Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars

Part 10

Chapter 103,247 wordsPublic domain

"Direct, neen, indirect ja. Direct komen wij van Mars. Hebt gij nooit van de expeditie van Mars gehoord? Het is trouwens ook al ongeveer 2-3/4 jaar geleden dat wij van de Cannstatterweide opstegen."

"Ah, ja, nu herinner ik mij, dat ik in het Zwabensch Handelsblad wel iets over die vreemdsoortige reis heb gelezen. En--gij zijt dus werkelijk die zeven Zwaben? Maar ik zie er maar zes...."

"O, gij bekrompen aardbewoners," viel Piller den twijfelaar in de rede, gelooft gij werkelijk dat zes eerwaardige Zwabensche professoren u wat leugens op den mouw zullen spelden? Wij zijn de zeven Zwaben, die naar Mars gingen. Wij zijn twee jaar daarboven geweest, en komen met ons zessen terug, omdat de zevende daarginds verkoos te blijven. Begrijpt gij het nu eindelijk, man, of moet ik u nog andere tastelijke bewijzen geven, dat wij diegenen zijn, waarvoor wij ons uitgeven? Overigens is mijn naam Paracelsus Piller."

"Neen, neen," riep Scheufele uit, "neem me niet kwalijk, ik geloof u op uw woord, ik was alleen maar wat in de war, en geheel van streek door wat ik gehoord had."

"Nu, wij willen het u gaarne vergeven, onder voorwaarde, dat gij ons, die sedert een half jaar geen warme soep hebben geproefd, een lekker warm maal met goeden wijn voorzet."

"Maar natuurlijk, zeker, met het grootste genoegen! Komt mee, heeren, als 't u blieft!"

"Het loopen valt ons wat moeilijk, onze ledematen zijn tamelijk stijf geworden," deelde Stiller aan het districtshoofd mede, toen hij eenigszins ongelukkig naast hem voortstrompelde. "Wij zijn den 7en Maart van daarboven vertrokken, en als ik mij niet vergis, hebben wij nu 31 Augustus. We zijn dus ongeveer 6 maanden in de gondel geweest, een langen bangen tijd!"

"Wat ben ik er trotsch op, dat gij juist hier bij ons moest landen!"

"Het heeft maar een haar gescheeld, of wij waren nog op het laatste oogenblik verongelukt, en niemand had dan ooit iets van ons wedervaren op Mars vernomen. Maar ik geloof dat we hier zijn, waar we wezen moeten."

"Gaat binnen, heeren, in mijn huis, beschouwt het alles als het uwe en laat mij de eerste zijn, die u de moedigste reizigers, die ooit hebben geleefd, op Duitschen bodem welkom heet. Duidt het mij niet ten kwade, dat ik eerst nu, dien beleefdheidsvorm in acht neem, maar ik was door uwe verrassende verschijning geheel verbluft."

Scheufele schudde ieder der professoren hartelijk de hand, en stelde hun de overige heeren voor, die allen, de van den hemel nedergedaalde gasten met de meeste hoogachting begroetten.

De luchtreizigers ontdeden zich allereerst van hunne pelzen en maakten daarna gaarne gebruik van het aanbod van hun gastheer, om hunne Zware reiskleeding tegen lichte, witte tropencostuums te verwisselen, die hij in een aangrenzend vertrek had doen klaar leggen. Weldra waren zij hiermee gereed, en lagen de heeren in hunne luchtige kleederdracht in schommelstoelen onder de waranda.

Daarbuiten viel de regen in stroomen neer, en het kletterend geluid op het dak verhoogde het gevoel van behagelijke huiselijkheid.

Scheufele zorgde intusschen voor eene hartsterking, en de zwarte bedienden, die zonder geruisch te maken rondliepen, schonken champagne.

"Morgen moet gij onzen Marswijn eens proeven," zeide Piller tot Scheufele, toen hij zijn glas in één teug ledigde en het ten tweede maal liet vullen.

"Wat, hebt gij zelfs wijn van daarboven medegebracht?" vroeg Scheufele verwonderd.

"En wat goeden!" hernam Piller. "Zelfs mijn anders alleen waterdrinkende collega hier, professor Dubelmeier, was er niet tegen bestand, en is voor de verzoeking bezweken!"

"Gedwongen door de omstandigheden," bracht Dubelmeier er tegen in.

"Daarover zullen wij maar niet kibbelen, Dubelmeiertje, laten wij liever eens klinken en drinken op Zwaben en het Duitsche vaderland."

"En nu, een hiep, hiep, hoera! voor onze hoogvereerde gasten," zeide Scheufele tot de beambten van Matupi. Nadat het hoera-geroep was verstomd, werd aangekondigd dat de maaltijd gereed was, en begaf het gezelschap zich naar de eetkamer.

De heeren tastten met grooten eetlust toe, en weldra was het onderhoud levendig en algemeen.

"Ik zal uw aankomst dadelijk naar Stuttgart telegrafeeren; wat een groote verrassing zal dat bericht daar in het lieve vaderland zijn!" zei Scheufele.

"Ja, doe dat," hernam Stiller. "Ik denk dat wij per extra gelegenheid naar Duitschland zullen terugkeeren."

"Wij hebben hier een veertiendaagsche stoomvaart op Singapore, en vandaar kunt gij natuurlijk altijd verbinding krijgen met Europa. Ik ben blij, dat de laatste boot verleden week juist vertrokken is, zoodat gij nog zeven volle dagen onze welkome gasten zijn moet," zei Scheufele lachend. "Gij zult op uw reis en daarboven wel veel wonderlijks hebben beleefd en gezien?"

"Daarover zullen wij een paar boeken uitgeven, want onze berichten zullen deelen vullen," antwoordde Stiller.

"En dat werk zullen wij u later zenden, als bewijs van dankbaarheid voor uwe gastvrije ontvangst," liet Piller er op volgen. "Want wanneer wij alles wat we hebben beleefd u mondeling moesten meedeelen, zouden wij nog menige stoomboot moeten laten voorbijgaan; en dat gaat niet! Wij verlangen er veel te hard naar, om nu eindelijk thuis te komen."

"Dat kan ik mij levendig voorstellen, gij zult wel allerlei interessante dingen van Mars hebben meegebracht."

"Zeker, morgen zullen wij u het een en ander laten zien, en daaruit zult gij dan kunnen opmaken, op welken hoogen trap van beschaving de bewoners van die prachtige planeet staan; die in zich het meest verheven begrip van "mensch zijn" verwezenlijken," antwoordde Stiller. "Wij zouden echter niet graag voor de tweede maal die reis maken; niet alleen is zij vol gevaren, maar ook ontzettend vermoeiend. Het was niet onze eigen verdienste, maar louter toeval, dat wij de reis heen en weer door het luchtruim onder betrekkelijk gunstige omstandigheden konden volbrengen. En toen wij van morgen juist over Queensland zweefden, en voornemens waren op Brisbane aan te sturen, overviel ons plotseling de orkaan en dreef ons hierheen."

"Het is zeker zeer te betreuren dat gij tot besluit van uw buitengewone reis nog in een cycloon terecht moest komen. Zooals ik hoorde, heeft de storm op andere eilanden van den archipel zwaar gewoed. Maar ik ben dien wervelwind toch dankbaar dat hij u, de beroemde zonen van Zwaben, hierheen heeft gedreven!"

"O gij vleier!" zei Piller tot Scheufele. "Maar nu zouden wij u toch oprecht dankbaar zijn, wanneer gij ons een bed wildet wijzen, want dat hebben wij langen tijd moeten ontberen."

De reizigers werden nu bij de verschillende beambten te Matupi onder dak gebracht, en weldra lagen zij allen in een diepen, rustigen slaap.

Nog dienzelfden avond verzond Scheufele het telegram naar Stuttgart.

Toen de reizigers zich den volgenden morgen door een bad in het frissche water van de golf hadden verkwikt, kwam er reeds antwoord uit Stuttgart. Zoowel het stedelijke-, als het Staatsbestuur heetten de reizigers van harte welkom op aarde, en verzochten tevens om bericht betreffende den heer Frommherz, daar van hem geen melding was gemaakt op de lijst der teruggekeerden.

"Frommherz vrijwillig op Mars achtergebleven. Expeditie volkomen gelukt. Twee jaren daarboven geweest. Hopen binnen vier weken te Stuttgart aan te komen.

Stiller."

Met bewondering bekeken Scheufele en de beambten de inrichting van de gondel, die Stiller hun liet zien en verklaarde. Nog meer waren ze verbaasd over de uit zilver en goud vervaardigde kunstproducten, en over de vele en kostbare geschenken der Marsieten. Het Gulden Boek vond men helaas niet meer terug. Daar de gondel gedurende den nacht gesloten was geweest, viel aan diefstal niet te denken en nog te minder, daar de Papoea's geen verstand hadden van de waarde van het boek. Men moest daarom wel tot de veronderstelling komen, dat het boek door een der kleppen van de gondel in het heelal gevallen was. Het was een onherstelbaar verlies dat de geleerden zeer ter nederdrukte. Eindelijk echter kreeg de vreugde over de behouden terugkeer de overhand over alle treurige gedachten.

Piller stond er op, de heeren van Matupi te onthalen op het kleine restant van den Marswijn. Zij verklaarden allen nog nooit zulk een fijnen en geurigen wijn te hebben gedronken.

De dagen die men te Matupi doorbracht, werden gebruikt voor het inpakken van alles wat men had meegebracht en het opbergen der instrumenten. Ballon en gondel zouden later verpakt en naar huis gezonden worden.

Precies den 7en September in den vroegen morgen stoomde de Venus de haven binnen, en ging tegenover de factorij van Matupi voor anker. Na een hartelijk afscheid vertrokken de heeren nog dienzelfden avond.

"Wat een merkwaardig toeval!" zeide Stiller tot zijne tochtgenooten, toen zij het zich 's avonds aan boord van de stoomboot gemakkelijk hadden gemaakt. "We komen van Mars, varen op de Venus door de blauwe golven der Zuidzee terwijl, zooals Scheufele mij zeide, te Singapore ons de "Stuttgart" wacht, die ons naar Genua brengen zal."

Een week later kwam de boot te Singapore aan. Reeds bij het binnenvaren der ruime haven, was de Venus, met de beroemde Zwabensche passagiers aan boord, het voorwerp van veler belangstelling.

De talrijke in de haven liggende schepen van alle mogelijke natiën, waren gepavoiseerd, en zelfs de Maleische prauwen en de Chineesche jonken waren feestelijk getooid.

Van de vestingwerken werden saluutschoten gelost toen de Venus langzaam naar hare aanlegplaats stoomde.

Op plechtige wijze werden de moedige Marsreizigers, door het bestuur van Singapore en de diverse consuls begroet. Daarna had in de feestelijk versierde zaal van de Duitsche club het onvermijdelijke feestmaal met de daarbij behoorende redevoeringen plaats. De heeren waren blij, toen zij na al dat feestgewoel in de tropische hitte van Singapore, goed en wel op het dek van de "Stuttgart" zaten die, nadat de gevierde passagiers aan boord waren gekomen, het anker lichtte en de straat van Malakka instoomde.

"Gevoelt gij weer niet dien ouden tegenzin, tegen al die officieele huldebetoogingen, die toch in den grond der zaak, alle den stempel van onwaarheid dragen," vroeg Piller aan zijn vriend Stiller.

"Het gaat mij als u," antwoordde Stiller. "Deze luidruchtige feesten, waarbij ieder zijn eigen ik zooveel mogelijk op den voorgrond dringt vormen eene schrille tegenstelling met de waardige harmonische wijze, waarop te Angola feest wordt gevierd. Bij de Marsieten voelden wij ons dadelijk thuis. Hier beneden krijgen wij al dadelijk weer dat onbehagelijke gevoel in den omgang met de groote menigte. Men voelt als bij instinct, dat al die woorden van waardeering--die als een zondvloed neerkomen op dengeen, die bij het een of ander ondernemen meer noemenswaard succes heeft gehad dan een ander--in de meeste gevallen althans, volstrekt niet gemeend zijn."

"Gij drukt precies mijne gedachten uit," zei Dubelmeier, die het gesprek der beide vrienden had gevolgd. "Ik moet u eerlijk zeggen, dat ik van al die feestmalen en feestredevoeringen al genoeg had, toen ze nog nauwelijks waren begonnen."

"Nu, wij zullen dat nog wel eenige malen moeten verduren, voor wij weer ongestoord in onze studeerkamer kunnen werken," hernam Piller.

"Ja, daar zal wel geen ontkomen aan zijn. Wat een geluk dat wij hier op zee nog wat kunnen uitrusten vóór dat het spektakel in ons vaderland weder begint," zei Dubelmeier.

Maar reeds in Colombo kregen zij eene nieuwe en verbeterde uitgave der feesten ter eere der zeven Zwaben, en toen de "Stuttgart" te Suez kwam, verzocht de Egyptische regeering, de eer te mogen hebben hen te Caïro te ontvangen.

Na twee dagen feest te hebben gevierd, kwamen de Marsreizigers eindelijk weder op de boot terug, die nu direct koers zette naar Genua. Daar kwamen de reizigers in het begin van October aan, en zetten na eene driejarige afwezigheid weer den voet op Europeeschen bodem.

HOOFDSTUK X.

IN HET VADERLAND.

De reis der heeren geleek een ware triomftocht. Half versuft door al het lawaai der laatste dagen, kwamen de professoren aan het station Hazenberg aan, waar beneden Zwabens hoofdstad zoo schilderachtig is gelegen.

Ofschoon het herfst was prijkte alles in rijken bloementooi. De terugkeerenden werden opgewacht door vertegenwoordigers van het Hof, de Tübinger Universiteit, het Stedelijk Bestuur, in het wit-gekleede meisjes, muziekcorpsen en een onafzienbare menigte.

Reeds gedurende de reis door Zwaben luidden alle klokken, niet alleen van al de stations die de trein aandeed, maar van alle dorpen in den omtrek.

Een donderend hoera begroette den met bloemen omkransten trein, toen hij 's middags om vier uur uit de Hazenberger tunnel te voorschijn kwam. De vereenigde muziekcorpsen uit Stuttgart zetten een welkomsthymne in, die speciaal voor deze gelegenheid, door den muziekdirecteur Klingel was gecomponeerd. Toen begonnen in de stad de klokken te luiden, het gelui plantte zich voort tot in de voorsteden, en herinnerde aan dien Decemberavond, nu drie jaren geleden, toen de heeren hun stoutmoedigen tocht naar Mars aanvingen. De verschillende toespraken gingen verloren in het algemeen feestgejoel.

Men nam in de electrische automobielen plaats.

In de eerste zaten de zes teruggekeerden, ieder met een reusachtigen bloemenruiker in de hand. Langzaam ging het voorwaarts, door de zich verdringende en juichende menschenmassa, naar de rijk met vlaggen getooide stad.

In het Marquardthôtel stond men de gelukkig teruggekeerde maar blijkbaar afgematte geleerden toe, een oogenblik rust te nemen; daarna moesten zij zich echter opofferen aan de gezelschaps-vormen.

In feestelijken optocht, onder het luid hoera-geroep der steeds toestroomende menigte, werden de geleerden geleid naar de nieuwe, grootsche muziekhal. Daar zou de officieele begroeting plaats vinden.

In de groote feestzaal wachtte een uitgelezen gezelschap uit de hoogste kringen der hoofdstad, de professoren op, die, toen zij de zaal binnentraden, met luid gejubel werden ontvangen.

De voorzitter, Graaf van Neckarthal, heette in hartelijke bewoordingen de moedige luchtreizigers welkom, die door een opstijging naar Mars, eenig in haar soort, niet alleen hunne namen onsterfelijk gemaakt, maar ook het aanzien en de eer van het vaderland in de beschaafde wereld hadden verhoogd. Zwaben was trotsch op zijn zonen en zou daaraan uiting geven door op de Cannstatterweide, de plaats vanwaar zij eens waren opgestegen, een obelisk te doen verrijzen, vervaardigd uit vaderlandsch graniet, waarop de namen der deelnemers aan de expeditie en de verschillende data zouden worden gegrift.

Er wachtte hun nog meer eerbetoon, want een daad als zij hadden verricht, kon niet genoeg worden gehuldigd. In naam der Regeering, overhandigde hij ieder der heeren een gouden lauwerkrans, waar op een der bladeren de naam van den eigenaar en de data van de Marsreis waren gegraveerd.

Na de overhandiging der kransen, die door fanfares was vergezeld gegaan, begon het eigenlijke feestmaal.

Zeer verstandig was vooraf besloten, dat gedurende den maaltijd geen redevoeringen zouden worden gehouden. Toen de tafel was afgeloopen, beklom Stiller het podium aan het einde der zaal om van daar het schitterend gezelschap toe te spreken.

"Geëerd gezelschap! In mijn naam en in dien van mijne reisgenooten, dank ik u allereerst voor de hartelijke ontvangst, die gij ons hebt bereid. Die heeft ons zeer getroffen; duidt het ons echter niet ten kwade, wanneer wij u vriendelijk verzoeken van verdere huldebetuigingen tegenover onze bescheiden persoonlijkheden te willen afzien. Wat wij hebben gedaan, wat wij hebben ten uitvoer gebracht, was alleen mogelijk omdat we daarbij buitengewoon veel geluk hebben gehad. Waar de mensch echter alleen zijn doel bereikt door een gelukkigen samenloop van uiterlijke omstandigheden, daar staat, wat hij zelf deed, inderdaad niet zóó hoog als gij schijnt te moeten aannemen. Juist op Mars waar een volk woont met eene zeer idealistische levensopvatting, eene grenzelooze waarheidsliefde en eene ontzettende zelfkennis, daar hebben wij geleerd, alles op de rechte waarde te schatten en waar en streng jegens ons zelf te zijn. Met eene zekere zelfoverschatting gingen wij eens van hier, en wij komen terug met eene kalme nuchtere kennis van ons zelf en onze krachten. Daarvan is ons verzoek het gevolg.

"En nu zij het mij vergund in korte trekken een beeld te ontwerpen van die wonderbare wereld daarginds, waarin het ons vergund was twee volle jaren te vertoeven. Ik wil beginnen met u mee te deelen, dat het in ons plan ligt, ons wedervaren vast te leggen in een boek, waarin ieder het dan naar welbehagen kan nalezen. Nadat wij van de Cannstatterweide waren opgestegen, kwamen wij, na een tocht van drie maanden door het aetherruim, in tamelijken welstand op Mars aan. Daar vonden wij menschen, die ons met groote gastvrijheid opnamen. Naarmate wij meer bekend raakten met de taal der Marsbewoners, kregen wij ook meer en meer een inzicht in hun leven, zeden en gebruiken.

"Met steeds grootere verbazing leerden wij daar eene levensopvatting kennen, zóó volmaakt, als wij nooit voor mogelijk hadden gehouden.

"Datgene wat wij ons vroeger hier als levensideaal hadden gedroomd, we vonden het daarboven op de planeet, als heerlijke werkelijkheid terug. Daarboven leeft een menschengeslacht, dat ons in ontwikkeling eeuwen vooruit is. Daarboven is een werkelijk Eden. Daarboven leiden allen het menschwaardige bestaan, waarover hier op aarde al sedert jaren en jaren slechts wordt geredeneerd.

"Hoe zou ik in deze korte oogenblikken kunnen uitwijden, over die heerlijke natuurlijke moraal, die de richtsnoer is van die hoogstaande menschen daarboven! Ik zou niet alleen u daarmede vermoeien, maar ook de vroolijke stemming storen, waartoe onze terugkeer aanleiding gaf. Zooals ik u reeds heb gezegd, zult gij later door onze boeken kunnen kennisnemen van het resultaat onzer expeditie. Nu kunt gij mij met recht vragen: Waarom zijt gij uit dat Eden weer teruggekeerd in het tranendal, dat onze aarde nu eenmaal is? En daarop antwoord ik u eerlijk: Wij zijn ook slechts noode vertrokken! Niet dat men ons heeft weggezonden,--geenszins! Men liet het gaan of blijven aan ons zelf over; maar nadat wij hadden ingezien, dat wij het hoogstaande volk van Mars geen enkelen dienst, van welken aard ook, konden bewijzen, en die het loon had kunnen zijn voor de ons verleende gastvrijheid, was het niet meer dan behoorlijk, dat wij terugkeerden naar de aarde, naar de Moeder, aan wie wij ons bestaan hadden te danken.

"Alleen Fridolin Frommherz, kon niet tot een terugtocht besluiten, hij bleef daarboven achter, als de eenige levende getuige van ons bezoek aan die planeet.

"Onze aankomst op Matupi is u bekend. Ten slotte willen wij aan het Zwabensche museum de geschenken afstaan, die men ons daarboven op Mars, in het heerlijke Angola, in de ure des afscheids, ter herinnering heeft meegegeven. Wij hebben die dingen niet noodig. Als een sprookje vol schoonheid, vol bekoring en vol licht, zal de tijd van ons verblijf op die planeet, zoolang wij ademhalen, in onze herinnering blijven voortleven; en als er sprake kon zijn van eene zielsverhuizing naar een der verwijderde sterren, dan zou ik niets vuriger wenschen, dan dáár te mogen ontwaken wanneer ik hier eenmaal het hoofd zal hebben ter ruste gelegd."

Stiller verliet het podium.

Onder doodsche stilte had de vergadering naar zijne woorden geluisterd, en op menig gelaat stond diepe ontroering te lezen, toen Stiller met spreken ophield.

Zóó had men de zaak zich toch niet voorgesteld!

Waar was eensklaps de luide feestvreugde gebleven? In de beklemmende stilte, die in de zaal heerschte, trad Klingel als reddende engel op. Hij zwaaide den dirigeerstok, en de vriendelijke tonen van de opwekkende muziek deden weldra de oude vroolijkheid terugkeeren.--

Men had het toch hier op aarde ook goed, waarom dan naar Mars te reizen? Een tocht als die der zeven Zwaben, zou niemand hen nadoen. De vroeger zoo opgewekte mannen waren als menschenhaters teruggekeerd. Zij hadden beter gedaan met thuis te blijven.

Dat was het oordeel van velen dergenen, die eerst laat in den nacht van het feest huiswaarts keerden.

INHOUD

Blz.

I. Voorbereidingen 5 II. Het vertrek der Wereldreizigers 24 III. Tusschen hemel en aarde 39 IV. Op Mars 70 V. Lumata en Angola 101 VI. In het land der Uitgeworpenen 131 VII. Het afscheid 146 VIII. Een afvallige 158 IX. Weder op aarde 166 X. In het Vaderland 183