Per luchtballon naar de Zuidpool
Part 10
"Het zou wel een geheel leger kunnen dragen. Ge weet zeker wel, dat kanonnen zonder het minste gevaar over eene laag van zes duim dikte overgebracht kunnen worden. Het ijsveld, dat we onder onze voeten hebben, heeft zonder eenigen twijfel eene dikte van drie à vier meters, ofschoon het sedert eene maand aan de warmte der zon blootgesteld is geweest."
Nadat de kapitein den besten weg gekozen had, zette men den tocht voort. Gromski liep achter hem en keek met nieuwsgierigheid naar het ijsveld, waarop zich hier en daar ijsblokken verhieven, die op ontzaglijke massa's kristal geleken. Zij vertoonden op hunne kruinen en zelfs op hunne zijden groote stukken doleriet. Ford verklaarde, dat die steenen daar aangevoerd waren door het ijsveld, dat van den berg neergedaald was. Over 't algemeen ontrukken de ijsvelden aan hunne bedding rotsblokken en stuwen ze naar zee. De ijsbergen, door den wind naar warme luchtstreken meegevoerd, smelten langzamerhand en doen deze steenen in zee vallen. Dikwijls hebben wetenschappelijke onderzoekers uit de diepten van den Oceaan ontzaglijke rotsblokken opgehaald, die verscheidene duizenden kilometers van daar verwijderd zijn.
De warme stralen der zon deden in deze ijsmassa's zonderlinge geluiden ontstaan. De ingenieur zag al spoedig in, dat de oorzaak van dit verschijnsel de warmte was, die de ijsblokken deed uitzetten en in allerlei richtingen uiteenspatten, terwijl het water ze eindelijk geheel deed breken.
Onze reizigers, die verplicht waren, ieder oogenblik een ijsblok om te loopen, legden dientengevolge zeker wel het dubbele van den weg af. De oppervlakte van het ijsveld werd al meer en meer oneffen. Dikwijls kon men geen stap meer doen zonder behulp van den met ijzer beslagen stok. De reizigers ontmoetten nu en dan breede spleten, waarover zij moesten heenspringen op gevaar af om er in te vallen.
Na verloop van vijf uren waren allen, zelfs de stoere James, uitgeput van vermoeienis. Op voorstel van den ingenieur besloot men dus, halt te houden en een weinig te eten.
"Ik dacht niet, dat wij zóó spoedig moede zouden worden," zeide Gromski, terwijl hij zich aan den voet van een ijsblok neerzette.
"De reizen in de poolstreken zijn altijd zeer vermoeiend," antwoordde de kapitein. "Ik heb gelegenheid gehad, die ervaring op mijne drie tochten naar de Noordpool op te doen. Verscheidene oorzaken werken samen om ze bezwaarlijk te maken, en in de eerste plaats de koude. De physiologie leert ons, dat de warmte van een levend wezen voortkomt uit de oxydatie van de koolstof, die door de spijzen in het lichaam gebracht wordt. Om de ontzaglijke physiologische verliezen te vergoeden, die uit de uitstraling van het lichaam bij eene lage temperatuur voortvloeien, zijn de bewoners der poolstreken genoodzaakt, veel meer vet te gebruiken dan de bewoners van warme luchtstreken. Ik verzeker u, dat de Eskimo's eene hoeveelheid vetstoffen en vleesch gebruiken, die geen Europeaan zou kunnen verteren. Het lichaam heeft in de noordelijke streken veel koolstof noodig; anders zou het spoedig zijne krachten verliezen. Het magere vleesch, dat wij nuttigen, is een onvoldoend voedsel in de poolstreken, vooral wanneer men ze te voet doorkruist. Behalve de koude komt eene andere oorzaak van uitputting voort uit allerlei hinderpalen, zooals de oneffenheden van het ijs en de opeenhoopingen van sneeuw, waarvan het overtrekken, vooral met eene slede, gewoonlijk met groote bezwaren gepaard gaat."
"Naar mijne meening," zeide Gromski, "bestaat er nog een hinderpaal, waarvan de Zuidpoolreizigers gewag maken. Wij weten, dat de beweging der aarde om hare as eene middelpuntvliedende beweging veroorzaakt, die het gewicht der voorwerpen, welke zich op de oppervlakte bevinden, vermindert. In de nabijheid der polen, waar de snelheid der omwenteling onbeduidend is, is deze kracht zeer gering, en bijgevolg weegt ieder voorwerp in de poolstreken zwaarder dan op de evennachtslijn: daaruit volgt, dat het aan menschen en dieren meer inspanning kost om zich aldaar te verplaatsen dan in warmere streken. Dit verklaart ons, waarom de reizen in deze streken zoo vermoeiend zijn."
"Zeker, Mijnheer," zeide Ford. "Intusschen moet men dit niet overschatten. Ieder lichaam weegt aan de pool 1/280 meer dan op de evennachtslijn, zoodat bijvoorbeeld het gewicht van mijn lichaam met 300 à 400 grammen vermeerderd wordt. Zulk een gering verschil komt bijna niet in aanmerking. Maar toch erken ik, dat het feit, door u vermeld, de som der bezwaren vermeerdert, waartegen men in de poolstreken te kampen heeft."
"We zullen voor geenerlei bezwaar terugdeinzen!" riep James uit.
Terstond na het gebruik van een karigen maaltijd begaf men zich opnieuw op weg. Ford berekende, dat men zich niet meer dan 5 à 6 kilometers van de kust verwijderd had. Allengs werd het ijsveld al hobbeliger en hobbeliger. De ervaren blik van den kapitein zag in de grillige omtrekken daarvan de sporen van de opeenhoopingen van ijs, die zich gedurende den winter gevormd hadden. Van tijd tot tijd ontmoetten onze reizigers onoverkomelijke ijsbergen. Ontzaglijke ijsblokken, ter dikte van verscheidene honderden meters, hadden zich in eene woeste wanorde opeengestapeld. Deze riepen aan James het treurige voorval op zijne laatste reis in het geheugen terug, toen de Narwal geheel door het ijs verpletterd werd.
"Ik zie ons ongelukkig schip nog, zooals het op het laatste oogenblik was," zei de oude zeeman. "Ge moet namelijk weten, Mijnheer Gromski, dat de voorlaatste winter zóó vroeg ingevallen was, dat we den tijd niet hadden gehad om eene veilige schuilplaats op te zoeken. Ons schip was, zonder dat we er eenig vermoeden op hadden, midden in een breed kanaal ingevroren, en nooit is het weer uit het ijs los kunnen raken. December en Januari gingen zonder merkwaardige voorvallen voorbij. We wachtten met ongeduld de lente af, die echter, in plaats van de Narwal uit het ijs los te maken, haar geheel verpletterde. Het was op het einde van Februari. Ik herinner mij alles nog zoo goed, alsof het eerst gisteren gebeurd was. We speelden een komediestukje in de groote kajuit. Iedereen lachte zich slap bij het zien van het spel van Bob, onzen kok, die er dan al bijzonder den slag van had, toen we eensklaps een dof gekraak in de balken van ons schip hoorden. We vlogen naar het verdek. Een hevige wind blies uit het Noorden. Het was vinnig koud. Het ijsveld, dat zich om het schip heen gevormd had, trilde en barstte met een ontzettend gedruisch uit elkaar. Op een afstand van tien schreden van ons ontstond er een breede kloof; maar het ijs vulde deze onmiddellijk aan. Eenige uren daarna barstte ons ijsveld in wel twintig stukken, die zich door den aandrang van het ijs in den omtrek opeenstapelden. In een oogwenk hoopte zich eene ontzettende hoeveelheid ijs rondom de Narwal op, en deze opeenhooping werd langzamerhand al hooger en hooger. De arme Narwal moest het zeker zwaar te verantwoorden hebben; want zij zuchtte en kermde letterlijk als een mensch.
"Ieder oogenblik drong er iets met een vervaarlijk gedruisch in hare voegen door. De kapitein beval, de levensmiddelen, de brandstoffen en de sleden over te brengen naar de nog gladde ijsvlakte, die echter merkbaar al kleiner en kleiner werd. We bouwden eene hut, en we hadden daarin nog pas eene schuilplaats gevonden, of een ontzaglijke ijsberg kwam er tegen aan en sneed haar letterlijk doormidden. Dit ongeval kwam ons op het verlies van twee matrozen en een aanzienlijk gedeelte van onze levensmiddelen te staan. Om niet alles te verliezen, verdeelden we onzen voorraad en legden dezen op verschillende plaatsen neer.
"Intusschen stapelden de ijsbergen zich al meer en meer in de nabijheid van het schip op. Den volgenden dag staken zij al een heel eind boven het verdek uit. Aan den anderen kant van het schip vormden zich insgelijks ontzettende ijsbergen. We zagen, dat zij onze ongelukkige Narwal al meer en meer naderden, en we konden er toch niets aan doen. Wat vermag menschelijke kracht in dergelijke omstandigheden? Kort daarop wakkerde de storm tot een orkaan aan, en nu had het laatste uur voor ons schip geslagen. Ge hadt eens moeten zien, wat de "ijsduivel" toen deed. Hij brak het ijsveld in honderd stukken, die hij met een geweldig gedruisch op elkaar wierp. Overal hoorden we gekraak, overal een geluid als van donderslagen; het was, alsof het einde der wereld nabij was. We wachtten in onze sloepen het oogenblik af, waarop alles aan stukken zou breken. Niemand deed gedurende drie dagen een oog dicht, allen luisterden wij met eene ziel, door smart verscheurd, naar de angstkreten, waarmee ons schip onze hulp scheen in te roepen. We achtten het reeds geheel verloren. Eensklaps ontstond er in het schip eene scheur, die bij den boegspriet begon; vervolgens stortte de ijsmuur zich op het verdek neer en was het schip geheel door het ijs omgeven. Eensklaps deed zich een verschrikkelijk gekraak hooren: het verdek was ingestort, evenals een dak, dat bij een brand naar beneden valt. Na verloop van eenige oogenblikken zagen we niets meer van het schip dan een hoop vaneengespleten balken en den grooten mast, die zich te midden van het ijs omhoog hief, als de hand van een drenkeling, die zich om hulp uitstrekt. De kapitein, ik en de helft van onze bemanning stortten bij het zien van deze verwoesting tranen. Toen de orkaan ging liggen en de "ijsduivel" zijne woede op het schip had gekoeld, was er geen spoor van onze Narwal meer te zien."
Deze eenvoudige woorden van den stuurman verrieden eene gelaten onderwerping, wars van hartstocht of van toorn. De kloeke stuurman was er blijkbaar aan gewoon geraakt, zich in alles te schikken, zonder ooit zijne kalmte van gemoed te verliezen.
Gedurende dit verhaal bemerkten onze reizigers, nadat zij eenige honderden meters hadden afgelegd, een keten van ijsbergen, die den horizon aan den kant van het Zuiden aan het oog onttrokken. Ford zag, toen hij door zijn verrekijker naar deze keten keek, dat zij samengesteld was uit ontzaglijke ijsblokken, die zich opeengestapeld hadden. Zulke ijsbergen over te steken was niet zonder gevaar, zooals Ford bij ervaring wist. Verkieslijker was het, er omheen te loopen. Maar bij nader onderzoek bleek, dat deze ijsbergen zich zoover uitstrekten, als het gezicht reikte. Men was dus wel genoodzaakt, ze over te trekken.
"We zullen een moeilijken en gevaarlijken tocht te doen hebben," zei de kapitein, zich tot zijne kameraden wendende.
Een halfuur daarna bereikte het gezelschap de keten. Reuzen van ijs verhieven zich ten hemel als de phantastische overblijfselen van eene marmeren stad, die door eene hevige aardbeving verwoest is. De toppen van sommige bergen verhieven zich wel 100 meters boven het oppervlak van den Oceaan.
Onze reizigers hadden op een afstand van eenige honderden schreden van de keten halt gehouden; zij keken verwonderd naar de grillige vormen, die deze blokken kristal hadden aangenomen. En uit dien chaos deed zich een oorverdoovend gedruisch hooren, dat nu eens aan de ontploffing van een mijn, dan weer aan salvo's van het geschut deed denken. Op een afstand van ongeveer twintig schreden lagen rondom iederen berg ijsblokken, dikwijls van een kolossalen omvang.
Het is dus niet te verwonderen, dat het onzen reizigers aan moed ontbrak, zich in dien chaos te wagen, waar zich zoo lichtelijk een doodelijk voorval kon voordoen. Ford begaf zich langs de keten op weg, eene spleet zoekende, waar zij doorheen zouden kunnen gaan.
"'t Is zonderling, dat zulk eene massa ijs zich op dezelfde plaats heeft opgestapeld!" zeide Gromski.
"Naar hunne hoogte te oordeelen," zeide Ford, "moeten ze wel 500 à 600 meters onder water zitten, daar een ijsberg ternauwernood voor een zesde gedeelte boven het water uitsteekt."
De waarnemingen van Ford bevestigden het feit, dat de hoogste ijsbergen zich op de kust van het vasteland bevinden; de andere, die zich achter deze vertoonden, waren lager.
Ondanks de nasporingen, die een geheelen dag duurden, konden onze reizigers noch een doortocht noch een ravijn ontdekken. De stuurman merkte zelfs op, dat de keten al breeder en breeder werd, naarmate men naar het Oosten voorttrok. Men wendde zich dus naar het Westen en onderzocht zorgvuldig iedere kloof, die men zag.
"Als de zon zich gedurende eenige uren achter de wolken verschool, zou het ijs ophouden te smelten en zouden wij zonder gevaar verder kunnen gaan. Ongelukkig is de lucht helder en rijst de barometer. We moeten dus eene hoogte zien over te komen, als we onzen tijd niet met wachten willen verspillen."
"Ik ben klaar," zeide Gromski.
"Komaan, kapitein," voegde James er bij. "Op een afstand van tweehonderd schreden van hier zie ik een spleet tusschen twee bergen; deze moet ons, dunkt mij, naar den anderen kant brengen."
De oude stuurman ging naar de keten van ijsbergen toe en bleef al spoedig bij een blok staan, dat veel overeenkomst met een obelisk had; daarnaast verhief zich eene vormlooze massa met scherpe kanten. De beide ijsbergen waren door een ravijn van elkaar gescheiden.
Het drietal ging deze in; maar de stukken ijs maakten den weg moeilijk. Somtijds hoorden onze reizigers het dof gedruisch van vallende ijsblokken. Gelukkig duurde de tocht door het ravijn slechts kort: men bevond zich na verloop van eenige minuten op eene kleine vlakte, die echter aan alle kanten door ijsbergen omgeven was.
"Drommels!" mompelde James, "we hebben het einde nog niet!"
"Voorwaarts! Volgt mij!" zeide Ford kortaf.
Hij snelde haastig naar het naastbijliggende ijsblok, waar zich weder eene spleet bevond; maar na omstreeks 15 meters afgelegd te hebben, moest hij wel blijven staan.
"Welnu, wat is er?" vroeg Gromski.
"Geen doorgang," antwoordde deze, van vermoeienis hijgende. "We moeten terugkeeren."
"Eindigt de kloof daar?"
"Neen, maar het is onmogelijk, verder door te dringen."
Daarop begon Ford terug te keeren; zijne metgezellen, die niet rechtop konden staan, kropen op handen en voeten naar den uitgang.
Nadat zij op deze manier eene ruimere plaats hadden bereikt, wilde James weder opstaan. Plotseling deed zich een geweldig gedruisch hooren, de wanden der kloof werden door een verwonderlijken schok aangegrepen, en nu stortte zich een stroom ijskoud water in de kloof en maakte onze reizigers van het hoofd tot de voeten nat.
"Wat is er, James?" riep Ford, terwijl hij zich de oogen uitwreef.
De stuurman, die reeds een weinig bekomen was van den schrik, die zich bij dit onverwachte stortbad van hem meester gemaakt had, liep haastig vooruit en verdween achter een hoek van de kloof.
De ingenieur, die een voorgevoel van eenig ernstig gevaar had, wilde zich zelf rekenschap geven van hetgeen er gebeurd was. Maar nauwelijks had hij eenige schreden gedaan, of hij zag James roerloos naast een ontzaglijk ijsblok neerzitten.
"Wat beteekent dat, James?" vroeg hij hem.
"We zijn tusschen vier muren ingesloten," antwoordde de stuurman, zonder zich om te keeren.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
IN DE GEVANGENIS VAN IJS.
In hun verlangen om de ijsbergen zoo spoedig mogelijk over te trekken, waren onze reizigers onvoorziens in de val geloopen. Tengevolge van den schok, waarvan zij vruchteloos de oorzaken trachtten te vinden, was een gedeelte van het ijs losgeraakt. Verscheidene ijsblokken, die van een hoogte van nog geen twee meters neergestort waren, versperden den uitgang. De ondoorschijnendheid van het neergestorte ijs bewees, dat de dikte daarvan meer dan acht meters bedroeg.
"Langs dien weg zullen we hier niet vandaan kunnen komen," zeide Gromski na een vluchtig onderzoek van den hinderpaal.
"Ook langs geen anderen weg. De ijsduivel heeft ons leelijk beetgehad!" mompelde James.
De kapitein daarentegen maakte zich niet zoo erg ongerust, ondanks de treurige voorspelling van den stuurman.
"Welnu, dan zullen we een anderen uitgang zoeken."
Er was geen ander middel. Ford deinsde voor geenerlei moeilijkheid terug; hij kroop als een slang in de kloof, die nog geen meter breed was, en rukte met zijne handen de stukken ijs weg. De ingenieur nam deze stukken en reikte ze aan den stuurman over, en op die manier kwamen zij verder.
Maar al spoedig bleef Ford staan. Op een afstand van 15 meters van den ingang draaide de kloof plotseling rechtsaf en maakte een rechten hoek. De wanden raakten elkander daar ter plaatse bijna en lieten slechts eene spleet van hoogstens 10 centimeters over.
"'t Is erger dan ik dacht," zei de kapitein.
Nu merkte men in deze woorden van den kloeken zeeman eene kwalijk verborgen ongerustheid op. Toen de ingenieur ze hoorde, maakte zich die onaangename gewaarwording van hem meester, welke het onbestemde voorgevoel van een onbekend gevaar gewoonlijk teweegbrengt.
"Wordt de spleet verderop niet wijder?" vroeg hij aan Ford.
"Het schijnt van niet," antwoordde deze kortaf.
Een pijnlijk stilzwijgen heerschte er gedurende eenige oogenblikken in den kleinen kring. Dit werd verbroken door een krachtigen vloek van den stuurman. De hinderpaal, die den weg aan onze reizigers versperde, juist op het oogenblik, waarop zij zoo nabij het doel waren, was voldoende om den krachtigsten en geduldigsten man wanhopig te maken.
"Het geeft niets, of we al bij de pakken neerzitten," zeide Gromski. "Het is beter, een middel te vinden om hier vandaan te komen."
"Ik zou wel eens willen weten, welk middel men zou kunnen vinden," mompelde James; "wij zullen, denk ik, dien ijsberg toch wel niet met onze vuisten kunnen verbrijzelen."
"We kunnen een poging doen om de spleet wijder te maken."
"Waarmee?"
Op deze eenvoudige vraag wist de ingenieur niets ten antwoord te geven. Men had dan ook geenerlei werktuig meegenomen, dat zou kunnen dienen om zich een doortocht te banen.
De aangeboren geestkracht van Gromski veroorloofde hem niet, de handen werkeloos in den schoot te leggen. Al was hij ook tot het uiterste gebracht, toch liet hij de hoop nooit varen.
"Welke dikte zou het ijs hebben, dat ons den doortocht verspert?" vroeg hij, nadat hij zich naast Ford had neergezet.
"Naar de hoeveelheid licht te oordeelen, dat hier doordringt, zouden wij niet meer dan 5 à 6 meters te doorboren hebben. Als ik maar een houweel of kruit had, dan zou ik mij in een paar dagen wel een weg banen. Het is om wanhopig te worden, als ik er aan denk, dat wij machteloos zijn...."
"Niet geheel en al, kapitein."
Ford glimlachte bitter.
"Ge zijt nog nooit in de poolstreken geweest," zeide hij. "Zij laten hare prooi niet zoo gemakkelijk los. Maar wat wilt ge doen?"
"Ons een weg banen. Het komt mij voor, dat wij een vrij goed werktuig hebben om het ijs te breken."
"Voor zoover ik weet, hebben we er geen in ons bezit."
"En dan het instrument, dat James draagt?"
"Wat? Dat gebruiken om het ijs te breken!" riep de kapitein uit, terwijl hij haastig opstond.
De zeeman was geërgerd over dit denkbeeld van den ingenieur. Het instrument, dat diende om de aantrekkingskracht aan de pool waar te nemen, was in zijn oog iets onmisbaars.
"Mij dunkt, dat het beter is, dit instrument te vernielen, dan levend begraven te worden," zeide James, terwijl hij het aan den ingenieur overhandigde.
Ford verzette er zich nu niet langer tegen, daar hij de waarheid van deze woorden moest erkennen.
Onze reizigers zagen zich dus in het bezit van een werktuig, dat wel is waar niet zeer geschikt, maar toch vrij stevig was.
"Laat ons de spleet verwijden," zei de ingenieur. "Zij komt zonder twijfel aan het andere einde van het ijsveld uit. We hebben geen tijd te verliezen en zullen elkaar om het uur aflossen. Ik zal wel beginnen."
De eerste slagen met dit zonderlinge houweel vervulden allen met nieuwen moed. James, die niet werkeloos wilde blijven, ging naar de plaats, waar Gromski aan den arbeid was.
"Ik zal u wel helpen," zeide hij.
"Met alle genoegen. Werp dan de stukken weg, die mij hinderen. Het werk zal dan vlugger van de hand gaan."
De ingenieur zag al spoedig in, dat er heel wat werk te doen was. Het ijs liet zich nog al gemakkelijk breken, maar het instrument kon ongelukkig geen goed houweel vervangen: ook had James niet veel stukken ijs weg te werpen. Bovendien belemmerde de nauwheid der spleet hem in zijne bewegingen. Toen er een uur verloopen was, stond Gromski zijne plaats dan ook gaarne aan den stuurman af, die aan zulk soort van werk meer gewoon was.
James werkte onvermoeid door. Het gelukte hem al spoedig, de spleet zoozeer te verwijden, dat hij er zijn hoofd kon insteken. Nieuwe teleurstelling! De spleet eindigde eenige meters van daar.
Nadat de stuurman deze treurige tijding aan de beide anderen meegedeeld had, hervatte hij den arbeid; want de kapitein verklaarde, zich op de doorschijnendheid van het ijs beroepende, dat er nog maar drie meters te doorboren waren. Als deze onderstelling bewaarheid werd, zouden onze gevangenen in twee dagen vrij zijn.
Men zette dus met koortsachtige haast den arbeid voort, daar ieder uur kostbaar was. Toen de beurt aan Ford kwam, haalde hij er stukken ijs uit, die Gromski moest weghalen, daar zij veel plaats besloegen. Op den 7den des morgens bereikte men het uiteinde der spleet.
Na het middagmaal begon de stuurman, die Gromski weder vervangen had, eene opening in het ijs te maken.
Na verloop van tien minuten echter keerde hij naar zijne makkers terug, bleek van ontroering.
"Alles is verloren!" riep hij, "het instrument is gebroken!"
Dit voorval maakte, dat onze reizigers opnieuw aan de wanhoop ter prooi waren. Hun laatste middel tot redding was verloren gegaan.
Ford en de ingenieur deden alle moeite om den ongelukkigen stuurman te troosten, die dit ongeluk alleen aan zich zelf toeschreef.
"Kom, kom, ouwe jongen, wees maar niet zoo wanhopig!" zeide Ford. "Het noodlot wil blijkbaar niet, dat we de pool bereiken. Maar we moeten toch ten einde toe volhouden. Als de ijsmuur niet al te dik is, kunnen we dien nog wel met het kapotte instrument doorboren."
"Dat zal niet gaan," zei de ingenieur. "James," voegde hij er bij, zich tot den stuurman wendende, "kan onze brandewijn branden?"
"Branden? Zoudt ge dezen berg dan willen doen smelten?"
"Dat niet. Ik wil alleen de dikte van de ijslaag bepalen met behulp van een gloeiend stuk ijzer."
Gromski bracht terstond zijn plan ten uitvoer. Nadat hij in een metalen beker een weinig brandewijn gegoten had, stak hij dezen aan, verhitte het ijzer en hield dit op het ijs.
Hij moest dit verscheidene malen herhalen, voordat hij er in slaagde, eene nauwe opening te boren ter lengte van de staaf, die slechts een meter lang was. De ijslaag was dus dikker. Al spoedig moest Gromski van zijn plan afzien; want niet alleen de staaf, maar ook zijn geheele rechterarm gingen met gemak in de opening.
Men peilde op dezelfde manier een ander ijsblok. Maar dit was nog dikker. Overigens was het doorboren van dit ijsblok gevaarlijk; want het gewelf van den ijstunnel kon lichtelijk boven het hoofd der werklieden instorten.
Zoo kwamen onze helden na een langdurigen arbeid tot het besluit, dat de ijsgrot hun graf zou worden.
"Hier te sterven, zoo nabij het doel, is dit niet eene bittere spotternij van het noodlot?" zeide Ford, terwijl hij de hand aan zijn brandend voorhoofd bracht. "Ik was op alles bedacht, maar op zulk een afloop niet."
De kloeke zeeman gevoelde, dat zijne geestkracht tegen zulk een feit niet bestand was. Hij deed zich geweld aan om niet met zijn hoofd tegen den ijsmuur aan te loopen.
"Op een afstand van slechts dertig kilometers!" riep hij herhaalde malen wanhopig uit.
James gevoelde hetzelfde als de kapitein; maar hij beschouwde zich zelf bovendien als de oorzaak van dit onheil. Gromski meende, dat de oude zeeman uit wanhoop een einde aan zijn leven zou maken: hij bleef steeds onbeweeglijk als een standbeeld zitten, de oogen op het gebroken instrument gevestigd houdende. Zenuwtrekkingen vertoonden zich op zijn gelaat, dat door de zon gebruind was. Men zou gedacht hebben, dat die man ieder oogenblik in zuchten en in snikken zou uitbarsten. Maar dat was niet het geval.