Per luchtballon naar de Zuidpool
Part 11
Gromski had zijn leven gaarne ten offer willen brengen; maar de gedachte, van honger en van koude te sterven, joeg hem schrik aan. De weinige levensmiddelen, waarover onze reizigers te beschikken hadden, konden hun lijden slechts rekken.
"We zullen sterven, terwijl we in naam der wetenschap worstelen!" zei de ingenieur, den kapitein de hand drukkende. "We moeten echter niet wanhopen. We hebben gedaan, wat we moesten doen. Nu is de beurt aan anderen."
De kapitein gaf een toestemmend teeken met het hoofd. Deze woorden gaven hem eensklaps zijn gewonen moed en zijne kalmte van geest terug. Hij zette zich naast zijne kameraden neer, haalde zijn zakboek uit en begon daarin te bladeren.
"Dat is alles, wat er van ons zal overblijven," zeide hij. "We moeten dus eene poging doen om het tegen den invloed van het water te beveiligen. Misschien zal deze verwenschte ijsberg na verloop van eenige jaren, van een tiental, van een twintigtal zelfs, verbrijzeld of met den stroom meegevoerd worden, en dan zullen de mannen, die zich evenals wij aan de wetenschap opgeofferd hebben, het verhaal van onze reis vinden. Mogen zij uit dit zakboek vernemen, wat wij gedaan hebben! Dit zal ons testament zijn, kameraden."
Iedereen, die den toestand van den ingenieur en diens metgezellen onbevooroordeeld nagaat, zal zonder twijfel tot het besluit komen, dat de onderzoekingstocht van deze helden der wetenschap hier zal eindigen. Inderdaad vormde het ijsblok, dat eenige meters dik was, een hinderpaal, die niet minder onoverkomelijk was dan eene rots van graniet van dezelfde dikte.
Intusschen liep het heel anders af. Een schijnbaar onbeduidend verschijnsel, dat door den ingenieur werd opgemerkt, droeg er geheel onverwacht toe bij, onze reizigers te redden van een vreeselijken dood tengevolge van honger en koude.
Nadat Ford zijn dagboek tegen de werking van het water beveiligd had, wikkelde hij zich in zijn bonten mantel, legde zich op de gemakkelijkste plaats, die hij maar kon vinden, neer en begon de ontknooping van het drama, waarin hij zulk eene gewichtige rol vervulde, af te wachten.
Ook James verviel in een toestand van volkomen onverschilligheid omtrent hetgeen er verder zou gebeuren. De ingenieur kroop in de spleet, waar de stuurman kort te voren nog had gewerkt, en begon na te denken over de middelen om uit dezen hachelijken toestand te geraken. De wonderlijkste, de stoutmoedigste plannen werden er door hem gemaakt. Helaas! het waren slechts droomen van een koortsachtig brein, die nimmer verwezenlijkt zouden kunnen worden.
Twee geheele dagen werden in dezen vreeselijken toestand doorgebracht, twee dagen, gedurende welke er geene verandering in den toestand onzer reizigers kwam.
Gromski, die in de spleet uitgestrekt lag, gevoelde zich spoedig geheel verstijfd. Verscheidene malen kwam het plan bij hem op, zich een weinig te verwarmen door eenige beweging te nemen, maar hij zag daarvan telkens weder af.
"Is het niet beter, van koude om te komen, dan langzamerhand van honger weg te kwijnen?" dacht hij.
Aangegrepen door eene nieuwsgierigheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, haalde hij een thermometer uit zijn zak. Het kwik wees 1 1/2 graad onder nul aan.
Nadat de ingenieur die waarneming had gedaan, vroeg hij zich af, waarom er zulk eene lage temperatuur in de spleet heerschte. Dit verschijnsel was doodeenvoudig te verklaren. De stralen der zon, die op het oppervlak van het ijsblok werkten, deden het langzamerhand smelten. Deze smelting slurpte warmte op: eene afkoeling van de geheele massa moest er dus het gevolg van zijn. Eenige droppels water, die op den mantel van den ingenieur waren gevallen, waren terstond bevroren. Ieder ander zou daaraan niet de minste aandacht gewijd hebben, maar Gromski begon daarover na te denken.
"Als het water in den vasten toestand overgaat, dan verandert het in omvang en zet zich uit, daar het ijs een lager soortelijk gewicht bezit. Deze physische gedaanteverwisseling heeft onmiddellijk plaats tengevolge van den minsten schok van eene vloeistof, die tot eene temperatuur onder nul afgekoeld is. Dit verschijnsel oefent, als het in een gesloten vat plaats heeft, eene drukking op zijne wanden. In de bergen doet het water, dat in de kloven der rotsen bevriest, deze barsten. Welnu, waarom zou dan ...."
De gevolgtrekking schoot als een bliksemstraal door het hoofd van Gromski en deed zijn geheele lichaam sidderen.
"Alles is nog niet ten einde!" dacht hij.
Hij stond haastig, koortsachtig op, en nadat hij de ijzeren staaf in handen genomen had, kroop hij op handen en voeten tot aan de plaats, waar hij twee dagen geleden den ijsmuur gepeild had.
Het gat, door de staaf geboord, was nog met water gevuld. Gromski raapte met zijne hand, die van ontroering trilde, een stukje ijs op en wierp het in het gat. Op hetzelfde oogenblik deed zich het dof geluid van ijs, dat uiteenbarst, hooren.
Bij het hooren hiervan slaakte de ingenieur een uitroep van zegepraal en snelde naar zijne makkers toe.
"Moed gehouden, kameraden!" zeide hij, terwijl hij ternauwernood de vreugde kon onderdrukken, die zijne borst vervulde. "We zullen dezen berg in duizend stukken doen splijten.... Moed gehouden, zeg ik u!.... Staat op!"
En hij greep Ford krachtig aan, die hem als een waanzinnige aanstaarde.
"Och kom! Zouden we dien berg kunnen doen splijten?" riep de stuurman ongeloovig uit.
"Wel zeker. We zullen haar met behulp van bevroren water doen uiteenspatten."
Er is niet veel noodig om de hoop in het hart van den mensch te verlevendigen. De kameraden van den ingenieur begrepen diens bedoeling onmiddellijk.
"Ge zijt onze redder!" riep de kapitein uit. "En te denken, dat dit zoo doodeenvoudig is! Waarom zijn we niet dadelijk op dit schitterende denkbeeld gekomen?"
"Morgen zullen we vrij zijn," zeide Gromski, terwijl hij met zijne vuist tegen den ijswand klopte.
"Wat moet ik nu doen?" vroeg James, terwijl hij zijn mantel afdeed.
"Giet wat brandewijn in den beker!"
"Goed! En dan?"
"Neem dan de staaf en volg mij!"
Om den kleinen voorraad brandewijn zooveel mogelijk te besparen, besloot de ingenieur, anders te handelen dan de eerste maal. In plaats van eene groote opening in het ijs te maken met behulp van de gloeiende staaf, wilde hij eenvoudig een gat boren. Daar men niet in een oogenblik een muur van eenige meters kon doen springen, moest men dien bij lagen verbrijzelen,--eene manier van handelen, waarvan men zich bij het doorboren van tunnels bedient.
Gromski beval dus aan den stuurman, met de staaf gaten ter diepte van zes duimen in den ijsmuur te boren. Er moesten er acht op eene oppervlakte van vier vierkante voeten zijn.
De stuurman volbracht dezen zwaren arbeid in vijf uren. Gedurende dien tijd maakte de ingenieur met behulp van een doorgesneden stok stoppen om de gemaakte openingen dicht te maken en smolt stukken ijs in een theeketel.
"Dat is ons dynamiet," zeide hij, terwijl hij aan zijne kameraden den ketel, met water gevuld, liet zien.
Het water had eene temperatuur van meer dan 50 graden. Gromski wilde door zijne warmte de gaten grooter maken.
Na de opening zorgvuldig leeggemaakt te hebben, vulde hij haar met warm water en sloot haar met een stop af, die in een doek gewikkeld was. Al spoedig was de mijn klaar.
Na zich naar eene ruimere plaats begeven te hebben, wachtten onze reizigers met kloppende harten vol ongeduld den uitslag af. Twee uren daarna, toen de ingenieur reeds aan den goeden uitslag van zijn plan begon te twijfelen, bewoog eene plotselinge trilling de muren van den tunnel. Ford, die tegen het ijs aanleunde, gevoelde deze het eerst.
Nauwelijks was er een dof geluid gehoord, of de ingenieur bevond zich reeds ter plaatse, waar de mijn gelegd was. Zijne vooruitzichten rechtvaardigden zich tot in de minste bijzonderheden: de uiteengespleten oppervlakte van het ijs vertoonde duizenden stukken van verschillende grootte. Verscheidene breede spleten, die diep in het ijs doordrongen, bewezen de kracht van de mijn.
Bij het zien van deze verwoesting barstte de stuurman in vreugdekreten los en begon de stukken ijs zorgvuldig weg te nemen.
"Drommels! Nooit van mijn leven had ik gedacht, dat zuiver water kruit kon vervangen," zeide hij, terwijl hij de hand in de grootste spleet stak.
"Welnu, gelooft ge nu, dat ik dezen berg zal weten te verbrijzelen?" vroeg de ingenieur hem met een zegevierenden glimlach.
"En zelfs een berg van graniet?"
"En zelfs een berg van graniet. Bevroren water doet de voorwerpen, die den meesten weerstand bieden, uiteenbarsten. Het water, dat in de spleten der rotsen bevriest, rukt daarvan groote blokken af. Ge ziet, dat we over eene ontzaglijke macht te beschikken hebben."
De goede uitslag van deze proefneming verlevendigde den moed van onze reizigers. De uiteengebarsten ijslaag had een voet dikte. Om een meter te doorboren had men bijgevolg drie mijnen noodig.
Na de kloof van ijs ontdaan te hebben, begon James onmiddellijk nieuwe gaten te boren.
Vreezende, dat er zich in het inwendige van het ijsveld eene verheffing van temperatuur zou openbaren, verhaastte de ingenieur de zaak. Men werkte beurt om beurt, daar ieder eigenhandig deel aan de bevrijding wilde hebben.
Men liet om de zes uren een mijn springen; men vorderde dus bijna twee meters per dag.
Op den 12den, des namiddags om één uur, was de ijslaag, die onze reizigers van de vrije ruimte scheidde, reeds zóó dun, dat Gromski bij het boren van de gaten de omtrekken der naburige bergen kon zien. Men legde dus de laatste mijn aan.
Toen James deze laadde, schertste hij vroolijk over het doorgestane gevaar.
Ford maakte reeds zijn zak klaar en de instrumenten, die deze bevatte.
"We hebben eene week in dit verwenschte gat verloren," zeide hij. "We moeten noodzakelijk dien tijd inhalen."
Men kan uit deze woorden gemakkelijk opmaken, dat de hoop bij den kapitein herleefd was.
Een uur daarna vloog de dunne ijslaag met een oorverdoovend geluid in stukken; de poolzon scheen door de breede opening in het inwendige der gevangenis van ijs en verlichtte plotseling met hare stralen de vermagerde en bleeke gezichten van onze reizigers.
Zonder te letten op de ijsblokken, die boven zijn hoofd wankelden, liep de kapitein het eerst naar den buitenkant van het ijs en vertoonde zich in het volle licht.
En gelijktijdig ontsnapte er een uitroep van verwondering en van medelijden aan de borst van Gromski en van James.
Het haar van kapitein Ford was spierwit geworden.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
MEN NADERT HET DOEL.
De ijslaag, die de wateren der Oceanen bedekt, bezit, evenals de aardschors, eene eigenaardige geologie. Men vindt daarop terrassen, rotsen, bergen, vlakten en plateau's, evenals op het oppervlak der aarde. Alleen is de stof, waarvan de natuur zich heeft bediend om deze vormen te scheppen, dezelfde, daar ijs altijd en overal ijs blijft, welke ook de vormen en de omtrekken mogen zijn, waaronder het zich voordoet. Deze ijsvelden vertoonen dan ook een wereld op zich zelf, die evenwel hare eigenaardige schoonheden en geheimen bezit, evenals het vasteland.
De veertien dagen, gedurende welke de zon in de poolstreken schier niet ondergaat, verspreiden overal zulke schitterende glansen, dat nergens anders het verrukte oog een dergelijk tooneel kan aanschouwen. Bij den opgang der zon baden de toppen der bergen zich in purper en goud; de ijsbergen, die op de sombere wateren van den Oceaan drijven, schitteren door de terugkaatsing der zonnestralen als ontzaglijke smaragden; de piramiden en de muren, gedurende den wintertijd door den ijsduivel opeengestapeld, tooien zich met den glans der opalen en der robijnen; de zonneschijf legt een breeden en bloedigen weg over de onafzienbare sneeuwvelden af.
Laat ons de gedaanteverwisseling van het poolijs eens wat nader beschouwen. Het oppervlak van den Oceaan is in de lente met eene dunne laag ijs bedekt, die zich gedurende den afgeloopen winter heeft gevormd. Dit ijs verbreken de golven en verstrooien de winden al spoedig. Het ijsveld drijft gedurende den zomer rond en wordt, als het aan de stralen der zon ontsnapt is, in den herfst al grooter en grooter. Dat noemt men ijsbergen.
In den volgenden winter worden deze ijsbergen nog dikker en gevaarlijker. Wee het schip, dat hunne prooi wordt! Het zal vruchtelooze pogingen aanwenden om door die onafzienbare ijsvelden heen te komen; deze zullen het van alle kanten omgeven en insluiten. De eerste wintervorst voegt al deze ijsmassa's aaneen en sluit het schip voor vele jaren in.
Als de zomer gekomen is, schiet de zon, die het firmament niet verlaat, vruchteloos hare stralen op die tallooze ijsschotsen; zij bieden een krachtigen weerstand aan de werking der warmte, zij worden zelfs sterker en vormen uitgestrekte ijsvelden, die de vlakten in deze ijswereld zijn.
De onderzoekers der poolstreken kennen ze zeer goed, daar zij op hunne hobbelige vlakten tochten van verscheidene tientallen mijlen hebben gedaan. En deze weg is nog de beste voor de beladen sleden en de uitgeputte reizigers.
Maar zulk eene ontzaglijke ijsvlakte blijft slechts zelden lang aaneen. De Oceaan, door de lente- of de herfststormen in beweging gebracht, breekt haar door zijne machtige golven, werpt de ijsblokken tegen elkander aan en stapelt ze op elkander. Zulk eene worsteling wijzigt in eenige dagen het voorkomen van het ijsveld, zoodat het niet meer te herkennen is. In plaats van de vlakte vertoonen zich grillige opeenhoopingen, een chaos van stukken ijs, die opeengestapelde muren en bergen vormen.
Dikwijls verwijderen de groote ijsvelden, door den wind voortgestuwd, zich van elkander; dan vormen zich ledige plekken, die weldra met een mengelmoes van stukken ijs en sneeuw gevuld worden.
In den zomer of gedurende den dooi worden zulke spleten voor den onervaren reiziger een gevaarlijke strik. De winden en de stroomen drijven de massa's ijs steeds van de eene plaats naar de andere. Alleen het ijs van het vasteland, dat de aarde met een gordel van kristal omgeeft, blijft onbeweeglijk. Deze gordel ducht den zomer niet; hij smelt wel is waar gedeeltelijk, maar verdwijnt nooit. De stralen der zon maken daarin breede spleten, gelijkende op de fjorden van Noorwegen, en door deze spleten bereikt de walvischvanger, die zijne prooi vervolgt, de kust zelf. Het ijs van het vasteland is het veiligste toevluchtsoord voor de schipbreukelingen, die aan een gebroken ijsveld ontvlucht zijn. Veel verder van de kusten bevinden zich gewoonlijk de oudste formatiën van deze doode wereld, de groote ijsvelden, die op de plateau's van het vasteland gelijken en die dikwijls hoog boven de wateren van den Oceaan uitsteken. Vele winters hebben deze ijsmassa's doen ontstaan.
Het ijsveld, dat omgeven is door eene keten van bergen, die op verschillende tijden ontstaan zijn, levert een onoverkomelijken hinderpaal voor de stoutmoedige reizigers op. Zelfs de orkanen, die de golven van den Oceaan opzweepen, blijven machteloos tegen deze ijsmassa's.
De ijsvelden aan de Zuidpool hebben een woest voorkomen, dat zelfs reizigers, die aan de verschrikkingen van den Noordpooloceaan gewoon zijn, eene huivering door de leden jaagt.
Zulke hinderpalen moesten onze kloeke reizigers te boven komen om hun doel te bereiken.
Eene onoverwinlijke macht dreef kapitein Ford naar de pool. Hij kon daaraan geen weerstand bieden ondanks de gevaren, die uit de minste vertraging konden voortvloeien. Thans hadden onze reizigers nog juist den tijd om naar den ballon terug te keeren. Maar op alle bezwaren, die de ingenieur te berde bracht, antwoordde Ford slechts: "Laat mij maar alleen naar de pool gaan!" en stopte met dat antwoord den mond aan zijne metgezellen.
Een onuitputtelijke voorraad ziekelijke geestkracht en onuitbluschbaren ijver vertoonde zich eensklaps bij dezen man, die in weinige dagen grijs geworden was. Hij was onvermoeid in het beklimmen van puntige ijsblokken en stelde daarbij zijne kameraden altijd in de schaduw. James en Gromski hadden al hunne krachten noodig om hem niet uit het oog te verliezen.
Deze gejaagde reis duurde tot aan den 14den Januari. Op den middag merkte de stuurman op, dat de ijsvlakte minder afwisselend werd; de groote blokken en de lange muren, die den weg versperden, waren verdwenen; daarentegen werden de kloven steeds talrijker.
De ingenieur, door de vermoeienissen der reis uitgeput, kon zich nauwelijks meer staande houden.
"Ik kan niet verder," zeide hij, terwijl hij tegen den ijsmuur ging aanleunen waarlangs hun weg liep.
"Ik gevoel mij ook uitgeput," mompelde de stuurman. "Maar de kapitein zal ook wel spoedig halt houden."
"Waarom?"
"Omdat wij ons morgen bij de zee, waar deze geheel vrij van ijs is, zullen bevinden," antwoordde de stuurman, terwijl hij naar den horizon wees.
"En is het einde van het ijsveld nog ver hier vandaan?"
"We kunnen op zijne oppervlakte nog een dozijn kilometers afleggen en dan halt houden."
"De kapitein moet het maar weten."
James haalde de schouders op.
"Waarom zouden we er niet dadelijk heengaan?"
De ingenieur verwachtte geen ander antwoord van den ouden zeeman. Na een weinig op een ijsblok uitgerust te hebben, volgde hij Ford weder, die geen oogenblik bleef staan. De voorspelling van James, op de verandering van de kleur des hemels gebouwd, kwam al spoedig uit. Het ijsveld werd al minder en minder dik. Eindelijk merkte de ingenieur eene groote hoeveelheid ronde of ovale openingen op, die, zooals de ervaren James verklaarde, door zeehonden gemaakt waren, die behoefte hadden om boven het water adem te scheppen.
Deze reis over het smeltende ijs kon niet lang duren.
"Pas op, kapitein!" riep Gromski den kapitein toe, die zich al verder en verder verwijderde.
Maar Ford keerde zich zelfs niet om en liep onafgebroken voort. Verscheidene malen viel hij, maar stond onmiddellijk weder op.
Deze koortsachtige hardnekkigheid maakte de ongerustheid van zijne kameraden al meer en meer gaande.
"Maar hij zal verdrinken!" riep Gromski uit, toen hij Ford de gevaarlijke plaatsen zag naderen.
"Dan zullen wij beiden verdrinken," antwoordde de stuurman.
Dit zeggende, volgde de oude zeeman den kapitein.
"Voorwaarts, James," zeide Ford volijverig, toen hij den stuurman naast zich zag. "We hebben nog maar twintig kilometers af te leggen."
"We hebben den Oceaan vóór ons, kapitein."
"Voorwaarts, zeg ik je," antwoordde de kapitein.
Deze hardnekkigheid maakte James wanhopig.
"Kapitein, we moeten terugkeeren," zeide hij op een beslisten toon, terwijl hij hem den weg versperde.
"Dat nooit van mijn leven, James. We zullen tot het einde toe volhouden."
"Het ijs is broos..."
"Ben je dan bang?" vroeg Ford op bitteren toon, terwijl hij den stuurman spottend aankeek.
"Ik?" riep de oude zeeman verontwaardigd uit, "zou ik bang zijn, kapitein?"
Dit verwijt ontwapende Ford.
"Neem mij niet kwalijk, ouwe jongen," zeide hij, terwijl hij hem de hand drukte. "Ik weet wel, dat je, als je bang bent, voor mij bang bent. Doch wees maar gerust: ik zal, zoodra ik aan de open zee kom, terugkeeren. Men moet zich zelf niets te verwijten hebben, zie je. Vergeet verder niet, dat iedere voetstap ons nader aan de pool brengt. Zie je dien ijsberg aan den horizon?... Daar is zij!"
"Ach, hadden we maar eene kano!"
En Ford, die een oogenblik was blijven staan, wrong zich van wanhoop in de handen. Hij leed onuitsprekelijk, toen hij zich zoo nabij het doel zag, en toch moest erkennen, dat het niet te bereiken was.
"We kunnen nog twee à drie kilometers afleggen," zeide hij. "Waar is de ingenieur?"
"Hij is achtergebleven, daar de krachten hem ontzonken zijn."
"Hij zal wel achteraan komen. Voorwaarts, ouwe jongen."
De stuurman zag wel in, dat geenerlei macht in staat zou wezen om den kapitein terug te houden; hij vergezelde hem dus zwijgend.
Op een afstand van een kilometer van daar vertoonde het ijsveld eenige wakken. Ford zwichtte echter niet voor deze hinderpalen. Met heldenmoed liep hij over de ijsblokken heen en bekommerde zich weinig om het gevaar. Verscheidene malen bewoog het ijs onder zijne voeten en kraakte onheilspellend. James bleef dan even stilstaan om het gewicht niet te vermeerderen. Deze gevaarlijke tocht naderde zijn einde; want eenige honderdtallen schreden van den kapitein af klotsten de golven om het ijsveld heen. Het ijsveld, waarop de beide zeelieden zich bevonden, bewoog zich even onder den invloed der golven.
Toen bleef Ford stilstaan en vestigde den blik op de vloeibare vlakte, als wilde hij daarop het geheimzinnige punt ontdekken, dat het doel van al zijn streven was.
"Twee mijlen, slechts twee mijlen! En het is onmogelijk, een stap verder te doen," mompelde hij. "Ach!"
En bij dezen uitroep, waaruit zijne eigen onmacht bleek, wilde de kapitein zich de haren van wanhoop uit het hoofd rukken.
"Kapitein!" riep James met tranen in de oogen, terwijl hij naar hem toe ging en hem de hand toestak.
Maar Ford antwoordde niet. Onversaagd ging hij de golven te gemoet.
Eensklaps brak de broze ijskorst en verdween de kapitein onder het ijs.
Duizend kilometers boven den Zuidpooloceaan af te leggen, door te dringen tot de geheimzinnige diepten van het zuidelijk vasteland, dat zonder eenigen twijfel het ontoegankelijkste gedeelte van onze planeet is, zich eindelijk een weg te midden van het poolijs te banen,--dat zijn zonder twijfel heldendaden, waardig om in de geschiedenis der ontdekkingsreizen geboekstaafd te worden. Het scheen, dat de mannen, die deze heldendaad hadden weten te volbrengen, het vurig verlangde doel moesten bereiken. Intusschen geschiedde dit niet. Onze reizigers moesten, na ontzaglijke hinderpalen te boven gekomen te zijn, zwichten voor iets, dat schijnbaar het onbeduidendste van alles was, voor het water. Hun bewonderenswaardige luchtballon, die bestemd was om zich door de lucht voort te stuwen, kon hen niet tot het gewenschte doel voeren. Kapitein Ford had alle pogingen aangewend om het recht te hebben, de woorden uit te spreken:
"Hier is de Zuidpool: zij bevindt zich vlak onder mijne voeten!"
Hij zou zijn wetenschappelijk fanatisme zeker met zijn leven geboet hebben, indien niet de stuurman hem met eigen levensgevaar had gered.
Het einde van het ijsveld was tevens het einde van de reis onzer helden.
Ford zag dit zelf in, en de eerste woorden, die hem van de lippen kwamen, toen hij uit eene langdurige bewusteloosheid ontwaakte, waren deze:
"Laat ons terugkeeren, kameraden."
Op den 15den Januari, op den middag, richtte de kapitein met eene hand, trillende van ontroering, den sextant naar de poolzon om met zooveel zekerheid, als maar mogelijk was, het punt te bepalen, dat zij bijna bereikt hadden. Het was een plechtig oogenblik. Nadat de waarnemingen gedaan waren, zette de ingenieur midden op de kaart van het zuidelijke halfrond een kruisje; dit bevond zich nog geen twee geographische mijlen van de Zuidpool.
De stuurman had het hoofd afgewend en stortte tranen.
Waren het tranen van vreugde of van teleurgestelde hoop? Wat Gromski aangaat, zijne borst zwol van trots en van blijdschap. De ingenieur nam de dingen, zooals zij waren; er was in hem niets van dat overdrevene, dat den kapitein kenmerkte. Wat hij verricht had, was hem voldoende. Nu had hij slechts één wensch, en wel de tijding van zijn schitterenden tocht zoo spoedig mogelijk wereldkundig te maken.
Na eene rust van twaalf uren richtten onze reizigers zich naar het Noorden en deden hun uiterste best om den ballon terug te vinden. De ingenieur maakte zich niet weinig bekommerd over den toestand van den luchtballon. Zou het gas er nog niet uit ontsnapt zijn? Zouden zij niet te laat komen?--Deze gedachten hielden Gromski voortdurend bezig: hij had een voorgevoel van een gevaar. De taaie volharding van den kapitein kon noodlottige gevolgen hebben, zoowel voor hem zelf als voor zijne kameraden.
Daar onze reizigers er tegen opzagen, opnieuw een tocht door de keten van ijsbergen te doen, richtten zij zich een weinig naar het Oosten, in de hoop, dat zij ze zijdelings zouden kunnen laten liggen.