Per luchtballon naar de Zuidpool

Part 8

Chapter 83,917 wordsPublic domain

De beide zeelieden wachtten in angstige spanning af, wat er verder zou gebeuren. Helaas! Wat James had gedacht, gebeurde niet. Het monster klom handig in het schuitje en begon, als ware het door zijn eigenaardigen toestand van zijn stuk gebracht, naar de aarde te kijken, die onder hem wegzonk.

Inmiddels verdween de ballon, toen hij boven de rotsen in den omtrek gekomen was, langzamerhand achter deze.

Onze zeelieden deden vruchtelooze pogingen om den ingenieur te zien. De afloop van den ongelijken strijd, die er in de lucht gevoerd werd, was maar al te gemakkelijk vooruit te zien.

"Ach! Mijn arme Gromski!" zei de kapitein met een zucht, terwijl hij moeite deed om zijne tranen te bedwingen.

Ja, de ingenieur, onverhoeds aangevallen en in de onmogelijkheid om te vluchten, moest noodwendig het onderspit delven. De luchtballon had zonder twijfel zijn eigenaar verloren en dreef ten spel der winden in de lucht, het bloed-dorstige dier met zich meevoerende.

De ingenieur was dus verloren, en een niet minder vreeselijk lot wachtte hun zelf te midden van deze sneeuwwoestijn!

Maar James dacht niet aan zich zelf. Hij zag slechts den ongelukkigen Gromski voor zich, bezwijkende voor de doodelijke omhelzing van het wilde dier. Zich op de sneeuw neerwerpende, rukte hij de reeds grijzende haren uit zijn hoofd en weende als een kind.

"Ach, waarom, kapitein, waarom ben ik niet bij hem gebleven?" riep hij telkens.

De kapitein vestigde zijn blik op den top van den muur van basalt, waarachter de ballon verdwenen was. Diepe droefheid teekende zich op zijn gelaat af. Hij antwoordde niets.

Gelukkig zou deze smart niet van langen duur zijn. Omstreeks een kwartier na dit vreeselijk tooneel vertoonde de luchtballon zich opnieuw. Hij naderde met volle kracht de vallei.

Bij het zien daarvan stond James in aller ijl op en begon als een gek te dansen.

"Hij leeft! Hij leeft!" riep hij, terwijl hij Ford in de armen viel. "Kijk maar! Daar komt hij terug!"

De ballon kwam al spoedig boven de hoofden van onze zeelieden tot staan. Het doffe geluid van het gas, dat uit de klep ontsnapte, bewees, dat Gromski zich haastte, een einde aan den angst van zijne metgezellen te maken.

Eenige minuten daarna rustte het schuitje op de sneeuw. Aan het roer staande, met den voet op den bebloeden muil van den beer, glimlachte de ingenieur hun toe.

"Het beest heeft vier revolverschoten in zijn kop," zeide hij, terwijl hij aan zijne kameraden een wenk gaf om naderbij te komen. "Ik heb ze er in gekregen, voordat het van zijne verwondering over de luchtreis bekomen was."

"Drommels! Zoo'n onverschrokken man heb ik nog nooit van mijn leven gezien," zeide James geroerd. "We beweenden u al!"

En de oude stuurman drukte Gromski stevig de hand, als wilde hij er zich van overtuigen, dat hij werkelijk nog leefde.

"Ge kunt u geen begrip maken van de vreeselijke oogenblikken, die we hebben doorgebracht," zeide Ford, terwijl hij den ingenieur omhelsde. "Inderdaad, ik dacht niet anders, of het was met u gedaan."

"Waarlijk, 't is een wonderlijk avontuur," antwoordde Gromski. "Ik had nooit kunnen denken, dat ik zulk een zonderlingen passagier op mijn luchtballon zou krijgen."

Nadat onze zeelieden een weinig tot kalmte gekomen waren, deelden zij aan Gromski hun plan mede om een hoop steenen op te richten, als een bewijs, dat zij aldaar geweest waren.

Deze keurde vol geestdrift dit plan goed.

Men begaf zich dus aan den arbeid. Daar er in den omtrek slechts weinig losse steenen lagen, was dit werk uiterst vermoeiend. De vingers van onze luchtreizigers raakten aan het bloeden bij het losrukken van de steenen, die op het naburige ijsveld verspreid lagen.

De steenhoop vorderde slechts langzaam. Na er tien uren aan gewerkt te hebben, hadden zij nog maar eene hoogte van 8 voet bereikt. Ford scheurde een blad uit zijn zakboek en schreef daarop eenige regels, die men in een blikken doos deed. Het waren de volgende:

"Wij ondergeteekenden hebben, na op den 29sten December 1894 met een luchtballon van kaap Hoorn opgestegen te zijn, deze plaats bereikt, gelegen te midden van de bergketen, het Sneeuwgebergte genaamd. Als een bewijs van ons verblijf in de Maanvallei plaatsen wij nevensgaand papier in den steenhoop, dien wij met onze eigen handen hebben opgericht.

"Het hoofd van den luchtballon de Polen, "Gromski, ingenieur. "Ford, kapitein. "James Galling, stuurman "Gedaan in de Maanvallei op den eersten Januari 1895."

De hoop steenen, die door onze luchtreizigers bijeengebracht waren, rustte op het gladde oppervlak van eene rots, die ten Zuiden en ten Oosten door hooge bergen beveiligd was, en die gemakkelijk uit de vallei kon opgemerkt worden.

Eerst om elf uur waren onze reizigers met dit vermoeiende werk klaar, dat voor immer eene getuigenis zou afleggen, dat zij te midden van deze ijswoestijn geweest waren, en zij konden dus verder gaan.

Het gelukkig gesternte van onze reizigers begon toen te tanen. De elementen, die hun tot dusverre gunstig geweest waren, kantten zich nu plotseling tegen hen. Alles scheen samen te spannen om hen van hun weg af te brengen, in een mist te hullen en in het verderf te storten. De pool had zich in een sluier van mist en wolken gehuld, waardoor de zonnestralen niet heen konden dringen, en deed tengevolge daarvan de pogingen der drie waaghalzen, die hare geheimen trachtten te ontraadselen, mislukken.

Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat de bemanning van den luchtballon den tijd niet had gehad om zich rekenschap te geven van de verandering, die er had plaats gegrepen.

Twee uren na hun vertrek uit de Maanvallei daalde de temperatuur op eene hoogte van 1000 meters van 5 graden tot 1 graad boven het nulpunt. Aan den horizon vertoonden zich dikke wolklagen, die omstreeks drie uren het geheele luchtruim bedekten. De zon, de eenige gids der moedige luchtreizigers, verdween achter deze dampen, die de wind, welke onafgebroken uit het Oosten blies, niet uit elkaar kon drijven.

De kapitein zocht vruchteloos naar de oorzaken van deze plotselinge opeenhooping van wolken; hij vermoedde, dat, tengevolge van de aanraking van den warmen luchtstroom met de bergtoppen, die met sneeuw en ijs bedekt waren, de waterdamp in den dampkring plotseling samengeperst werd en deze ondoordringbare wolken deed ontstaan, die het onmogelijk maakten, aan den ballon de gewenschte richting te geven.

De ingenieur was uiterst voorzichtig geworden van het oogenblik af, waarop hij bemerkt had, dat eene reis zonder kompas slechts eene reis op goed geluk af is.

Uit de waarnemingen, onmiddellijk na het vertrek uit de Maanvallei gedaan, was gebleken, dat de ballon gedurende twaalf uren nauwelijks 450 kilometers afgelegd had, in plaats van 750, zonder twijfel omdat hij in het luchtruim eene zeer golvende lijn beschreef.

En de zon, die achter wolken verscholen was, kon niet meer tot een veilige gids op den tocht dienen.

Gromski had zijne machine dus laten stilstaan: sedert twaalf uren dreef de ballon met den spiraalvormigen luchtstroom mee, in afwachting van het oogenblik, waarop de zon zich weer zou vertoonen.

De Maanvallei lag, volgens de berekeningen van den kapitein, op 82° 35' Zuiderbreedte en 11° 40' Oosterlengte; dus was de luchtballon sedert den 31sten December van 98° 40' oostwaarts gegaan, zoodat hij een vierde gedeelte van den omtrek van de parallel afgelegd had.

Op den 2den Januari was de lucht nog niet opgeklaard, en onze reizigers gaven de hoop reeds op, dat zij de zon ooit zouden weerzien. De ingenieur wilde niet langer wachten, en tegelijkertijd vreesde hij, de reis verder op goed geluk af voort te zetten.

Intusschen moest een besluit genomen worden. Men kwam dus overeen, den ballon naar het helderste gedeelte van den hemel te richten. Gromski zag wel in, dat, als men de machine in beweging bracht, de voorraad benzine in de tegenwoordige omstandigheden niet toereikend zou wezen; want de luchtballon had, ten gevolge van zijne afwijking, minstens 1200 kilometers in plaats van 900 af te leggen. De ingenieur bracht dus de snelheid van den ballon op de helft, in de hoop, op die manier de brandstof te besparen.

Dit gaf aan onze luchtreizigers weder nieuwe hoop.

Door het verlies van de benzine lichter geworden, bereikte de ballon de wolken en raakte er geheel in.

Het was eene echte reis op goed geluk af. Onze reizigers konden zelfs den ballon boven hunne hoofden niet meer onderscheiden. Ford wilde de machine doen stilstaan, maar Gromski verzette zich hiertegen, hopende, dat de ballon zich al spoedig een weg door het wolkengordijn zou banen en dat zij de zon weder zouden te zien krijgen.

Inderdaad zagen onze reizigers na eene reis van zes uren te midden der wolken den helderen hemel terug. Ford begroette de zon met de vreugde van een heiden.

Hij snelde onmiddellijk naar de instrumenten toe en ging eerst weder zitten, nadat hij de geographische breedte nauwkeurig had aangeteekend.

De kloeke zeeman had zeker nooit zulk een verwonderd gezicht gezet, als hij had, toen hij nu op de kaart keek. Hij kon zijne oogen niet gelooven, want hij vergeleek al de horloges met elkaar en onderzocht den sextant, vooronderstellende, dat deze onklaar geraakt was. Maar daar hij geenerlei vergissing in zijne waarnemingen kon ontdekken, haalde hij de schouders op.

"Hoeveel tijd heeft Magelhaens noodig gehad om zijne reis rondom de wereld te doen? Weet ge dit ook?" vroeg hij aan den ingenieur, die aan het roer stond.

"Drie jaren, geloof ik."

"En in hoeveel tijd kan men dit tegenwoordig doen?"

"Ik herinner mij, dat de reis, door den held van Jules Verne, Phileas Fogg, gedaan, kort geleden nog als iets buitengewoons werd beschouwd; ik geloof intusschen, dat men onder gunstige omstandigheden de reis om onze planeet wel in 77 dagen kan maken."

"Welnu, dan laten wij zeer ver achter ons, niet alleen degenen, die vroeger reisden, maar ook alle reizigers van de 19de en de 20ste eeuw; want wij hebben de reis om de wereld in 48 uren gedaan."

"Hoezoo?" riep James lachende uit.

"Op een heel eenvoudige manier: wij bevinden ons op 38° 40' Westerlengte van Greenwich, dat is, op denzelfden meridiaan, waarop wij twee dagen geleden waren."

"Dat verwachtte ik wel, kapitein," zeide Gromski. "De spiraalvormige wind loopt om de pool heen; we hebben met den ballon dus eene reis om den meridiaan heen gedaan. Welke breedte hebt ge genoteerd?"

"84 graden."

"Welnu. Laat ons dan aannemen, dat wij de reis om den 80sten parallelgraad hebben gedaan, waarvan de omtrek aan bijna 4200 kilometers gelijk is; onze reis is dus niet buitengewoon: we hebben gemiddeld 90 kilometers in het uur afgelegd. Om de reis langs de evennachtslijn te doen, zouden we met dezelfde snelheid 18 dagen noodig hebben."

"Wel, dat is nog niets. Als we de pool bereiken, dan verbind ik mij, de reis om de wereld nog duizendmaal sneller te doen," zeide James.

"Dat wil ik graag gelooven: je zoudt hem zeker wel in vijf minuten kunnen doen," gaf Ford ten antwoord.

"Nog vlugger. Ik zal mij eenvoudig op het punt plaatsen, waar volgens uwe berekening, kapitein, het uiteinde van de as der aarde valt, en dan zal ik mij omdraaien. Ziedaar alles!"

"Inderdaad, je hebt gelijk, James."

Ja, doch de zaak is maar, juist op het punt te komen, waar de meridianen samenloopen.

TIENDE HOOFDSTUK.

DE WORSTELING.

Eene onweerstaanbare kracht scheen den luchtballon naar onafzienbare ijsvelden voort te stuwen. Onze reizigers keken met ongerustheid naar de rotsen, waarvan de scherpe kanten hier en daar uit de sneeuw te voorschijn kwamen. Binnen vijf minuten zou het schuitje daarmee in botsing komen, en dan zou alles gedaan zijn.

De Zuidenwind, waartegen de machine nu al sedert 24 uren te kampen had, floot onafgebroken door het touwwerk van den luchtballon heen. Zijn kille adem deed het bloed in de aderen van onze helden verstijven en bluschte den moed in hunne harten uit. James zeide, dat het de ijsduivel was, die zijne uiterste krachten inspande om hun den toegang tot de pool te beletten. De benzine was reeds sedert lang verbruikt, de stoomketel verslond het gas, en de ballon verloor zijne krachten. Hij zou dus langzamerhand beginnen te dalen.

"Och hemel! We zullen neerkomen, terwijl we nog maar 120 kilometers van ons doel verwijderd zijn!" riep James handenwringend uit. "Is er niets meer uit te werpen?"

Allen zwegen. Reeds sedert een geruimen tijd hield deze zaak zijne kameraden bezig: men had reeds het reservoir van de benzine, het zitbankje, de helft van het water uit den condensator en verscheidene werktuigen uitgeworpen. Het ging moeilijk, nog iets te vinden, dat niet volstrekt noodzakelijk was.

"De wijn!" zeide Gromski eensklaps.

"Ja, de wijn!" herhaalde Ford. "Te midden van sneeuw en ijs zal de dorst ons niet kwellen!"

De stuurman haalde terstond een vaatje met wijn voor den dag en wierp het uit.

"Dat is een gewicht van twintig kilogrammen. We hebben dus dezelfde hoeveelheid kubieke meters waterstofgas te verbruiken," zeide Gromski. "We zullen daarvan nog voor een kwartier genoeg hebben."

"Voor een kwartier! En wat dan?" riep James uit.

De ingenieur en de kapitein koesterden de hoop, dat de tegenwind eindelijk zou gaan liggen.

Maar zou hij wel werkelijk gaan liggen? Het duurde nu al een heelen dag, dat de ballon er tegen worstelde. Deze worsteling was al begonnen op het oogenblik, waarop de luchtballon uit de nevelen, waarachter de pool hare geheimen verborgen hield, te voorschijn gekomen was.

Sedert twintig volle uren zweefden onze reizigers op eene hoogte van 2000 meters boven de aarde, terwijl zij telkens de zon raadpleegden. De luchtballon had nu eene snelheid van 8 meters in de seconde. Gromski koesterde de hoop, dat hij met deze snelheid het gewenschte doel in één dag zou kunnen bereiken.

Maar de ijsduivel--aan welk denkbeeldig wezen James allen tegenspoed placht toe te schrijven--bekommerde zich zeer weinig om den ballon en zijne bemanning. Toen de kapitein op den 3den Januari des middags de geographische gesteldheid had opgenomen, had hij tot zijn schrik bemerkt, dat de ballon in twintig uren, in plaats van 600 kilometers, nog geen 340 afgelegd had. Dit raadsel was gemakkelijk op te lossen. In de hoogere luchtlagen van den dampkring heerschte de zuidelijke koude luchtstroom; de spiraalvormige luchtstroom had al zijne warmte aan het poolijs afgestaan en was verdwenen zonder eenig spoor achter te laten. Vruchteloos zochten onze luchtreizigers dien op verschillende hoogten: overal vonden zij denzelfden ijskouden luchtstroom, die, zooals James steeds bleef beweren, door den ijsduivel was afgezonden om den ballon terug te drijven. Slechts 260 kilometers scheidden op het oogenblik onze reizigers van de Zuidpool! Zonder een oogenblik te aarzelen, had Gromski de kranen van de reservoirs met benzine geopend en den luchtballon met volle kracht tegen den wind doen ingaan.

Nu was de worsteling eerst recht begonnen.

De kostbare benzine was echter reeds na een tocht van 120 kilometers uitgeput. Toen de reservoirs geheel ledig waren, begon men waterstofgas te verbranden.

Sedert eenige uren waren onze luchtreizigers aan een soort van koorts ter prooi. De ingenieur overtuigde er zich om het halfuur van, dat de machine nog met dezelfde spanning werkte. James, die zich over den rand van het schuitje heenboog, zag de rotsen, die zich in de verte verloren, zoodat hij op die practische manier de snelheid van den ballon begrootte. Men telde nauwkeurig de kilometers, die men aflegde. Ford hield met opeengeklemde lippen het roer in handen en sloeg den horizon gade, als verwachtte hij, dat hij aldaar ieder oogenblik dat geheimzinnige punt zou ontdekken, waar de meridianen samenloopen.

De ballon, die nu geen gas meer inhad, daalde voortdurend; uitgeput van de langdurige worsteling, scheen hij zich ter ruste te willen leggen op de sneeuw der vlakte, die zich zonder einde uitstrekte. Verscheidene malen stond hij op het punt, in de wolken door te dringen; maar dan viel er het een of ander uit het schuitje, hetgeen den ballon zijn weg deed voortzetten, als een paard, dat de sporen van den ruiter in zijne zijden voelt.

Een kwartier na het oogenblik, waarop het vat met wijn was uitgeworpen, daalde de luchtballon opnieuw, en het scheelde zelfs niet veel, of hij was met de puntige rotsen in aanraking gekomen; maar door eene vlugge beweging van het roer deed Ford hem dien hinderpaal ontwijken.

Gromski, die aan de machine zat, keek met een uitvorschenden blik om zich heen, of hij ook eenig overbodig gewicht kon ontdekken. Maar het schuitje was reeds geheel ledig. Al het keukengereedschap lag sedert lang ergens te midden der sneeuw.

"Nog maar 100 kilometers," zeide Ford, terwijl hij eensklaps opstond. "Over twee uren zullen we de pool zien. Werp het blik met ingelegde groenten uit; dit weegt op zijn minst 15 kilogrammen."

"Dat is waar, kapitein. We kunnen het daarbuiten wel stellen. We zullen nog genoeg vleesch en ham overhouden; want we hebben voor zes weken genoeg."

James aarzelde niet lang. Hij haalde het blik te voorschijn.

"Het vleesch is in een vat vrij zwaar," zeide hij. "Als ik het eens in het blik deed!"

"Dat plan is uitstekend!" riep Ford uit. "We zullen op die manier ons gewicht met zeven kilogrammen verminderen."

In een oogwenk had de stuurman het blik gevuld, en al spoedig daarna kwam het vat met een hevig gedruisch op eene ontzaglijke rots neer, waarover de ballon heenging.

"Nu is het gedaan. Er blijft ons nu niets anders over dan het schuitje af te snijden of zelf overboord te springen."

"Als de nood ons daartoe dwingt, dan zal ik de eerste zijn om dit te doen," zei de stuurman ernstig. "Maar laat ons eerst nog zooveel mogelijk voortgaan!"

"Misschien zou het beter zijn, een gunstigen wind af te wachten," bracht Gromski in het midden.

"Wachten, terwijl we 100 kilometers van de pool verwijderd zijn!" riep de kapitein uit. "Maar dan geef ik er de voorkeur aan, er te voet heen te gaan."

"Ik ook," voegde James er op een beslisten toon bij. "Al hadden we ook genoeg geduld om te wachten, dan zouden we toch onzen tijd nutteloos verspillen; want het is geen gewone wind, die er nu waait."

Deze laatste woorden werden door den kloeken stuurman op een geheimzinnigen en fluisterenden toon uitgesproken. Zijne langdurige en dikwijls vruchtelooze worstelingen tegen de natuurmachten, die in de poolstreken gebied voeren, hadden hem bijgeloovig gemaakt.

"We kunnen geene enkele schrede terugwijken," vervolgde hij op denzelfden toon; "want dan zou de wind in een sneeuwstorm veranderen en alles verloren zijn. Welnu, we zullen eindelijk toch wel, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, aan de pool komen!"

Om één uur was de luchtballon, volgens de nauwkeurige berekeningen van Ford, slechts 80 kilometers van de pool verwijderd. Het luchtschip spande zijne laatste krachten in. Zijn zijden omhulsel, dat langzamerhand van gas ontdaan was, kromp ineen, vertoonde eene menigte plooien en werd ten gevolge van den ijskouden wind al platter en platter. In één woord, de ballon was "vermoeid," zooals James zeide. Zou hij wel in staat zijn, de laatste 80 kilometers af te leggen? Gromski, die een somberen blik op den omtrek sloeg, twijfelde er nu aan.

"Over tien minuten zullen we op eene rots stooten," zeide James, terwijl hij zich over den rand heenboog. "Wat moet ik uitwerpen, kapitein?"

"Al wat je maar wilt," antwoordde Ford kortaf.

"Er is niets meer."

"Dan de ham maar! Haast je wat!"

"Dan blijft ons niets anders over dan het vleesch en de brandewijn."

"Dat is voldoende. Over drie weken zal de ballon al zijn gas verloren hebben; als we vóór dien tijd niet terug zijn, zullen de levensmiddelen ons toch niet baten."

Dit was het laatste, inderdaad heldhaftige middel om den ballon lichter te maken. Maar de kapitein deinsde voor niets terug.

De ingenieur, die zag, dat er een somber vuur in de oogen van den zeeman schitterde, begreep, dat hij voor geen enkel offer zou terugdeinzen, mits hij het vurig verlangde doel slechts bereikte. Helaas! de krachtigste wil en de grootste geestkracht vermogen niets tegen de physische noodzakelijkheid. De luchtballon moest vroeg of laat machteloos op de aarde neerkomen.

Ford wist dit volkomen, maar hij liet zich daardoor niet ontmoedigen. Er was blijkbaar eene gedachte bij hem opgekomen; want hij sloeg van tijd tot tijd blikken achter zich, alsof hij iets zocht. Verscheidene malen had hij het stuurrad losgelaten; dan nam hij het besluiteloos weer in handen.

"Het is tijd om de machine te laten stilstaan, als we niet tegen een van die rotsen verpletterd willen worden," zeide Gromski.

"Vijf en zestig kilometers," zeide James met een zucht. "Het zal moeilijk gaan, over deze sneeuw- en ijsvelden te voet naar de pool door te dringen."

"Wacht eens even!" zeide Ford.

Dit zeggende, haalde hij een mes uit zijn zak, liep naar den achtersteven van het schuitje, waaraan de ankerzak hing, en sneed het touw door, waaraan deze bevestigd was.

"Wat doet ge daar?" riep Gromski uit.

"Twaalf kilogrammen minder!" antwoordde de kapitein met een zegevierend gelaat; "we hebben dezen zak niet noodig, nu we boven het vasteland zijn."

"Maar hoe moet het dan op onze terugreis gaan?" vroeg Gromski. "Als we ons van het anker ontdoen, dan maakt ge de reis over den Oceaan onmogelijk."

"Wat doet dat er toe, als we de pool maar bereiken? Overigens kunnen we het ingeval van nood terugvinden."

"In dezen doolhof van rotsen, waar we geenerlei sporen achter ons laten!" zeide Gromski. "Ge wilt zeker den spot met mij drijven."

Inmiddels steeg de luchtballon, die nu heel wat minder gewicht had, snel opwaarts; de beperkte horizon breidde zich voor de oogen onzer reizigers uit en vertoonde aan hun blik eene groote uitgestrektheid lands, door heuvels in de verte begrensd.

Gromski wilde naar de machine toe gaan, toen hij de hand van den kapitein zwaar op zijn schouder voelde rusten. Hij keerde zich om; Ford stond vóór hem, doodsbleek, met opeengeklemde lippen, gefronste wenkbrauwen en een verwilderden blik.

"Wat scheelt er aan?" vroeg Gromski, verschrikt door deze plotselinge verandering, die er op het gelaat van den zeeman gekomen was.

Ford strekte toen den arm uit, terwijl hij met den vinger naar het Zuiden wees.

Aan den horizon vertoonde zich eene reeks ijsblokken, die als een zilveren lint op de zwarte lijn van eene kust schitterden. Dit perspectief, dat in het eerst beperkt was, werd allengs ruimer, besloeg een steeds grootere oppervlakte en veranderde in een Oceaan, waarvan de grenzen, die in een dichten mist gehuld waren, zich in het oneindige verloren.

Men zou zich grootelijks bedriegen, als men meende, dat het zien van dezen nieuwen hinderpaal, die in lijnrechte tegenspraak met alle geographische onderstellingen was, den moed van onze luchtreizigers niet aan het wankelen zou brengen. De eerste pijnlijke onrust duurde echter niet lang. Na verloop van een oogenblik herkreeg Ford zijne gewone koelbloedigheid. De stuurman gaf aan zijne ergernis lucht door een keur van krachtige matrozenvloeken, die hij tegen den ijsduivel uitbraakte. Gromski had nooit onder het getal der zoodanigen behoord, die aan het bestaan van een groot vasteland aan de Zuidpool gelooven: hij ondervond dus geene teleurstelling. Hij begreep, dat in de tegenwoordige omstandigheden de reis onmogelijk werd. De luchtballon dreef met eene verbazende snelheid naar den Pooloceaan, maar hij daalde tegelijkertijd al meer en meer. Na verloop van een kwartier, na de opoffering van het anker, dreef hij nog geen 15 meters boven de vlakte voort.

"Hier is het einde van onze reis," zeide Gromski, terwijl hij de klep van den stoomketel sloot.

De machine, van stoom verstoken, hield plotseling op, te werken.

De luchtballon ging nochtans vooruit, maar raakte de hoopen smeltende sneeuw bijna aan.

"Werp het anker uit!" riep de ingenieur, zich tot den stuurman wendende.

Maar James schudde ontkennend met het hoofd.