Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars
Part 9
"Broeder, edele zoon van uw land," antwoordde Anan, "heb dank voor hetgeen gij hebt gezegd. Ontvang ook van mij,--den ouden zoon van het Kind des Lichts, den broederkus, en keer met uwe reisgenooten gelukkig huiswaarts. Met hen zult gij zegenrijk werkzaam zijn aan de volmaking der menschheid, dat weet ik! Mijne oogen zullen zich weldra sluiten, in dien slaap waarop geen ontwaken meer volgt, maar zoolang ik nog leef, zal ik met vreugde terugdenken aan de uren, die ik met u in ons Angola heb doorgebracht!"
Eenige dagen na het roerend afscheid te Angola, waren de Zwaben weer in Lumata terug. Stiller was druk met den ballon bezig, waarbij hij door de Marsieten trouw werd geholpen. Door de inmiddels opgedane ervaring, was het hem mogelijk al de tekortkomingen en gebreken waarmede zij op de heenreis te kampen hadden gehad, op afdoende wijze te voorzien. Hij bereidde er zich op voor, dat de terugreis geruimen tijd zou duren, in weerwil van de sterke magnetische aantrekkingskracht van de aarde, die tweemaal zoo groot was als die van Mars.
Sedert de opstijging van de Cannstatter weide op den bewusten Decemberavond, was nu nagenoeg twee en een half jaar verloopen. Mars had zich intusschen vele millioenen kilometers van de aarde verwijderd, zoodat de afstand tusschen deze beide planeten, nagenoeg tweemaal zoo groot was als bij de afreis. Stiller berekende dat zij volgens de gewone tijdrekening, minstens vijf volle maanden in de gondel zouden moeten verblijven, en dan nog altijd in de veronderstelling, dat geen enkele onvoorziene omstandigheid, de vaart van den Argonaut zoude belemmeren. Maar nu hij en zijn tochtgenooten, in een tamelijk bevredigenden gezondheidstoestand en zonder noemenswaardigen tegenspoed op Mars waren aangekomen, waarom zou dan op stuk van zaken, de terugtocht niet even goed afloopen. Weliswaar zag de anders zoo moedige man eenigszins op, tegen den vermoedelijk langen duur der terugreis. Vijf volle maanden in de gondel te moeten doorbrengen, en zich allerlei daarmede verbondene ontberingen te moeten getroosten, zooals gebrek aan daglicht en behoorlijke lichaamsbeweging, was wel iets wat zelfs den dappersten den moed zou kunnen benemen.
Stiller schudde echter al die sombere gedachten met kracht van zich af en verheugde zich over de inderdaad buitengewoon groote technische kennis van den stam der Uitvinders, die niet alleen tot vulling van den ballon een gas bereidden, dat geheel overeen kwam met het Argonauton, maar ook de kunst verstonden, om op inderdaad meesterlijke wijze allerlei voedingsmiddelen voor de reis te conserveeren.
Aan electrische kracht, gecomprimeerde lucht, die reeds sedert onheugelijke tijden bij de Uitvinders bekend waren, was evenmin gebrek, en de Argonaut voerde van deze kracht en deze middelen van bestaan een geheel anderen voorraad mee dan toen hij opsteeg.
Zonder gedruisch, zonder eenige verdrietelijkheid was de ballon in elkaar gezet. Wat stak die manier van werken gunstig af bij die van twee jaar geleden, op de Cannstatter-weide!
Dank zij de hooge ontwikkeling en de bereidwilligheid der Uitvinders, was de Argonaut zóó voortreffelijk in orde, dat de gevaarlijke reis ieder oogenblik kon worden ondernomen. Stiller achtte zich verplicht zijne reisgenooten op de hoogte te houden van het verloop der werkzaamheden. Hij verzweeg zijne vrienden ook den vermoedelijken duur der reis niet.
Eerst waren de collega's wel eenigszins geschrikt bij het denkbeeld zóó lang in de gondel te moeten vertoeven, doch zij hadden zich er al spoedig overheen gezet en gingen met moed en vertrouwen de toekomst tegemoet. Alleen Frommherz zeide niets. Stil, in zich zelf gekeerd liep hij rond, terwijl de andere heeren bezig waren hunne weinige bezittingen te pakken en naar de gondel te brengen.
De Argonaut was uit de loods te voorschijn gehaald, en lag zacht wiegelend voor anker op de plaats, waar hij eens was neergedaald.
De laatste dag van het verblijf op Mars, was maar al te spoedig aangebroken. Den volgenden morgen, in alle vroegte, zou men van Lumata vertrekken.
Eran, de gastvrije, eerwaardige grijsaard, had er op aangedrongen zijne gasten een schitterend afscheidsmaal aan te bieden, waarvan de plechtigheid en het genot werden verhoogd, door de harpspelers en zangers van Lumata.
Iedereen was op de been, nergens werd gewerkt. De vriendelijke Zwaben hadden zich overal bemind weten te maken en er was niemand, die het heengaan der dappere mannen niet oprecht betreurde. Maar zij hadden daar beneden op aarde vaders, moeders, broeders en zusters en daarom scheen hun terugkeer den Marsieten, bij wie het familie- en gemeenschapsgevoel zoo sterk was ontwikkeld, niet meer dan plicht.
HOOFDSTUK VIII.
EEN AFVALLIGE.
Gedurende den maaltijd en bij de over het algemeen zenuwachtige stemming, was het niemand opgevallen, dat Frommherz verdween. Toen de tafel was afgeloopen, wat eerst gebeurde toen het alweer begon te dagen, en de aardbewoners opstonden met het plan Eran's huis, dat hen twee jaar lang had geherbergd, voor goed te verlaten, miste men den vriend. Men zocht hem overal maar vond hem niet. Eindelijk ontdekte men een brief, die in zijn kamer op de tafel lag en geadresseerd was: "Aan mijne vrienden en reisgenooten."
Stiller opende het schrijven en las den inhoud snel door. "Wij hebben helaas met een afvallige te doen," zeide hij tot zijne vrienden. "Hoor maar wat Frommherz schrijft. Maar laten wij eerst gaan zitten, en daarna beraadslagen wat ons te doen staat."
De heeren voldeden aan dit verzoek en Stiller verzocht Eran en de overige Marsieten met het oog op de afwezigheid van den zevenden reisgenoot een oogenblik geduld te hebben, waarop Eran en zijne vrienden zich terugtrokken en de heeren alleen lieten.
"Voor den drommel, ik dacht het wel zoo half en half, dat Frommherz uit het vendel loopen zou," begon Piller boos. "Toe, Stiller, lees ons dien brief eens voor!"
"Vergeef mij, waarde vrienden en tochtgenooten, dat ik u een smartelijke teleurstelling bereid. Ik kan het niet over mij verkrijgen, met u naar de aarde, naar ons vaderland terug te keeren. Ik heb een zwaren strijd gestreden, ik kan Mars niet verlaten, het zou mijn dood zijn, en dien wenscht gij toch niet. Ik heb hierboven alles verwezenlijkt gevonden, waarvan ik daar beneden had gedroomd, en waarnaar ik had gesmacht. En nu zou ik dat Eden verlaten en weer terugkeeren tot die bekrompen levensopvattingen, tot al die onoprechtheid en leugen, terwijl ik zoo langen tijd in het licht der ware reinheid heb geleefd? Neen, ik kan het niet! En heeft niet de eerwaardige Eran het ten slotte aan onze vrije keus gelaten, of wij al dan niet hierboven wilden blijven? Welnu, dan zal ik van zijn vergunning gebruik maken, en u alleen laten vertrekken.
"Ik weet, dat ik u krenk met dit besluit, maar werkelijk, ik kan niet anders handelen. Oordeel niet te streng over mij, vergeef mij, en gedenk mijner in liefde. Ik blijf vrijwillig hier boven. U treft dus geen verantwoordelijkheid, dat gij alleen, zonder mij, naar het vaderland terugkeert. Moogt gij het gelukkig weer bereiken! Dat is mijn innige en oprechte wensch. Breng mijn groet over aan Tübingen, aan Zwaben en aan mijne bloedverwanten! Zeg hun, dat ik mij hier boven overgelukkig voel, als ware ik in het Paradijs, en dat ik daarom niet terugkeer naar de aarde met al haar lijden en strijd. Doe geen moeite om mij te zoeken, gij zoudt mij toch niet vinden in mijne veilige schuilplaats, waar ik blijven zal tot gij zult zijn vertrokken. Vaartwel! Ik zal uwer steeds in vriendschap blijven gedenken!"
Fridolin Frommherz.
Nadat Stiller dezen brief had voorgelezen, heerschte er gedurende eenige oogenblikken een somber stilzwijgen.
"Wat een ellendige spelbreker," begon Dubelmeier te mopperen, "nu begrijp ik in eens, waarom hij zich de laatste weken zoo zonderling heeft gedragen."
"Wij zijn geblameerd, voor altijd geblameerd!" riep Piller, "wat moet men wel van ons denken!"
"Laten wij Eran opdragen om Frommherz te zoeken, die vindt den deserteur zeker," raadde Hämmerle.
"Daar zou ik sterk voor zijn," voegde Thudium er aan toe.
"Het gaat toch niet aan, dat wij Frommherz hier achter laten. Of wij blijven allen hier, òf wij keeren gezamenlijk terug. Dat is duidelijk," liet Brummhuber er op volgen.
"Mijn waarde vrienden, luister eens even naar mij," begon Stiller, en trachtte zijne opgewonden reisgenooten te kalmeeren. "Ik begrijp en billijk volkomen uwe ontsteltenis over het gedrag van Frommherz, en ik ben het daar volkomen mede eens, maar wij hebben niet het minste recht, om hem onzen wil op te dringen. Hij is destijds vrijwillig meegegaan, en kan nu ook vrijwillig achterblijven. Hij had echter open en eerlijk kunnen handelen, dat is echter iets, wat hij met zijn eigen geweten moet uitmaken. Laten wij de zaak nemen, zooals zij nu eenmaal is. Op den indruk en de herinnering, die wij persoonlijk gemaakt hebben, heeft het blijven van Frommherz niet den minsten invloed. Integendeel wij zijn gebleven waarvoor men ons hield. Frommherz zal het in deze omstandigheden en bij de strenge moraalbegrippen der Marsieten niet gemakkelijk hebben te verantwoorden. Laten wij dus zonder hem vertrekken, ik raad u dit, ook met het oog op hem. Gaan wij soms met een verlicht hart huiswaarts?"
"Neen, zeker niet!" klonk het uit vijf monden.
"Welnu, dan zullen wij de positie, waarin onze Frommherz zich vrijwillig heeft gebracht, ten minste zoo goed mogelijk trachten te maken; wij zullen den achterblijver aanbevelen in de vriendschap en welwillendheid van onzen goeden eerwaardigen Eran."
"Dat ontbreekt er nog maar aan," stoof Piller op.
"Waarom niet?"
"Ik begrijp u eenvoudig niet, Stiller!"
"Nu, laat mij dan rustig uitspreken. Onder het lezen van Frommherz' brief, kwam het mij zoo in de gedachte, dat het best mogelijk kon zijn, dat onze vriend na ons vertrek, tot straf voor zijn eigenmachtig achterblijven, en daardoor gebleken gemis aan solidariteitsgevoel, naar het land der Uitgeworpenen zou worden verbannen."
"Dan had hij niet meer dan hem toekwam," bracht Brummhuber in het midden.
"Maar juist dat wilde ik hem besparen. Ik zou wenschen dat hij hier onder dezelfde omstandigheden zou kunnen voortleven. Dit bewustzijn doet ons later, met reine gevoelens aan onzen achtergebleven vriend terugdenken, en werpt dan geen schaduw op de herinnering aan ons heerlijk verblijf hierboven. Ik verzoek u daarom vriendelijk, laat mij mijn gang gaan; ik zal straks met Eran spreken, en trachten deze onaangename zaak zoo goed mogelijk met hem in orde te brengen."
"Stiller, gij maakt ons beschaamd, gij zijt een brave kerel, de beste van ons!" Piller snoot bij deze woorden met kracht zijn neus.
"Volstrekt niet, maar ik ben niet te vergeefs hier geweest onder deze menschen, die zoo hoog staan in hun handel en wandel. Gij ziet dat ik van hen wat heb geleerd."
"Als een van ons het blijven hier waard was, dan zijt gij het, Stiller!" riep Hämmerle vol geestdrift uit.
"Och, houd toch op!" sprak Stiller afwerend. "En nu ga ik naar Eran."
Zonder het minste teeken van verbazing of zonder een woord van verwondering, hoorde de eerbiedwaardige oude, Stiller aan.
"Ook ik vind, dat gij er wel aan doet, uwen broeder niet te dwingen, de terugreis mede te maken. Ieder mensch heeft tot zekere hoogte het recht om over zichzelf te beschikken. Maar dat recht neemt niet weg, dat ik de manier, waarop uw voortvluchtige broeder zijn hierblijven wil doorzetten, niet kan billijken. Laat hem echter gerust hier, en keer met uwe andere tochtgenooten naar de aarde terug. Wij zullen met Fridolin niet al te scherp in het gericht treden."
"Daaromtrent wilde ik gaarne eerst gerustgesteld worden, eerwaarde Eran."
"Heb daarover geen zorg! Wanneer hij na uw vertrek te voorschijn komt, dan zal ik zelf hem naar Angola brengen en bij Anan een goed woord voor hem doen. Maar een kleine straf moet hij hebben. Ik heb reeds over den aard daarvan nagedacht."
"En waarin zal die bestaan?" vroeg Stiller die nieuwsgierig geworden was.
"Fridolin moet voor ons een woordenboek van uw taal samenstellen. Gij hebt ons tot aandenken eenige werken van uwe grootste vaderlandsche dichters geschonken. Welnu, wij wenschen deze werken in het oorspronkelijke te lezen, om ons eene heldere voorstelling van uwe meesters te kunnen maken. Daarvoor hebben wij een woordenboek noodig."
"Nu, tegen deze straf heb ik niets in te brengen, en ik ben overtuigd, dat Fridolin zich van die opdracht tot uwe tevredenheid zal kwijten."
Daarmede was de zaak Frommherz afgeloopen. Stiller deelde het resultaat zijner bespreking aan zijne vrienden mee, en de heeren prezen opnieuw de goedheid en zachtmoedigheid van Eran, den waardigen patriarch.
Volgens de gewone tijdrekening, die Stiller ook op Mars had bijgehouden en waarbij hij rekening hield met het verschil in omloopstijd om de zon van Mars en van de aarde, was het nu den 7en Maart geworden, en daarmede de dag van vertrek aangebroken.
Eran had er op gestaan, de zes zonen der Aarde tot aan den Argonaut te vergezellen. Ook de geheele volwassen bevolking van Lumata ging mee. Een ernstig stilzwijgen der geheele menigte, gaf uitdrukking aan de oprecht gemeende smart over de op handen zijnde scheiding. Zonder een woord te spreken gingen zij naar de weide, waar de Argonaut wiegelde in het heldere, reine licht van den aanbrekenden dag.
"Laten wij kort en spoedig afscheid nemen, en dit niet met vele woorden nog moeilijker maken," zeide Eran, terwijl hij van de Zwaben een voor een afscheid nam. "Moge uw terugreis gelukkig zijn, en gij behouden weer in uw vaderland aankomen!"
Nog een handdruk, een vriendelijk gewuif naar alle kanten, en de moedige luchtreizigers klommen in de gondel. De touwen werden gekapt en langzaam en statig, begroet door de eerste stralen der opgaande zon, begon de ballon te stijgen.
Daar kwam Fridolin Frommherz hard aangeloopen; de menigte maakte hem ruimbaan.
"Vaartwel, vrienden!" riep hij met luider stemme. "Nogmaals: vergeef mij, dat ik blijf, en niet met u terugkeer. Gelukkige reis en mijne hartelijke groeten aan mijn dierbaar vaderland."
Maar de heeren in de gondel, hoorden slechts nog zwak, wat Frommherz hun nariep. Antwoorden konden zij niet meer. In steeds sneller vaart verwijderde de Argonaut zich van de wonderschoone planeet, en zweefde weldra weder in het donkere koude luchtruim.
HOOFDSTUK IX.
WEDER OP AARDE.
Ook te Stuttgart was, sedert het opzienbarend vertrek der zeven Zwaben, de tijd niet blijven stilstaan. Waar of die landslui, die waaghalzen, wel zijn mochten? Zouden zij werkelijk Mars hebben bereikt? Misschien waren zij in het geheel niet op deze planeet beland, maar neergedaald op een der talrijke planetoïden; misschien ook was de geheele expeditie verongelukt en waren de ongelukkige natuurvorschers voor altijd in het onmetelijk wereldruim verdwenen. Deze laatste meening werd vrijwel algemeen gedeeld en voor waar aangenomen.
Na de opstijging van den Argonaut werd aanvankelijk te Stuttgart nog veel en levendig over die reis der natuurvorschers geredeneerd en allerlei vragen geopperd; langzamerhand echter verflauwde de levendige belangstelling in de Marsexpeditie. Nieuwe vragen des tijds, meer actueele gebeurtenissen hadden zich voorgedaan, en verdrongen eindelijk de herinnering aan de sprookjesachtige onderneming.
Plotseling, als een bliksemstraal uit helderen hemel, ontving men op zekeren Septemberdag te Stuttgart het bericht, dat de heeren professoren, die voor ongeveer drie jaar van de Cannstatterweide waren opgestegen, op een van de eilanden der Zuidzee waren neergedaald en wel met den Argonaut.
In het eerste oogenblik wilde niemand aan dit bericht geloof hechten, en hield men het voor een zeer misplaatste grap. Toen het echter verscheen in het "Staatsblad voor het Koninkrijk Wurtemberg" en door duizenden extra bladen werd verspreid, werd zelfs de meest hardnekkige twijfelaar van de waarheid van dit bericht overtuigd.
Een telegrafisch bericht luidde lakoniek kort:
Matupi, 31 Aug. 's nachts.
Argonaut van Mars terug, hier neergedaald. Stiller, Piller, Brummhuber, Hämmerle, Dubelmeier, Thudium.--Betrekkelijk welvarend.
w. g. Districtshoofd.
In de eerste groote verrassing viel het in het geheel niet op, dat er in het telegram slechts van zes personen sprake was. Eerst langzamerhand begon men er aan te denken, dat toch nog een zevende aan de expeditie had deelgenomen. De conclusie was spoedig gemaakt. Frommherz was ongetwijfeld gedurende de reis gestorven.
Met het grootste ongeduld zag men in Zwaben, in Duitschland, ja in de geheele beschaafde wereld, nadere berichten te gemoet. Welke belangrijke mededeelingen, kon men van de reeds verloren gewaande natuurvorschers verwachten!
De eerste tijd na het vertrek van Mars, ging vrij dragelijk voor de bezoekers der planeet voorbij. Zooals Stiller reeds had uitgemaakt, was de Argonaut in de goede richting en ondervond den invloed van de aantrekkingskracht der aarde. De reis stelde weer hooge eischen aan de heeren met betrekking tot hunne gezondheid, geduld en volharding. Maanden waren sedert verloopen en het einddoel van de reis, de aarde, was nog maar altijd niet in het zicht. De stakkerds voelden zich hoe langer hoe meer uitgeput, en benijdden in stilte vaak den achtergebleven Frommherz. Maar eindelijk moet toch, zelfs na den langsten en donkersten nacht, de dag weer gloren!
Het liep tegen het einde van Augustus. Reeds meer dan vijf maanden bewoog de Argonaut zich door het aetherruim, en Stiller verwachtte iederen dag met het luchtschip in den dampkring der aarde te komen. Juist, een flauwe schemering kondigde de nabijheid daarvan aan!
Evenals vroeger bij het naderen van Mars, in een oogwenk de herinnering aan alle, gedurende de reis, doorgestane ellende was verdwenen, werd dit ook nu het geval.
Toen Stiller zijne tochtgenooten meedeelde, dat zij zoo even in den dampkring der aarde waren gekomen, en waarschijnlijk nog heden ergens op den aardbol landen zouden, wanneer zijne vrienden er ten minste niet de voorkeur aan gaven dadelijk door te reizen naar Duitschland, werd er in de gondel luide gejubeld.
Vergeten was plotseling alle kommer en ellende, alle lichamelijk ongemak.
"Waar of het ook wezen moge, dalen en uit deze vervloekte kast," riep Piller. "Wij zijn nu waarachtig lang genoeg opgesloten geweest!"
"Piller heeft gelijk," zei Thudium.
"Geen uur langer dan bepaald noodzakelijk is, blijf ik in deze afschuwelijke kooi," verklaarde Hämmerle, en Dubelmeier en Brummhuber waren het volkomen met hem eens.
"Wanneer het zóó met u gesteld is, landen wij maar waar we kunnen," antwoordde Stiller, kalm als altijd. "Wij moeten er echter voor zorgen, dat wij in eene beschaafde streek dalen, en niet bij vergissing in den vollen Oceaan terechtkomen."
"Daarvoor moet gij maar zorgen, Stiller," zeide Piller. "En nu, vrienden, laten wij met dien heerlijken Marswijn drinken op onze gelukkig volbrachte reis. Het is mij eene ware vreugde, mijn goede Dubelmeier, dat ik u gedurende dezen tocht van Saulus tot Paulus heb gemaakt, en u wijn heb leeren drinken in plaats van water. Prosit!"
Terwijl de overige heeren de bokaal, een prachtig kunststuk der Marsieten, dat men hun te Angola ten geschenke had gegeven, lieten rondgaan, had Stiller het ventiel van den ballon een weinig geopend en een der vensters van de gondel ontsloten. De Argonaut daalde snel.
"Wanneer ik mij niet bedrieg, dan zweven wij op het oogenblik boven de oostkust van Australië," zeide Stiller, nadat hij een blik door het venster had geworpen. "Wij zullen bij Brisbane in Queensland landen."
"Prachtig, Stiller, oude jongen! Prosit! Daar zullen wij eens op drinken." Piller wilde juist zijn collega de bokaal met wijn toereiken toen de gondel plotseling een hevigen windstoot kreeg die haar met ballon en al deed ronddraaien. De bokaal viel op den bodem, en de heeren zelf moesten zich aan de meest nabijzijnde vaste voorwerpen vastklemmen, wilden zij niet als ballen door elkander rollen.
"Wij zijn op het laatste oogenblik in een cycloon terecht gekomen, zooals hier in de buurt dikwijls voorkomen," riep Stiller zijne verschrikte reisgenooten toe. "Nu komt het er vooral op aan moed te houden. Wij zijn nu aan het blinde toeval overgeleverd."
Gedurende de eerstvolgende angstige uren woedde de orkaan in onverminderde hevigheid en kracht. De wind blies huilend door het opene geheel vernielde venster van de gondel, en deed daarbinnen alles wat niet bevestigd was, door elkander waaien. Het was bij het vreeselijk loeien van den orkaan niet mogelijk een woord te wisselen. Voor meerdere zekerheid moesten die in de gondel waren, zich op den bodem neerleggen.
Hulpeloos dreef de ballon waar de stormwind hem joeg. Het was een tragisch lot, dat in het laatste oogenblik der reis, zoo kort voor de landing op aarde, de reizigers trof; en daarbij bestond nog het groote gevaar, dat de Argonaut naar zee gedreven zou worden en de expeditie na de ongehoorde reis naar en van Mars, tot dusver zoo gelukkig te hebben volbracht, tenslotte toch nog zou verdrinken.
De zes mannen waren van treurige, sombere gedachten vervuld. Verscheidene uren verliepen. De dag die onder zulke heerlijke voorteekenen was begonnen, liep ten einde. De storm scheen te bedaren, mogelijk ook was de Argonaut buiten den maalstroom van den wervelwind geslingerd. In elk geval, de dolle vaart door de lucht verminderde merkbaar en de heeren konden eindelijk uit hunne minder aangename positie opstaan en naar buiten kijken. Tot hunne vreugde bemerkten zij, dat de ballon dreef naar den kant van een grooten inham, met een bosch van groene kokospalmen tot achtergrond en omzoomd door vriendelijke kleine huizen.
Fluks opende Stiller het ventiel van den Argonaut, toen deze juist boven het palmbosch zweefde. Met volle zwaarte viel de ballon op de hooge palmboomen neer, die krakend braken. In het wit gekleede mannen snelden toe, gevolgd door bijna naakte donkere gestalten, de inboorlingen, die schreeuwend en gesticuleerend rondom de open plek stonden, die de Argonaut in het palmbosch zich had gemaakt. Uit de gondel vernam men de stemmen der reizigers.
"Dat schijnen wel Duitschers te zijn!" riep een der mannen, eene slanke gestalte met blonden baard en blauwe oogen.
"Ja, dat zijn wij!" riep Stiller uit de gondel. "Wees zoo goed en help mij den ballon vastmaken. Hier is het touw met het anker."
"Met genoegen," antwoordde de heer, "hier jongens, helpt eens een handje, maakt dat anker vast!" Met deze woorden, wendde hij zich tot de rondom staande zwartjes, en weldra lag de zwaar toegetakelde Argonaut geankerd in het palmenwoud.
"Waar zijn wij?" vroeg Piller uit het gondelvenster.
"Op Duitschen bodem!"
"Sedert wanneer groeien er palmen in het Duitsche Rijk?"
"Sedert wij koloniën hebben," was het lachende antwoord. "Gij zijt in den Bismarck archipel op Matupi."
"Zoo, dus op eene Duitsche bezitting! Nu dàt noem ik nog eens geluk bij een ongeluk!" lachte Brummhuber.
"Ja, het scheelde werkelijk niet veel, of wij waren verdronken," merkte Dubelmeier op.
"Nu, dan waart ge in uw element, het water," schertste Piller.
"Komt, vrienden, stapt uit; wij zijn eindelijk op vasten bodem," sprak Stiller.
Toen de heeren uitgestapt waren, stelde de behulpzame blanke zich voor, als Sebastiaan Scheufele uit Cannstatt-Stuttgart, sedert drie jaren keizerlijk districtshoofd op Matupi.
"Wij zijn ook Zwaben," zeide Stiller lachend, "wij zijn professoren aan de universiteit te Tübingen en indertijd met onzen ballon van de Cannstatterweide opgestegen. Zwaben schijnt men overal in de wereld toch te vinden! Mocht ge nog eens ooit van uw leven op Mars komen, dan zult gij zelfs dáár een landsman aantreffen!"
Het districtshoofd keek den spreker eenigszins verbaasd aan, alsof hij hem niet goed begrepen had.
"Gij komt dus met uw ballon uit Cannstatt?"