Per luchtballon naar de Zuidpool

Part 12

Chapter 123,858 wordsPublic domain

Op den derden dag echter kwamen zij tot de overtuiging, dat de nieuwe weg veel moeilijker was dan de oude. De keten van ijsbergen strekte zich wel is waar niet ver uit; maar het ijsveld eindigde op 15 kilometers ten Oosten. Toen onze reizigers deze grens bereikt hadden, kwamen zij aan een echten doolhof van ontzaglijk poolijs. Al de vermoeienissen en al de bezwaren, waaraan zij tot dusverre blootgesteld waren geweest, waren slechts eene kleinigheid in vergelijking met hetgeen zij nu te verduren hadden. Zij klommen met moeite van het eene ijsblok op het andere. De Zuidpooloceaan vertoonde zich aan onze drie helden in al zijne verschrikkelijkheid. Deze terugreis was slechts eene onafgebroken en hevige worsteling tegen de natuurkrachten,--eene worsteling, waarbij bloedige gevechten, met de wapenen in de hand, slechts kinderspel zijn. Dáár is slechts eene oogenblikkelijke opgewondenheid noodig om de overwinning te behalen, eene opgewondenheid, die met den kruitdamp verdwijnt. Hier wordt eene geestkracht vereischt, die aan alles weerstand biedt, een ijzeren wil. De ingenieur en zijne metgezellen gevoelden zich nu sterk genoeg om aan alle gevaren der reis het hoofd te bieden; zij werden weder bezield met de hoop, den luchtballon spoedig te bereiken en onmiddellijk het Land des Doods te verlaten.

Maar op den 19den, na een vermoeienden tocht van drie dagen, waren onze reizigers nog niet verder dan 10 kilometers gevorderd.

Het is dus niet te verwonderen, dat de twijfel langzamerhand hunne harten binnensloop, om eindelijk tot volslagen wanhoop over te gaan. Gedurende de volgende dagen vorderde men nog minder dan vroeger.

Van den top van een ijsblok zagen zij nog zonder moeite de plaats, die zij sedert 24 uren hadden verlaten. Dikwijls moesten zij, na een geheelen dag tusschen de ijsblokken voortgetrokken te zijn, een anderen weg zoeken.

Op den 23sten bevonden onze reizigers zich, na 2 kilometers over de woeste ijsvelden afgelegd te hebben, eensklaps vóór eene breede kloof. Op een afstand van ongeveer 20 meters kwam uit de sluimerende wateren van den Oceaan een oud ijsveld te voorschijn, dat door reusachtige ijsbergen omgeven was. De ingenieur zocht vruchteloos de plaats, waar de twee ijsvelden zich met elkaar vereenigden. Men liep langs de kloof heen, maar was genoodzaakt, na verloop van eenige uren terug te keeren, daar de kloof al breeder en breeder werd.

"We moeten er, denk ik, overheen zwemmen," zei de ingenieur, terwijl hij bleef stilstaan. "Het koude water zal ons zeker geen goed doen, maar ik zie er geen ander middel op. Wat dunkt u er van, kapitein?"

Ford haalde onverschillig de schouders op.

"Wat mij aangaat, ik doe geen stap verder: het is tijd om er een einde aan te maken. Waarom zich met illusiën te vleien, Mijnheer? Uw ballon bevat sedert twee weken geen enkelen kubieken meter gas meer! Ik geef er dan nog maar de voorkeur aan, in de nabijheid van de pool te sterven."

De kapitein zeide dit op een kalmen, gelaten toon, die het bloed in de aderen van Gromski deed stollen.

Ja! Waarom zich met eene ijdele hoop te vleien? Drie weken waren er verloopen sedert het oogenblik, waarop men den luchtballon had verlaten. De ingenieur erkende in den grond zijns harten, dat de voorspellingen van den kapitein juist waren. Nochtans beschouwde hij het als zijn plicht, den moed zijner kameraden staande te houden.

"Ik heb de ondoordringbaarheid van het omhulsel van mijn luchtballon niet nauwkeurig genoeg vastgesteld," zeide hij. "Misschien heeft hij slechts een derde gedeelte van zijn gas ingehouden. Dan zullen wij in geval van nood een anderen, lichteren dienen te vervaardigen, dan zullen wij den stoomketel en de machine wegwerpen...."

"Dat alles is slechts eene illusie," viel Ford hem in de rede. "Zulk een luchtballon zal nimmer drie menschen kunnen dragen. Keer zelf terug, als ge kunt, Mijnheer. Wat mij aangaat, ik blijf hier."

Het gelukte Gromski echter, de moedeloosheid van zijn metgezel te overwinnen.

Nadat onze reizigers de kloof overgegaan waren met behulp van een touw, dat van den eenen kant naar den anderen als een hangende brug gespannen was, begaven zij zich weder over de maagdelijke ijsvelden op weg.

Als de ingenieur de vermagerde en wanhopige gezichten van zijne metgezellen gadesloeg, dan verweet hij zich de lichtvaardigheid, waarmee hij hunne hoop had staande gehouden. Maar bij eenig nadenken overtuigde hij er zich van, dat er in zijn eigen hart eene hoop leefde, die door geenerlei redeneering kon uitgebluscht worden.--Als het gas nog eens niet was ontsnapt, dank zij de dunne laag aluminium, waarmee het omhulsel bedekt was!....

Door deze gedachte bezield, liep Gromski met vasten stap voort, beklom het eerst de ijsblokken, vond doortochten te midden van den chaos van ijsvelden en moedigde met woorden en gebaren den kapitein en James aan. Deze uiterste pogingen zouden echter tot niets geleid hebben, indien niet een toeval onze reizigers op den goeden weg had gebracht. Het bleek inderdaad, dat het oude ijsveld, hetwelk men met zooveel moeite overgestoken was, aan een ander grensde, dat zich ver naar het Noorden uitstrekte.

Op den 24sten vertoonden de omtrekken der rotsen op de kust, te midden waarvan de ballon zich bevond, zich eindelijk aan den horizon. De poolzon wees aan, dat het juist middernacht was, toen onze drie vrienden op eene kaap aankwamen, die omstreeks twintig meters boven het oppervlak van den Oceaan verheven was, en van welken top de kapitein zonder moeite het uitgestrekte ijsveld met zijne noodlottige keten van bergen kon onderscheiden.

Zij legden den kleinen afstand, die hen van den ballon scheidde, zonder al te veel moeite langs de kust af, over het ijs van het vasteland, dat de rotsen omgaf. Nadat de ingenieur zijne metgezellen vooruitgegaan was, beklom hij met een kloppend hart den heuvel, liep over de rotsen heen en bleef plotseling onbeweeglijk als een standbeeld nabij de plaats staan, waar de luchtballon door hen achtergelaten was.

In plaats van het reusachtige lichaam van den ballon lag er eene vormlooze massa op den grond, een berg van verfrommeld doek, waaruit de uiteinden van het ledige schuitje te voorschijn kwamen. Gromski bekwam eerst van zijne verbazing, toen Ford hem de hand op den schouder legde.

"Ha, ha, ha!" zeide hij, terwijl hij in een akelig gelach uitbarstte. "Uw ballon heeft zijne ziel verloren! Welnu, geef mij de hand! We zullen hier te zamen blijven op den afstand van een halven graad van de Zuidpool!"

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EENE JACHT OP WALRUSSEN.

Geene reizigers naar de poolstreken hebben, gelooven wij, ooit in zulk een wanhopigen toestand verkeerd als die, waarin onze luchtreizigers zich thans bevonden.

De bemanningen van de schepen, die verbrijzeld of door het ijs ingesloten zijn, kunnen nog redding in hunne sloepen zoeken of eene poging wagen om te voet de streken te bereiken, die door de walvischvangers plegen bezocht te worden. Maar nu onze reizigers hun luchtballon verloren hadden, verkeerden zij in een toestand, waaraan geen ontkomen meer mogelijk was. De terugreis over den Oceaan was hun even ondoenlijk als de terugreis door de lucht. Zij bezaten geen kano. Wat de reis door de bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, aangaat, deze grensde aan eene belachelijke stoutmoedigheid. Nooit drong er eenig schip tot aan dit einde der wereld door: het was dus vruchteloos, eenige hulp van anderen te verwachten.

Alleen het waterstofgas kon hen redden en den verslapten luchtballon weder doen opzwellen. Maar op de geheele oppervlakte van het uitgestrekte vasteland aan de Zuidpool zou Gromski de materialen niet hebben kunnen vinden om dit gas te verkrijgen, en hij dacht daar dan ook niet aan. Misschien bevonden zich ergens, honderden voeten onder de rotsen, lagen van ijzer en van zwavel, maar waartoe zouden deze hem dienen? De scheikunde geeft geen gemakkelijker middel aan de hand om waterstofgas te verkrijgen dan het een of ander zuur op een metaal te doen werken; maar al wist zij ook een ander middel, toch zou de ingenieur daarmee zijn voordeel niet hebben kunnen doen bij gebreke van de noodige ingrediënten. Men vult de ballons somtijds met lichtgas, dat veel zwaarder is dan waterstofgas. Maar waar zouden onze reizigers de steenkolen en de distilleertoestellen vandaan gekregen hebben?

Terwijl de ingenieur over een middel nadacht om het waterstofgas door iets anders te vervangen, herinnerde hij zich de luchtbollen, die met behulp van lucht, door warmte verdund, opstijgen. Maar dergelijke luchtbollen kunnen hun opstijgingsvermogen niet lang behouden en komen gewoonlijk eenige uren, nadat zij opgestegen zijn, weder neer. Bovendien vereischen zij eene aanmerkelijke hoeveelheid brandstof, die onze reizigers niet bezaten. De ingenieur was dus genoodzaakt om te erkennen, dat al zijne wetenschappelijke kennis machteloos was tegenover de moeilijkheden, die zich voordeden. De stoutmoedige bemanning van den luchtballon werd bedreigd door het ellendige lot, dat de "World" in zijn merkwaardig artikel reeds had voorspeld.

De kapitein en James schikten zich met onverschilligheid in de treurige werkelijkheid.

Nu deze kloeke zeelieden alle hoop op redding hadden laten varen, verlangden zij niets meer dan het overige van hun leven ten bate der wetenschap te besteden.

Zij wijdden zich met een hartstochtelijken ijver aan meteorologische, magnetische en astronomische onderzoekingen. Ford vervaardigde op den top van eene ijsrots een klein observatorium, waar hij al zijn tijd doorbracht met het opteekenen van de temperatuur, den stand van den barometer en den thermometer, de afwijking van de magneetnaald, in één woord met het bijeenbrengen van overvloedig wetenschappelijk materiaal.

"We zullen op onzen post sterven," herhaalde hij. "De resultaten van onze nasporingen zullen misschien eenmaal iemand in handen vallen. Wij zullen er nog vele tot aan den herfst kunnen doen."

James verliet geen enkel oogenblik den kapitein en hielp hem voortdurend bij zijne werkzaamheden.

Gromski staarde deze mannen met gemelijkheid aan; de overdreven ijver van Ford verwonderde en verbitterde hem tegelijkertijd.

Was het eigenlijk niet de hardnekkigheid van den kapitein, die den tocht had doen mislukken?

Zonder dezen tocht over het ijs en zonder de vertraging, daardoor ontstaan, zou de ballon nog het een of ander bewoond land hebben kunnen bereiken. Deze gedachten verbitterden het hart van den ingenieur, en de gelatenheid van zijne metgezellen boezemde hem bijna afkeer in.

In plaats van deel te nemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen, zwierf Gromski op de kust of in de nabijheid van den luchtballon rond, alsof hij nog een middel ter redding hoopte te ontdekken.

Er verliep eene week.

Op den 25sten Februari, toen de kapitein juist bezig was met het opteekenen van den stand van den barometer, bleef Gromski eensklaps bij hem staan. Zijne tegenwoordigheid in het observatorium verwonderde Ford en was hem blijkbaar aangenaam.

"Zoo! Gij hier, Mijnheer?" vroeg hij hem, terwijl hij de temperatuur opteekende. "Dat vind ik best. Ge hebt zeker besloten, deel aan onzen arbeid te nemen, niet waar?"

Als men het bleeke gelaat van den kapitein, dat nu van voldoening straalde, had gezien, dan zou men gezegd hebben, dat hij den toestand, waarin hij verkeerde, geheel vergeten had. En inderdaad, zooals hij in zijne waarnemingen verdiept was, gevoelde hij zich even vrij als op het verdek van een schip, dat ieder oogenblik het anker kan lichten. Het gevaar, dat nog in de verte lag, bedierf voor hem het tegenwoordige niet.

"Naar ik zie, hebt ge u hier vrij goed ingericht," zeide Gromski, terwijl hij een blik om zich heen sloeg. "Ik geloof, dat ge plan hebt om hier nog lang te blijven."

Deze woorden werden uitgesproken op een toon, die de aandacht van Ford trok.

"Wel, mij dunkt, dat we maar al te veel tijd ter onzer beschikking hebben," antwoordde de kapitein. "Ook ik heb plan om eens een tochtje langs de kust te doen. Ik moet echter eerst eene kaart van de poolstreken vervaardigen en vooral te weten komen, of de zee, die wij gezien hebben, niet eene baai is, die vrij diep in het vasteland van de Zuidpool inloopt."

"Dat is alles goed en wel, kapitein, maar ge moet van deze plannen afzien," zeide Gromski.

"En waarom?"

"Omdat.... omdat we terugkeeren...."

Deze woorden, hoewel zij blijkbaar onwaarschijnlijk waren, werden op zulk een beslisten toon uitgesproken, dat Ford niet terstond een antwoord vond.

"Wat? Keeren we terug?" vroeg hij eindelijk, terwijl hij groote oogen opzette.

"Op de eenvoudigste manier, kapitein," antwoordde Gromski koel. "We zullen ons naar Amerika begeven of misschien wel naar Australië: in allen gevalle verlaten we het zesde werelddeel."

"Dus natuurlijk te voet," zeide James, die het gesprek met eene onbeschrijfelijke verwondering had aangehoord.

Men zal zeker aan het antwoord van den ouden zeeman merken, dat hij er eenigermate aan twijfelde, of de ingenieur wel goed bij het hoofd was.

"Ik denk niet aan zulk een dwaze onderneming," zeide Gromski. "Je zult toch wel weten, dat men Amerika niet over land bereiken kan. Mijn plan is gewaagd--dat moet ik erkennen--en ik reken er ook volstrekt niet op, dat het zal gelukken. Maar het zij zoo! We hebben immers niets meer te verliezen?"

"Zullen we dan een kano van huiden vervaardigen en over zee terugkeeren, Mijnheer?"

"Volstrekt niet. We zullen met een luchtballon vertrekken."

Ford maakte een gebaar van ongeduld.

"Als ge plan hebt om den ballon met warme lucht te vullen, dan wil ik liever hier blijven dan te midden der ijsvelden of in zee omkomen. We zullen het met zulk een ballon niet ver brengen."

"Ik denk niet aan warme lucht."

"Dan aan gas?" vroeg Ford, terwijl hij haastig opstond.

"Aan waterdamp, kapitein."

"Aan waterdamp? Heeft men ballons ooit met waterdamp gevuld?"

"Ik spreek in vollen ernst, kapitein," antwoordde Gromski, terwijl hij zich op een steen nabij den sextant neerzette. "Ik heb rijpelijk over mijn plan nagedacht en alles goed overwogen. Ge bedriegt u, als ge denkt, dat men zich niet van waterdamp kan bedienen om een luchtballon te vullen. Kijk maar eens naar de wolken! Zij bestaan daaruit en drijven toch in de lucht."

"Maar met de wolken is het een heel ander geval."

"Een ander geval, zegt ge? Naar mijne meening bewijzen de wolken, dat waterdamp lichter is dan de lucht, zelfs wanneer de temperatuur daarvan niet zeer hoog is en hare dichtheid het gemiddelde niet te boven gaat. Herinnert ge u niet een Engelschman, die, evenals ik, luchtballons, bestemd om eene reis naar de pool te doen, met waterdamp wilde vullen?"

"Maar de waterdamp zal al spoedig in den ballon samengeperst worden...."

"Ik verzeker u, dat dit niet zoo spoedig zal gebeuren. De wolken blijven zeer lang in de lucht drijven, zonder dat zij samengeperst worden. Ik denk, dat wij, als we door een vrij krachtigen wind worden voortgestuwd, er in zullen slagen, verscheidene duizenden kilometers af te leggen, als we niet te hoog stijgen. Overigens zullen wij ons best doen om in het inwendige van den luchtballon eene temperatuur te onderhouden, hoog genoeg om de samenpersing van den damp te verhinderen."

"Maar waar zullen we de noodige brandstof vandaan halen om deze ontzaglijke hoeveelheid damp te verkrijgen? We hebben, zooals ge weet, geen enkel stuk hout, geen enkelen druppel benzine."

"Maar er is in den ballon nog een weinig waterstofgas overgebleven."

Nadat de ingenieur deze laatste tegenwerping weerlegd had, stond hij op en omhelsde den kapitein.

"We zullen dus vertrekken," mompelde James. "Ik begin te gelooven, dat voor u niets onmogelijk is. Als het ons gelukt om te vertrekken, dan zijt ge een toovenaar."

Inderdaad beschouwde de oude zeeman den ingenieur met een eerbied, waarin wel eenige ongerustheid gemengd was. Hij kon zijne wetenschappelijke bewijsgronden wel niet begrijpen; maar het gezicht van den kapitein deed hem gelooven, dat zij op een hechten grondslag berustten.

"Ééne voorwaarde is echter onmisbaar: we moeten ons geene illusiën maken," zeide Gromski. "Ik sta er u volstrekt niet voor in, dat onze reis gelukkig zal afloopen. De mogelijkheid bestaat, dat wij in de wateren van den Oceaan of op de besneeuwde vlakten van het zuidelijk vasteland zullen omkomen."

"Ik begrijp het: ge belooft ons geen pleizierige reis," mompelde de stuurman.

"Daalt de barometer niet?" vroeg de ingenieur na een oogenblik van stilzwijgen.

"Ja, een weinig."

"Dat is goed! We moeten een storm hebben."

"Wilt ge dan met een storm vertrekken?"

"Ja, kapitein! Alleen een hevige storm is in staat om ons in een dag eenige duizenden kilometers verder te brengen. Als we ons aan een matigen wind toevertrouwden, zouden we eenige honderden kilometers van hier dalen."

"Dus met den eersten den besten storm, Mijnheer?"

"Ja, kapitein."

Het plan van den ingenieur was even oorspronkelijk als gewaagd.

Met een luchtballon, met waterdamp gevuld, een uitgestrekt vasteland en den Oceaan over te steken!

Zulk een plan kon slechts opkomen in het brein van een krankzinnige of in het hoofd van menschen, die niets meer te verliezen hebben.

Onze reizigers behoorden juist tot de laatste soort.

Zonder onderkomen, zonder levensmiddelen en zonder brandstoffen, waren zij veroordeeld om bij de komst van vorst en sneeuwjachten om te komen. De strijd, met eene flauwe hoop op overwinning, scheen hun dus de voorkeur te verdienen boven een lijdelijk schikken in hun treurig lot.

Gromski, die altijd vol moed was, als het er om te doen was, een stoutmoedig plan ten uitvoer te brengen, begaf zich met ijver aan den arbeid.

Om den ballon geheel op te vullen, had de ingenieur 3000 kubieke meters waterdamp noodig. En daar een kubieke meter waterdamp omstreeks 800 grammen weegt, moest hij dus 2400 kilogrammen water in damp veranderen.

"Het is niet mogelijk, zooveel damp in den ballon te brengen," zei de kapitein. "Als we ons eens aan het ballonnetje toevertrouwden... Misschien zou dat ons wel kunnen dragen."

"Onmogelijk, kapitein. We zouden na verloop van 24 uren dalen; want het ballonnetje is van gewoon nankin, met eene laag vernis bedekt."

"Als we onder den ketel eens een gewoon vuur aanlegden," zeide James, die zich nu ook in het gesprek mengde.

"Heb je dan hout?" vroeg Gromski schouderophalend. "Ik wil wedden, dat je op een afstand van tien en zelfs van twintig mijlen in den omtrek niets zult vinden om vuur te maken. Men treft, voor zooverre ik weet, slechts zeer zelden hout in den Zuidpooloceaan aan."

"Ik heb niet van hout gesproken," antwoordde de stuurman eenigszins geraakt.

"Maar wat drommel! Wat wil je dan branden?"

In plaats van antwoord te geven, glimlachte de oude stuurman geheimzinnig.

"Dat is mijn zaak," antwoordde hij. "Ik verbind mij om u binnen acht dagen honderd kilogrammen van eene uitstekende brandstof te verschaffen, van eene brandstof, waarvan de Eskimo's zich ook bedienen."

"Ik ben nieuwsgierig om te weten, wat je daarvoor noodig hebt."

"Niets dan een ketel, Mijnheer."

"Maar waar zullen we dien vandaan halen? De reservoirs met benzine zijn ergens op de sneeuwvelden van het Land des Doods gebleven, en in het schuitje bevindt zich niets, dat voor ketel zou kunnen dienen."

"En deze bol dan?" vroeg de stuurman, terwijl hij naar de machine van aluminium wees.

"Dat is waar. Ofschoon hij uit twee helften bestaat, die vast aan elkaar gesoldeerd zijn, denk ik er in te slagen, ze van elkander te scheiden en op die wijze twee platte ketels te verkrijgen. Als jij je maar verbindt om de brandstof te verschaffen."

"Ik zal zorgen, dat ge die over een week hebt."

"Dat zou heerlijk zijn. Als je je woord maar houdt."

"Ik houd altijd mijn woord, Mijnheer."

En de oude zeeman begon onmiddellijk zijne geheimzinnige plannen te volvoeren.

De ingenieur, wiens nieuwsgierigheid niet weinig gaande gemaakt was, volgde al de bewegingen van den stuurman. Het was immers moeilijk te gelooven, dat hij brandstof zou vinden in deze woestijn, die nagenoeg van allen plantengroei verstoken was. Gromski dacht eerst, dat de stuurman naar steenkolenlagen wilde gaan zoeken, die men somtijds in de Noordpoolstreken aantreft.

Maar James dacht blijkbaar niet aan dergelijke brandstoffen, daar hij uit het schuitje drie lange stokken van bamboes ging halen. Nadat hij daaraan een scherpe punt gemaakt had, maakte hij ze tot groote en stevige lansen.

"Wilt gij mij helpen?" vroeg hij aan Gromski, terwijl hij met deze zonderlinge wapenen naar hem toe ging.

"Maar waaraan? Moeten we tegen de inwoners van dit vasteland ten strijde trekken?"

"Juist zoo! Ge hebt het geraden. Wij zullen van hen trachten te verkrijgen wat we aan brandstoffen noodig hebben. Neem uw revolver of, wat nog beter is, geef die aan den kapitein. Bij gebreke van een beter wapen zal dit ons ook van zeer veel dienst kunnen zijn."

"Wanneer zullen we den oorlog beginnen?"

"Onmiddellijk. De vijand is in onze nabijheid: hij wacht op ons. Komaan!"

Bij deze woorden liep de zeeman vooruit en begaf zich terstond naar de zee. Na een halfuur geloopen te hebben, daalden onze reizigers van de rotsen af en bevonden zich op het ijs van het vasteland, dat de kusten omgaf. De ingenieur wilde juist vragen, waar de vijand was, toen James plotseling bleef staan en met den vinger naar een twintigtal zwarte plekken wees, die zich op de sneeuw afteekenden.

"Dáár is onze brandstof, Mijnheer," zeide hij.

Gromski, die oplettend naar deze donkere plekken had gekeken, herkende daarin tot zijne verbazing levende wezens.

"Maar dat zijn robben!" riep de ingenieur lachende uit.

"Neen, het zijn zeekoeien: die zijn grooter en zwaarder dan robben," antwoordde James.

"O, nu begrijp ik het al!" zeide Gromski; "je wilt het vet van deze dieren als brandstof gebruiken. Ik moet erkennen, dat zulk een plan mij nooit in het hoofd zou gekomen zijn."

"En ik had nooit kunnen denken, dat gewone waterdamp ons uit deze woestijn zou kunnen brengen."

"Maar dat vet zal toch wel branden, niet waar?"

"We zullen er olie uit halen, die ons met een weinig mos een heerlijk vuur zal opleveren."

Dit zeggende, ging de stuurman haastig naar de dieren toe, zonder zelfs eene poging te doen om zich voor hen te verbergen.

"Ze hebben nog niet met den harpoen en het mes der walvischvangers te doen gehad," zeide hij. "Die arme dieren zullen nu te weten komen, dat de mensch hun gevaarlijkste vijand is."

Inderdaad keken de reusachtige zeekoeien zonder eenige ongerustheid naar onze reizigers. Zij lagen, op haar gemak uitgestrekt, op den kant van eene breede kloof. De mannetjes hieven van tijd tot tijd een vreeselijk gehuil aan, terwijl zij den kop oprichtten; de wijfjes, die door hare jongen omgeven waren, wijdden zich aan hare moederlijke bezigheden.

"Komaan! Aan het werk! Gauw en goed!" riep de stuurman uit, terwijl hij zijn stok ophief. "Raak ze op den neus: dat is de gevoeligste plek van deze monsters."

Daarop doodde hij een jong mannetje, dat hem nieuwsgierig met zijne ronde oogen aankeek. De kapitein van zijn kant trof een groot wijfje, dat juist bezig was hare jongen te zoogen. Alleen Gromski kon hiertoe niet besluiten. De moord van deze onschuldige en ongewapende dieren, die bovendien onbewust van het gevaar waren, scheen hem eene misdaad toe.

Daarentegen doodde James wat hij maar dooden kon, terwijl hij met buitengewone behendigheid en grooten ijver naar rechts en naar links stokslagen uitdeelde. Het was een werkelijk bloedbad.

Intusschen maakten de dieren, door dezen onverhoedschen aanval verschrikt, zich haastig uit de voeten, zoodat er op het ijs slechts vijf dooden overbleven.

"Welnu, we zullen van dit vijftal op zijn minst 300 liters olie krijgen," zei de stuurman, terwijl bij de hand op een zijner slachtoffers legde. "Het is jammer, dat zij de vlucht genomen hebben, omdat wij anders terstond onzen geheelen voorraad brandstof zouden hebben bijeengebracht."