Per luchtballon naar de Zuidpool
Part 7
"We zijn er overheengegaan met den wind, die noodzakelijk dezen weg heeft moeten kiezen," antwoordde Ford. "De ballon is 200 meters hooger gestegen en toen gedaald, na over den vulkaan heengegaan te zijn. Het komt mij voor, dat deze vulkaan op dit oogenblik in werking is. Tusschen 170 en 160 graden Oosterlengte van Greenwich ontdekte James Clarke Ross in 1842 ook een keten van bergen, waaronder zich twee vulkanen bevonden: de Erebus, hoog 3700 meters, en de Terror, een weinig minder hoog, beide in Victoria-land. Ge ziet dus, dat hetgeen er met ons is gebeurd, niets buitengewoons is; het is nog gelukkig, dat wij niet met gloeiende lava in aanraking gekomen zijn, want dan zouden we levend verbrand zijn."
Dit avontuur had noodlottige gevolgen. Bij onze reizigers, die gedurende twintig minuten in een dampkring hadden vertoefd, die met zwavelwaterstofzuur bezwangerd was, deden zich de verschijnselen van vergiftiging voor. Ford leed nog meer dan de beide anderen: hoofdpijn en duizeligheid hielden bij hem tot den volgenden dag aan.
Deze lichte ongesteldheden waren echter niet zoo ernstig als het verlies van het gas. De ballon was na de opening der stoomklep, zooals we reeds gezegd hebben, tot op 1400 meters gedaald; de aanwijzingen van den thermometer maakten, dat de luchtreizigers een kouden luchtstroom wisten te ontgaan, die zich eenige honderden meters onder het schuitje deed gevoelen.
Sedert lang had de ingenieur de opmerking gemaakt, dat de luchtstroom, die in het eerst warm was, allengs kouder werd en al meer en meer naar de oppervlakte der aarde daalde; deze omstandigheid troostte hem eenigszins over het verlies van den ballast en van het gas.
"We zijn nu als op een schip zonder anker," zeide hij. "Als we nogmaals in eene ijswolk geraakt waren, zooals gisteren, dan zouden we verplicht geweest zijn, de benzine, de levensmiddelen en de instrumenten uit te werpen."
Het is dus gemakkelijk na te gaan, dat de toestand van onze reizigers hachelijk begon te worden. De ingenieur, die niet had gedacht, dat de ballast zoo spoedig op zou raken, had daarvan slechts 270 kilogrammen meegenomen, daar hij plaats wilde besparen voor andere dingen en vooral voor brandstoffen.
"Morgen op den middag zullen we nogmaals de plaats bepalen, waar we ons bevinden," zeide Ford. "Het komt mij voor, dat we in de laatste veertien uren de pool hebben moeten naderen."
Gromski, die tegen den stoomketel aanleunde, gaf zich blijkbaar aan ernstige gepeinzen over. Intusschen wendde hij zich bij de laatste woorden van den kapitein eensklaps tot dezen, zeggende:
"Morgen zal mijn ballon het bewijs leveren, waartoe hij in staat is. Uitstel is gevaarlijk, kapitein."
NEGENDE HOOFDSTUK.
EEN ZONDERLINGE PASSAGIER.
Onze reizigers wachtten met ongeduld den middag van den eersten Januari 1895 af. Op dit uur zou namelijk het vraagstuk opgelost worden, dat hun zooveel belang inboezemde, namelijk, of de luchtstroom, die den ballon meevoerde, in de richting van de pool ging dan wel of deze ergens te midden van de eeuwige ijsvelden van het zesde werelddeel zijne kracht verloor.
Nadat men de gevaarlijke ijsbergen voorbijgegaan was, vloog de luchtballon gedurende veertien volle uren over vlakten heen, die met een onafzienbaar sneeuwtapijt bedekt waren, waarop zich hier en daar rotsen verhieven. Het vasteland aan de Zuidpool lag daar onbeweeglijk als de dood; er waren zelfs geene vogels om de poolstreken gedurende den zomer met hun vroolijk gezang te verlevendigen.
Dikwijls scheen het oppervlak der aarde den luchtballon nabij te komen, terwijl de barometer toch nog altijd eene hoogte van 1300 à 1400 meters aanwees; dit leverde het bewijs, dat de ijsvlakten zich eenige honderden meters boven het oppervlak van den Oceaan verhieven en zich boven de linie der eeuwige sneeuw bevonden, die in de poolstreken zeer laag daalt. Het was een echt Land des Doods, en Gromski gaf daaraan inderdaad dien naam.
Gelukkig deed zich op den middag van den eersten Januari geenerlei beletsel voor om de hoogte der zon met juistheid te bepalen.
Ford bevond, na de breedte berekend te hebben, dat de luchtballon sedert den 31sten December om drie uur niet verder dan 45 geographische mijlen naar de pool voortgegaan was, tot op 78 graden breedte. Daarentegen gaf de verandering van de lengte hem veel stof tot nadenken en wekte de blijdschap van den ingenieur.
"We bevinden ons nu op 100 graden ten Oosten van Greenwich. Inderdaad, ik begrijp gedurig minder van de meteorologische en de astronomische wetten, die er in deze streken heerschen. Het is intusschen bezwaarlijk aan te nemen, dat we in minder dan een dag 140 graden in de richting van het Oosten afgelegd hebben."
"Maar het moet toch zoo wezen, kapitein," viel Gromski hem in de rede. "Victorie! Binnen 24 uren zullen we het punt zien, waar alle meridianen der aarde samenloopen."
De kapitein, die op zijne reizen vele onverwachte teleurstellingen ondervonden had, raakte niet zoo spoedig in geestdrift als Gromski.
"Verklaar u nader!" zeide hij, "want als wij niet meer dan vier graden per dag vorderen, dan zie ik niet in, hoe we de pool vóór acht dagen kunnen bereiken."
"Ja, ge zoudt gelijk hebben, als we den ballon geheel aan de willekeur der spiraalvormige winden overlieten."
"Maar dan?...."
Gromski haalde de schouders vol ongeduld op.
"Vergeet ge dan de machine, kapitein?"
"Volstrekt niet! Alleen is de ballon, voor zooverre mij bekend is, niet in staat om te kampen tegen een Oostenwind, die eene snelheid van 100 kilometers in het uur heeft."
"Maar het is niet noodig om tegen den wind te kampen: die wind bestaat niet voor onzen ballon...."
"Ik begrijp er niets meer van, Mijnheer. Verklaar mij dat nader!" mompelde Ford, terwijl hij met het hoofd schudde.
"Maar dat is heel eenvoudig. Luister maar! Ge stemt zonder twijfel toe, dat de luchtstroom, die ons draagt, zich in eene spiraalvormige lijn in de richting van de pool voortbeweegt."
"Ja, ik begin dit ook te gelooven. Anders zou ik mij niet weten te verklaren, hoe de luchtballon, terwijl hij meer dan 2300 kilometers naar het Oosten afgelegd heeft, niet meer dan 4 graden dichter bij de pool zou gekomen zijn."
"Welnu dan! Thans zult ge zonder twijfel moeten toestemmen, dat die luchtstroom ons in geen geval naar het Noorden zal terugvoeren. We zullen onzen ballon nu met alle kracht naar het Zuiden voortstuwen, terwijl wij den wind van ter zijde trachten te hebben. Op deze manier zal onze ballon eene dubbele beweging hebben: naar het Oosten de parallel volgende, en naar het Zuiden den meridiaan volgende. We behoeven met het eerste geen rekening te houden. De brandstof is voor 20 uren voldoende. Gedurende dien tijd zal de luchtballon, als hij zich met de meest mogelijke snelheid voortbeweegt, 1300 kilometers afleggen en zich op een afstand van omstreeks 20 kilometers van de pool bevinden.... Aan het werk dus! Ge zult zien, waartoe onze luchtballon in staat is."
De ijver van Gromski deelde zich in een oogwenk aan de beide anderen mede. Ford, die nu half en half overtuigd was, nam zijne plaats aan het roer in. De stuurman begon aan de machine te werken.
De motor bevond zich in een uitstekenden toestand; er ontbrak geen droppel benzine. Zonder tijd verloren te laten gaan, stak Gromski het vuur aan, dat moest dienen om den inhoud van het voornaamste reservoir te verwarmen: dit laatste was door een metalen omhulsel beveiligd op de manier van de Davy-lampen; alle gevaar voor brand was op deze wijze weggenomen. Een kleine manometer, die aan het reservoir aangebracht was, wees de drukking van den benzinedamp aan. Na verloop van vijf minuten begon het waterstofgas te koken.
"We beginnen," zeide Gromski. "Naar het Zuiden, kapitein," voegde hij er bij, zich tot Ford wendende. "Zijt ge klaar?"
De kloeke zeeman bleef, in plaats van zich op het stoeltje neer te zetten, dat achter in het schuitje bevestigd was, met het kompas in de hand staan.
"Ge hebt de grootste moeilijkheid niet vooruitgezien," zeide hij.
"En die is?"
"Dat we ons niet steeds in eene zuidelijke richting kunnen houden. Het kompas zal ons geen dienst kunnen bewijzen op de breedten, die zich aan gene zijde van de magnetische pool bevinden. De afwijking moet hier 90 graden bedragen. Ross heeft de magnetische Noordpool op 70° 5' Noorderbreedte en 96° 46' Oosterlengte van Greenwich ontdekt; de magnetische Zuidpool bevindt zich volgens Gauss op 72° 35' Zuiderbreedte en 152° Oosterlengte, van hetzelfde observatorium gerekend. Kijk eens! De kompasnaald wijst naar het Westen, dus...."
"Hoe bepaaldet ge dan uwe richting op uwe reizen, als ge de breedte van de magnetische pool voorbij waart?" viel Gromski hem in de rede.
"Ik richtte mij naar de zon, Mijnheer. Op mijne reizen in sleden zag ik gewoonlijk juist op den middag den een of anderen berg in de verte of eenig ander hoog uitstekend voorwerp, dat mij vervolgens diende om mijne richting te bepalen; maar het is onmogelijk, dezen tocht over sneeuw en ijs te vergelijken met de verbazende snelheid van den ballon, die 60 kilometers in het uur aflegt."
"Dat is waar; maar er is misschien wel een ander middel om zich in het luchtruim te oriënteeren, ten einde in de gewenschte richting te blijven. Gij, kapitein, die verwonderlijk goed met de cosmographie bekend zijt, gij zoudt, hoop ik, de vier windstreken wel weten te bepalen, als ge naar de zon kijkt."
"Ja, maar ik sta er u niet voor in, dat wij niet een weinig van onzen weg zullen afwijken."
"Ik geloof niet, dat die afwijking groot zal wezen. Ga nu dus vlak in de richting van de zon en vervolgens gedurig meer linksaf."
Gromski, die naar zijne plaats teruggekeerd was, draaide nu het kraantje van het reservoir om, waarin zich de kokende benzine bevond.
Een minuut daarna vormde de stoom zich.
"We gaan!" riep de ingenieur, terwijl hij het handvatsel van de klep greep.
Op dit oogenblik begon de machine te werken. Onze reizigers gevoelden in hun gezicht een zacht windje, dat zich na verloop van eenige seconden tot een orkaan verhief. De kalmte, die den ballon tot hiertoe omgaf, verdween plotseling; door eene enkele beweging van zijn vervaardiger vloog hij door het luchtruim heen.
"Zoo gaat het goed!" riep de stuurman uit.
Ford bestuurde den luchtballon met het grootste gemak. Van tijd tot tijd verzocht hij Gromski, ten einde zich goed te oriënteeren, de machine even te doen stilstaan, en keek naar het land. Dan begon de luchtballon, zijne eigen snelheid verliezende, met den wind in eene oostelijke richting voort te drijven. Op deze manier bepaalde de kapitein met vrij groote juistheid de voornaamste punten.
Dank zij het verlies aan gewicht, door de verbranding van de benzine veroorzaakt, steeg de luchtballon al hooger en hooger; twee uren nadat hij in beweging gebracht was, bevond hij zich te midden van eene menigte wolkjes, die omstreeks 500 meters boven hem dreven.
Toen onze luchtreizigers zich voor de eerste maal te midden van deze wolken bevonden, had hare onbeweeglijkheid hen verwonderd; nu veranderden de toestanden geheel: de luchtballon bezat eene eigene snelheid; hij vloog dus, als een vogel, de wolken voorbij, ging er stoutmoedig tegen in en doorboorde ze.
Rondom het schuitje vormden zich allerlei wervelwinden; de stoom draaide op eene grillige manier heen en weer en baande zich naar alle kanten een uitweg.
In de hoogte werden de wolken gedurig dichter. Zwarte en dreigende massa's stelden zich aan den ballon in den weg. Ford draaide somtijds het stuurrad om, ten einde aan deze reuzen te ontkomen. Dan week de ballon even van zijn weg af, maar ging toch niet terug. Hij doorboorde de wolken en zette zijne snelle vaart voort, om een oogenblik later weder eene wolk te doorklieven.
Het was als eene worsteling met de natuurkrachten, die den toegang tot de geheimzinnige pool schenen te verhinderen. Deze illusie ontleende eenige werkelijkheid aan de grillige vormen der wolken; onze reizigers ondervonden daarvan al meer en meer den invloed. Met de hand aan het stuurrad geklemd, stuwde de kapitein den ballon voort. Telkens slaakte James triomfkreten.
Gromski zou er echter de voorkeur aan gegeven hebben, een helderen hemel boven zich te zien. De wolken, welker grillige vormen Ford en den stuurman vermaakten, bedekten de zon en veroorzaakten, dat men zich in het luchtruim niet kon oriënteeren. De luchtballon steeg nog voortdurend, en omstreeks vijf uur kwam hij uit eene dichte wolkenlaag, waarvan de uitgestrektheid zeker wel duizend meters te boven ging.
De horizon verdween, vervangen door de grens, die de wolken, welke zij zooeven doorgegaan waren, van het azuur des hemels scheidde. De luchtballon bevond zich in eene zonderlinge omgeving; nergens in het luchtruim zag men eenig voorwerp, dat aan de aarde herinnerde.
Al spoedig, op eene hoogte van 3800 meters, gevoelden de reizigers zich door de koude aangegrepen; de thermometer daalde plotseling van 5 graden boven tot 2 graden onder het nulpunt. Daar de ingenieur niets van de richting van den wind in deze bovenste luchtlagen van den dampkring wist, besloot hij, daaruit zoo spoedig mogelijk te geraken.
Onder den invloed van de lage temperatuur werd het waterstofgas snel ineengeperst; de luchtballon begon dus te dalen, en na verloop van weinig tijd bevond hij zich op zijne vroegere hoogte.
"Het zal ons niet gelukken, de grenzen van den warmen luchtstroom te overschrijden," zeide Ford.
"Maar dat is mijne bedoeling ook niet," antwoordde Gromski. "Over eenige uren zal de luchtballon zulk een opstijgingsvermogen bezitten, dat de samenpersing van het gas hem niet zal verhinderen, nog hooger te stijgen, hetgeen we moeten voorkomen. We zullen ons ballonnetje met lucht vullen, hetgeen ons meerdere zwaarte zal geven, en dan zullen we weder tot de warmere luchtlagen van den dampkring afdalen."
"Ik zal dus maar aan het werk gaan, want ik ben geheel verkleumd," zeide James.
"Doe dat!" antwoordde Gromski. "Maar ik waarschuw je, dat je heel wat werk zult hebben; want de machine verbruikt veel brandstof. Wat ons aangaat, wij geven er de voorkeur aan, ons met thee en cognac te verwarmen."
De ingenieur hield zich inderdaad bezig met het zetten van thee. Het water kookte al spoedig, en onze reizigers genoten voor de eerste maal sedert hun vertrek van het geurige Chineesche vocht.
Daar de ingenieur eens een bewijs van zijne bedrevenheid in de kookkunst wilde geven, braadde hij eenige stukken ham, die nu hun gewoon koud middagmaal vervingen, waarbij men een stevig glas grog dronk.
Om vier uur was de onvermoeide James met het ballonnetje gereed en verklaarde, dat het gevuld was. De inhoud van dit laatste was 200 kubieke meters; de luchtballon had dus meer dan 240 kilogrammen brandstof verbruikt.
"Over eenige uren zal de helft van onze benzine opgebrand zijn," zeide Ford. "Wat zal er dan worden van dat aanzienlijke opstijgingsvermogen, een gevolg van de vermeerdering van het gewicht, als het ballonnetje al niet meer lucht kan verzwelgen? We zullen, geloof ik, eene zekere hoeveelheid gas moeten laten ontsnappen."
"Zeker, want anders zouden wij verscheidene duizenden meters stijgen," antwoordde Gromski. "Maar in plaats van de klep te openen, zal ik het waterstofgas in het fornuis brengen en dit als benzine verbranden."
Dit zeggende, ging Gromski naar den stoomketel toe, en nadat hij aan het fornuis een lange buis van caoutchouc bevestigd had, bracht hij deze in verbinding met het inwendige van den ballon. En al spoedig vertoonden zich in het fornuis blauwachtige vlammetjes; ontstaan door de vermenging van het waterstofgas met de lucht,--vlammetjes, die veel meer warmte dan de benzine gaven.
Tengevolge van het verlies van gas daalde de luchtballon langzaam, en 's avonds om zeven uur bevond hij zich opnieuw in de wolkenlaag. waar hij reeds doorheen gegaan was.
't Was als eene grenslijn, die de boven- van de benedenwereld scheidde. Toen deze grens overschreden was, zagen onze luchtreizigers het sombere vasteland van de Zuidpool weder. Het voorkomen daarvan was bijna niet veranderd. Alleen zagen zij nu, in plaats van vlakten, besneeuwde heuvels, samengesteld uit puntige rotsblokken, die op elkaar gestapeld waren; deze heuvels namen langzamerhand den vorm van hooge bergtoppen aan, die aan den ballon somtijds den weg versperden. Ford maakte zich over deze hinderpalen niet bekommerd; hij vermeed ze door eene enkele beweging van het roer, en de luchtballon zette zijne vaart voort.
Na verloop van twaalf achtereenvolgende uren werd de luchtballon zóó zwaar, dat nog geen 500 meters hem van het oppervlak der aarde scheidden. Om de lucht in het ballonnetje te doen blijven, moest men dus opnieuw de toevlucht tot de benzine nemen.
Maar de ingenieur wilde niet op goed geluk af voortgaan; wetende, dat de kapitein den ballon kon besturen zonder zich van het kompas te bedienen, achtte hij het verkieslijk, in eenig rustig dal te vertoeven en eerst op den middag den tocht te hervatten, als de geographische plaats van den luchtballon op de kaart zou bepaald zijn.
Juist te middernacht raakte de ballon, die al meer en meer daalde, uit den warmen luchtstroom en bevond zich, tot groote verwondering van onze luchtreizigers, te midden van eene volmaakt kalme lucht. De Zuidoostenwind, die den vorigen dag hevig blies, was geheel gaan liggen. Deze kalmte in den dampkring vergunde aan den kapitein, eene geschikte plaats te kiezen, om aan land te komen. Gromski, die deze windstilte niet vertrouwde, ried, in eene vallei neer te dalen, hetgeen dan ook geschiedde. Een kwartier later rustte het schuitje op eene dikke bevroren sneeuwlaag. James greep het anker en maakte het met inspanning van al zijne krachten aan eene nabijgelegen rots vast.
"Vergun mij, vóór u uit te stappen," zeide hij tegen den ingenieur.
"Goed, maar doe het vooral voorzichtig; want je zoudt wel eens alleen op het land kunnen blijven, als je het touw losliet, zonder in je plaats een gewicht, gelijk aan dat van jou, te stellen."
"Maar het is hier de pool nog niet, ouwe jongen," riep Ford, om den ijver van den braven stuurman lachende. "We zijn daarvan op zijn minst nog 600 kilometers verwijderd. Waarom ben je er zoo op gesteld, het eerst den voet op deze plaats te zetten?"
James liet zich echter niet van zijn plan afbrengen: zich aan het touw vasthoudende, sprong hij op het land en begon steenen te zoeken. Na langdurige pogingen gelukte het hem eindelijk, eenige kluiten bevroren sneeuw los te rukken, die hij in het schuitje neerlegde. Toen hij gevoelde, dat de luchtballon hem niet meer in de hoogte trok, liet hij den rand van het schuitje los.
"Wilt gij nu ook uitstappen?" vroeg hij op een zegevierenden toon aan Ford.
"Heel graag, ouwe jongen. Eene wandeling van een halfuur zal heel aangenaam zijn, als men zoo lang achtereen gezeten heeft."
James ging heen en bracht na verloop van eenige oogenblikken nog twee blokken ijs aan om het schuitje te ballasten. Toen Ford den voet op den vasten grond had gezet, greep hij den stuurman bij den arm, en nu begaven beiden zich met langzame schreden naar den muur van rotsen, die de vallei als met een ontzaglijken en zwarten gordel omgaven.
De zeelieden keken met levendige aandoening in de rondte; deze woestijn, die zich in het middelpunt van een geheimzinnig vasteland--met recht het eind der wereld genoemd--bevond, maakte een diepen indruk op hen.
De puntige basaltrotsen, die geheel met sneeuw bedekt waren, en de ontzaglijke ijsblokken deden hen huiveren. De zonnestralen goten tevergeefs stroomen van licht op deze rotsen uit. Alles bleef er even koud en onbezield; het scheen wel, dat de dood deze bergen tot verblijfplaats had gekozen, na daarvan alle sporen van leven uitgewischt te hebben.
Het water en de lucht, die twee krachtige geologische factoren, schenen, naar men zou gezegd hebben, geen deel gehad te hebben aan de samenstelling van deze wereld, die blijkbaar sedert het oogenblik der schepping onveranderd gebleven was.
Over de eeuwige sneeuw voortloopende, zochten onze helden, maar vruchteloos, het spoor van een vos of van een beer. Zij waren zeker de eerste levende wezens, die ooit den bodem van deze vallei betreden hadden.
"Welk eene woestijn!" riep Ford uit. "Het komt mij voor, dat ik op een bevroren planeet ben. Alleen op de maan kan men zulke sombere landschappen vinden."
"Nimmer zal de mensch langs den gewonen weg hierheen kunnen komen, kapitein. Zulk eene reis, op sleden afgelegd, zou wel tien jaren duren."
"Ja, tien jaren op zijn minst, ouwe jongen. Zeelieden zullen niet gemakkelijk tot de Zuidpool doordringen."
"Wat zouden zeelieden in deze bergen doen?" mompelde de stuurman, terwijl hij de schouders ophaalde. "Met onzen ballon is het een ander geval, en als wij daarmee de pool niet bereiken, dan zal niemand dit ooit doen."
"Welken naam zullen wij aan deze vallei geven?"
"De naam, die daarvoor het best past, is naar mijne meening de Maanvallei," zeide Ford.
"En aan de bergen?"
"Het Sneeuwgebergte."
"Ziezoo! Dus hebben we in het Land des Doods eene Maanvallei, gelegen te midden van het Sneeuwgebergte. We moesten hier het een of ander gedenkteeken achterlaten, dat eenmaal aan anderen het bewijs zal leveren, dat wij hier geweest zijn."
"Welk gedenkteeken?... Een hoop steenen misschien?"
"Juist zoo! Een hoop steenen. In het midden zullen we eene blikken doos plaatsen met onze namen en den datum van heden. Zulk een bewijsstuk moet overmorgen aan de pool achtergelaten worden."
"Je plan valt bijzonder in mijn smaak, ouwe jongen. Ik geloof, dat Mijnheer Gromski volgaarne het zijne tot de verwezenlijking van dit plan zal bijdragen. Laat ons er eens met hem over gaan spreken!"
En beiden keerden, zonder tijd te verliezen, met haastige schreden naar den ballon terug.
Maar nauwelijks hadden zij eenige honderden schreden afgelegd, of een oorverdoovend geschreeuw van den ingenieur drong tot hunne ooren door.
"Wat zou er zijn?" vroeg de kapitein. "Hij schijnt ons te roepen!"
Inderdaad gaf Gromski, die in het schuitje stond, aan zijne metgezellen allerlei wenken. Een oogenblik daarna boog hij zich voorover en begon de kluiten sneeuw, die de stuurman en de kapitein op hunne plaats hadden achtergelaten, haastig over boord te werpen.
"Laat ons haast maken! Er is zeker iets gebeurd!" riep Ford onder het voortloopen.
"Wacht er u voor, een schrede verder te doen, kapitein," zeide James, terwijl hij hem bij den arm greep. "Laat ons de vlucht nemen!"
"Waarom? Je bent niet wijs!... Laat ons haast maken, zeg ik je, als we niet willen, dat..."
Maar eensklaps viel Ford zich zelf in de rede, want hij zag het gevaar, dat den ingenieur bedreigde.
Op een afstand van omstreeks 20 meters van den ballon liep een ijsbeer. Toen hij den ingenieur opgemerkt had, die den ballast uitwierp, ging hij op zijne achterpooten loopen en maakte zich gereed, een aanval te doen. Gromski echter verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet. Na nogmaals aan zijne kameraden toegeroepen te hebben, op hunne hoede te zijn, greep hij de laatste kluit sneeuw. Maar voordat deze op den grond neergekomen was, had de beer zijne sterke pooten reeds op den rand van het schuitje gezet. De ballon trilde even, maar verhief zich niet. Van schrik als verstijfd, zagen onze beide zeelieden dit ontzettende tooneel aan.
"Hij zal zich niet kunnen redden!" riep Ford uit.
Maar Gromski had geen plan om zich zoo maar aan het wilde dier over te leveren. Met bliksemsnelheid ging hij naar de plaats, waar de levensmiddelen lagen, en haalde van daar een zwaar vat met wijn te voorschijn. Hij hoopte, dat de ballon, op deze wijze een grooter opstijgingsvermogen krijgende, grooter dan het gewicht van het stoutmoedige dier, aan diens klauwen zou ontkomen.
Hij bedroog zich echter. Toen de beer geen grond meer onder zich voelde, klampte hij zich stevig aan het schuitje vast en ging, aan zijne voorpooten hangende, daarmee de lucht in.
"Hij zal wel vallen!" riep de stuurman uit.