eerste oogenblik is de uitwerking verbijsterend, maar spoedig daarop gevoelt ge u zonderling pleizierig.

Geheel tot mij zelve gekomen, meende ik in de bala-khaneh eene hevige woordenwisseling te hooren. De bewaarder der karavanseraï, geholpen door twee bedienden, heeft den Joden gelast, dit vertrek te ontruimen en aan ons af te staan; onder luid geschreeuw weigerden zij, op grond dat zij het eerst waren aangekomen. De conciërge maakte toen, zonder zich aan het lawaai te storen, korte metten: hij liet de matrassen, de dekens, de kannen, in een woord al het huisraad der Joden eenvoudig uit het raam gooien. De kooplieden schikten zich in hun lot; de Joden, die in Perzië meest van oneerlijken handel, van woeker en knevelarijen leven, zijn hier zoo zeer veracht, dat zij het niet licht zouden wagen, zich over minder aangename bejegeningen te beklagen.

De bala-khaneh, een ruim en luchtig lokaal, wordt nu tot onze beschikking gesteld; door de groote, naar de vier windstreken gerichte vensteropeningen, kan ik op mijn gemak het panorama van Koem genieten. Evenals te Mamoeniëh, zijn hier de huizen met kleine koepels gedekt, die in het zonnelicht met een purperen gloed zijn overtogen, en aan den gezichteinder wegduiken in een blauwachtigen doorzichtigen nevel, die den voet der bergen omsluiert. In de verte verheffen zich de spitse daken van de graven der Sheikhs. Aan onze linkerhand strekken zich de fraaie tuinen uit, die het beroemde mausoleum van Fatma omringen.

31 Juli.--Wij sliepen nog gerust dezen morgen, toen onze bedienden zeer ontroerd de bala-khaneh binnenstoven: "Saheb! de gouverneur van Koem, Mirza-Mehti Khan, die van uwe aankomst gehoord heeft, heeft dertig ferachs gezonden, die u moeten verwelkomen en u de uitnoodiging overbrengen om in het paleis uw intrek te nemen, daar deze karavanseraï geen uwer waardig verblijf is."

Onder geleide der feraehs doorkruisen wij een gedeelte der stad, en komen eindelijk aan de met stuc-ornamenten versierde poort van het paleis, die toegang geeft tot het eerste binnenplein, waarop een groot aantal soldaten en mollahs onder de bogen zitten. In den brandenden zonneschijn staan, blootshoofds, eenige dieven, met ijzeren halsbanden aan elkander geketend.

De gouverneur van Koem is gehuwd met eene dochter van den Shâh. Gedurende den zomer verlaat de prinses de stad, die als eene der heetste in Perzië bekend staat, en begeeft zich met haar kinderen en haar vrouwen naar het gebergte. Daar de anderoen dus ledig staat, heeft de gouverneur bevel gegeven, dat dit gedeelte van het paleis tot onze beschikking zou worden gesteld.

Op het hooren van het woord anderoen of harem plegen de Europeanen zich allerlei wonderen voor te stellen, en denken zij aanstonds aan al de heerlijkheden en tooverachtige schatten, waarvan de sprookjes der Duizend-en-een-Nacht gewagen.--Welnu, wij zijn hier in het paleis van eene dochter van den koning van Perzië: en ik houde mij overtuigd dat de meeste burgervrouwen in onze provinciën beter gehuisvest en geïnstalleerd zijn. Laat ons dus dezen vorstelijken anderoen wat meer van nabij bekijken.

De gemeenschap met den biroen--het gedeelte van het huis, waar de huisheer zich overdag ophoudt, zijne vrienden, bekenden en anderen ontvangt en zijne zaken verricht--wordt gevormd door een gang, die met verschillende deuren kan worden afgesloten; de laatste deur komt uit op een tuin, waarin twee geheel gelijkvormige gebouwen staan, door galerijen verbonden. Het noordelijke paviljoen wordt des zomers bewoond; het andere, op het zuiden gelegen, is tot winterverblijf bestemd. Bij groote hitte betrekt men de overwelfde kelderkamers onder den grond. Het zomerpaviljoen bevat drie vertrekken, die door talrijke vensters hun licht ontvangen en in elkander loopen. Daarachter bevinden zich nog andere vertrekken, die door deuren in gemeenschap staan met kleine donkere, altijd koele boudoirs, waarin men, in de heete middaguren, zijne siësta komt houden.

De vrouwen brengen den nacht door op de met hooge muren omgeven platte daken; zij begeven zich des morgens naar de eerstgenoemde kamers, die op den tuin uitkomen, en trekken zich, naarmate de hitte toeneemt, in de binnenkamers terug, zorg dragende de luiken en deuren achter zich te sluiten. Al deze kamers hebben witte gepleisterde muren; alleen de schoorsteenen zijn met enkele pleisterornamenten versierd. De zeer lage deuren zijn noch geverfd, noch gepolitoerd; eene ijzeren ketting, boven aan het paneel bevestigd, is aan een zware schroef in den bovensten deurpost vastgemaakt; een spijker of een stuk hout, door de schroef gestoken, dient om de deur te sluiten.

Het ameublement is zoo eenvoudig mogelijk. Eenige kussens en tapijten, benevens zijden gordijnen, met touwtjes aan lompe ijzeren krammen vastgemaakt, geven geen hoog denkbeeld van de fantazie en den smaak der perzische stoffeerders; en toch, iets anders is er niet te zien.

Het winterpaviljoen is geheel aan het andere gelijk; met deze uitzondering alleen, dat het geene donkere kamers bevat, die in het koude jaargetijde niet noodig zijn.

Ziedaar, in weinige woorden, de nauwkeurige beschrijving van den anderoen eener koninklijke prinses, de echtgenoote van een der aanzienlijkste staatsambtenaren. Men zal mij toegeven dat de inrichting voor zulk eene dame vrij armoedig is; maar voor ongelukkige reizigers, zoo als wij, was het een paradijs.

3 Augustus.--De stad, vroeger met meer dan tweehonderd grafteekenen versierd, maar thans voor drie vierden een puinhoop, is zoo uitgestrekt dat wij te paard moeten stijgen om haar te doorkruisen. Naar men zegt, zou de stad omstreeks het jaar 200 na Christus zijn gesticht. De inwoners zijn dweepzieke muzelmannen, natuurlijk tot de sekte der Sjîiten behoorende, en niet weinig trotsch op het bezit van het graf van Fatma, dochter van den îman Rezza.

Voor dit beroemde mausoleum ligt een uitgestrekt kerkhof, waarvan de grond letterlijk met grafzerken geplaveid is. Behalve de min of meer echte relikwiën, van de kleindochter van Mohammed afkomstig en die onder den koepel worden bewaard, vindt men hier, in afzonderlijke gebouwen, de sarkophagen van Fath-Ali Shâh en van den vader en de moeder van Nasr ed-Dîn. Zijne Majesteit draagt dan ook bijzondere zorg voor dit heiligdom en heeft den koepel voor zijne rekening op nieuw laten vergulden.

Na zonsondergang heeft de gouverneur belet bij ons laten vragen. Daar mijn echtgenoot antwoordde, dat wij onze opwachting bij Zijne Excellencie wenschten te maken, werden wij door tien bedienden afgehaald en naar den biroen geleid. Mirza-Mehti Khan zit onder eene portiek, omgeven door een aantal mollahs en officieren. Bij onze nadering verwijderen zich de priesters; de gouverneur treedt ons te gemoet en ontvangt ons met groote hartelijkheid. Hij vraagt naar het doel onzer reis, en hoe het ons in den anderoen bevalt, en biedt eindelijk, maar met blijkbaren tegenzin, aan, ons wijn te zenden.

Het aanbod was zeer verleidelijk; wij zouden dan althans voor eenige dagen de karnemelk kunnen laten rusten.

"Wij drinken nooit sterke dranken, antwoordt mijn echtgenoot; althans niet in den zomer."--Het gelaat van den gouverneur helderde op; onze voorzichtige bescheidenheid had hem uit eene groote moeilijkheid gered. Welk figuur zou hij hebben gemaakt, als hij wijn uit zijn kelder had moeten laten halen, hij, die het gebruik van wijn ten strengste verbiedt uit hoofde van de heiligheid van het graf van Fatma, en die iederen ongelukkige, die zich aan het drinken van wijn of sterken drank schuldig maakt, zonder genade eene dracht stokslagen laat toedienen!

Ondanks de hitte leven wij hier als in Luilekkerland. Wij zijn van onze vermoeienis geheel bekomen; ik heb heden eenige uren doorgebracht met het bezoeken van de graven der Sheikhs. Deze drie groote monumenten uit den tijd der Mongolen staan in een ruimen, met boomen beplanten tuin; de marmeren zerken en het houtwerk zijn verdwenen; de eenige ornamenten, die nog overgebleven zijn, zijn de fraaie figuren en stuc in de hoogvelden der deuren.

Daar er nu verder te Koem niets meer te zien valt, besluiten wij onze reis voort te zetten, en sluiten ons aan bij eene karavaan, die naar Kashan vertrekt.

Voor ons vertrek heeft de gouverneur een aardig feest georganiseerd. In den schitterend verlichten tuin speelt een troep tamme gazellen; aan een boomtak hangt eene kooi met een zwarten doek bedekt. Een knecht neemt dien doek eensklaps weg; de nachtegaal, die in de kooi zit, ontwaakt, en verblind door het schitterende licht, meenende de zon te zien, begint hij te zingen. Na verloop van eenige oogenblikken bemerkt hij zijne dwaling en zwijgt; maar inmiddels heeft men eene andere kooi gehaald, die ontdekt wordt op het oogenblik dat de eerste zanger ophoudt.

Tegen middernacht komt men ons waarschuwen dat de karavaan gereed is om te vertrekken, en met leedwezen nemen wij afscheid van het gastvrije paleis, waar wij vier rustige en gelukkige dagen hebben doorgebracht.

XII

4 Augustus.--Bij het verlaten van Koem loopt de weg langs de oostelijke helling van de bergketen, die Perzië van het noorden naar het zuiden doorsnijdt, de brandend heete wind van de woestijn doet hier zijn invloed gevoelen en weert de koude af, waarvan wij bij ons vertrek van Teheran zooveel te lijden hadden. De maan van de Ramadân staat niet meer aan den hemel; ondanks de heldere lucht en de duizenden sterren, die aan het uitspansel flonkeren, is het zeer donker. Terwijl de karavaan voorttrok, hield ik mijn paard even stil, om bij het licht van mijn zaklantaarn iets op te teekenen. Daarmede gereed zijnde, haastte ik mij, om mijne gewone plaats aan het hoofd van den stoet weder in te nemen, toen mijne aandacht eensklaps getrokken werd door een zonderling verschijnsel: de lastdieren waren door een wolk van lichtende vonken omgeven. Droomde of waakte ik? Ik riep mijn echtgenoot, die hetzelfde zag; wij stegen beiden af en naderden de dieren.

Nu werd het raadsel weldra opgehelderd. Om de vliegen af te weren, waardoor zij ook 's nachts gekweld worden, slaan de paarden voortdurend met hun lange staarten. Ten gevolge van de buitengewone droogte der atmosfeer op de hoogvlakten van Irân, zijn de hairen der dieren in zulke mate elektrisch geworden, dat door de aanraking en prikkeling, bij het slaan der staarten, vonken ontstaan, die een duidelijk zichtbaren lichtglans geven.

De tsjarvadar-basjî, verwonderd dat ik achter zijne paarden bleef loopen, kwam naar mij toe om naar de reden te vragen. "Gij zijt verbaasd," zeide hij, "dat er uit de staarten der paarden vonken voortkomen; wat zoudt gij wel zeggen, als ik met een stuk papier uit uw schrijfboek licht maakte?"

De man haalt daarop uit een zak eenige meloenpitten, laat die op den grond vallen, en verzoekt mij, die weer op te zoeken; het was onmogelijk: tusschen de steenen en het zand, waren de pitten niet meer te vinden. Mijn geïmproviseerde professor in de physica ging toen op den grond zitten, greep een blad papier bij de punten en scheurde het langzaam over de lengte door; naarmate het papier, met een eigenaardigen metaalklank, scheurde, ontstond er een lichtende streep, die helder genoeg was om de verloren pitten terug te vinden.

Dat is eerst een gelukkig land! In Perzië heeft men geene Jablochkoff-kaarsen en geen Edisonlampen en hoe al die dingen verder heeten mogen, noodig: men kan het, vrij wat goedkooper, met een kattevel doen!

Daar de telegraafpalen van de engelsch-indische lijn den weg wijzen en voor verdwalen behoeden, besloten wij, toen het dag werd, om vooruit te rijden, ten einde tijdig te Passangan te zijn. Gewend aan de lange étappen in de provincie Saveh en aan de eindelooze farsaks van minder bezochte wegen, rijden wij gedachteloos, ondanks het tegenspartelen van onze paarden, eene fraaie karavanseraï voorbij; om, na een rit van twee uren door eene dorre woeste vlakte, aan eene nieuwe herberg te komen, die er zeer vervallen en armoedig uitziet en door eenige verlaten woningen is omringd.

"Zijn wij hier te Passangan?" vroeg ik aan den huisbewaarder, die rustig voor de deur zijne pijp zat te rooken.

"Gij hebt sedert die pleisterplaats drie en een halve farsak afgelegd, antwoordde hij. Hoe komt gij hier in deze streek, die door de inwoners verlaten is en die geen drinkbaar water meer oplevert? Ik kan u noch brood, noch thee, noch melk aanbieden; ik leef uitsluitend van pasteken, die ik van de tsjarvadars koop."

Onze lichtzinnigheid heeft ons een leelijke poets gespeeld; maar er schiet nu niet anders over dan hier te wachten. Wij trachten een weinig te rusten, en zoo den honger te vergeten, die ons kwelde. Tegen den middag hoor ik eensklaps het getjingel van belletjes: Goddank, dat is de karavaan!

De tsjarvadars, die bij hunne komst te Passangan ons niet vonden, maakten zich ongerust, niet het minst over hunne paarden: zij besloten dus, ons achterna te trekken. De Perzen hebben hunne zeer leelijke gebreken: zij liegen en stelen dat het een aard heeft; maar zij hebben daarentegen eene zeldzame mate van lijdzaamheid en geduld. Hoewel de muilezeldrijvers, ten gevolge van onze onbezonnenheid, den bepaalden marsch der karavaan hebben moeten veranderen en haar moeten brengen naar eene plaats, waar geen eten en geen water te krijgen is, morren of beklagen zij zich niet. Ook de reizigers zijn even kalm en onderworpen: wat zou het baten of zij nu met ons ruzie maakten en ons verwijtingen toevoegden: dat zou immers in den stand van zaken niets veranderen? "God is groot en de Faranguis zijn ongeloovigen," zoo denken zij bij zich zelven. "Wie met schurftige honden aanlegt, moet niet meenen dat hij rozengeur zal inademen."

Tegen middernacht kwam de karavaan te Simsim, een dorp ver van den grooten heirweg gelegen; de karavanseraï is verlaten en onbewoond; er is niets te krijgen; wij moeten voortgaan, al hebben wij allen niets te eten dan pasteken en wormstekige vruchten.

De groote weg van Teheran naar Ispahan, een van de meest bezochte wegen van Perzië, loopt door een aantal zeer armoedige dorpen. Daar de reizigers hier niet, als in Aderbeidsjan, hun intrek kunnen nemen bij gastvrije inwoners, moeten zij een onderkomen zoeken in de karavanseraïs, waar zij in den regel althans water, stroo, pasteken en karnemelk kunnen vinden. De stichting van deze karavanseraïs dagteekent van zeer ouden tijd. Herodotus spreekt reeds van de herbergen, van afstand tot afstand langs den weg van Susa naar Sardes gebouwd; maar het is waarschijnlijk dat men in zijn tijd overal in Irân dergelijke gebouwen vond, om de karavanen of de doortrekkende troepen te herbergen. De verdeeling der étappen of dagreizen, die in onmiddellijk verband staat met de gesteldheid van de landstreek, met de ligging van bergpassen en wateren, kan in hoofdzaak niet veel verandering hebben ondergaan; en de gebouwen zelven, overeenkomstig de eischen en behoeften van het klimaat ingericht, zien er ongetwijfeld nog zoo uit als ten tijde van Herodotus.

Eene karavanseraï is, schier zonder uitzondering, een groot vierkant gebouw, waarvan het midden geheel wordt ingenomen door eene ruime binnenplaats, van booggangen omgeven. Achter die portieken vindt men de stallen, in overwelfde galerijen, die door vooruitspringende muren in kompartimenten zijn verdeeld, en waarin ook de muilezeldrijvers hun verblijf houden.

In den zomer kunnen aanzienlijke reizigers over dag hun intrek nemen in de overwelfde kelderkamers, die vijf of zes el onder den grond zijn aangelegd, en waarheen men afdaalt langs trappen, die tevens tot het aanvoeren van licht en lucht dienen. In deze sousterrains, waar eene zachte schemering heerscht, die tot rusten uitnoodigt, is het steeds heerlijk koel. Des avonds verlaten deze bevoorrechten hunne onderaardsche vertrekken, waarheen het licht anders gevaarlijke dieren zou lokken, en begeven zich naar den takht, eene breede open estrade, twee el boven den grond verheven en door met water gevulde slooten of greppels omringd. Om deze vesting te bereiken, bedienen de reizigers zich van een ladder, dien zij aanstonds weder optrekken. Deze voorzorgen zijn noodig met het oog op de schorpioenen, wier aantal hier zeer groot is en wier beet soms doodelijke gevolgen heeft.