Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars

Part 5

Chapter 53,756 wordsPublic domain

Onder dergelijke gesprekken, bereikten de heeren met hun begeleider de eerste huizen. Tot hunne verwondering bemerkten zij, dat die gebouwen, die zij uit de verte voor openbare inrichtingen hadden gehouden, niets anders waren, dan groote particuliere woningen of villa's. Zij waren gemaakt uit witte kunstig gehouwen steenen, en hadden aan de voorzijde hooge galerijen, die, door zuilen gedragen, een alleraangenaamsten indruk maakten, en getuigden van de groote voorliefde, die de bewoners koesterden voor frissche lucht en ruimte.

Voor het warme klimaat waren zulke open galerijen het eenige doelmatige. Breede marmeren trappen leidden daarheen, en daarop speelden aardige, frissche kinderen, die slechts een licht hemdje droegen, dat om het middel door een gordel werd bijeengehouden.

In de galerijen stonden hier en daar fraaie marmeren beelden. Alles ademde hier rust, schoonheid en vreugde, en liet niet na een diepen indruk op onze reizigers te maken.

De grijsaard bracht zijne gasten naar een gebouw van twee verdiepingen, dat veel van een paleis had, omgeven door de fraaiste bloemen en gewassen, prachtig ingericht, als een vorstelijk verblijf. Het was het huis van den grijsaard zelf, wat deze den vreemdelingen ten gebruike afstond.

Langs breede marmeren trappen kwamen de professoren op eene groote plaats, in het midden waarvan een prachtige fontein vroolijk sprong. Rondom dit plein lagen groote kamers, zalen gelijk, waarvan de deuren alle op het plein uitkwamen. Aan den rechterkant bevond zich de hoofdtrap; deze bestond uit twintig breede treden, ieder bestaande uit een steen van vier meter lengte, en voerde naar een portaal met een groot venster.

Van hier kwam men langs twintig treden in een hooger gelegen gang, die door groote vensters werd verlicht, en een prachtig ingelegde zoldering had. Langs deze gang kwam men in eene rij salons, waarop de slaap- en badkamers volgden. Het geheele gebouw was uitstekend verlicht en van alle gemakken voorzien.

De grijsaard klapte in de handen, waarop eenige jonge mannen toesnelden, die waarschijnlijk de dienende geesten waren van dit huis. De grijsaard sprak lang en met nadruk tot hen, en wees eindelijk op zijne gasten en trachtte dezen door gebaren te beduiden, dat zij hun gemak moesten nemen. Daarop verliet hij hen met eene vriendelijke buiging. Ook de bedienden verdwenen, maar kwamen weldra weder terug en brachten andere kleeding en sandalen, zooals ook zij droegen.

Zonder een woord te spreken, maar uiterst gedienstig, wezen zij de vreemdelingen den weg naar de badkamers.

"Ik ben werkelijk nieuwsgierig, waar dat alles op zal uitloopen," zeide Piller tot professor Stiller, "als ik niet klaar wakker was, en zoo nuchter als een pasgeboren kind, en volkomen bij mijn verstand, dan zou ik inderdaad gelooven, dat alles wat ik hier tot nu toe heb beleefd, niets anders was dan een spel mijner verbeelding."

"Laten wij maar afwachten, Piller! Om te beginnen hebben wij het hier niet slecht, integendeel! Ik hoor hier dichtbij al met tafels schuiven. Onze maaltijd wordt waarschijnlijk gereed gezet. Laten wij eerst gaan baden, en ons ontdoen van het laatste aardsche stof, en dan... dan beginnen wij ons nieuwe leven op Mars, dat zoo hoogst interessant belooft te worden. Tot later dus!"

Bij deze woorden verdween Piller in zijn badkamer. Stiller zoowel als de anderen volgden weinige oogenblikken later dit voorbeeld, en al heel spoedig daarna plasten de reisgenooten, in op temperatuur gebracht water, in hunne marmeren badkuipen.

Wonderlijk verfrischt en gesterkt door het bad, en gehuld in hunne frissche gemakkelijke kleeren, kwamen de geleerden een half uur later in de hooge luchtige eetzaal van het huis bijeen. De zoldering van deze zaal was medaillonsgewijs prachtig beschilderd, de vensters bestonden uit fraaie mozaïk ruiten, en de vloer uit marmeren platen in verschillende kleuren.

In het midden van de zaal stond de tafel met schitterend tafelzilver gedekt; ook borden en bokalen waren uit hetzelfde edele metaal vervaardigd. Op schalen van echt kristal lagen de heerlijkste vruchten. In de fraai geslepen karaffen fonkelde verleidelijk eene heldere goudgele vloeistof. Zware armstoelen uit eene eigenaardige zwarte houtsoort vervaardigd, met vergulde leuningen, stonden rondom de tafel.

"Dat is inderdaad vorstelijke pracht!" riep Frommherz verrukt uit, terwijl hij in de zaal rondkeek en de tafel monsterde. "Hier kunnen wij ons gerust vestigen, hier is het wel uit te houden! Ver van de aarde, en het paradijs nabij!"

"Nu, gij schijnt een en al bewondering te zijn," riep Hämmerle lachend uit.

"Laat Frommherz maar phantaseeren! Wat mij betreft ik ben benieuwd wat wij te eten zullen krijgen," zeide de nuchtere Piller, terwijl hij aan tafel ging zitten. "Op zestig millioen kilometers van de aarde, zal de spijskaart er toch wel een beetje anders uitzien, dan bij ons aan de oevers van den Neckar."

"Stiller, gij gaat aan het hoofd van de tafel zitten als president," riep Brummhuber uit, toen professor Stiller op zijne gewone bescheiden manier, tusschen zijne collega's wilde plaats nemen.

"Natuurlijk!" bevestigde professor Piller. "Eere wien eere toekomt! Onze vriend Stiller heeft tot nog toe de zaak netjes opgeknapt, hij moet daarom ook voortaan onze leidsman zijn!"

Met deze woorden schonk hij uit de voor hem staande karaf iets in zijn bokaal, en hield dat onderzoekend onder den neus.

"Hm..... hm.... dat ruikt niet kwaad.... een fijn bouquet." Voorzichtig nam hij een teug. "Het is wijn, waarachtig! Het is wijn, eene soort sec, zooiets als sherry, maar veel zachter," deelde Piller mee, toen hij gedronken had. "Hij is van goede afkomst, doch onze Neckarwijn is beslist zoeter dan deze Marsdrank, maar dat doet er niet toe, hij mag blijven zooals hij is, liever dezen wijn dan geen wijn."

"Zeg Piller, gij alcoholist, wees blijde dat gij nog wat te drinken krijgt!"

"Wij zijn waarachtig toch niet naar Mars gegaan om wijn te drinken," riep professor Dubelmeier uit. "Uw eeuwige dorst en uw voortdurend verlangen naar onzen Neckarwijn, hadden voor u eigenlijk een reden moeten zijn om stilletjes op de aarde te blijven!"

"Och wat, gij hartstochtelijke spuitwaterdrinker!" riep Piller nijdig uit. "Wat weet gij van...."

Maar professor Stiller liet den vertoornde niet uitspreken.

Hij stond op. "Mijn waarde vrienden, ik verzoek om rust en vrede, en wensch u allen een recht goeden eetlust bij het aanstaande maal! Laten wij den eersten dronk wijden aan onze behouden aankomst op Mars; de tweede zal ons klein en groot vaderland gelden; die zij gewijd aan Zwaben en aan Duitschland; ik verzoek u uwe bokalen te vullen en mij bescheid te doen!"

"Nu, daar heb ik vrede mee," zeide Piller, "Stiller is toch waarachtig een verstandige kerel!"

"En nu, mijne vrienden, laat ons plaats nemen!"

Naar het voorbeeld van den grijsaard, klapte professor Stiller in de handen, waarop zeven bedienden binnenkwamen, voor ieder der heeren één. Zij droegen schotels waarop prachtige visschen lagen.

De toorn van Piller verdween, bij het zien van die warme uitlokkende spijzen. Hij en de andere heeren tastten duchtig toe, allen waren het er volkomen over eens, dat de visch uitstekend gesmaakt had. Op de visch volgden eenige eigenaardige maar uiterst smakelijk toebereide meelspijzen, daarna groenten, vruchten en gebak.

Toen het ontbijt was geeindigd, vulde Piller zijn bokaal met den fonkelenden wijn, schoof zijn stoel een eindje terug, en stond op.

"Stilte, mijne heeren!"--Het op luiden toon gevoerde opgewonden gesprek der heeren verstomde, en maakte voor eene aandachtige stilte plaats.

"Mijn waarde vrienden en tochtgenooten, ik vervul hiermede een soort van plicht," begon Piller, maar werd plotseling afgeleid doordat hij van buiten wonderschoone zachte tonen hoorde, die langzamerhand in machtige accoorden overgingen. Dat was eene muziek, een spel zóó plechtig en zóó mooi, dat de heeren stil en bijna onbewegelijk op hunne plaatsen bleven zitten, om toch maar door geen geruisch, hoe gering ook, iets van die aangrijpende tonen te verliezen, die met hun klank hen boven het tegenwoordige schenen te verheffen, tot in de blauwe zalige gewesten van oneindige vreugde. Zacht en stil, een fluisteren gelijk, stierven de tonen langzamerhand weg.

"Zoo worden wij op Mars ontvangen," riep professor Stiller opgewonden uit, toen de muziek eindelijk zweeg. "Is een schooner en tegelijk verhevener welkom voor ons, hierboven denkbaar, dan dit verrukkelijk snarenspel?"

"Neen, zeker niet!" antwoordden zijne reisgenooten vol enthousiasme. Toen liepen zij naar de vensters van de zaal, om te zien, wie hun dit heerlijk genot had bereid. Het waren twaalf harpspelers, die zich langzaam en waardig met hunne instrumenten van het terras verwijderden.

"Zeg, Piller, dat was zeker een schooner en edeler genot, dan de speech zou geweest zijn, die gij voornemens waart, af te steken," plaagde Dubelmeier zijn collega.

"Hoe wilt gij weten, wat ik te zeggen had; die speech krijgt gij den een of anderen dag toch te hooren. Maar wees dankbaar, dat de heerlijke muziek, die ik zooeven heb gehoord, mij zoo vredig heeft gestemd, dat ik op uwe provocaties niet zal antwoorden zooals zij dat verdienden,--hoort gij het, onverbeterlijke waterdrinker!"

De heeren lachten over het dispuut der beide reisgenooten, die in weerwil van alle plagerijen, elkander toch zoo hartelijk genegen waren.

Vergezeld van verscheidene eerbiedwaardige mannen, verscheen de grijsaard weder in de deur van de zaal. Er kwam een glimlach op het ernstige, sprekende gelaat van den ouden man, toen hij de zeven vreemdelingen terug zag, die nu, gekleed evenals hij, in eerbiedige houding voor hem stonden.

De grijsaard knikte ter begroeting even met het hoofd, en noodigde de heeren met eene handbeweging uit, hem te volgen. Zij gingen denzelfden weg terug dien zij dien morgen gekomen waren.

"Pas op," merkte Frommherz bezorgd op, "meteen worden wij weder dadelijk daarheen gestuurd, waar wij vandaan zijn gekomen."

"Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn," antwoordde professor Stiller, "want in dat geval, zouden wij niet zoo vriendelijk zijn ontvangen!"

Het gezelschap was nu weder op de weide aangekomen, waar de Argonaut nog voor anker lag, en zich bijna onmerkbaar heen en weder bewoog.

De oude beduidde den heeren, dat zij hunne bezittingen uit de gondel te voorschijn zouden halen. Om hun dit aan het verstand te brengen, klom hij met eenige zijner metgezellen langs de touwladder naar de gondel, en bracht daaruit van allerlei mede, dat aan de aardbewoners toebehoorde. Nu begrepen deze, wat hij wilde.

"Ziet gij wel dat ik gelijk had," riep Stiller zijn collega Frommherz toe, "men komt toch niet heelemaal van de aarde naar zulke vriendelijke en gastvrije menschen, als de Marsbewoners schijnen te zijn, om dadelijk weder rechtsomkeer te maken. Overigens zouden wij, in onzen tegenwoordigen toestand, er onmogelijk aan kunnen denken, om dadelijk de terugreis te aanvaarden.

"Daarvoor beware ons de hemelsche genade altijd," antwoordde Frommherz, die druk bezig was, zijne bezittingen bij elkaar te zoeken.

Al heel spoedig daarna lag de weinige bagage der Marsreizigers op den grond. De grijsaard bekeek opmerkzaam al de instrumenten, die te voorschijn kwamen, en legde eene bijzondere belangstelling aan den dag voor den verrekijker. Stiller trachtte hem het gebruik er van duidelijk te maken. De oude schudde bij deze stomme verklaringen slechts het hoofd, en wees eindelijk met de rechterhand naar een gebouw in de verte, welks koepelvormig dak den professor nu eerst in het oog viel.

"Daar hebben wij waarachtig hierboven een sterrenwacht, en nog wel vlak bij," riep Stiller verheugd uit. "Vrienden, daar moeten wij vanavond nog heen, om van daar uit onze Moeder Aarde in de verte als schitterende ster van eerste grootte gade te slaan en te bewonderen!"

Stiller maakte den grijsaard dezen wensch duidelijk. Hij wees eerst naar den hemel, toen naar den kijker, en eindelijk naar den koepel van het gebouw. Daarna nam hij een der groote mede gebrachte hemelkaarten, en vouwde die open. Hij volgde met den wijsvinger van zijn rechter hand de planeten, wier banen om de zon op een afzonderlijk gedeelte van de kaart waren geteekend. De grijsaard begreep hem nu dadelijk en knikte toestemmend met het hoofd. De professor trachtte nu ook hem aan het verstand te brengen, waar hij en zijne reisgenooten vandaan waren gekomen. Hij wees daartoe naar eene afbeelding der aarde, daarna volgde hij de daaromheen loopende baan van Mars, wees daarna op die planeet zelf en eindelijk op den ballon.

Een kreet van verbazing ontsnapte aan de lippen van den grijsaard. Hij had professor Stiller volkomen begrepen, en reikte hem voor de eerste maal met woorden, die als een hartelijk welkom klonken, de hand, die deze hartelijk drukte. De grijsaard vertelde aan zijne begeleiders, wat de vreemdeling hem zooeven in gebarentaal had duidelijk gemaakt, en op hun open eerlijke gezichten kwam eene uitdrukking van achting voor de moedige vreemdelingen, die van zóó verre tot hen waren gekomen. De luchtreizigers werden weder teruggebracht naar de woning, waar zij het zich huiselijk begonnen te maken, met de verschillende voorwerpen, die zij uit het vaderland hadden medegebracht.

Het was inmiddels middag geworden, geen lastige nieuwsgierigen hadden hen bij hun arbeid gestoord, en nadat zij hiermede gereed waren, hadden zij zich met een onuitsprekelijk welbehagen op de zachte rustbedden in hunne kamers uitgestrekt, om te genieten van de zoolang ontbeerde weelde eener heerlijke legerstede.

Het was inmiddels etenstijd geworden. Het ging met het middagmaal als met het ontbijt, alleen was het overvloediger.

Reeds wilden de heeren, uiterst voldaan over het hun geschonken culinarisch genot, van tafel opstaan, toen eene nieuwe verrassing hen daarvan deed afzien.

Van het voorplein klonk à capella menschelijk gezang. Het was een lied vol teederheid en diep gevoel. Het was alsof de in tonen omgezette barmhartigheid en menschenliefde zich in de harten der geleerden deed gelden, zóó machtig en zóó krachtig dat zij slechts met moeite hunne ontroering konden bedwingen. Toen het lied geeindigd was, wischten sommigen zich de tranen uit de oogen.

"Daar moet ik eens op drinken," zeide Piller, terwijl hij zijn glas vulde. "Gevoelsaandoeningen roepen bij mij altijd de behoefte aan eene hartversterking wakker. Kom, Dubelmeier, trek nu niet zoo'n gek gezicht, maar doe liever met mij mee!"

"De hemel beware me er voor, dat ik deze heerlijke genotvolle oogenblikken met alcohol zou ontwijden!"

"Zooals gij wilt, waarde Dubelmeier!" antwoordde Piller tegen zijn gewoonte, bijzonder beminnelijk en zacht.

De heeren verlieten het huis, om genietende van den heerlijken avond, eene wandeling te maken, ten einde den omtrek, waar zij vermoedelijk langeren tijd zouden moeten verblijven, wat nader te leeren kennen. Op die wandeling werd het hun hoe langer hoe duidelijker, dat het luchtschip was neergekomen bij eene grootere nederzetting, dan zij aanvankelijk hadden gemeend. Het moest een soort stad zijn, want in weerwil van het geheel, vol tuinen en parken, bewezen de vele huizen, die steeds geheel afzonderlijk stonden, dat hier eene tamelijk dichte bevolking wezen moest. In deze meening werden de heeren nog versterkt, door het groote aantal menschen, die zij nog met het een of ander bezig aantroffen. Niemand was hier werkeloos, maar háást scheen hier niemand te kennen, want alle arbeid geschiedde met eene zekere plechtige kalmte en rust.

Wat stak dit alles weldadig af bij het onrustig drijven der menschen op aarde. Waarheen de geleerden het oog ook wendden, scheen eene zekere gelijkmatig verdeelde welvaart te heerschen. Zelfs betrekkelijke armoede scheen hier onbekend te zijn.

Niet alleen in de huizen, die zóó open waren, dat iedere nieuwsgierige daarin een blik kon werpen, maar ook daarbuiten op alle straten en wegen, heerschte eene bijna overdreven zindelijkheid.

Op hunne wandeling kwamen de heeren ook langs eene breede rivier, die zij dien morgen in de vroegte, reeds vanuit den ballon hadden gezien. Het moest een van de beroemde Marskanalen zijn, want zoo ver ze zien konden, was zij kunstmatig aangelegd, met lijnrechte oevers. Een groote steenen brug, die op vele pijlers rustte, een meesterwerk van bouwkunst, verbond den eenen oever met den andere. Op Mars scheen alles te staan in het teeken der rust, want zelfs het heldere lichtgroene water in het kanaal stroomde kalm en statig en droeg eene menigte sierlijk gebouwde schepen.

Bij de brug lag een schip, waarop eenige mannen bezig waren platen gekleurd marmer, blokken graniet en suevit te lossen, wat gebeurde met eene gemakkelijkheid, die de zeven Zwaben in stomme verbazing bracht. Zouden de Marsbewoners zich onderscheiden door zulk eene verbazende lichaamskracht, zouden het wellicht een soort Athleten zijn.

"Wat hebben die menschen een prachtig ontwikkelde borstkas, bekijk die eens goed," met deze woorden wees Piller naar de arbeiders.

"Het is mij van morgen al opgevallen, dat deze menschen zoo mooi gebouwd en zoo breed van schouders zijn. Ook de kinderen onderscheiden zich in dat opzicht van die der aarde."

"Dat is pas een ras, dat door zuivere kultuur, ijzersterke longen heeft gekregen, en bijna niet vatbaar is voor tering," ging Piller voort.--Inmiddels was Brummhuber naar de arbeiders gegaan, en had getracht een der marmerplaten op te lichten.

"Het komt mij voor, dat het marmer bijzonder licht is, zou het misschien eene geheel andere soort zijn dan bij ons," riep hij zijne tochtgenooten toe. Deze kwamen nieuwsgierig geworden nader en onderzochten de steenen.

"Neen, het is uitstekend marmer, bekijk die fijne korrel maar eens, en die zacht gekleurde aderen, die er door heen loopen," antwoordde Piller, nadat hij den steen aan een zorgvuldig onderzoek had onderworpen.

"En deze prachtige roode steen hier, is van het fijnste suevit, of ik moest in het geheel geen begrip meer hebben van mineralogie," bracht professor Hämmerle in het midden, die op verschillende plaatsen den steen had beklopt.

"Laten wij eens probeeren om dien steen te lichten!"

"Juist, die schijnt hier boven van minder soortelijk gewicht te zijn dan bij ons. Nu begrijp ik, waarom deze menschen zulke lasten zoo gemakkelijk kunnen opheffen. Hoe komt dat? Weet gij dat misschien, Stiller?"

"De oorzaak ligt mijns inziens in de dichtheid van Mars, die 0,7 van de aarde bedraagt," antwoordde Stiller.

"Nu begrijp ik ook, waarom heden bij het diner de bokalen en het zilveren tafelgereedschap mij zoo verbazend licht toescheen," voegde Thudium er aan toe. "Ik had echter geen tijd om hierover na te denken, want de muziek boeide mij te veel!"

"Dat was ook met mij het geval," bevestigde Stiller.

"En hoe staat het met de dichtheid der Marsatmosfeer?" vroeg Frommherz. "Hierin gevoel ik geen verschil met die van onze vaderlandsche lucht in den zomer. Integendeel, ik adem hier lichter en gevoel mij vroolijker dan daar!"

"De luchtlaag, die deze planeet omgeeft, is aanmerkelijk minder hoog dan die van onze aarde. Denkt u zelf bij ons op eenen berg van middelmatige hoogte, dan zal die ijlere lucht ongeveer overeenkomen met deze. Onze aardbarometers zijn helaas niet zoodanig ingericht, dat wij ze op Mars kunnen gebruiken, om tot absoluut zekere vergelijkingen en conclusiën te kunnen komen," antwoordde Stiller.

"Doch dat daargelaten, uit uwe woorden kan ik mij volkomen de buitengewone ontwikkeling van de borstkas van onze vrienden op Mars verklaren: de longen zijn overeenkomstig de behoeften. Op dezelfde eenvoudige wijze zullen zich ook wel alle andere eigenaardigheden der Marsbewoners laten verklaren, die wij nog wel eens hier of daar zullen ontmoeten," hernam Piller, terwijl hij doorliep, en de andere heeren zijn voorbeeld volgden.

"A propos!" vroeg Piller al doorwandelende, "is het u ook niet opgevallen, dat onze Marsbewoners zulke buitengewoon mooie oogen hebben?"

"In grootte en glans, steken zij zeer zeker bij de onze af. Er gaat van de spiegels der ziel dezer Marsbewoners eene buitengewone schittering uit."

"Juist gezien, Stiller! Ik heb nog nooit zulk eene prachtig blauwe iris gezien; het is de ideaal-kleur voor een edel oog, en dan dat weelderige krullende haar! Het zijn ware Zeus- en Junogestalten! Frommherz had vandaag gelijk met zijne vergelijking."

"Niet waar?" riep deze uit, verheugd over die opmerking. "De Marsbewoners schijnen mij zoowel lichamelijk als geestelijk, hoogstaande menschen te zijn."

"Voor deze streek schijnt uw oordeel juist te zijn, afgaande op hetgeen wij heden hebben ondervonden," hernam Stiller.

Daar de zon was ondergegaan, besloten de heeren uit Zwaben, voor heden hunne wandeling te staken, en terug te keeren naar hun tehuis, waar zij het bezoek wilden afwachten van den grijsaard, die hen naar de sterrenwacht brengen zou. Zij waren nog onderweg, toen de nacht zijne donkere vleugels over het landschap begon uit te spreiden. In het oosten werd het al lichter en lichter. De Maan kwam op en wierp haar zilver licht over de stille, vredige landstreek.

"Dat is de groote Marsmaan, Deimos genaamd, die daar schijnt," verklaarde professor Stiller aan zijne tochtgenooten. "Over eenige oogenblikken zult ge den tweeden wachter van Mars zien, waarmede wij den vorigen nacht, gelukkig slechts in zeer oppervlakkige aanraking zijn geweest."

Juist, daar daagde ook de kleine Phoebus aan den horizont op.

"Welk een prachtig schouwspel!" riep Stiller verrukt uit. "Waarlijk de Marsbewoners hebben 's nachts geen kunstverlichting noodig! Zij hebben niet alleen iederen nacht helderen maneschijn, maar worden behalve dat, nog door twee schitterende hemellichamen beschenen."

"Dat is zeker, Mars is eene merkwaardige planeet," merkte Piller op, terwijl hij een oogenblik staan bleef om te kijken naar de beide wachters, die een licht verspreidden dat bijna gelijk stond met daglicht, en dat prachtige schaduwen te voorschijn riep.

"Het is alsof een sprookje werkelijkheid is geworden. Dat zou voor u weder eene prachtige reden zijn om te drinken, Piller!" spotte Dubelmeier.

"Wel ja, waarom niet, oude jongen, waarom niet! Te oordeelen naar alles wat wij vandaag gezien hebben, geloof ik dat er op Mars nog veel zal te bewonderen zijn, en de aanleidingen tot drinken tot een bedenkelijk aantal zullen stijgen. Mijn lijfspreuk echter is die van den ouden Griekschen wijsgeer: van niets te veel!"

Dubelmeier lachte.

"Lach toch niet zoo dwaas, gij watersnip, en volg zelf liever ook zijn voorbeeld met uwe overdreven waterdrinkerij! Dat is een goede raad, dien ik u als dokter geef."

"De manen hier, komen mij aanmerkelijk grooter voor, dan bijvoorbeeld onze wachter daar beneden," merkte Frommherz op, met deze woorden een einde makende aan de stilte, die na Pillers laatste woorden was ontstaan.

"Dat is maar gezichtsbedrog, mijn waarde," verklaarde Stiller, "de manen van Mars zijn aanmerkelijk kleiner dan de maan van onze aarde, maar ze staan veel dichter bij de hoofdplaneet dan dit bij onze maan het geval is. Phoebus is van Mars slechts 9000 kilometers, en de groote Deimos niet meer dan ongeveer 23.520 kilometers verwijderd. Daardoor komt het, dat deze wachters van Mars zoo ontzettend groot schijnen."

Onder deze gesprekken waren de heeren bij hun vorstelijk verblijf aangekomen. Daar wachtte hen reeds hun opmerkzame gastheer, van wien zij dien dag reeds zooveel goeds en vriendelijks hadden ondervonden. De hooge gestalte van den grijsaard, scheen hun in den maneschijn nog statiger dan bij daglicht, het lange golvende grijze haar nog meer zilverachtig en glanzend.

"Ziet hij er niet uit als een Patriarch uit den joodschen tijd, toen eenvoud en reinheid van zeden, de schoonste deugden des volks waren?" vroeg professor Stiller zachtjes aan zijn collega Frommherz.