Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887
Part 10
Eene der invloedrijkste dames van den koninklijken harem, die niet ingenomen was met de aanstelling van europeesche officieren bij het perzische leger, had zich onlangs een kleed laten maken, waarop een aantal soldaten, naar de laatste mode gekleed, waren afgebeeld. Bij het eerste bezoek, dat de Shâh haar bracht, strekte zij zich op den grond uit en rolde zich als een dwaas over het tapijt.
"Wat doet gij toch?" vroeg de koning verbaasd.
--Opvolger van Alexander, licht der wereld, koning der koningen, zie, hoe ik uw frankisch leger behandel," antwoordde de prinses, schaterend van lachen.
20 Juni--Sedert eene week doorkruisen wij in alle richtingen den omtrek van Weramin; wij zullen nu ons uitstapje besluiten met een bezoek aan den iman Zaddeh Jaffary, waarvan alle landlieden met eerbied en ingenomenheid spreken. Hij is drie farsaks (achttien mijlen) van het dorp verwijderd.
Des nachts om twee uren gaan wij op weg. Bij het aanbreken van den dag zagen wij, op een zeer verwijderden heuvel, een blauwe stip: dat is de koepel van den iman Zaddeh. Daar wij nu de richting kennen, zenden wij onzen tsjarvadar terug, zetten onze paarden in galop, en komen weldra aan een vriendelijk dorpje, waarvan de nederige huizen zijn gegroept rondom eene door prachtige cypressen overschaduwde moskee.
Het gebouw is uit den tijd van Shâh Abbas: de ligging is allerschilderachtigst; maar uit een architektonisch oogpunt heeft het bedehuis niets te beteekenen.
Wij hebben besloten, nog dezen avond naar Teheran te vertrekken. De toebereidselen waren spoedig voltooid, en niet zonder zeker leedgevoel verlieten wij de gastvrije woning van den ket khoda.
21 Juni.--Om twee uren na middernacht kwam onze kleine karavaan, zonder eenigen tegenspoed ondervonden te hebben, bij de ruïnen van Reï. Daar de poorten van Teheran 's nachts gesloten zijn, raden onze bedienden ons aan, hier stil te houden en den dag af te wachten in een dier fraaie tuinen, waar de reiziger op elk uur thee, een pijp en ook logies kan vinden.
Wij kloppen aan; de deur wordt geopend; de paarden worden in den stal gebracht, en mijn gastheer haast zich om een geschikt nachtverblijf voor mij te zoeken. Na eene lamp te hebben opgestoken, noodigt hij mij uit hem te volgen, en gaat verder den tuin in. Op een open plek gekomen, waar de grond zorgvuldig is gelijk gemaakt, zet hij zijne lamp neder en wil zich verwijderen.
"Eer gij de thee gaat halen," zeide ik tot hem, "zou ik gaarne hebben dat gij mij eene kamer wildet wijzen om mijne wapenen neer te leggen, zoodat ik gerust slapen kan."
De kastelein nam zijne lamp weer op, en bracht mij toen geheel naar het achtereinde van den tuin, op een terras, omringd door boomen, die door het water eener kristalheldere, koele beek besproeid worden. Ditmaal kon ik niet wel anders dan met mijn logies tevreden zijn; ik bevind mij stellig in het prachtigste, schaduwrijkste en luchtigste vertrek van het geheele huis. Ik moet mij leeren verzoenen met het voor ons onmogelijke denkbeeld, om onder den blooten hemel te slapen; men brengt de noodige tapijten, kussens en dekens, en weldra ben ik in diepe rust gedompeld.
De rit heeft vier uren geduurd; de zon stond dan ook reeds een poos aan den hemel, eer ik ontwaakte. Haar stralen, zeer getemperd door het dichte looverdak boven mijn hoofd, hebben, eer zij ons bereiken, veel van hun kracht verloren; eindelijk echter dringen zij door het gebladerte heen en schijnen vlak op mijn gelaat; de betoovering is geweken: het is onmogelijk langer te slapen. Dit zou toch niet best meer gaan, want er is gezelschap uit Teheran gekomen, en de dames, die daarbij zijn, lachen en spreken en schreeuwen zoo luid, dat men wel wakker worden moet. In Perzië kiest men, naar het schijnt, de zeer vroege morgenuren voor dergelijke uitstapjes uit.
22 Juni.--Wij zijn door Teheran getrokken, waar de hitte ondragelijk is (vijf-en-veertig graden in de schaduw, in den tuin der zusters). Alle vreemde gezantschappen hebben de stad verlaten en de wijk genomen naar schilderachtige kleine dorpen, in de smalle boschrijke valleien aan den voet van de Elbroezketen.
De zaakgelastigde van Frankrijk, de graaf de Vieil-Castel, had ons de vriendelijke uitnoodiging gezonden, om voor ons vertrek, eenige dagen op zijn buitenverblijf te komen doorbrengen. Met veel genoegen maakten wij van die uitnoodiging gebruik. De zomerresidentie van de fransche legatie is het dorp Tadjrish; de woning ligt aan het boveneinde van eene vallei, waar het heerlijk koel is. De avonden zijn bijna koud, en in den talar, waar de lucht vrijen toegang heeft en waar eene van den berg afdalende beek doorstroomt, bedraagt de temperatuur doorgaans niet meer dan vijf-en-twintig graden (Celsius).
Heerlijke wandelingen omgeven aan alle kanten het dorp Tadjrish. Vooreerst heeft men den Bagh Firdoez, het eigendom van een schoonzoon des konings. Te midden van een grooten tuin, met prachtige boomen beplant, staat een onvoltooid paleis, dat reeds zeer veel van de vochtigheid geleden heeft en half tot een bouwval geworden is. Men vindt er eenige moderne ornamenten in pleister; de muren van den talar zijn in vakken verdeeld, waarop een italiaansche kladschilder tooneelen uit europeesche balletten, met zeer gedecolletteerde danseressen, heeft afgebeeld. Om aan de Perzen een juist denkbeeld te geven van onze westersche zeden, heeft dezelfde kunstenaar, in een afgelegen kabinetje, een mijnheer voorgesteld met een nankin pantalon, een grijs jasje, en een hoogen hoed op een oor, een dans uitvoerende voor eene dame, wier houding en toilet niet wel te beschrijven is. Het paleis van Bagh-Firdoez is juist geschikt om ons een denkbeeld te geven van het perzische leven: pracht en schooierige armoede naast elkaar. De lambrizeeringen van den salon zijn van heerlijk schoon gevlamd agaat, de deuren in mozaïek van cederhout en ivoor; maar de vloer der vertrekken bestaat uit plat getreden aarde, zonder eenige bedekking van hout of steen. Het paleis wordt niet meer onderhouden en is, zooals ik zeide, reeds half een bouwval. Binnen tien jaar zal het dak zijn ingestort; over twintig, zal er van het gebouw niets meer over zijn dan een vormlooze puinhoop. Dat is zoo de gewone gang van zaken in het Oosten.
De platanen van Bagh-Firdoez en van Tadjrish zijn door den gansenen omtrek beroemd. Een dezer boomen, binnen de omwalling van de moskee staande, is bijna door geheel Perzië bekend onder den naam van Tsjanare Tadjrish (plataan van Tadjrish). Men kan zich bezwaarlijk een denkbeeld maken van de grootte van dien boom, en vooral van den ontzaglijken omvang van den stam, die een omtrek heeft van vijftien el. Ongelukkig is het niet mogelijk zijne hoogte te schatten: de takken, niet minder dik dan zware boomen, strekken zich uit tusschen verschillende gebouwen, die ze ten deele bedekken en voor het oog verbergen. Deze boom is in werkelijkheid de moskee van Tadjrish; de geloovigen vereenigen zich onder zijn lommer om hunne gebeden op te zeggen; de kinderen komen bij den boom samen om van de mollahs onderricht te ontvangen; en toch blijft er nog ruimte over voor handelaars in thee en frisch water, om tusschen de wortels hun samovar, hun kruiken en kopjes te plaatsen.
19 Juli.--Naïeb Soltaneh, de jongste zoon van den koning, vernomen hebbende dat wij eerlang naar Ispahan zouden vertrekken, heeft mijn echtgenoot verzocht, een omweg te maken, ten einde eene afdamming, in den omtrek van Saveh, in oogenschouw te gaan nemen. Deze dam, door Shâh Abbas gemaakt, is onderloopsch geworden, en de prins zou het werk weder willen in orde maken, om zoodoende de opbrengst te vermeerderen van de provincie, waarvan hij gouverneur is.
Vergezeld van zijn adjudant, den generaal Abbas-Koely Khan, vertrekken wij naar Teheran. Over dag had de thermometer vijf-en-veertig graden in de schaduw geteekend; in den nacht daalde hij tot op twaalf graden. Men kan zich niet voorstellen, hoe onaangenaam en nadeelig die plotselinge overgangen van temperatuur zijn.
Op den middag van den volgenden dag trok de karavaan, hijgend en zwoegend, onder eene brandende zon, over den schaduwloozen weg, en bereikte de zware muren, die het groote dorp Pick omgeven. De generaal beval dat men ons naar de woning zou brengen van een kapitein, die het best ingerichte huis in het vlek bezat.
Aan ieder einde van de zaal, waarin men ons binnenleidt, bevindt zich, gelijkvloers, in den muur eene groote vierkante opening, het best met onze schoorsteenen te vergelijken, die in gemeenschap staat met een buis of pijp, welke eenige ellen boven het dak uitsteekt. Dat zijn twee windvangers, die aldus tegenover elkander geplaatst, een zeer sterken luchtstroom veroorzaken. Door de werking van dien gezegenden luchtstroom, door het besprenkelen van onze hoofden met koud water, en door gebruik van kokend heete thee, die de bedienden ons voorzetten, komen wij weder een weinig tot ons zelven.
21 Juli.--Na een dag rust, vervolgen wij des avonds laat onzen weg door eene droge en dorre vlakte. Welk een treurige aanblik biedt het landschap, als de zon opgaat. Nergens is een spoor van groen te bespeuren! Maar wij zijn niet ver meer verwijderd van de pleisterplaats, zooals onze gidsen zeggen, terwijl zij mij in de verte eene grijze stip wijzen, die bij de algemeen vaal-grauwe kleur van het landschap ter nauwernood zichtbaar is. Dat is het dorp Mamoeniëh, dat een zeer zonderlingen indruk maakt. De huizen, ter nauwernood drie el boven den grond verheven, zijn van ongebakken steenen gebouwd en gedekt met kleine koepeltjes, vlak naast elkaar geplaatst. De buitensporig hooge prijs van het hout in dit geheel van boomen ontbloote land, noodzaakt de bewoners om zoowel de muren als de daken hunner woningen uit aarde en leem saam te stellen. Zelfs de openingen voor deuren en vensters, zoo deze laatsten er zijn, zijn van hout ontbloot: des winters hangt men een tapijt voor den ingang; des zomers is de woning voor ieders blikken geopend.
Er groeit zelfs geen struik te Mamoeniëh: de boeren, die hun gansche leven in het dorp gesleten hebben, moeten dan ook, om groen en boomen te zien, wachten tot zij zijn aangekomen in die door koele, heldere beekjes besproeide tuinen en bosschages van het paradijs, dat Mohammed aan de geloovigen heeft beloofd. Ik hoop voor de muzelmannen, dat het water van het paradijs niet zoo brak en zout zal zijn als dat der putten, waarvan onze paarden ziek zijn geworden. De dorpelingen zijn er echter aan gewoon: zij ondervinden er geen hinder van en roemen zelfs den smaak.
X
22 Juli.--Eer men te Saveh komt, loopt de weg door kale steppen, niet minder dor dan de wildernis van Mamoeniëh. Toch neemt het landschap een eenigszins ander karakter aan: overal ziet men diepe kuilen, gaten en spleten in den grond, die het voortgaan zeer bemoeilijken. Omstreeks middernacht komen wij langs een verwoeste karavanserai, die thans door roovers als schuilplaats wordt gebruikt; deze brutale bandieten plunderen de karavanen en maken de geregelde communicatie tusschen de hoofdstad en Saveh zoo goed als onmogelijk. Nog niet lang geleden, hebben vijftien roovers, die men in deze ruïne omsingeld had, zich met de uiterste hardnekkigheid verdedigd en verscheidene soldaten gedood, eer het gelukte hen meester te worden.
Juist toen wij uit de droge bedding eener rivier opstegen, begon de dag aan te breken; een djeloedar ging toen vooruit, om den gouverneur van Saveh van onze nadering te verwittigen.
Een paar uren later bemerkte ik aan den horizon eene stofwolk, die al naderende grooter werd; onze paarden, zenuwachtig geworden door het gerucht der ruiterbende, beginnen te hinniken; weldra staat de machtige gouverneur der provincie voor ons.
Eenige maanden geleden is Naïeb Soltaneh op de zonderlinge gedachte gekomen om de belangrijke betrekking van gouverneur op te dragen aan een oostenrijksch baron, die eene specialiteit in financieele zaken heette te zijn, en dien hij heeft gelast de proef te nemen met een nieuw belastingstelsel naar oostenrijksch model. Deze baron nu, op europeesche wijze gekleed, trekt door niets de aandacht; maar zijn gevolg, naar de regelen der perzische etiquette saamgesteld, is des te opmerkelijker. Het huis van een hoogen staatsdienaar bestaat, behalve de ferachs, die meer bepaaldelijk met de zorg voor de tenten belast zijn, uit een aantal dignitarissen, die allen hun aangewezen werkkring hebben.
In de eerste plaats komen de mirza's of secretarissen, die voornamelijk de officieele correspondentie hebben te voeren. Hunne betrekking verbiedt hun wapenen te dragen: in plaats van een dolk, steken zij een langwerpigen inktkoker in hun gordel.--De tweede rang komt toe aan den nazer, majordomus of hofmeester; hij voert het opzicht over het talrijke bediendenpersoneel en brengt hun de bevelen van den heer over. Als de heer uitrijdt, heeft de nazer te zorgen dat steeds de noodige bedienden tegenwoordig zijn: vooreerst de _abdar_, die voor de dranken, zoo als thee, koffie en sorbet, moet zorgen; voorts de _kaliadji_, die de pijpen moet stoppen en altijd vuur in gereedheid hebben om ze aan te steken; en eindelijk de _kiebabsji_, die de schaapskoteletten, welke steeds gereed moeten zijn, moet braden.
Elk van deze bedienden voert op zijn paard de noodige gereedschappen mede, die hij voor het behoorlijk vervullen zijner functiën behoeft; en men kan zich niets praktischer denken dan de zakken, waarin de abdar zijn samovars bergt, de met versch water gevulde kruiken van den kaliadji, of de lederen valiezen van den kiebabsji.
Na wisseling der gewone beleefdheden sluiten de beide gezelschappen zich bij elkander aan en vervolgen wij onzen tocht. Weldra krijgen wij de omwalling van Saveh in het oog. De stad is in eene zeer lage vlakte gebouwd, naar men beweert, in de bedding van een meer, dat bij de geboorte van Mohammed eensklaps opdroogde.
Een aantal ferachs, tegen de eerste huizen van de stad op den grond gezeten, zetten zich bij onze komst aanstonds in beweging en gaan vooruit, met hun karwatsen de menigte uiteen drijvende, die toestroomt om de Europeanen aan het hoofd van den stoet te zien. Naar mate wij voortgaan, treedt de menigte eerbiedig ter zijde; maar het onthaal is toch niet zeer vriendelijk. Dat is trouwens niet vreemd: de adjudant van den prins, de generaal Abbas-Koely Khan, die ons vergezelt, komt om de achterstallige belasting in te vorderen, die door den gouverneur is uitgeschreven. Afpersingen en knevelarijen zijn in Perzië aan de orde van den dag, en kunnen te gemakkelijker geschieden, omdat er noch een kadaster, noch eene officieele regeling der belastingen bestaat. De gouverneur eener provincie is bevoegd om het bedrag der belasting te bepalen en de wijze van heffing te regelen, zoo als hem dat goeddunkt; bij zijne komst vindt hij noch registers, noch aanteekeningen, die hem tot leiddraad zouden kunnen strekken. Hij moet de belastingschuldigen zooveel mogelijk in hun dagelijksch leven laten bespieden, ten einde eenigszins een maatstaf te vinden voor hunne belastbaarheid. Van daar dat de Perzen zich altijd arm voordoen, en dikwijls uit voorzichtigheid hun geld in den grond verbergen, liever dan het te gebruiken voor de verbetering van hun land of het te steken in industrieele ondernemingen, niettegenstaande eene rente van vijf-en-twintig percent hier als wettig en geoorloofd geldt.
Toen de stoet voor het paleis aankwam, traden de ferachs ter zijde; een man sprong vooruit en hieuw met een enkelen bijlslag den kop af van een groot zwart schaap. Deze gewoonte om den aankomenden gast met een offer te verwelkomen, klimt in Perzië tot de hoogste oudheid op. De generaal beloont de handigheid van den offeraar met een hoofdknik, stijgt van het paard en beklimt de trappen van eene estrade, die voor de poort van het paleis is opgeslagen. Op uitnoodiging van den gouverneur beklimmen wij ook de estrade, en zetten ons neder op stoelen, die op eene rij zijn geplaatst; daar zitten wij ruim een uur, om bekeken te worden door de menigte, die van alle kanten is toegestroomd. Eindelijk heft de generaal de zitting op en laat zijn paard voorkomen. Hij deelt ons mede, dat wij niet in het paleis kunnen logeeren, waar de ruimte zeer beperkt is. De zaak is, dat hij zelf liefst geheel vrij wil zijn, om den onder-gouverneur, de andere inlandsche beambten en de spionnen te ontvangen, die het oog moeten houden op de handelingen van den oostenrijkschen baron. Wij stijgen te paard, rijden, door ferachs geleid, over een kerkhof, en komen aan een zeer vervallen huis, waaruit men de bewoners heeft weggejaagd en dat nu tot onze beschikking is gesteld.
De keus tusschen de verschillende vertrekken is niet gemakkelijk: de eenen, aan den zonkant, hebben een zweem van deuren, waarmede men op het midden van den dag, het licht ietwat kan buitensluiten; de anderen, op het noorden gelegen, kunnen in het geheel niet gesloten worden: het is er verblindend licht, en de vliegen zijn er zoo talrijk als het zand aan den oever der zee. Eindelijk, na lange aarzeling, kies ik eene kamer met eene deur. Ik laat de matrassen op den grond uitspreiden, en na voor de openingen zwarte wollen voorhangsels te hebben gespijkerd, strek ik mij uit, in de hoop een gewenschten slaap te kunnen genieten.
Mijne rust duurt niet lang. Eensklaps bemerk ik op den grond allerlei wemelend gedierte, dat ook de vrijheid heeft genomen over mijn gezicht te wandelen. Wij zijn bijna geheel overdekt met scharen van ongedierte, door de vorige bewoners achtergelaten; terwijl reusachtige spinnen langs de leemen muren zijn afgedaald en over den vloer rondloopen. In een oogwenk snel ik naar de deur en trek het gordijn weg. Het licht der zon stroomt de kamer binnen: het ongedierte neemt haastig de vlucht en verbergt zich in gaten en spleten. Maar toch kunnen wij niet rusten: vliegen, bijen en wespen komen nu in de plaats van onze vroegere vijanden, die wij bijna zouden terugwenschen. De temperatuur stijgt voortdurend: ten twee uren teekende de thermometer vier-en-veertig graden Celsius.
23 Juli.--Vergezeld door den generaal, hebben wij een kijkje genomen van de stad, waaraan evenwel niets te zien is. Saveh is de hoofdstad van een district, dat vroeger in vier kantons verdeeld was, die honderd-acht-en-twintig vlekken en dorpen bevatten, thans voor het meerendeel verwoest en verlaten. Overal waar de zeer vruchtbare grond behoorlijk besproeid kan worden, brengt hij katoen, rijst en tarwe in overvloed voort. Deze produkten worden meest naar Teheran gezonden. Ondanks de geweldige hitte heerschen er in het land noch koortsen, noch besmettelijke ziekten.
Slechts een enkel monument, dat nog in vrij goeden staat verkeert, de Mastsjed Djoema, getuigt van den vroegeren rijkdom der stad. Deze moskee wordt thans, om haar afgelegen ligging, niet meer gebruikt; zij strekt tegenwoordig tot verblijfplaats voor bedelaars en derwîsjen uit allerlei streken, die binnen hare dikke muren een toevluchtsoord zoeken. Natuurlijk is dit het allerminst bevorderlijk aan den welstand van het gebouw.
24 Juli.--Sedert onze komst te Saveh, heeft Abbas-Koely Khan het buitengewoon druk: ik vraag mij soms, of ik niet eensklaps teruggevoerd ben tot de oude tijden, tot de dagen der satrapen en der koningen uit het huis der Achemeniden. Dit is zeker, dat al zijn sedert eeuwen voorbij gegaan en al behoort sinds lang de grootheid en macht van Irân tot de legende, in de wijze van bestuur zeer weinig schijnt veranderd. De generaal doet mij denken aan die ambtenaren, de oogen en ooren des konings genoemd, die telken jare de provinciën rondreisden, om de klachten te vernemen tegen de satrapen, om den toestand des lands te onderzoeken en de hooge ambtenaren te ondervragen, die elkander moesten bespieden en zelven weder door spionnen waren omgeven.
De positie van den tegenwoordigen satraap schijnt niet benijdenswaardig. Naar het mij voorkomt, heeft de baron zich, hetzij uit overmoed, hetzij uit onvoorzichtigheid, in onoverkomelijke moeilijkheden gewikkeld. Financieele hervormingen tot stand te willen brengen in een land als Perzië, waar kuiperij en intrigue oppermachtig zijn, wanneer men zoowel met de taal als met de zeden der inwoners onbekend is en nog daarenboven in de oogen der bevolking een ongeloovige en dus een voorwerp van afschuw:--zie daar eene onderneming, die meer dan moed vordert, die bijna aan waanzin zou doen denken. De tusschenkomst en inmenging der geestelijkheid in sommige financieele aangelegenheden maakt den toestand van een christelijken gouverneur nog onhoudbaarder. Dadelijk na de komst van den baron weigerden de mollahs zich in betrekking te stellen met een onreine; maar om aan die weigering den schijn te ontnemen, als wilden zij den koning in zijn vertegenwoordiger beleedigen, komen zij elken dag in grooten getale hunne opwachting maken bij den generaal, met wien zij ook inderdaad gewichtige zaken te bespreken hebben.
Voorname muzelmannen laten bij hun dood gewoonlijk een derde van hunne onroerende goederen na aan moskeeën of andere godsdienstige stichtingen. Deze kerkelijke of geestelijke goederen zijn bekend onder den naam van _vakoef_. De schenker heeft het recht, de administratie van die goederen op te dragen aan zijne kinderen of naaste bloedverwanten, en te bepalen op welke wijze dit beheer, bij erfopvolging, in zijn geslacht zal overgaan. Een gedeelte der inkomsten blijft ter beschikking van den beheerder, van wien het evenwel verwacht wordt, dat hij dit geld voor vrome doeleinden zal gebruiken. Dergelijke schenkingen hebben doorgaans ten doel om aan de erfgenamen van den schenker, ten eeuwigen dage het genot van althans een deel hunner fortuin te waarborgen; eenmaal kerkelijk goed geworden, is de bezitting onschendbaar en beveiligd tegen de verbeurdverklaring, die bij den dood van hooggeplaatste staatsambtenaren of aanzienlijke personen, zoo vaak door den Shâh bevolen wordt.
De mohammedaansche wet bevat zeer strenge en uitvoerige bepalingen omtrent het beheer dezer vakoefgoederen; de beheerders zijn gehouden zich overeenkomstig den wil van den erflater te gedragen; zij mogen geen onroerend goed, zelfs niet tegen huur, voor zich zelven of hunne bloedverwanten in gebruik nemen; zij zijn persoonlijk verantwoordelijk voor elke uitgaaf of elk gebruik der geadministreerde gelden, strijdig met den wil of de bedoeling van den erflater; bij gebleken wanbeheer, worden de beheerders ontslagen en door anderen vervangen. Deze kerkelijke goederen mogen nooit vervreemd worden; want, volgens de uitdrukkelijke bepaling der wet, zijn zij het eigendom van God, waarvan de menschen slechts het vruchtgebruik hebben. Voor eene ruiling tegen andere onroerende goederen van gelijke waarde is de koninklijke toestemming noodig. Ongeveer twee derde der inkomsten van de vakoefgoederen wordt voor liefdadige instellingen en dergelijken gebruikt; het overige dient om in het onderhoud der geestelijkheid te voorzien. Blijven er inkomsten over, dan mogen de beheerders daarvoor nieuwe goederen aankoopen, die dan evenwel geene eigenlijke vakoef zijn, en dus ook in geval van nood verkocht kunnen worden.