Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars
Part 7
Het onderwijs bepaalde zich daarom niet tot eenvoudige elementaire onderwerpen, maar strekte zich uit tot de geschiedenis en de kennis der staatsinrichting, tot de wetenschap van de wetten der natuur, en de kennis van de meesterwerken der Marsliteratuur zoowel in proza als in poëzie. Hand in hand daarmede ging het onderricht in de algemeene lichaamsbouw- en gezondheidsleer, die in overeenstemming was gebracht met den leeftijd der leerlingen.
De namiddagen, waarop geen onderwijs werd gegeven, waren gewijd aan allerlei gymnastische spelen. Na verloop van een bepaalden schooltijd, werden wedstrijden gehouden, en die daarin de overwinning behaalden, werden tot eene hoogere klasse bevorderd. Op deze eenvoudige wijze kwam eene duidelijke scheiding tot stand tusschen de scholieren die werkelijk talent hadden en hen die minder begaafd waren. Voor de eersten stond dan de weg open tot de kunstscholen of andere inrichtingen van hooger wetenschappelijk onderwijs. Die hoogere ontwikkeling was gemeengoed van het geheele volk, en geen aanmatigende middelmatigheid kon op Mars tot aanzien komen.
"Wij, aardbewoners, zijn toch ongelukkige stumpers, vergeleken bij die prachtkerels hierboven; wat is het leven daar beneden op aarde vergeleken bij het leven hier! Hier, reine heldere zonneschijn, daar beneden donkere sombere nevel. Wat staat die zoo hoog geprezen beschaving der meest ontwikkelde natiën ontzettend ver achter bij die van het volk op Mars!"--zeide op zekeren dag Brummhuber, terwijl de heeren aan tafel zaten.
"Reeds daar beneden op onze planeet vermoedde ik dat wij hier menschen zouden vinden, die de volmaaktheid nabij kwamen, maar ik moet erkennen, dat mijne verwachtingen in elk opzicht zijn overtroffen," antwoordde Stiller.
"Wij kunnen de menschen hier niets, totaal niets aanbieden, en dat drukt mij persoonlijk zeer," merkte Thudium op.
"Wat hebben wij hun aan te bieden? Misschien ons pessimisme, onze afschuwelijke zelfzucht, of de onwaarheid, die ons leven vergiftigt; alle kenmerken van onze hooge beschaving!" riep professor Piller uit.
"Gij hebt helaas maar al te zeer gelijk, Piller," bevestigde professor Stiller. "Op Mars vindt men reeds datgene wat waarschijnlijk eerst na verloop van eeuwen den menschen op aarde zal ten deel vallen."
"Zouden zij het wel ooit zoover brengen," zuchtte Frommherz.
"Daaraan valt niet te twijfelen," hernam Hämmerle. "Mars heeft zonder twijfel eens dezelfde, althans dergelijke phasen van ontwikkeling moeten doorloopen als de volkeren op aarde, maar de beschaving hier, dateert van veel vroeger."
"Ja zeker! Van duizenden en duizenden jaren. De vraag is maar, of wij in verband met de ontaarding van ons ras--ik leg bijzonderen nadruk op die ontaarding--of wij wel ooit in staat zullen zijn, een zelfden trap van ontwikkeling en beschaving te bereiken als de Marsbewoners. Ik voor mij twijfel er aan!" riep Piller uit en trachtte zijne opgewondenheid te bedaren met een slok wijn.
"Piller, gij zijt pessimist, en onrechtvaardig als altijd!" merkte Dubelmeier op.
"Ik, pessimist en onrechtvaardig! Wat bedoelt gij daarmede?"
"Daarover wensch ik niet met u te redetwisten."
"Zoo, zoo, gij wilt mij dus beleedigen?"
"Ik denk er niet aan, daarvoor houd ik veel te veel van u, en acht ik u veel te hoog, mijn oude alcoholist! Maar mijns inziens is het pessimistisch en onrechtvaardig, wanneer gij maar zoo botweg verklaart, dat de volken der aarde ongeschikt zijn voor verdere ontwikkeling en beschaving."
"Ik ben het met vriend Dubelmeier eens," bracht professor Stiller in het midden. "Daar hebt ge nu bijvoorbeeld ons, Piller!"
"Neen maar, prachtige voorbeelden!" bromde Piller, die door een flinken slok wijn zachter gestemd scheen.
"Zeker, voorbeelden van menschenkinderen, zooals ik, zonder al te groote zelfverheffing, durf beweren,--wij vertegenwoordigen tot op zekere hoogte de toekomst. De algemeene beschaving en de ontwikkeling van het zedelijk bewustzijn, waarvan wij op het oogenblik de dragers zijn, zal later meer en meer het eigendom worden van alle beschaafde volken der aarde."
"Geloove dat, wie wil!"
"Ik geloof het niet alleen, ik ben er vast van overtuigd, en wel op grond van de ontwikkelings-geschiedenis der menschheid."
"Stiller, ik zal u niet tegenspreken, want ik wil mij niet nog meer boos maken, maar mij er integendeel in verheugen, dat ik hierboven in dit heerlijke Lumata mag zitten."
"Dat is een verstandig woord, waarvoor u alle eer toekomt. En nu vrede, waarde vrienden!" riep Frommherz.
"Akkoord," riep Brummhuber uit.
Eenige dagen waren na dit gesprek verloopen. Toen verscheen Eran, de patriarch uit den stam der Ouderen, weder eens in de woning zijner gasten, en noodigde de heeren uit, langs den kortsten weg met hem naar Angola te reizen. Allen juichten dit plan toe. Ditmaal zouden de Zwaben officieel te Angola door den stam der Wijzen worden ontvangen.
Deze was geheel voltallig, daar men buitendien nog verschillende vragen wenschte te behandelen. Ook de stam der Ernstigen kwam opdagen, om in een vergadering, zooals af en toe gehouden werd, over eenige wetenschappelijke onderwerpen van gedachten te wisselen.
De ontvangst van de kinderen der aarde te Angola liet niets te wenschen over. Hun wondervolle en snelle tocht van de aarde door het onmetelijke wereldruim naar "het kind des lichts"--zooals de Marsieten hunne schoone planeet noemden,--was begrijpelijkerwijs het voornaamste onderwerp der gesprekken, en van aller levendige belangstelling. Bij de eerste zitting van den stam der Ernstigen, die in een rijk versierde zaal van een marmeren paleis plaats had, zette professor Stiller de verschillende omstandigheden uiteen, die hem hadden doen besluiten, tot de samenstelling van den Argonaut en het ondernemen van de moeilijke reis, die zoo uitstekend was geslaagd. Hij vertelde hun verder, van zijn vaderland, van de volken van Europa en van de aarde in het algemeen.
Deze laatste was den Ernstigen welbekend. De voorstelling die zij zich daarvan, dank zij hunne buitengewoon scherpe instrumenten en hun verbeeldingskracht, hadden gemaakt, kwam vrijwel met de werkelijkheid overeen. Zoo wisten de geleerden van Mars, dat het derde "kind des lichts" (met dien naam bestempelden de Marsieten alle planeten) de Aarde, aan de polen groote ijsmassa's vertoonde, waardoor een aanzienlijk gedeelte van het zeewater in boeien geslagen was, en dat de oppervlakte der aarde voor meer dan 70 % uit water bestond. Dat de dampkring, die de aarde omringde, rijk aan waterdamp moest zijn, leidden zij af, uit de verhouding van het vaste land tot het water. Zij waren volkomen op de hoogte van de dichtheid der aarde, kenden de verdeeling in een oostelijk en westelijk en een noordelijk en zuidelijk halfrond, de snelheid waarmede zij draaide om haar eigen as en die waarmede zij zich bewoog om het "eeuwige licht," de zon, en dergelijke meer.
Ook van ieder werelddeel afzonderlijk hadden zij een juist begrip en dit ging zelfs zoover, dat zij verschillende groote landen konden onderscheiden. Het was daarom voor de geleerde vreemdelingen niet zoo bijzonder moeilijk om met de Marsieten als het ware eene wandeling te maken over de aarde, waarvan deze reeds zooveel kennis hadden opgedaan. Ze gaven eene nauwkeurige beschrijving van hun vaderland, en vertelden van de plaats aan den Neckar, vanwaar zij naar Mars waren getrokken.
Zoowel de Wijzen als de Ernstigen luisterden met levendige belangstelling naar deze verhalen, die nog vermeerderde, toen zij bemerkten, dat de zeven Zwaben op aarde eveneens tot een zekeren stam der Wijzen behoorden.
De heeren werden daarom uitgenoodigd, om de verzamelde élite der Marsieten nader in te lichten omtrent de verschillende beroepen door hen uitgeoefend, d. w. z. de omstandigheden te schilderen, waaronder zij op aarde onder hunne medemenschen verkeerden. Tevens werd de wensch geuit, dat de vreemdelingen een nauwkeurig beeld zouden ontwerpen van het leven en streven van de bewoners der aarde, waarmede men dan de bestaande toestanden op Mars zou vergelijken.
Er werd bepaald, dat ieder der professoren op bepaalde dagen, twee voordrachten houden zou, de eene zakelijk en de andere over het onderwerp dat de algemeene belangstelling had gaande gemaakt: de bewoners der aarde en de trap van beschaving waarop zij stonden.
De professoren kweten zich inderdaad meesterlijk van die taak. Zij vertelden van den bestaanden toestand der verschillende takken van wetenschap in de verschillende beschaafde landen van Europa, meer in het bijzonder die van Duitschland, en lieten open en eerlijk het volle licht schijnen op de politieke en sociale aangelegenheden en den strijd die tusschen de verschillende, om den voorrang twistende, natiën gevoerd werd. Zij schilderden daarbij al de middelen van list, geweld en geslepenheid, die daarbij werden in praktijk gebracht en verklaarden den Marsieten dat men dit alles op de aarde met den naam van diplomatie bestempelde. Zij verzwegen daarbij niet de treurige verschijnselen, die zich voordeden bij den steeds feller wordenden strijd om het bestaan, en de moeilijkheid voor het meerendeel der menschen om zelfs in hunne allereerste levensbenoodigdheden te voorzien; niet alleen in de lagere standen, maar zelfs bij de meer ontwikkelden.
Zij bekenden onomwonden, dat bij helaas alle beschaafde volken der aarde aan den drang tot vooruitgang allerlei moeilijkheden werden in den weg gelegd door verschillende belemmerende instellingen en kleingeestige bepalingen, en dat het meerendeel der zoogenaamde beschaafde volken, in weerwil van den ontzettenden vooruitgang der techniek en der natuurwetenschappen, nog altijd ver verwijderd was van het ideaal eener reine levensbeschouwing. Hieraan beantwoordde slechts een klein aantal der inderdaad hoogst beschaafden, en ook deze kleine schaar van uitverkorenen was eenigermate aangestoken door de ergste en gevaarlijkste kwaal dezer eeuw: de lafheid. Men zou het onder de beschaafde natiën op aarde--om van de minder beschaafde geheel te zwijgen--niet wagen om open en eerlijk datgene te zeggen wat men dacht, uit vrees daarmede invloedrijke personen te kwetsen, en zijn eigen bestaan in gevaar te brengen. Daarom waren overtuiging en handelingen ook zelden met elkaar in overeenstemming. Tengevolge daarvan heerschte overal, in meerdere of mindere mate, gebrek aan moed en eerlijkheid der overtuiging, en stond de leugen--het kind der huichelarij--de zegepraal der waarheid in den weg, en was oorzaak, dat nog zeer vele instellingen bleven bestaan, die hadden bewezen op den duur onhoudbaar te zijn; ongezonde en onverstandige toestanden die geenszins in overeenstemming waren met eene reine wereldbeschouwing en het werkelijke welzijn des volks.
Met groote vreugde hadden zij daarom op Mars toestanden aangetroffen, die zoo geheel in overeenstemming waren met het ideaal des levens en het reine mensch-zijn, zooals zij zich dat hadden gedacht, en naar welker verwezenlijking door de beste der natiën daar beneden op de aarde zoo vol ijver werd gestreefd.
Alle heeren uitten zich min of meer op deze wijze.
Frommherz voegde daaraan nog eenige beschouwingen toe over de godsdienstige en kerkelijke instellingen in Duitschland.
De Wijzen en Ernstigen hadden met alle aandacht naar deze vertoogen van de zonen der aarde geluisterd. Hunne wetenschappelijke uiteenzettingen bevatten voor de Marsieten niets nieuws. Zooveel te meer belangstelling toonden zij voor de sociale en andere toestanden, die hunne gasten hun met zulke levendige kleuren hadden geschilderd. Geen geluid werd gedurende de lange voordrachten vernomen.
Toen Stiller had aangekondigd, dat de voordrachten waren afgeloopen, belegden de Wijzen en Ernstigen eene vergadering, waarvan de zeven Zwaben waren uitgesloten. Het resultaat dezer bespreking zou hun later worden medegedeeld.
"Wat zouden die van plan zijn?" vroeg Frommherz bezorgd.
"Wel, ik denk, dat zij eene scherpe critiek zullen uitoefenen op onze voordrachten, waartoe zij alleszins gerechtigd zijn!" antwoordde Stiller.
"En ons dan in den gezwinden pas laten vertrekken, let eens op!" voegde Brummhuber daaraan toe.
"Daartoe zijn onze gastheeren veel te fatsoenlijk," hernam Piller, "ofschoon de Marsieten volkomen in hun recht zouden zijn, wanneer zij ons in overweging gaven, eindelijk eens aan onzen terugkeer te gaan denken."
"Laten wij maar rustig afwachten wat komen zal," besloot Dubelmeier.
"Daar zal wel niet veel anders op zitten," zuchtte Frommherz, wiens geweten hem een weinig plaagde met betrekking tot zijne godsdienstige en kerkelijke beschouwingen.
Toch waren de zonen der aarde eenigszins onrustig, terwijl zij met elkander wandelden door de heerlijke parken van het wonderschoone Angola, gedurende de vergadering der Marsieten.
Den volgenden dag, den tiende dien zij in Angola doorbrachten, werden de Zwaben weder op plechtige wijze binnengeleid in de groote zaal, waar zij hunne voordrachten hadden gehouden.
De oudste onder de Ouden, eene echte Hunnengestalte, Anan geheeten, stond op en begroette hen hartelijk.
"Mijn waarde vrienden," aldus sprak hij hen aan, "wij allen hebben met groote aandacht en levendige belangstelling geluisterd naar hetgeen gij ons omtrent de algemeene en bijzondere toestanden op uw wereldbol hebt medegedeeld. Deze mededeelingen hebben eigenaardige gevoelens en gewaarwordingen in ons wakker geroepen, die wij eerst in alle bedaardheid voor ons zelf wilden verwerken, alvorens u onzen dank te betuigen, en tegelijkertijd antwoord te geven op hetgeen wij hebben gehoord. Dit is dan ook de reden, waarom wij eene bijzondere vergadering hebben belegd. In de eerste plaats danken wij u voor de oprechtheid, waarmede gij ons het leven der volken op uw planeet hebt geschilderd. In het eerste oogenblik schenen uwe verhalen ons sprookjes, en wij zouden ze ook als zoodanig hebben beschouwd, wanneer wij niet overtuigd waren, van den ernst uwer levensopvatting, van uwe rechtschapenheid en eerlijkheid. Wij hebben niet tevergeefs uw leven te Lumata gadegeslagen. Het resultaat dier waarnemingen was de uitnoodiging om hierheen te komen, waarmede wij u een blijk hebben gegeven van onze achting en ons vertrouwen. En nu kom ik tot uwe mededeelingen terug. Te vergeefs hebben wij gebladerd in de geschiedenis van ons verleden, om daarin zulke barbaarsche en door bedrog en onwaardigheid beheerschte toestanden te vinden, als zij bij u, zoowel in het private als in het openbare leven nog schijnen te bestaan; die hebben wij gelukkig niet gekend. Zeer zeker heeft het ook ons niet ontbroken aan innerlijken strijd, aan bittere teleurstellingen van allerlei aard, totdat wij eindelijk zijn geraakt tot die levensomstandigheden en levensopvattingen, die gij nu in ons bewondert. Onze ontwikkeling is echter minder moeilijk, minder pijnlijk geweest dan de uwe. Reeds van oudsher had bij ons,--bij de groote massa des volks,--de gedachte wortel geschoten, dat het niet onze bestemming was om te blijven staan op den lagen trap van beschaving, maar dat wij onze krachten moesten inspannen om hooger te stijgen. Deze hoogere ontwikkeling tot de ideale vrijheid kon alleen worden bereikt door eene geleidelijke verstandelijke ontwikkeling, die ons vatbaar maakte voor het hoogere licht der waarheid.
"Gij, waarde vrienden, hebt gedurende uw verblijf te onzent langzamerhand de wegen leeren kennen, die wij hebben ingeslagen om dit hoogere doel te bereiken, wegen, die wij ook nu nog bewandelen en ook in de toekomst zullen blijven bewandelen, omdat zij bewezen hebben de rechte te zijn. Daarover zal ik dus niet meer spreken. Ik wil gaarne toegeven, dat wij het bij onze ontwikkeling gemakkelijker hebben gehad dan dit bij u op aarde het geval geweest is en nog is. Wij hebben hier een volk, dat vrijwel één is, in taal, denken en voelen, wat op uwe planeet niet het geval is. Wij konden ons daarom met veel minder moeite en zonder dien door u geschilderden moord-in-het-groot,--door u oorlog genoemd,--opwerken tot dien hoogen trap van beschaving, die uw ideaal zoo nabij komt. Wij hadden dus die vreeselijke verwarringen niet te overwinnen, die uw geluk en vooruitgang zoo hinderlijk in den weg staan, en voortdurend bedreigen.
"Bij ons heerscht reeds sedert onheuglijke tijden een zeker gemeenschapsgevoel, eene broederlijke verhouding, die den grondslag van ons bewustzijn vormt, en de drijfkracht is onzer handelingen.
"Bij u ontbreekt, helaas, dat machtige gevoel van solidariteit, of is althans niet in die mate aanwezig, als het voor algemeen welzijn noodig mag worden geacht. De oorzaak van den lageren trap waarop gij staat, ligt mijns inziens in gebrek aan die eenvoudige natuurlijke moraal die op ons leven zulk een gunstigen invloed uitoefent.
"Het deed ons pijnlijk aan, te hooren hoe bij u iedere schrede op den weg van vooruitgang wordt gekocht met bloed en tranen, en hoe daarvoor velen moeten worden opgeofferd; en toch--gij hebt het zelf gezegd--het moet en zal ook bij u op aarde eenmaal anders en beter worden. Gijzelf zijt daarvoor de levende getuigen, want gij toont reeds heden datgene, wat naar uwe getuigenis, in later tijd de groote massa wezen zal.
"Wakkere brave mannen van uw geestelijke ontwikkeling, moeten daarom daarbeneden op de aarde arbeiden aan de geestelijke ontwikkeling hunner medemenschen en broeders. Wanneer ieder voor zich, bij dat moeilijke werk, ook al geene volle bevrediging vindt, bedenk dan dat de gevolgen van het arbeiden aan het werk der volmaking uwer medemenschen niet u, maar uwe nakomelingschap ten goede komen zal. Wij raden u daarom: "Keert naar uwe aarde terug."
"O Hemel, had ik het niet gedacht," zuchtte bij deze woorden professor Frommherz.
"Houd toch uw mond, gij klager",--voegde professor Piller hem allesbehalve vriendelijk toe.
"Keert terug naar uwe Zwaben, naar het brave volk uit welks midden gij zijt voortgekomen en wijdt u aan het verheven werk zijner volmaking. Het zij verre van ons u te willen wegjagen, gij zijt en blijft onze lieve gasten."
"Goddank," mompelde Frommherz.
"Maar ik moet eerlijk bekennen, en ik spreek hiermede uit naam mijner broeders en zusters,--gij zijt de eerste, maar ook de laatste vreemdelingen,--die van een der andere kinderen des Lichts, tot ons komen mogen; want dit is de hoofdzaak, het eigenlijk resultaat onzer bespreking.
"In het belang van ons volk, wenschen wij geen verder verkeer met anderen. Dit doelt niet op u, want,--ik herhaal het hier nogmaals nadrukkelijk--gij zijt onze lieve gasten en vrienden. Maar wij nebben geen enkelen waarborg, dat er niet eenmaal menschen tot ons zouden kunnen komen, die niet even hoog staan als gij, wier gedrag, bij een langer verblijf, waarschijnlijk tot allerlei onaangenaamheden aanleiding geven zou, en eindelijk hunne verwijdering van hier zou tengevolge moeten hebben. Dat willen wij ons besparen.
"Uwe stoutmoedige reis zal u weliswaar niet zoo spoedig worden nagedaan. Men kan echter niet weten, en daarom hebben wij reeds nu strikte orders gegeven geen luchtschip meer te laten landen, waar het ook vandaan moge komen, al was het zelfs uit uw geliefd Zwaben. Blijf bij ons, wanneer gij wilt, of keer na korter of langer tijd weder met uw luchtschip huiswaarts, wij laten dit aan uw eigen goedvinden over en blijven steeds uwe oprechte vrienden! En nu, lieve broeders en zusters"--wendde Anan zich tot de Marsieten,--"roept het met mij uit: Heil, geluk en voorspoed, zij den zeven Zwaben, onzen lieven eersten en eenigen gasten."
HOOFDSTUK VI.
IN HET LAND DER UITGEWORPENEN.
Met zeer gemengde gevoelens keerden de heeren van Angola naar Lumata terug. Zouden zij op Mars blijven of heengaan? Dat was de eerste en gewichtige vraag, die hen de eerstvolgende maanden bezighield.
"Al hebben de Marsieten te Angola ons nu niet direct op straat gezet, toch hebben zij ons duidelijk te kennen gegeven, dat het zoo langzamerhand tijd wordt onzen ransel te pakken," zeide Piller op zekeren dag tot zijn collega Stiller.
"Gij hebt gelijk, en ik moet u ook oprecht bekennen, dat mij dit werkelooze leven en die groote gastvrijheid, die ons wordt bewezen en waarvoor wij op geen enkele wijze onze dankbaarheid toonen kunnen, zwaar begint te vallen. Wij moeten toch eens weer aan vertrekken denken, want wij kunnen hier toch niet tot aan het einde onzer dagen blijven."
"Hm, hm! Toch verlaat ik Lumata ongaarne, het scheiden zou mij inderdaad moeilijk vallen; wanneer ik denk aan onze reis hierheen en aan al de moeilijkheden, waarmede wij te kampen hebben gehad, dan kan ik er van griezelen, wanneer ik aan terugkeeren denk! Maar toch moet dit gebeuren, daarover kan en mag geen twijfel bestaan, het is dus alleen maar de vraag wanneer. Laten wij het dus maar een poosje afwachten!" antwoordde Piller.
"Op die manier spreken er ook de andere vrienden over, waarde Piller. Alleen Frommherz maakte een uitzondering, die ontwijkt zooveel mogelijk iedere bespreking, die op onzen terugkeer betrekking heeft."
"Dat wil ik graag gelooven," merkte Piller lachend op, "onze waarde vriend Fridolin is overgelukkig dat hij hier mag vertoeven en krijgt het benauwd, wanneer wij over eene thuisreis beginnen te spreken. Ik kan het hem trouwens niet kwalijk nemen, dat hij gaarne voor altijd hier zou willen blijven. Maar het is duidelijk, dat aan dit luie leventje een einde komen moet. Daarin ben ik het volkomen met u eens, Stiller!"
"Wij beginnen dus met voorloopig hier te blijven, en maken ons onzen tijd zoo goed mogelijk ten nutte. Inmiddels zorg ik er voor, dat onze Argonaut weer uitstekend in orde wordt gemaakt, en tevens voor eene voldoende hoeveelheid proviand. Ik zal langzamerhand, met de grootste nauwgezetheid, alles voor onze terugreis in orde maken."
"Vergeet vooral dien heerlijken wijn niet! Neem, als 't u blieft, daarvan eene voldoende hoeveelheid in de gondel mede."
"Dat zal gebeuren, gij eeuwige dorstlijder!" antwoordde Stiller lachend.
In vriendschappelijken, aangenamen omgang met het beminnenswaardige volk op Mars, en het maken van kleinere en groote uitstapjes en reizen, ging de tijd maar al te snel voorbij. Op een dier tochten waren zij iets verder buiten de eigenlijk bewoonde streken, in de noordelijke koudere gewesten van den planeet beland. De natuurvorschers werden hier buitengewoon aan hun vaderland herinnerd door het zien van goed onderhouden bosschen en groene weiden, afgewisseld door mooie donkerblauwe meren. Daartusschen verhieven zich hooge gebergten, die door hunne met sneeuw bedekte toppen, levendig aan een Alpenlandschap herinnerden. Hier ontmoetten zij verspreide en ver uit elkander liggende nederzettingen van Marsieten, wier ernstig en stilzwijgend optreden een scherp contrast vormde met de vroolijke en opgewekte levensopvatting van hunne andere broeders.
Op hunne desbetreffende vragen, werd den geleerden meegedeeld, dat dergelijke kleine koloniën, ook in de zuidelijke gematigde luchtstreek van Mars werden gevonden.
De kolonisten heetten "de uitgeworpenen" omdat hunne namen hetzij tijdelijk, hetzij voor altijd, uit de stamboeken op Mars waren geschrapt.
Dat zijn dus de misdadigers die, van alle gemeenschap met anderen uitgesloten, hierboven boete doen voor hunne wandaden?" vroeg Dubelmeier.
"Wij kennen hier alleen overtreders van de wet, geen andere misdrijven," antwoordde men den vrager.
"Nu dat komt dan toch zoowat op hetzelfde neer," ging Dubelmeier voort. "Maar waarin bestaat dan bij u de wetsovertreding, die gestraft wordt met verbanning naar deze streken?"
"In het niet nauwkeurig beantwoorden aan alle plichten en verplichtingen."
"Dan zou bij ons op aarde 9/10 der menschen verbannen worden, en zouden wij op het laatst met de bannelingen geen raad meer weten," riep Piller verbaasd uit.
"Wij zijn hier ook niet op uwe planeet," antwoordde glimlachend Baran, die de reizigers tot gids strekte.
"Maar het is toch eigenlijk wreed, om wegens kleinere vergrijpen, een medemensch uit zijn gewone gezellige omgeving te stooten," bracht Hämmerle in het midden.