Per Auto Door Den Kaukasus Naar Perzie De Aarde En Haar Volken

Chapter 7

Chapter 71,467 wordsPublic domain

Dag en nacht gaat het nu voort door de woestijn en de bergen, bijna zonder ons op te houden. Overdag zijn onze landauers gesloten en bij nacht geopend. Wij blijven liggen op onze gemakkelijke matrassen en stappen alleen uit aan de halten, waarbij een paar uur worden verloren, want nu zijn bakhtiaarsche prinsen ons voor en nemen de paarden weg.

Wij hoorden aan een wisselplaats, dat onze vrienden Phérékyde een ongeluk hebben gehad, en dat midden in de woestijn een wiel van hun rijtuig gebroken is. Zij hebben op den middag zes kilometer te voet moeten afleggen door het zand, om een sjapar khané te bereiken. Zes-en-dertig uren hebben ze er moeten wachten, tot het rad hersteld was in het stadje Natanz, dat 30 kilometer verder lag. Ze zijn ons dus nauwelijks één dag voor.

Te Kasjan, waar we lang op paarden moesten wachten, hielden we een siesta op onze veldbedden, maar ze werd verstoord door muskieten. Eindelijk was Koem bereikt, waar Keller en de Mercédes ons wachtten. Er was nog nooit een automobiel in Koem geweest. Om drie uur lieten we ons dan ook voor ons vertrek photografeeren aan den oever der rivier met als achtergrond, o heiligschennis, de heilige moskee!

Wij lieten Aimé met de bagage in Koem; hij zal 24 uur na ons in Teheran komen, en wij gaan op weg.

Hoe zal ik een denkbeeld geven van het genot, daar voort te vliegen met een snelheid van veertig kilometer in het uur in een uitmuntende automobiel op veêrende kussens! In zijn blijdschap over de herwonnen snelheid leidt Georges Bibesco ons in vliegende vaart over alle oneffenheden, die ons in het heengaan zoo hebben geradbraakt. Als het zoo voortgaat, zijn we nog dezen avond in Teheran en kunnen we, met het oponthoud erbij gerekend, in vijf uur de honderd-vijftig kilometer verslinden, die ons van de hoofdstad scheiden.

Werkelijk deden we er vijf en een half uur over, terwijl we er in het heengaan 25 uren lijdens voor hadden doorgestaan.

Wij hadden drukke dagen met vaarwel zeggen, in Teheran, van de vrienden die we er hadden gemaakt, en met het per post expediëeren van onze bagage, die ons te Enzeli zal bereiken, zoodat de beide dagen omvlogen.

Wij troffen er ook de Phérékydes, die ons hun avonturen vertelden en toen onmiddellijk in hun landauwer naar Resjt gingen.

Wij gingen naar Goelah-ek, waar de russische legatie in den zomer is en naar Sjimran, waar de engelsche zaakgelastigde in den warmsten tijd verblijf houdt. Dat zijn aan den voet der bergen heerlijke parken met veel water en frisch groen, waar zelfs in de hondsdagen een verrukkelijke temperatuur heerscht.

Op Donderdag 8 Juni waren we weer per auto op weg naar Resjt en de Kaspische Zee.

Het kostte veel moeite, om voor dezen laatsten tocht in genoegzame hoeveelheid benzine te krijgen, en eindelijk slaagden we er in, het voêr voor de auto te erlangen tegen een prijs, die overeenkwam met drie francs de liter.

We zouden de 350 kilometer graag in twaalf uren afleggen met rust voor het déjeûner. Op die wijze zouden we wel vermoeid, maar vóór den nacht in Resjt aankomen. Maar er kwamen allerlei tegenspoeden door mankementen aan onzen wagen, en het was al half vier, toen we in Kaswyn arriveerden. Wij waren moe en hongerig, en het duurde nog anderhalf uur, eer we wat te eten en een samovar kregen.

Op het oogenblik dat we zouden vertrekken, werd de lucht verduisterd door een opkomend onweer en wolken stof; maar het liep met een korte bui af en in het bergland, waar we reden, was het prachtig weêr. Onze lampen werden in den avond aangestoken; het was tien uur, toen we te Mendjil waren en drie uur in den nacht, toen Resjt was bereikt. Ik geloof, dat we nog nooit op de geheele reis zoo vermoeid waren geweest als toen. Spreken konden we haast niet meer.

Aan het consulaat zouden we slapen, maar de muggen lieten ons geen rust.

Den 10den Juni namen we van Perzië afscheid en lagen voor anker te Lenkoran aan de Kaspische Zee. Georges Bibesco en ik namen een bad in het lauwe water van den grooten plas. We stapten in Bakoe aan wal en namen den trein naar Tiflis, zonder ons meer op te houden.

In het hôtel de Londres vonden wij Leonida, die sinds twee dagen terug is van zijn reis in zijn automobiel. Hij heeft gevaarlijke avonturen beleefd. Over Tabris en Zendjan is hij gereisd, soms zonder dat er een weg was. De brief van den gouverneur baande dikwijls voor hem een doorgang, als de kozakken bezwaren maakten om hem door te laten.

Maar de meer dan slechte wegen noodzaakten hem eindelijk naar Tabris terug te gaan en over Delyan en Akstafa te reizen, waar hij den trein naar Tiflis nam. Den 12den Juni waren we samen op het perron te Tiflis, klaar om in den trein naar Batoem te stappen. Wij zeiden Tiflis zonder leedwezen vaarwel, waar men van niets anders hoort dan van troebelen en politieke moorden.

De trein was vol; groote beweging aan het station. Toen wij een praatje maakten vóór onzen waggon met kolonel Tamamsjef, die ons uitgeleide deed, voelde ik mij aan mijn overjas trekken. Ik keerde mij om en zag een man naast mij geknield. De mantel, dien hij droeg, getuigde niet van grooten nood, en zijn muts was niet erg versleten. Voor ik iets kon zeggen, vatte hij mijn hand en kuste die tweemaal; ik voelde zijn lippen en walgde van afkeer en ging haastig op zij. Waarom verlaagt die man zich zoo? Ik zou hem willen slaan; maar de man verroert zich niet en blijft met opgeheven handen liggen. Ik zocht naar geld in mijn zakken en gaf hem enkele zilverstukken; toen vatte hij een slip van mijn jas en kuste die weer.

Ik kan niet zeggen, hoe dat tooneel mij tegenstond. Als ik er nog aan denk, kan ik er van griezelen en ik zou liever willen, dat de man mij dreigend om geld had gevraagd.

Te Batoem waren wij slechts vervuld van de gedachte, karrevoerders te krijgen voor het vervoer van onze koffers, kisten met voorwerpen van waarde uit Perzië en onze valiezen van het station naar de haven. Gelukkig waren de kruiers niet in staking en om elf uur waren we aan boord van de _Circassie_ van de Paketpostmaatschappij.

Wij vonden er een fransch ontbijt, een kapitein die Marseillaan was, veiligheid, rust en de moedertaal!

Op geen tien meter van ons verwijderd, aan den wal, was het terrein der stakers, der kozakkenpatrouilles, der onheilspellende gezichten van opstandelingen, die aan de kaden rondliepen. Welk een veilig gevoel aan boord te wezen!

Het was donker weer, en al gauw begon het te regenen, zoodat de bergen aan ons oog werden onttrokken. Het regent in de bergachtige omgeving van Batoem zoowat driehonderd dagen per jaar; er valt jaarlijks 2.60 meter water, dat is meer dan drie maal zooveel als te Parijs.

Tegen zes uur lichtten we het anker. De zee was kalm.

Met onze boot deden we de havens aan van de zuidkust der Zwarte Zee, een ideale reis, waarop we ons geheel herstelden van de vermoeienissen der perzische reis te midden van het meest afwisselend decor, dat voor onze oogen voorbijging. De boot voer alleen des nachts, en als de dag aanbrak, waren we weer in een andere haven.

Wij sliepen tien uren op de bedden van de boot, smalle bedden wel is waar, maar dan toch bedden, en als ik wakker werd, zag ik de mooie heuvels naar de zee glooiend, met hun sierlijke villa's in het weelderigste groen, met hier en daar ook een spitse minaret en hooge muren van oude interessante ruïnen.

In Trebizonde gingen we aan land, om nog eens een kijkje in Azië te nemen. Het is een rijke, drukke stad. De bazars zijn niet overdekt, en wij doolden rond in den doolhof van straatjes, waar ijverige werkers, op hun hurken gezeten, leder bewerken en hout of kostbare metalen. Trebizonde roept het verleden in herinnering. Xenophon rustte er uit met zijn Tienduizenden; de stad maakte deel uit van het Byzantijnsche Rijk en de Grieken bouwden er kerken, die nog in wezen zijn. Toen kwamen de Turken onder Mohammed II en bouwden moskeeën, waar wij tot onze groote verbazing vrij mochten binnentreden.

Wij deden nog allerlei aardige stadjes aan, en namen er noten en eieren en andere waren in, die de kapitein moest vervoeren, tot we eindelijk, voldaan over onze reis, in de mooiste stad ter wereld, Konstantinopel, aankwamen.

AANTEEKENINGEN

[1] De Franschen gebruiken dus ook het woord carter voor gearcase, zooals Henri Meijer in de _Kampioen_ opgeeft en welk woord bestrijding vond bij Henri Polak. (Vert.)

[2] In den winter van 1905 op 1906 heeft hij met zijn beide zoons een bezoek aan Frankrijk gebracht.