Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars
Part 4
"Stikken, bevriezen, verhongeren vóór wij Mars bereiken,--waarachtig wij hebben de keus tusschen allerlei manieren om aan ons eind te komen! Wat geeft het eigenlijk, of ik mijne reisgenooten door vermindering van hun rantsoen, nog 't beetje genoegen bederf dat eten en drinken hun verschaft, wanneer wij toch zoo goed als zeker den dood in het vooruitzicht hebben! Het beste is dat ik alles maar bij het oude laat. En daarmede uit!"
Na lang en somber-gepeins nam de professor eindelijk dit besluit!
De week liep ten einde en met haar waren de Marsreizigers het nieuwe jaar ingetreden.
Geen hunner had zich bekommerd om de jaarswisseling, die vroeger op aarde door hen in gezelligheid en vroolijkheid was gevierd.
Eene doffe onverschilligheid was over het geheele gezelschap gekomen, die hun ook meer en meer den vroegeren lust tot eten en drinken ontnam. "Wanneer ik goed en wel uit deze gondel op Mars kom, en ik merk dat de levensomstandigheden maar eenigszins gunstig zijn, dan zien zij mij op de aarde en in Zwaben niet meer terug. Geen hemelsch geweld zal mij dan weder tot zulk eene reis verleiden,"--aldus sprak op zekeren dag professor Fridolin Frommherz, terwijl alle andere heeren toestemmend knikten.
Professor Stiller zeide niets op deze woorden, die zoo duidelijk de gevoelens van zijne reisgenooten vertolkten. Met het oog op den buitengewoon kritieken, steeds pijnlijker wordenden toestand van den Argonaut, schenen hem al die opmerkingen van zijne collega's vrijwel overbodig, hij bewaarde een somber stilzwijgen en begon na te denken over middelen en wegen om de reis te bekorten.
"Wie aan zich zelf begint te wanhopen, gaat zeer zeker verloren. Waar nog slechts een schijn van hoop bestaat, zij die ook nog zoo klein en zoo zwak, daar ziet de moedige mensch nog altijd mogelijkheid om een uitweg te vinden, een middel tot redding, terwijl de moedelooze zich aan wanhoop overgeeft. Was ik dan laf en zwak, of ben ik het werkelijk?" vroeg professor Stiller zichzelf af. "Waarvoor vrees ik eigenlijk? Voor den dood, voor het verlies van een leven, dat in dienst der wetenschap voor de gemeenschap eenige waarde heeft, maar dat ik persoonlijk nooit zoo heel hoog heb geschat?"
Het grootsche idee van deze reis, de kunstige bouw van den Argonaut, die tot op dit oogenblik bewezen had zoo uitstekend te zijn, was op stuk van zaken toch zijn werk, waarvoor hij in alle opzichten zooveel had opgeofferd. Reeds vóór de reis tot uitvoering kwam, had hij rekening gehouden met de mogelijkheid dat de expeditie zou mislukken, maar in weerwil daarvan had hij vol moed en hoop zijn vaderland verlaten, in de vaste overtuiging dat hij alle bezwaren zou overwinnen. En, nu de zaak wat kritiek begon te worden, zou hij als een zwakkeling den moed laten zakken? Wat moest hij wel van zichzelf denken? Hij bloosde van schaamte bij die gedachte! Weg met alles wat naar zwakheid en naar lafheid leek! Wanneer hem wezenlijk het lot beschoren was, reeds nu in den bloei en de kracht zijner jaren te sterven, welnu, in Gods naam dan, maar dan was toch ook de wijze waarop hij zou heengaan zijner waardig, zij was even grootsch als eigenaardig. De namen van hem en zijne tochtgenooten, zouden, ook al waren zij reeds lang van den aardbodem verdwenen, op aarde nog altijd met eerbied worden genoemd. Met gulden letters zouden zij worden opgeteekend in de annalen der wereldgeschiedenis en der wetenschap, als die van stoutmoedige, zij het dan ook als ongelukkige luchtreizigers. Die gedachte was ook een troost, een groote zelfs, een trotsche een verhevene. Toen legde professor Stiller bij zichzelf de heilige belofte af, dat hij vastberaden en met open oog de toekomst zou te gemoet gaan, ze mocht dan brengen wat ze wilde.
Hij werd wonderlijk kalm, en was daardoor in staat helder te denken en te overleggen. Allereerst begon hij zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, hoeveel electrische energie hun nog overbleef. Hij rekende dagen en dagen lang. De afstand tusschen den Argonaut en Mars bedroeg juist achttien millioen kilometers. De werking der aantrekkingskracht der planeet op den Argonaut kon van dezen uit worden vermeerderd, wanneer men er toe kon besluiten, een deel der electrische energie op te offeren en het wereldruim in te zenden, Mars tegemoet.
Professor Stiller moest zichzelf bekennen, dat dit een waagstuk was, want de voorraad energie, die noodig was voor verlichting en verwarming van de gondel, werd er verbazend door verminderd. Hij bedacht zich echter niet, nadat hij tot de overtuiging was gekomen, dat het opofferen van een groot deel der electrische energie de eenige mogelijkheid was om hun leven te redden en de expeditie tot een goed einde te brengen. Het was een va-banque-spel, maar moest in de gegeven omstandigheid gespeeld worden. Er was geen andere keus!
Professor Stiller ging direct aan het werk. Eerst sloegen de heeren de nieuw ontwaakte bedrijvigheid van hun reisgenoot bijna onverschillig gade. Langzamerhand echter begonnen zij nieuwsgierig te worden, en de verflauwde belangstelling in de wetenschap weder te ontwaken.
"Wat voert ge daar toch uit, Stiller?" klonk het van uit de verschillende hoeken van de gondel waar de heeren lagen.
"Ik werk aan onze redding," antwoordde de aangesprokene kortaf.
"Dat is een prijzenswaardige arbeid," merkte Frommherz met zwakke stem op.
"Verklaar ons uw plannen eens," sprak professor Dubelmeier.
"Mijn beste vrienden, laat mij nu rustig mijn gang gaan. Bij mijne verklaringen komen zooveel cijfers te pas, dat u het hoofd zou omloopen, en dat moet juist wat ontzien worden."
"Stiller heeft gelijk," besloot professor Piller, "geef mij liever uit de kast, waar gij vlak vóór zit, een flesch van onzen heerlijken vaderlandschen wijn. Ik wil daarin vergetelheid zoeken."
"Ge drinkt bepaald te veel, Piller," waarschuwde Dubelmeier maar voldeed toch aan het verzoek van zijn vriend, en overhandigde hem een flesch met het fonkelende roode vocht. "Alcohol is verderfelijk voor de hersens, dat moet gij als medicijnman toch wel het allerbest weten."
"Voor mijn part!" merkte professor Piller geeuwend op, waarna hij een flinke teug nam. "Zoo, dat heeft gesmaakt! Er gaat toch niets boven een goed glas wijn. En nu, Dubelmeier, raad ik u dringend, ook eens nader kennis te maken met dezen vijand der menschelijke hersens. Alleen met Göppinger water houden onze hersens het op deze vervloekte reis niet uit!"
Na deze woorden deed professor Piller zijne oogen weder dicht, en sliep rustig in. Ook de andere heeren keerden weldra weder in hunnen lethargischen toestand terug.
Professor Stiller had intusschen de uitwerking van zijn proefneming gade geslagen. De snelheidsmeter wees inderdaad eene belangrijk meerdere snelheid aan. Reeds vleide de professor zich met de hoop, dat alles naar wensch ging,--toen er al weer iets anders gebeurde.
"Wat duivel! Wat is er nu weder aan de hand?" vroeg Piller, plotseling opschrikkende uit zijne verdooving, toen men een vreemd geluid, gelijk aan dat van den rollenden donder, in de gondel vernam.
"Dat heeft wel iets van het bruisen van een bergstroom, die tallooze steenen rotsblokken met zich voert," bracht Dubelmeier in het midden. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of een zwaar voorwerp kwam tegen de gondel aan. Verschrikt sprong professor Stiller op.
"Gauw, vrienden, helpt mij de vensters beveiligen, als ik mij niet vergis is er een sterrenregen in aantocht."
De heeren snelden naar de vier vensters van de gondel, en lieten zoo snel zij konden de schermen zakken. Eene kletterende regen ontlastte zich boven den Argonaut, doch hoofdzakelijk boven de gondel.
Reeds meende professor Stiller, dat het gevaar geweken was, toen andermaal een slag, veel heviger dan te voren de gondel trof. Daarna vernam men een kletterend geluid, gevolgd door een jammerkreet. De plaats waar zich de snelheidsmeter in de gondel bevond, was door een kleinen meteoor getroffen.
Door den vreeselijken schok was dit instrument beschadigd, en het glas gebroken. Een der stukken glas had professor Frommherz, die kermend en bebloed op den bodem van de gondel lag, getroffen. Door den slag was de gondel met zóóveel kracht op zijde geworpen, dat daarbinnen de grootste verwarring heerschte. Eerst na verloop van eenigen tijd hield de schommelende beweging op, en maakte plaats voor de oude gelijkmatige. Men vernam geene slagen meer, en professor Stiller kon aannemen, dat de Argonaut ook aan dit gevaar gelukkig was ontkomen.
Nu kon Piller den gewonde onderzoeken. Het stond al vast, dat de verwonding niet zoo ernstig was, als het zich liet aanzien.
"Gij jammert veel te hard naar verhouding van uw wond," spotte Piller, nadat hij de wond had onderzocht.
"O, hemel, dat ontbrak er nog maar aan," steunde de verwonde, toen Piller met zijne naalden door de randen van de wond ging.
"Bah," hernam Piller droogjes, "wat een groot woord, onmensch! Dank uw Schepper liever, dat gij er zoo goed zijt afgekomen. Het zal u wat kranig staan, zulk een roode streep op uw voorhoofd!"
"Wat zal men van mij denken?"
"Wat men wil! Ziezoo, zet nu niet zoo 'n ongelukkig gezicht meer. De wond is genaaid, het verband gelegd, met een beetje watten gedrenkt in Göppinger water, nemen wij de laatste bloedsporen van uw gezicht weg. Dan ziet gij er helderder uit dan een van ons. Over een paar dagen neem ik de draden weg, en daarmede is de zaak gezond."
"Was het maar eerst zoover!"
"Wanneer dat doelt op het eind van de reis, dan ben ik het volkomen met u eens. Eenmaal moet toch aan dien vervloekten tocht een einde komen!" bromde de dokter mismoedig.
Het ergste was, dat nu de snelheidsmeter niet meer werkte en totaal onbruikbaar geworden was. Aan repareeren viel gedurende de reis niet te denken. Dat was een leelijke streep door de berekeningen van professor Stiller, die hem bovendien iedere contrôle onmogelijk maakte. Nu moest alles aan het blinde toeval worden overgelaten. In plaats van berekenen, kon men nu slechts vermoeden. Hij gaf zich dan nu ook weer aan allerlei zwaarmoedige en sombere gedachten over.
Inmiddels verliep de tijd en de ballon vervolgde zijn weg. De levensmiddelen waren intusschen zóó geslonken, dat hongersnood voor de deur stond, terwijl ook de voorraad electrische energie onrustbarend afnam.
Wilde professor Stiller voor zich en zijne reisgenooten dus nog eenige dagen licht en warmte behouden, dan moest hij onmiddellijk eindigen met electrische energie naar het aetherruim af te voeren. Met een bezwaard hart, brak hij dus de verbinding naar buiten af.
Wat zouden de eerstvolgende dagen brengen? Zij hielden in hun schoot, het lot, het geluk, of den ondergang der expeditie verborgen.
Het electrisch licht in de gondel begon zwakker te worden, en eene doordringende koude, die zelfs de pelsen der heeren niet vermocht af te weren, deed zich gevoelen.
De een voor, de ander na, werd hoe langer hoe onverschilliger. Zij schenen langzamerhand over te gaan in een toestand van bewusteloosheid. Het einde der martelaren scheen eindelijk gekomen te zijn. Geen geluid werd meer in de gondel vernomen.
Plotseling gevoelde men een geweldigen schok. Ballon en gondel vlogen op zij, en schenen te willen kantelen. De arme menschen in de gondel vielen tegen en over elkander, en werden als het ware uit hun doodsslaap wakker geschud. Doodelijk ontsteld, door dien plotselingen schok, slaagden de heeren er eindelijk in, weder overeind te komen, en toen zij daarna de oogen weder openden, scheen een vriendelijk zonlicht door de verbrijzelde vensters van de gondel.
Het duurde eenigen tijd, vóór de oogen der reizigers, die zoo lang het licht hadden moeten ontberen, weder aan de heldere stralen gewend waren. Maar toen scheen ook plotseling alle loomheid geweken.
Professor Stiller was het eerst op de been. Zonder te denken aan mogelijk gevaar, stak hij moedig het hoofd uit een der vensters, om te zien met welk ander vreemd lichaam de Argonaut in aanraking was gekomen, want dat dit moest zijn geschied, was den geleerde onmiddellijk duidelijk.
"Hoera, hoera!" riep hij opgewonden uit. "Hoera! wij zijn gered! Wij hebben de kleine maan van Mars, Phoebus, gelukkig maar even geraakt. Maar het buitenste omhulsel van onzen ballon is erbarmelijk gescheurd; en wij hebben, zooals ik zie, nog meerdere schade beloopen, maar dat doet er niet toe! Daar beneden, daar beneden ligt Mars! Wij zijn gered, ge...." professor Stiller viel bewusteloos neder.
Na veel moeite slaagde professor Piller er in, hem weder tot bewustzijn te brengen.
"Waar zijn wij," vroeg professor Stiller met zwakke stem.
"Dat weten wij zelf niet recht, in elk geval nog in de lucht, en niet op vasten bodem," antwoordde professor Piller.
"Dan moeten wij den Argonaut langzaam en voorzichtig laten dalen," zeide Stiller.
"Gevoelt ge u weder sterk genoeg, om de geheele leiding op u te nemen?"
"Het moet eenvoudig!"
Met deze woorden stond professor Stiller op, om zich met een blik door het venster, van de plaatselijke omstandigheden van den ballon te overtuigen.
Juist, daar beneden, op geringen afstand van den Argonaut, stroomde eene breede krachtige rivier, aan wier oevers een donkergroene tropische plantengroei welig tierde.
Daarnaast zag men schitterend in het helle zonlicht, bebouwde velden en bloeiende tuinen. Eigenaardige gebouwen, die van verre schitterend wit schenen, bewezen de nabijheid van levende schepselen. De luide kreten van bewondering, waarmede de koene luchtreizigers aan hunne verrassing hadden lucht gegeven, bij het voorbijtrekken van de maan, hadden hier voor eene stomme bewondering plaats gemaakt, terwijl zij, dankbaar gestemd tegenover het lot, dat hen op het laatste oogenblik voor het uiterste had bewaard, van uit de gondel eenen blik wierpen op het schoone landschap, dat zij thans snel naderden.
HOOFDSTUK IV.
OP MARS.
Van Mars uit--want het was werkelijk die planeet--was de ballon reeds lang opgemerkt. Toen hij nu bijna den grond had bereikt, stroomde een groot aantal menschen, die in den omtrek woonden, naar de plaats waar het luchtschip nederdaalde. De Argonaut werd naar eene groote groene weide gestuurd, waar troepen van de edelste diersoorten graasden. Professor Stiller wierp het touw met het anker met een geweldigen zwaai uit de gondel, en gaf door teekenen en gebaren aan de menschen daar beneden te kennen, wat zij ongeveer moesten doen om den ballon vast te maken. De Marsbewoners begrepen dadelijk wat de vreemde man in zijn gebarentaal van hen verlangde. Zonder eenige haast, doch met bekwamen spoed en opvallend handig, werd aan den wensch van den professor gehoor gegeven. Weldra lag de ballon vast en stevig voor anker. De touwladder werd nu nedergelaten, en met de daarvoor bestemde haken vast gemaakt. De zeven mannen uit het Zwabenland daalden hierlangs naar beneden, om als eerste bewoners der aarde, Mars te betreden.
Eene zachte weldadige en met welriekende geuren bezwangerde lucht, omringde de stoutmoedige luchtreizigers, toen zij de gondel verlieten. Een gevoel van vreugde, van veiligheid en rust vervulde de harten van die halfdoode menschen, toen zij na zoovele weken voor de eerste maal weder vasten grond onder hunne voeten voelden. Ja, zij moesten zich eerst eens overtuigen of het wel grond was, waarop zij stonden. Zij trachtten zich met hunne handen van den aard van dien bodem te overtuigen. Neen, het was geen droom, het was werkelijkheid. Zij stonden inderdaad op vasten grond. Innige dankbaarheid rees uit hun hart ten hemel op, nu zij hun doel mochten bereiken. Tranen van geluk, van de reinste vreugde, rolden de zwaarbeproefde mannen over hunne gebaarde wangen, waaraan sedert lang niet meer de minste zorg was besteed.
"Drommels, wat zien wij er uit!" riep professor Piller ontsteld uit, toen hij in het volle zonlicht zijne reisgenooten eerst wat nauwkeuriger bekeek. Toen begonnen de heeren over hun eigen uiterlijk eens hartelijk te lachen.
Professor Stiller nam inmiddels de om hem en zijne reisgenooten heenstaande menschen eens wat nader op. Het waren inderdaad menschen van vleesch en bloed, die de aardbewoners met vriendelijken glimlach begroetten.
"Zij zijn zeker helderder, grooter en mooier dan wij. Of zouden wij misschien bij de Goden van den Olympus zijn terechtgekomen, in plaats van op Mars?" merkte professor Hämmerle op, nadat hij zijn bril had schoongemaakt en op zijn neus gezet.
"Hoe komt ge daarbij?" vroeg professor Dubelmeier.
"Die menschen hier lijken mij een gezelschap Goden. Kijk maar eens naar die bijna klassiek schoone gezichten, dien krachtigen lichaamsbouw en die prachtige vormen, die de antieke kleederdracht zoo voordeelig doet uitkomen!"
"Er valt zeer zeker veel voor die vergelijking te zeggen, antwoordde professor Stiller, "maar we waren vrij wat dichter bij den Olympus dan bij Mars. Dit eene feit vernietigt reeds uwe illusiën, mijn waarde Hämmerle."
Daarop haalde hij zijn chronometer te voorschijn; die stond op acht uur.
"Het is nog vroeg in den morgen, wij zullen zien wat deze eerste dag op Mars voor merkwaardigs zal opleveren. Laten wij eens probeeren, of we ook een gesprek kunnen aanknoopen met onze vrienden, want dat zij ons goed gezind zijn, bewijst mij hunne voorkomende welwillende houding."
Bij deze woorden stapte professor Stiller op een vooraanstaanden Marsbewoner toe, die hem met eene zekere voorname kalmte liet naderen, zonder van eenige vrees of verwondering blijk te geven.
"Wij zijn hier toch op Mars, nietwaar?"--Hij deed deze eenigszins banale vraag in het Duitsch. De omstanders schudden het hoofd, en antwoordden in een zeer welluidende taal, iets wat op zijn beurt, professor Stiller weder niet verstond, maar waaruit hij meende te moeten opmaken, dat zij het betreurden de vreemdelingen niet te begrijpen.
"Duitsch kennen zij natuurlijk niet. Dat hadt gij toch wel dadelijk kunnen begrijpen, Stiller," merkte professor Hämmerle op.
"Welnu, examineer gij ze eens, Hämmerle, misschien gelukt het u met uwe uitgebreide talenkennis een tongval te vinden, waarin wij ons voor hen verstaanbaar kunnen maken."
Met krachtige stem begon Hämmerle in het oud-Grieksch:
"Vrienden, wij begroeten u recht hartelijk, wij die van de aarde zijn opgestegen, om u te bezoeken."
Maar hij kreeg geen antwoord; zij glimlachten slechts, waardoor zij te kennen gaven dat zij hem niet begrepen. Hämmerle herhaalde nu zijne begroetingen in het Latijn, maar wederom volgde dezelfde stilte, dezelfde glimlach.
"Misschien komen wij met onze moderne talen verder, want van de klassieke schijnen zij volstrekt niet op de hoogte te zijn," zeide Hämmerle, die zich wat boos maakte over het totaal mislukken van zijne eerste pogingen. Maar ook met Engelsch, Fransch, Spaansch, Italiaansch, Russisch, ja ten slotte met Arabisch en Hebreeuwsch, bereikte men niet het gewenschte doel.
"Dat is een goed begin," bromde professor Brummhuber.
"Het schijnt dat wij de Marstaal zullen moeten leeren," merkte Thudium op.
"Dat schijnt wel zoo," bevestigde Frommherz.
"Maar kijk eens, wat komt daar voor een oude heer aan," riep Dubelmeier uit.
Een eenigszins bejaarde man, met eene statige gestalte, grijs haar en een grijzen baard, blootshoofds, baande zich een weg door de menigte, en stapte op de zeven Zwaben toe. De kleeding was gelijk aan die der anderen. Zijne hooge edele gestalte was gehuld in een overblousend sneeuwwit hemd, uit de fijnste wollen stof vervaardigd, en met purperen belegsels afgezet. Om de heupen werd het door een breeden gordel, eveneens in purperkleur, bijeengehouden. Aan zijne bloote voeten droeg hij sandalen van fijn geel leder. Eerbiedig gingen de anderen voor hem uit den weg, en de heeren uit Zwaben maakten de gevolgtrekking, dat deze man maatschappelijk eene hooge plaats innam.
Eerbiedig ontblootten zij het hoofd, en wachtten vol spanning wat er verder zou gebeuren.
De oude keek eerst naar den Argonaut, en vestigde toen zijne heldere donkerblauwe oogen, waaruit zoowel verstand als goedheid sprak, op de zeven vreemdelingen, die hij in zijne harmonische taal aansprak, waarbij hij af en toe op het kolossale luchtschip wees, terwijl hij hun eindelijk met vriendelijke gebaren verzocht met hem mede te gaan.
De heeren volgden nu den ouden man. Bij hen sloten zich kalm en waardig aan, al de Marsbewoners, die bij de nederdaling van den Argonaut hadden geholpen.
Het was den professor, alsof een sprookje uit de "duizend en een nacht" werkelijkheid geworden was. Zij hadden geen oogen genoeg voor al het mooie en eigenaardige dat zij op hunnen weg ontmoetten.
Van de weide af kwamen zij op een schaduwrijk pad, dat met fijn wit zand was bestrooid, en aan weerszijden was beplant met prachtige, rijk met vruchten beladen boomen. Dit pad voerde naar een aantal vrijstaande gebouwen, die door heerlijke tuinen waren omringd. Te oordeelen naar de grootte, schenen dit openbare gebouwen te zijn, wier schitterend wit tegen het groen der omgeving scherp afstak.
Overal ontwaarde men hoog opgaande palmen en daartusschen prachtige lichtgroene bananen en varenplanten, en een bloemenpracht, zooals de Tübinger professoren nog nooit te voren hadden aanschouwd. Rozen, leliën, myrthen, orchideeën en eene menigte andere bloemen wedijverden met elkander, in glans, schoonheid, kleurenpracht en geur. Vlinders in alle grootten en kleuren wiegden zich in de heerlijke zachte lucht en bont gekleurde vogels deden in de boomen hun welluidend lied hooren.
"Het is een paradijs, waar wij te land zijn gekomen," sprak professor Stiller tot professor Piller, die naast hem voortliep. "Ik moet mijn gevoel lucht geven, mijne bewondering onder woorden brengen! Zeg, Piller, zijt gij ook zoo wonderlijk plechtig gestemd, en gevoelt gij ook iets van datgene wat onze onsterfelijke Uhland in zijne zondagsliederen heeft uitgedrukt?"
"Nu, nu," hernam professor Piller droogjes, "ook mij bevalt die intocht op Mars bijster goed; overigens is het vandaag juist Zondag, wist gij dat niet, Stiller?"
"Neen, mij is in de laatste weken de tijdrekening geheel ontgaan. Maar hoe weet gij dat?"
"Wel, toen gij van morgen allen in onmacht laagt, heb ik met mijn horloge in de hand, uw hartslag gecontroleeerd. Nu wijst dit toevallig behalve de uren, minuten en seconden, ook nog de maanden en dagen aan. Wij hebben vandaag Zondag 7 Maart."
"Zondag 7 Maart! Alweder het heilige getal. Moge dit ook verder ons nabij zijn en beschermen," riep professor Stiller uit.
"Vóór alles, zou ik wel graag iets goeds te eten en te drinken willen hebben; dit wekt de levensgeesten wat op, en doet meer goed en helpt beter dan uw heilig getal zeven. Wij hebben ons in de gondel ontzettend moeten behelpen, het wordt hoog tijd, dat wij weder eens een behoorlijk huiselijk leven krijgen."
"O, professortje, professortje!" hernam Stiller lachend, "hongeren en dorsten zult gij hier zeker niet. Kijk maar eens naar al die vruchten!"
Professor Piller keek in de aangewezen richting. "Drommels,"--kwam het over zijne lippen,--"zouden die kolossale bessen misschien tot het geslacht der druiven behooren?"
"Geraden! Wat gij daar ziet zijn wijndruiven, die alleen in zeer zuidelijke klimaten in deze grootte worden aangetroffen."
"Vaarwel dan, heerlijke roode wijn, vaderlandsche drank!"--riep professor Piller zóó luide uit dat al zijne collega's het hoorden. "Vaarwel! want het vocht dat men uit deze kolossale bessen perst, moet iemand als een vurige stroom door de aderen vloeien, en halfdooden als wij zijn, weder tot nieuw leven wekken. Ik verheug mij op een teug van dien drank!"
"Wij schijnen hier nectar en ambrozijn te vinden," lispelde Frommherz.
"Dat Grieksche Godentuig schenk ik je gaarne, wanneer hier onze magen maar iets goeds menschelijks te verorberen krijgen," antwoordde Piller.