Per luchtballon naar de Zuidpool
Part 13
"Ik zie niet ver hier vandaan een anderen troep," zeide Gromski, terwijl hij naar een ijsveld wees, dat met eene zachte glooiing naar de zee afliep.
Nadat James een blik in deze richting geslagen had, bemerkte hij inderdaad een twintigtal groote dieren, die zich in de zon lagen te koesteren. Zonder een oogenblik te verliezen, liep hij naar het ijsveld toe. De kapitein, die zijn revolver aan Gromski overhandigd had, volgde den stuurman.
"Dat zijn walrussen; met die dieren zullen we meer te stellen hebben," zei de stuurman, terwijl hij op een afstand van omstreeks dertig schreden van den troep bleef staan. "Ik ben al nieuwsgierig om te weten, of zij zich zoo gemakkelijk als de andere zullen laten verslaan. We zullen het probeeren, niet waar, kapitein?"
En de kloeke zeeman ging, zonder acht te slaan op de ontzaglijke ijsvelden en het weinig geruststellende voorkomen der monsters, stoutmoedig voorwaarts.
Zijne aandacht werd getrokken door een groot mannetje, dat gerust lag te slapen; hij sloop er zachtjes naar toe en trof het zoo onverhoeds aangevallen dier juist tusschen de oogen.
Hevig gekwetst, nam de walrus de vlucht. Maar James liet zijne prooi niet los: hij haalde het dier in weinige oogenblikken in en stak het met de lans onder het schouderblad. Op dit oogenblik kwam ook Ford er bij en sneed met een behendigen lansstoot den hals van het monster af, dat duchtig tegenspartelde.
"Hoera!" riep James uit. "Maar laat ons haast maken, daar deze dieren eindelijk zullen beginnen te begrijpen, wat we met hen voorhebben."
Door dezen goeden uitslag stoutmoediger geworden, begaf de stuurman zich te midden van den troep en deed een aanval op een ouden walrus van eene buitengewone lichaamsgrootte.
Maar het dier weerde den aanval met zijne slagtanden af en wierp zich, terwijl het een woedend gehuil liet hooren, op zijne beurt op zijn aanvaller. Toen gebeurde er iets zonderlings. Eensklaps omringde de geheele troep, als op een gegeven sein, onze reizigers. James, die juist ontsnapt was aan een monster, dat op hem aanviel, kreeg het met een ander te kwaad, en al spoedig zagen de beide reizigers zich omringd door eene menigte ronde en afschuwelijke koppen, die zich met hunne lange witte slagtanden verdedigden.
James liet zich door het gevaar niet verbijsteren. Terwijl hij zich met zijne lange lans verdedigde, week hij langzaam achterwaarts naar het hooge gedeelte van het ijsveld, waar hij zich zonder moeite zou kunnen beveiligen. Duchtig in het nauw gebracht, deelde hij wanhopige slagen onder de woedende dieren uit. Hoe stevig zijne lans ook wezen mocht, toch kon hij daarmee de walrussen niet in bedwang houden. Juist op het oogenblik, waarop de moedige stuurman gevaar liep om onder de slagtanden van een dier monsters te vallen, gevoelde hij, dat hij waggelde. Hij zwaaide een oogenblik met de handen, op deze wijze zijn evenwicht trachtende te bewaren; toen stortte hij in een gapende kloof neer.
Nu James van het slagveld was verdwenen, werd de toestand van den kapitein nog hachelijker. Tevergeefs zwaaide de moedige zeeman met zijne lans. Zijn arm werd moede, en de wonden, die hij toebracht, dienden slechts om de woede zijner aanvallers te doen toenemen.
Verscheidene malen deed de kapitein eene poging om door de dichte gelederen zijner aanvallers heen te dringen; maar terstond was hij genoodzaakt, voor hunne verschrikkelijke slagtanden terug te wijken.
Nadat onze zeeman een mislukten lansstoot had gedaan, verdween hij onmiddellijk te midden van de zwarte ondieren, die hem omgaven.
Maar op dit oogenblik deden zich kort na elkander vier revolverschoten hooren; de walrus, door wiens slagtanden de kapitein gevallen was, richtte zich een oogenblik met inspanning van al zijne krachten overeind en viel toen dood neer: hij had de kogels in zijn oor gekregen. Gromski maakte zich dit korte oponthoud ten nutte: nadat hij zijn laatsten kogel afgeschoten had, die tusschen de ronde oogen van het naastbijzijnde dier doorgedrongen was, greep hij den kapitein met zijne krachtige armen aan en haalde hem van onder het onbeweeglijke lichaam van het monster weg.
"Neem de vlucht!" riep hij uit, terwijl hij hem naar den top van het ijsveld wees, dat zich als eene piramide verhief.
Al spoedig bevonden de beide reizigers zich op den top dezer piramide, waar geenerlei gevaar hen meer bedreigde.
Deze voorzorg bleek onnoodig geweest te zijn; want de walrussen, die door de revolverschoten verschrikt waren, gaven den strijd op en keerden in aller ijl naar hun element, de zee, terug.
"Maar ginds, in die kloof, is James achtergebleven," riep Ford uit, terwijl hij zich van de piramide liet afglijden. "We moeten hem redden!"
De ongerustheid van den kapitein over den stuurman scheen gerechtvaardigd te zijn. De beide metgezellen hadden hem in de kloof tusschen de ijsbergen zien vallen, werwaarts ook de walrussen de vlucht genomen hadden.
Deze dieren, die op het ijs vrij langzaam in hunne bewegingen zijn, bewegen zich vlug in het water en strijden daarin zelfs met een gewenschten uitslag tegen den ijsbeer. Als zij ter plaatse kwamen, waar de stuurman lag, dan zou deze niet aan den dood kunnen ontkomen.
Ford bleef aan den rand der kloof staan en keek naar het troebele water. Maar hij zag tusschen de walrussen James nergens.
"Verloren!"
Deze wanhopige uitroep werd echter terstond gevolgd door een hoera! dat van den anderen kant der kloof weerklonk. Nadat Ford in deze richting had gekeken, zag hij tot zijne groote blijdschap den stuurman, die, hoewel hij tot op zijn hemd toe nat was, vroolijk lachte. Toen James in het water gevallen was, had hij zijne tegenwoordigheid van geest niet verloren. Daar hij een goed zwemmer was, bereikte hij binnen weinige oogenblikken een ijsblok, waarop hij zich op zijn gemak neerzette. Toen hij de revolverschoten hoorde en de walrussen de vlucht zag nemen, begreep hij al spoedig, dat de kapitein ook buiten gevaar was.
De ingenieur liep nu naar de kloof en stak den ouden zeeman zijn stok toe, met behulp waarvan deze het ijsveld kon bereiken.
"Duizend duivels! Ik dacht niet, dat die ondieren zoo kwaad zouden zijn," zeide hij, terwijl hij zich naast Ford neerzette. "Ge zijt, hoop ik, goed en wel aan hunne slagtanden ontkomen, kapitein?"
Helaas! de dappere zeeman kon op de ongeruste vraag van den stuurman geen bevestigend antwoord geven; want hij droeg op zijn been en in zijne zijde de sporen der slagtanden van den walrus, dien de ingenieur zoo juist bijtijds gedood had.
"Wie zou dat gedacht hebben? De walrussen zien er zoo onschuldig uit!" merkte James aan, nadat hij de wonden van den kapitein onderzocht had.
"Je hebt daarop te veel gebouwd," antwoordde Gromski. "Misschien hadden zij al eens meer met vijanden te doen gehad; want zij hebben terstond onze bedoelingen geraden."
De wonden van den kapitein waren echter niet zeer ernstig. James verbond ze inderhaast, en men keerde naar de plaats terug, waar de luchtballon zich bevond.
Eerst den volgenden dag gingen Gromski en James, nadat zij met behulp van stukken rots een fornuis gemaakt en daarop de beide ketels geplaatst hadden, naar het ijsveld om aan de gedoode zeekoeien en walrussen de huid af te stroopen.
Deze lastige bezigheid kostte hun veel tijd. Op den 28sten Februari begon de stuurman de olie te smelten, terwijl hij als brandstof de slechtste stukken van het vet en het mos gebruikte, dat hij in de rotskloven verzameld had.
De oude zeeman had de belofte vervuld, die hij aan Gromski gedaan had; want acht dagen na de gevaarlijke jacht had hij drie zeekoehuiden, met olie gevuld, ter zijner beschikking, alsmede een grooten hoop mos.
Gedurende dezen tijd hield de ingenieur zich met het maken van de noodige toebereidselen bezig. Hij zaagde de bamboesstokken, waarvan het schuitje vervaardigd was, halverwege af, waardoor het veel lichter werd, en bracht eene zekere hoeveelheid zoet water bijeen.
Op den 5den Maart was alles, wat er noodig was om waterdamp te verkrijgen, gereed. De ingenieur wachtte slechts op het oogenblik, waarop de barometer zou dalen, om alsdan een groot vuur in het fornuis aan te leggen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
DOOR DEN STORM MEEGEVOERD.
De lucht bleef onveranderlijk helder, als wilde zij den spot met onze reizigers drijven. Al spoedig, omstreeks den 15den Maart, kondigde de eerste vorst aan, dat de winter in aantocht was. Toen de ingenieur den thermometer raadpleegde, die tot 2 graden beneden het nulpunt gedaald was, werd hij door angst aangegrepen; want bij eene lage temperatuur zou het vullen van den ballon zeer moeilijk gaan.
De kapitein teekende verscheidene malen per dag den stand van den barometer aan, ten einde Gromski den eersten herfststorm te kunnen aankondigen, die den luchtballon uit de ijswoestijn moest wegvoeren.
Eindelijk, na tien dagen gewacht te hebben, begon er verandering in de weersgesteldheid te komen. De barometer daalde in den nacht van den 19den in zes uren niet minder dan 15 millimeters. Deze plotselinge toeneming van de vochtigheid deed tot groote veranderingen in den dampkring besluiten. De kapitein deelde dit aan Gromski mede, die de wacht bij den luchtballon hield.
De ingenieur bracht met behulp van James den stoomketel in orde en drenkte het mos met olie om, dank zij dezen maatregel, het vuur te kunnen ontsteken, zoodra dit noodig zou wezen.
Toen in den morgen van den 24sten de barometer 745 millimeters aanwees, begon men, zonder langer te wachten, den ballon te vullen.
"Als het maar geen cycloon wordt!" zei de stuurman gejaagd, terwijl hij naar de lucht keek, waaraan donkergrijze wolken voortdreven. "Met een cycloon zouden wij niet ver komen."
Het mos, met olie gedrenkt, was, zooals men al spoedig zag, eene goede brandstof; het brandde spoedig en gaf eene flinke en hooge vlam. De ingenieur hoopte den ballon in zes uren te vullen. Hij spaarde de olie niet, want het was er om te doen, zoo spoedig mogelijk de noodige hoeveelheid waterdamp te verkrijgen.
Tegen den middag begon de lucht zich met geelachtige wolken als met een half doorzichtigen sluier te bedekken. Dit was, naar het zeggen van den stuurman, de voorbode van een orkaan.
De ingenieur wreef zich van blijdschap in de handen, toen hij de wolken zag, die zich aan den horizon opeenhoopten.
"Laat alle winden maar losbarsten!" zeide hij, terwijl hij nog wat olie in het vuur goot.
Ford hield zijne oogen onafgebroken op den barometer gevestigd, die nog voortdurend daalde. Er viel niet aan te twijfelen, of er was een storm in aantocht.
"Haast u wat!" zei de kapitein, terwijl hij den voorraad gerookte ganzen en versche eieren in het schuitje neerlegde. "Binnen drie uren zal de storm opsteken; ik vrees, dat het een sneeuwjacht zal worden, die voor ons noodlottig zou wezen."
De kloeke zeeman had juist geraden. Omstreeks 4 uur in den namiddag deden de eerste windvlagen zich gevoelen, welke den ballon, die nu voor drie vierden gevuld was, heen en weer bewogen. Gromski richtte het hoofd op en zag de lucht loodkleurige tinten aannemen. Op dezen somberen achtergrond dreven langzaam eenige witte wolkjes voort.
"Ik heb dikwijls dergelijke wolkjes gezien vóór stormen, die wel verscheidene dagen achtereen aanhielden," zeide James, die op eene rots geklommen was.
Ford haastte zich, daar hij het gevaar wel vooruitzag, dat den ballon zou bedreigen, indien men eens genoodzaakt was, gedurende den storm boven de kleine vallei op te stijgen.
"Er bestaat geen gevaar," zei de ingenieur. "Onze ballon zal zóó snel opstijgen, dat wij zelfs de rotsen rondom het schuitje niet zullen opmerken."
Gedurende dezen tijd nam de orkaan met ieder oogenblik in hevigheid toe. Zijn schel gefluit werd machtiger dan het geluid van den stoom, die uit den stoomketel ontsnapte. De luchtballon nam langzamerhand zijn vroegeren vorm van eene reusachtige sigaar weder aan. Om zes uur, toen het overige gedeelte van het mos naar het schuitje overgebracht was, verzocht de ingenieur aan zijne metgezellen, hunne plaatsen in te nemen.
"Houdt u goed!" riep hij hun toe, terwijl hij nog wat ballast uit het schuitje wierp.
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de luchtballon begon zich te bewegen en steeg in een oogwenk boven de rotsen, die hem omgaven. De schok, daardoor teweeggebracht, wierp den stuurman, die er niet op verdacht was geweest, op het vochtige mos neer. De kapitein, die den rand gegrepen had, zag de vallei eensklaps verdwijnen. Eene halve minuut daarna zweefde de luchtballon reeds over de ijsvelden, die de kusten omgaven.
"We gaan naar het Noordoosten," riep Ford uit. "Kijkt maar naar het ijs!"
Inderdaad vloog de ballon over het uitgestrekte ijsveld heen, dat zij eenige weken geleden met zooveel moeite overgeloopen hadden. Al spoedig verdween de lange keten van bergen als in een mist.
De kapitein bemerkte te midden daarvan de noodlottige plaats, die bijna zijn graf geworden was. Maar de ijsvelden verdwenen al spoedig uit het gezicht. De orkaan voerde den ballon daar overheen met eene snelheid, die Gromski op 180 kilometers begrootte.
"Drommels!" riep de kapitein uit. "Het is toch heerlijk, dat we nu in een kwartier den afstand afleggen, waartoe we vroeger een maand noodig gehad hebben!"
De herinneringen aan de bezwaren der reis, aan de bovenmenschelijke inspanning en aan de verschrikkelijke oogenblikken, te midden der ijsbergen doorgebracht, schenen den reizigers nu belachelijk, vergeleken bij de verbazende snelheid van den luchtballon, die nu in eene minuut denzelfden weg aflegde, waarvoor zij vroeger een geheelen dag noodig hadden gehad.
Het oppervlak van den oceaan bedekte zich al spoedig met dreigende wolken. Een halfuur na de opstijging kwam de luchtballon geheel in de zwarte wolken, en dat wel op het oogenblik, waarop Ford de zee hoopte te zien, waarvoor hij weinig tijds geleden had moeten zwichten, zonder de pool te kunnen bereiken, waarvan hij nauwelijks 15 kilometers verwijderd was.
Nu de ballon eenmaal in deze verdunde en van vochtigheid verzadigde lucht gekomen was, steeg hij langzaam; gelukkig was de temperatuur te midden der wolken hoog genoeg, anders zouden onze reizigers met een plotselingen val bedreigd zijn. De ingenieur stak het waterstofgas onder den stoomketel aan om het opstijgingsvermogen te doen toenemen. Hij slaagde daarin volkomen. Om 7 uur wees de barometer eene hoogte van 2400 meters aan. De wolken eindigden nauwelijks 500 meters hooger.
"Wie weet?" zeide James met een zucht. "Misschien hebben wij wel boven de pool zelf gezweefd."
"Dat betwijfel ik," antwoordde Gromski. "De wind voert ons naar het Noordoosten en niet naar het Zuiden."
"Moet dat beteekenen, dat wij niet regelrecht naar Amerika terugkeeren?"
"Dat doet er niet toe, als wij maar eenig vasteland bereiken. Ik voor mij zou er niets tegen hebben, al kwamen we ook in Afrika, zelfs onder de Hottentotten neer."
"Ik ook niet," mompelde de zeeman. "Maar ik heb er een voorgevoel van, dat wij eindelijk nog eens in den Oceaan zullen neerkomen."
Onze reizigers waren zich al te zeer van hun hachelijken toestand bewust, dan dat zij zich hieromtrent illusiën zouden maken. Zij wisten maar al te goed, dat hunne reis slechts eene wanhopige poging was. Nochtans verloor geen hunner zijne koelbloedigheid en zijn moed.
Gromski rekende niet veel op den ballon, die nu van waterstofgas verstoken was; maar hij wenschte toch zoolang mogelijk in de lucht te blijven.
Gelukkig verloor de ballon, dank zij zijne betrekkelijk kleine oppervlakte, slechts langzaam zijne warmte. Te middernacht was de damp, dien hij bevatte, nog niet in een vloeibaren toestand overgegaan.
Eerst 's morgens om vier uur begonnen de eerste droppels uit het inwendige van den ballon te vallen.
Toen Gromski dit bemerkte, stak hij het fornuis aan en bracht in den ballon eene aanzienlijke hoeveelheid warmen damp.
Van dat oogenblik af moest men het vuur onder den stoomketel steeds aanhouden; de stuurman ving zorgvuldig in de huid van een zeekoe het water op, waarin de damp veranderde. Anders zou de voorraad water, die als ballast gebruikt werd, binnen eenige uren uitgeput geweest zijn.
Onze reizigers zagen met angst, dat de inhoud van het ballonnetje, dat het waterstofgas inhield, snel verminderde. Vijftien uren na hun vertrek had de ingenieur reeds de helft van deze kostbare brandstof verbruikt.
"Ik zou wel eens willen weten, met welke snelheid wij voortgaan," zei de kapitein. "Als die zwarte wolken er niet waren, zou ik nooit hebben kunnen gelooven, dat een storm ons meevoerde."
Inderdaad was er geene verandering in den omtrek van den ballon op te merken. De atmosfeer scheen volkomen kalm te zijn. Bliksemstralen en donderslagen gingen met dezen storm zelfs niet gepaard. Door de dichte massa wolken, die onder de voeten van onze reizigers voortdreven, kon men niets onderscheiden. De ingenieur dacht, dat het in de lagere luchtlagen moest regenen en sneeuwen; dientengevolge moest men er zooveel mogelijk boven blijven.
Maar de ingenieur kon zijn ballon niet lang op de gewenschte hoogte houden; want de temperatuur daalde na verloop van eenige uren aanmerkelijk. De damp perste zich al meer en meer samen, zoodat de stoomketel zonder ophouden in werking moest blijven. Op den 21sten Maart, des morgens om 10 uur, was het waterstofgas geheel verbruikt. Terstond begon de barometer snel te dalen. Het gevaar werd al dreigender en dreigender.
Een halfuur daarna trok de stuurman Gromski bij de mouw en wees hem verscheidene witte vlokken, die op zijne kleederen neervielen.
"Sneeuw," mompelde hij.
Zoo was dan gebeurd, waarvoor de ingenieur zoozeer had gevreesd: de luchtballon bevond zich in de lagere luchtlagen, waar een sneeuwstorm woedde.
"James, doe het overige van het mos in het fornuis," zeide hij, "anders zullen we vallen."
"Dat zullen we toch niet kunnen verhinderen," antwoordde de zeeman, terwijl hij aan het gegeven bevel voldeed.
De kleine hoeveelheid mos verdween al spoedig; de stuurman haalde, na de laatste hoeveelheid op het verflauwende vuur geworpen te hebben, de schouders op.
"Nu moet het omhulsel van den rand van het schuitje er aan gelooven," zeide hij.
En daar hij geen antwoord kreeg, nam hij een mes en begon de zijde af te snijden, die den rand omgaf. De ingenieur verhinderde hem hierin niet.
"Laat het maar verbranden! Wat doet dat er toe?"
Maar het harde bamboes wilde niet branden. James stak dus zijn mes weder in den zak en begon, met de handen op den rug, een matrozenliedje te fluiten, welks vroolijke melodie een zonderling contrast met het onheilspellende gebulder van den Oceaan opleverde. De kapitein volgde met angst de sneeuwvlokken, die eene gedurig dikker wordende laag op den luchtballon vormden.
"Welnu, kameraden, we moeten maar afscheid van elkaar nemen!" zeide hij eensklaps met eene stem, die van ontroering trilde. "Al spoedig zullen de golven ons voor immer den mond sluiten, en ik wil de aarde niet verlaten zonder u vergiffenis gevraagd te hebben, Mijnheer. Het is mijne hardnekkigheid, die ons allen in het verderf heeft gestort. Ik weet het ... want ... als ik ..."
Maar Gromski viel hem in de rede.
"Ge moest wel ... het was uw plicht, zoo te handelen," zeide Gromski met tranen in de oogen, terwijl hij den kloeken zeeman de hand drukte. "Het is een gering offer op het altaar der wetenschap. Alles, wat ik wensch, is, dat het niet vruchteloos moge blijven."
"Dat zal het geval niet zijn!" antwoordde Ford, terwijl hij de blikken doos, waarin zijn dagboek opgesloten was, te voorschijn haalde. "Men zal dit vroeger of later wel vinden! Weest daar maar gerust op!"
"Ja," zeide James, terwijl hij zich den neus snoot. "Alleen is het jammer, dat wij dit zelf niet kunnen vertellen ... Och hemel!"
In dezen laatsten uitroep lag alles opgesloten, wat de oude zeeman niet onder woorden kon brengen: verbittering, spijtigheid, teleurstelling, wanhoop en eindelijk berusting.
Dit treurige tooneel duurde echter niet lang. Onze reizigers beheerschten hunne aandoeningen en wachtten met gelatenheid den dreigenden dood af.
Het dof gebulder van den Oceaan, die door den storm werd voortgezweept, werd al duidelijker en duidelijker. Gromski berekende, met den barometer in de hand, de hoogte, waarop zij zich bevonden.
"Achthonderd meters, zevenhonderd...."
"De Oceaan!" riep James, terwijl hij zich over den rand van het schuitje heenboog.
En tegelijkertijd kwam de luchtballon uit de dichte wolk, die hem tot dusverre omgeven had. Tusschen de sneeuwvlokken, die door de lucht dwarrelden, tusschen het gebulder van den orkaan door, kon men zonder moeite het donkere oppervlak van den Oceaan zien en zijne millioenen golven, die elkander onafgebroken opvolgden. Op den donkeren Oceaan teekenden zich de talrijke witte silhouetten der ijsbergen af, die door de golven werden meegevoerd. Dit tooneel werd met ieder oogenblik duidelijker te onderscheiden; want de luchtballon, die reeds met eene sneeuwlaag van eenige centimeters bedekt was, daalde met eene ontzaglijke snelheid naar beneden.
"Nu is het einde daar!" mompelde James.
Het schuitje raakte het schuim der golven reeds aan. De ballon gleed over het onstuimige oppervlak van den Oceaan. Onze reizigers gevoelden een hevigen schok en terstond daarna eene ijzige koude door hunne leden. Het was gedaan. De ballon worstelde met de golven. Door den wind voortgedreven, verhief hij zich somtijds, als een gekwetste vogel, maar viel terstond weder neer. De ingenieur en zijne metgezellen, die door het schuim der golven overstroomd en verblind waren, grepen als bij instinct de touwen om uit het schuitje te komen, dat geheel op zijde gevallen was.
Na bovenmenschelijke pogingen gelukte het hun, het inwendige van den ballon te bereiken. Deze laatste kromp bij iedere aanraking met het water zichtbaar ineen. De waterdamp veranderde snel in een vloeibaren toestand.
"Hooger, hooger!" riep de ingenieur, terwijl hij in de groote holte van het omhulsel kroop.
Hier konden de golven hen niet bereiken. Na al zijne koelbloedigheid herkregen te hebben, bemerkte hij, dat de ballon niet onbeweeglijk was, maar dat hij met snelheid naar eene ontzaglijke massa heendreef, waarvan de omtrekken door den sluier van sneeuw slechts onduidelijk te zien waren. De kapitein bemerkte deze insgelijks.
"Een ijsberg!" riep hij uit.
Nauwelijks waren deze woorden over de lippen van Ford gekomen, of de gehavende ballon kwam op den ijsberg neer. Onze reizigers hoorden het dof gekraak van het brekende bamboes. Het schuitje was met een scherpen kant van het ijsveld in aanraking gekomen en bleef daaraan voor een oogenblik vasthaken.
Gromski maakte van dit oogenblik gebruik. Na zijne schuilplaats verlaten te hebben, bereikte hij na eenige vruchtelooze pogingen het hobbelige oppervlak van den ijsberg en bevond zich al spoedig op den kant, waaraan de ballon was blijven vasthaken.
De kapitein en James volgden hem werktuiglijk.
Intusschen verhief zich de ballon, zoodra zij den voet op den ijsberg gezet hadden, eensklaps en verdween in het luchtruim.
Gedurende eenige oogenblikken zag men hem zich nog als een zwart stipje tegen de vallende sneeuw afteekenen; daarop verdween hij te midden der donkere wolken.
De ingenieur, die aan den kant van eene breede kloof zat, staarde hem tot op het laatste oogenblik na. Toen verborg hij zijn gelaat in de handen en biggelden er een paar tranen langs zijne wangen.
Het gewrocht van zijn genie, de oorzaak van zijn roem, was voor immer verloren gegaan.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
OP EEN IJSBERG IN DEN OCEAAN.