Per Auto Door Den Kaukasus Naar Perzie De Aarde En Haar Volken
Chapter 5
Daar verschenen eindelijk eenige winkels. Het zijn geen perzische gelegenheden. Wij vernamen, dat de heer Bedrossian ons wel een pak europeesche kleeren wil aanmeten, tegen betaling wel te verstaan, en dat de heer Élijan ons op amerikaansche manier een kies wil trekken.
Emanuel Bibesco is aan zwarte melancholie ten prooi.
Ten laatste kwamen we aan het hôtel. Men kwam binnen door een aardige binnenplaats, beplant met zware boomen en bezet met mooie bloemen, terwijl aan de vier zijden portieken waren, waar kamers op uitkwamen.
Het was het Hôtel Anglais, gehouden door den heer Reitz.
Wij richtten er ons in. Er waren bedden, bedienden en warm water. Wij leerden zulke dingen op prijs stellen.
Na een bad te hebben genomen, ging ik naar de fransche legatie.
Den volgenden morgen was het ontwaken verkwikkend in die zindelijke kamer met de open vensters en de heerlijke lucht, die binnenstroomde. Wij zouden acht dagen in Teheran blijven, en we hadden wel wat rust en goede dagen verdiend. Emanuel Bibesco wil nog niets anders zien dan de europeesche voorstad van Teheran. Hij zegt, dat Teheran een groote bedriegerij is, installeert zich prettig in het hôtel, knoopt kennis aan met de jonge Engelschen van de Bank en de indo-europeesche telegraaf, spreekt den geheelen dag Engelsch en wil verder niets zien. Men moet niet met Ispahan bij hem aankomen; die stad wil hij niet kennen; wat hij van Perzië kent, zijn de verschrikkelijke vermoeienissen, die men er ondervindt op reis. Dat is hem genoeg, en hij is mild met zijn overwegingen, dat hoe korter een dwaasheid duurt, des te beter.
De morgens waren heerlijk.
Ik ging niet weg van het balkon, waar mijn kamer op uitkwam. Om zeven uur bracht de perzische bediende, Mahmoed, dien ik riep door in de handen te klappen, water voor het bad; ik bleef blootsvoets en in mijn pyama aan mijn ontbijt en wachtte op kooplieden. Vóór mij lag de tuin met roode rozen onder den blauwen hemel. Een koele, droge frischheid was in de lucht, en in de kamer waren reine matten, klare katoentjes en ook al enkele kostbare stoffen, die ik had gekocht.
Tegen tien uur kwamen de dellals of rondtrekkende kooplieden, want onze aanwezigheid was spoedig in Teheran bekend geworden.
Ze lieten hun ezel aan de poort van het hôtel en brachten hun waren boven. Coupes van geciseleerd koper, vazen, aardewerk van allerlei vorm en soort, degens, geweren en émail. Er moest nauwkeurig toegekeken worden, want negen van de tien dingen waren waardeloos. Ik vroeg aan de dellals mij stukken te brengen met metaalweerschijn op witten of crême ondergrond uit den mongoolschen tijd of nog ouder, als ze die kunnen krijgen; ik zou ook tevreden wezen met metaalinlegsel op blauwen grond, dat uit den tijd van Shah Abbas dateert, eind 16de eeuw. Zij beloven er moeite voor te zullen doen. Zij zeggen, wel te weten, waar zulk een "khelly antic" stuk te vinden is, dat honderden tomans (een toman is vier francs) waard is.
En den volgenden dag komen ze met een doos, die ze met allerlei voorzorgen opendoen en halen er een voorwerp uit, dat in watten is gewikkeld; ik beef van ongeduld. Zij onthullen het en ik zie een valsch, waardeloos ding. Zij vragen er vierhonderd francs voor, een enorme som in Teheran; ik bied hun één franc. Toen lachen ze en roepen: "O, Meneer is op de hoogte". Ze nemen mij die vrijheid volstrekt niet kwalijk, en morgen komen ze weer met een ander valsch stuk.
Maar op een dag bood een oude koopman mij een werkelijk niet kwade coupe aan. Ik onderzocht nauwkeurig en alles leek echt, maar de prijs.... Hij vroeg zestig tomans, dat was verontrustend. Als hij wist, dat het stuk echt was, zou hij wel 250 tomans hebben gevraagd, en het dan voor tachtig of honderd hebben gelaten. Eenige dagen later liet ik het aan een kenner zien, die niet op zich durft nemen, te zeggen, dat het echt is, maar mij aanraadt, het te koopen als ik het voor een veertigtal tomans krijgen kan.
Toen de koopman terugkomt, verklaar ik hem, dat de coupe valsch is. "Nist antic" zeg ik beslist. Waarna hij, zonder een poging tot tegenspraak het inpakt en weggaat. Ik heb hem niet teruggezien.
Wat er nog wel te krijgen is, zijn potten en vazen met blauw décor zonder weerschijn, die honderdvijftig of tweehonderd jaar oud zijn. Ik koop die niet zonder veel gesjacher voor één of twee tomans. Ik heb er al gauw een schoorsteenmantel van vol en een tafel. Emanuel Bibesco ontdekt een stuk wit aardewerk, met koper gemonteerd, een prachtig stuk.
Wie oude gebouwen in Teheran gaan zoeken, worden teleurgesteld. Er zijn geen oude porseleinen muren en poorten; die men er ziet, zijn modern, weensch maaksel. Teheran is nog maar hoofdstad sinds de troonsbestijging der Kadjaren, welke dynastie door een eunuch was gesticht.
Maar men kan eenige aangename uren slijten in den bazar. Die is overwelfd en boven in de gewelven laat een opening een weinig licht door. Het is er koud, stoffig en donker, waar men eerst aan wennen moet.
Acht dagen, nadat we onze vrienden te Resjt hadden verlaten, voegden zij zich weer bij ons. Zij hadden het best gehad, en de auto had hen afgehaald. Die was na een moeilijke inscheping te Bakoe goed en wel in Enzeli aangekomen, was van daar naar Resjt gereden, en om vier uur in den namiddag waren de beide paren met Keller en den Tsjerkess Hassan uit Resjt vertrokken met hun zessen in de groote Mercédes. Dezen keer hadden ze elk maar één toiletzak mogen meenemen, want in de auto moesten de vier veldbedden worden geborgen en de dekens. Met de knieën tot de kin opgetrokken, waren ze het hooge plateau gaan beklimmen, hadden te Mendjil gedineerd, en waren tegen elf uur in Yusbasjaï aangekomen.
De Sjah was er gekampeerd, en een engelsche dokter, die Z.M. vergezelde, wou voor een nacht zijn tent wel aan de vreemdelingen leenen. Zij verlieten in den morgen om acht uur hun kamp, ontbeten te Kaswyn en deden van Kaswyn tot hier de reis in een beetje meer dan vijf uur. En wij hadden er vier-en-twintig over gedaan! De auto was ook door de rivier gegaan en was op dat kritieke oogenblik gephotografeerd.
Daar waren we nu weer allen bijeen. Of er ook veel te vertellen was! Van Leonida waren geen berichten.
Nu straks samen naar Ispahan! Rozen plukken!
Eerst brachten we nog een bezoek aan het paleis van den Shah. Ik zal precies zeggen hoe wij het er vonden. Men moet niet meenen, dat de Koning der Koningen in een pracht van een oostersch paleis een leven leidt als uit een sprookje. Hij logeert op zijn Europeesch, en deze perzische monarch heeft een zeer slechten smaak, waardoor hij de voorkeur geeft aan weensche artikelen uit een guldensbazar boven kunstvoorwerpen uit Perzië.
Het is waar, men laat u den vermaarden pauwentroon zien; maar die komt niet uit Delhi en nooit heeft de Groote Mogol erop getroond. Hij is te Ispahan vervaardigd in het begin der 19de eeuw, en er wordt verteld, dat vele der kostbare steenen, waarmee hij versierd was, door minder kostbare steenen zijn vervangen.
Maar de tuinen van het Gulistanpaleis zijn prachtig. Er is veel stroomend water, dat over steenen van blauw émail loopt; dan ziet men wondermooie porseleinen bekkens naast de heerlijkste vakken van bloemen en rozenheggen....
Daar de Shah niet thuis was, werden we ontvangen door den Valyat of kroonprins, gouverneur van Tabris, die het regentschap waarneemt tijdens de afwezigheid van zijn vader. Er moest eerst onderhandeld over ons toilet. Volgens de étiquette moesten wij verschijnen in rok en witte das en met een hoogen hoed. Die hadden wij niet bij ons, en daar ieder wist, dat wij per auto in Perzië waren, stemde Zijne Hoogheid erin toe, dat wij met onze automobielpetten zouden worden toegelaten. Die vraag van de hoofdbedekking is niet onbelangrijk, want bij tractaat van 1827 is vastgesteld, dat de Europeanen zich niet het hoofd zouden ontblooten in tegenwoordigheid van Z.M., die zelf nooit zijn lamsvelmuts aflegt.
Dus kwamen wij in het paleis onder het beminnelijke geleide van den russischen consul, en als gewoonlijk werden ons eerst in een voorvertrek ververschingen aangeboden, waarna wij in een onmetelijke zaal binnentraden, waar in den versten hoek de Valyat zat, die bij onze intrede opstond. Het is een man van 38 jaar, die wel 45 lijkt, klein, dik en verlegen, met knippende oogen achter een gouden bril.
Er was een russische tolk, en er volgde een kort, alleronbelangrijkst gesprek, waarna de audiëntie was afgeloopen en wij heengingen. We hadden onze petten niet afgezet. Men mag enkel achteruitgaand zich retireeren en zoo voerden wij alle zes een figuur uit een quadrille uit in dat reuzensalon, met de oogen op den Valyat gericht, de hand aan de klep van onze pet, waarbij wij zoo goed mogelijk de hinderpalen vermeden, die zich op onze weg voordeden in den vorm van tafeltjes en ornamenten, en waarbij we groote moeite hadden, ons lachen in te houden, als een van ons tegen een meubel stiet.
In de verschillende legaties ontving men ons uiterst vriendelijk. Het was amusant, daar zoo gemakkelijk door Europa te reizen. Wij déjeuneerden in Rusland, dronken thee in het huis van Zijne Britsche majesteit, dineerden vroolijk in Frankrijk en deden een walsje bij den Grooten Turk.
Onze koffers hadden zich in Teheran weer bij ons gevoegd. We reden in onze auto tot groote verbazing der Perzen, en de morgens werden dikwijls met de dellals gesleten. Het verveelde ons nooit, de drukte op de straten en in den bazar gade te slaan, te rijden door de omstreken tegen den avond en dan terug te keeren naar de drukte van Teheran.
Sedert wij in Iran zijn, hebben we nog geen enkele wolk aan den hemel gezien. Op den dag welft zich in onveranderlijk blauw een koepel over ons, die in den nacht verandert in een violet gewelf met sterren bespikkeld. En de tegenstelling is groot tusschen deze stralende perzische dagen en die van den eersten tijd onzer reis, toen we steeds sombere luchten hadden met nevel, wolken en regen.
Het kost haast moeite ons los te rukken, maar wij moeten Ispahan zien. Toen wij vertelden, dat het ons plan was, bleek er groote verbazing bij de buitenlandsche kolonie. Wie dacht daar nu ooit aan in Teheran! En ze noemden ons de bezwaren, het gebrek aan levensmiddelen, de vermoeienis van den tocht door de woestijn. De dames zouden het nooit uithouden. Het was dwaasheid.
Maar wij zijn niet van zoo ver gekomen, om niet anders te zien dan de half-europeesche stad, die Teheran heet.
Er liggen tusschen Teheran en Ispahan ongeveer 480 kilometer, langs den weg, dien de rijtuigen volgen. Wij hebben al zooveel kilometers verslonden sinds ons vertrek uit Boekarest, dat die 480 er als dessert ook nog wel bij kunnen, en het verwondert ons, dat niemand van de legaties zich op dat dessert heeft getracteerd buiten nu en dan een Engelschman.
Wij dachten, dat men eens voor een weekje naar Ispahan ging in het seizoen van de rozen, maar neen, dat gebeurt niet.
Wij zullen het dan toch maar doen en maken ons voor het vertrek gereed.
Dat is geen kleinigheid.
Wij weten het nu vooruit. Er moet proviand zijn voor ons zessen, want er is onderweg niets te krijgen. Wij rekenen ruim en stellen vier dagen, om in Ispahan te komen, maar omdat het een woestijnreis is, stellen we acht dagen. Wij vullen dus weer de groote mand met conserven, te Tiflis gekocht, en er mag niets vergeten worden, want als we vertrokken zijn, is het te laat.
Er moet een bediende mee, want de Tsjerkess Hassan, die tot Teheran is meegegaan, bleek evenmin Perzisch als Fransch te kennen. Die werd dus naar den Kaukasus teruggezonden.
We namen een leerling-tolk mee, een 18-jarigen jongen, die eigenlijk maar twaalf jaar leek. Hij was al tweemaal in Ispahan geweest; Aimé heette hij en hij had heldere, schelmsche oogen. Al wat hij deed, deed hij goed, al kon zijn kleeding netter zijn en al waschte hij zich zelden.
Dan hebben we rijtuigen noodig.
We hebben maar één auto en zijn met ons zevenen, met Aimé mee. Daarbij al de bagage, de benzine en de proviand. Het is jammer, dat Leonida nog maar altijd in de bergen van Tabris is; nu zijn we wel genoodzaakt de groote Mercédes te Teheran achter te laten, waar Keller haar grondig zal schoonmaken.
Wij vernamen, dat er geen drie landauers te krijgen waren, daar er maar twee aanwezig waren, en dat er na Koem ook niet voor drie gelegenheid was, want er zijn maar acht paarden op de halten en ieder rijtuig moet er vier hebben. Er was echter een ongemakkelijke break met twee banken zonder kussens of bekleeding, met een dak erboven, op vier ijzeren stangen rustend. Die moesten we wel nemen, en te Koem was een diligence te krijgen, die gemakkelijker zou wezen.
Wij besloten, omdat het warm zou zijn, des morgens om vier uur te beginnen, dan tot tien uur te reizen, daarna te ontbijten en te rusten en om vier uur weer te beginnen, zoo meenden we in vier dagen er te zullen kunnen zijn.
Zondagmorgen, 21 Mei ging het erop los.
De break, die als diligence dienst deed, was er om vier uur niet. Wij zonden Aimé naar de post, en na een heele poos kwam de wagen. Het duurde tot zeven uur, vóór alles goed en wel gereed was. Vooraf spraken we nog af, niet te rusten op het midden van den dag en in Koem te overnachten op 150 kilometer afstands, waar we tegen den avond hoopten te zullen aankomen.
We waren nu echt in de woestijn, zand en nog eens zand, met af en toe kleine heuvelreeksen, rotsachtig en met steile hellingen. De rit in den postwagen was een ware marteling, want het ding schudde en hotste erbarmelijk, en we zaten te ongemakkelijk, om een onzer ledematen rust te geven. Elke twee of drie uren was er een haltpost. Tegen den middag ontbeten wij en haalden in de gloeiende zonnehitte den voorraad uit onze mand. Dat was zwaar werk. De sjapar khané, waar we waren, had wel een kaal kamertje voor ons, vol muskieten. Er waren noch tafels, noch stoelen; maar wij beginnen op de hoogte te komen van de perzische gebruiken, en we aten dus, zittend op onze valiezen, conserven, die in de zon nagestoofd waren. Ook ontdekken we dat sardines zulke temperaturen niet kunnen verdragen en genoten willen worden in gematigder klimaat.
Dan ging men, na het drinken van slappe thee, verder door een troosteloos landschap over den rotsachtigen zandbodem van het plateau.
Geen planten en geen rivier, en altijd een fijne stof om ons heen. Telkens verliezen we een uur bij de wisseling van paarden. Beloften noch bedreigingen vermogen iets op de koetsiers. Men zou ze slaan! Maar zoo ver zijn we nog niet.
De eenige episode, die de eentonigheid verbrak, was de verschijning van een troep gieren, die het karkas van een kameel nazocht. Georges Bibesco schoot er een, en de jonge Aimé apporteerde als een jonge hond.
Om zeven uur in den avond waren we in een klein dorp, Aliabad. We hielden er stil, om te dineeren. Er was een bekoorlijke tuin, en als groote weelde een tafel en tabouretten. Aimé maakte de groente voor ons warm in onzen ketel, want de bewoners van Aliabad verafschuwen ons als onrein.
Ze zouden misschien niet denzelfden weerzin hebben tegen den inhoud onzer valiezen, en één van ons moest op wacht staan bij de diligence.
Bij kaarslicht aten we in den tuin. Daar verklaarde ons Emanuel Bibesco, dat hij na dezen verschrikkelijken dag zich niet goed voelt, dat hij niet met ons verder zou gaan, maar hier wou blijven wachten, tot wij hem een wagen uit Koem zenden, om hem naar Teheran terug te brengen.
Wat een wanhoop! Onmogelijk, onzen vriend hier alleen te laten in dit dorp, waarvan de bewoners ons zelfs geen water willen geven; aan den anderen kant durven we ook niet de verantwoordelijkheid op ons nemen van hem mee te voeren naar Koem.
Toen haalden we hem over, mee te gaan tot de volgende halt. Als we er kunnen logeeren, willen wij er ook blijven, want we zijn nog maar halfweg Koem en kunnen al niet meer.
In den nacht gaat het dan verder. We voelen ons gebeukt en gemalen. Aan de volgende vuile sjapar khané gekomen, besloten we er te blijven, hoe ellendig het er ook was.
Om vijf uur werden we wakker door het gegons van duizenden muggen. Ik ging opstaan en vond in den tuin een beek, die zich iets verder stortte in een breeden plas. Er was niemand op, en de perzische vrouwen, die den vorigen avond gekomen waren en een pelgrimstocht deden, sliepen in haar wagen. Ik snelde naar den vijver, kleedde mij uit en nam een bad, het eerste in de open lucht van dit jaar, en het is aardig, dat in de perzische woestijn te gebruiken.
Op deze plek was het echter niets woestijnachtig; het landschap was zelfs mooi, en de anderen, die ook een bad namen, herstelden zich met mij van de vermoeienis van den vorigen dag, zoodat Emanuel Bibesco besloot, met ons naar Koem te gaan.
Tegen acht uur vertrokken wij naar Koem, dat zestig kilometer verwijderd is. We hebben nog pas een paar minuten gereden, of we weten al, dat het lijden van den vorigen dag weer begonnen is. En we zijn nu al 24 uren ten achter bij onze voornemens.
We dachten om twaalf uur in Koem te wezen, maar bij het langzaam rijden vorderen we te weinig, en reeds was het middag, zonder dat nog in de verte iets van Koem te zien was, noch van den vergulden koepel van Sint-Fatmeh, waar de hoop van zooveel geloovigen naar uitgaat. Werd Koem ooit door eenige reizigers met vuriger verlangen gezocht dan door ons?
Het was drie uur, toen we boomen aan den horizon zagen, waarboven minarets uitstaken. Dat was de verlangde stad.
Wij stapten af aan de sjapar khané, die een grooten tuin had, vol bloemen en boomen. Een welverdiende rust viel ons hier ten deel. Eerst morgen om vier uur willen we van hier gaan.
Aimé werd naar den bazar gezonden om proviand en ijs, en wij bekeken intusschen de diligence, die hier voor ons beschikbaar was en die ten minste vrijwat geriefelijker was dan de zoogenaamde break. Er was een compartiment voor zes personen vóórin en een ander voor vier achterin.
Daarna installeerden we ons in den tuin in de zware schaduw van moerbeiboomen en, liggend op den rug, wachtten we tot de rijpe vruchten ons in den mond vallen.
De bagage en de veldbedden werden bij ons gebracht. In Perzië is het zaak, zijn valies niet uit het oog te verliezen.
Er was maar één kamer in de sjapar khané. Maar wij waren zoo verrukt van ons zitje, dat wij besloten, buiten te overnachten. Alleen Emanuel Bibesco geeft aan de kamer in de herberg de voorkeur.
Eerst aten wij nog een heerlijk rijstgerecht, met melk klaargemaakt, dat wij met confituren smakelijker maakten en besloten toen, twee uren te rusten vóór we Koem gingen zien.
De veldbedden werden opgeslagen en we genoten de rust in de schaduw der moerbeiboomen. De een sliep als een marmot; de ander ging schrijven, en een derde droomen. De dalende zon bescheen een grooten muur, die den tuin omsloot en waarboven de gouden koepel zich verhief van de moskee, waar de heilige Fatmeh rust, die Koem tot bedevaartplaats maakt. Alleen Medsjed, waar de imam Reza is begraven, is nog heiliger dan Koem.
In de schemering gingen wij naar den overdekten en donkeren bazar. Enkele beleedigingen werden ons in het voorbijgaan toegeroepen, want Koem is bij zijn heiligheid zeer dweepziek. De menigte houdt niet van Europeanen en vooral niet van ongesluierde vrouwen. Ze kijken onze dames aan met nieuwsgierigheid en minachting. Jongens liepen achter ons aan. De bazar was zoo smal, dat als er iemand op een paard aankwam, men niet voorbij kon.
Wij verlieten den bazar en kwamen op een kerkhof. Er waren veel menschen om ons heen, en de nieuwsgierigheid werd lastig. Toch probeerden wij de groote moskee achter op het kerkhof te naderen, maar dat scheen heiligschennis in de oogen der menigte, zoodat wij door een straatje afsloegen naar de rivier dicht bij onze sjapar khané.
Het was donker, en toen de tafel gedekt was onder de boomen, volgde er een vroolijke maaltijd met kaarsen, die lichte stipjes teekenden in den nacht.
Wij maakten toebereidselen voor onzen nacht in de open lucht. De beide paren kozen de beschutting van de groote moerbeiboomen, en ik nam een verder verwijderden. De shawls werden op de veldbedden uitgespreid en uit vrees voor dieven maakten we de valiezen aan de bedden vast.
Wij ontkleedden ons bij het onzekere licht der kaarsen, dat in den wind flakkerde; geld en revolver werden onder het hoofdkussen gelegd, en de kleêren op het bed.
Daar lagen we, wenschten elkander goeden nacht, en de kaarsen werden uitgeblazen.
De opwinding van de reis, de nieuwheid van in de open lucht te kampeeren in het midden van Perzië, joegen den slaap op de vlucht.
Ik lag wakker en keek naar de vier minarets van de Fatmeh-moskee, waar lichten waren ontstoken, om aan de pelgrims, die onderweg waren, het doel van hun tocht te laten zien. Aimé lag op een deken, en pas had hij zich uitgestrekt, of hij snorkte. Een warme wind streek over ons heen, bewoog de takken, er vielen moerbeien van de boomen, en de lucht was vol ongewone geluiden.
Er moeten wolken zijn, want ik zie geen sterren meer.
Plotseling kwam er een sterkere windstoot, geritsel van de bladeren, dan een druppel op mijn gezicht, nog een en weer een... het regent!
Wanhoop! Zullen we in den nacht moeten opstaan en ons weer aankleeden? O, waarom houdt de regen niet op! Een minuut van spanning; neen, de druppels vallen dichter op de bladeren en op mij.
Toen volgde in de duisternis bij den kletterenden regen een verwarde vlucht; ieder van ons was half gekleed, de dames in shawls gewikkeld, de mannen, de veldbedden versleepend, waar de valiezen op werden gestapeld. In onze nachthemden of pyama's liepen wij door den grooten tuin onder de boomen door, die bij elke windvlaag ons met een bad van druppels besproeiden.
In de sjapar khané gingen de Bibesco's hun neef wekken en installeerden zich in zijn kamertje met hun drieën. Het gezin Phérékyde en ik, we schikten ons zoo goed mogelijk in het portiek. De bagage en de voorraden werden tusschen de bedden opgestapeld. Zouden we nu kunnen slapen? Het is al middernacht. Over een uur of vier zullen we moeten opstaan.
Onder de opgehangen lamp trachtten wij in slaap te komen. Een verontrustend geluidje heel dichtbij verschrikte ons. Het leek wel, of er muizen bezig waren. Inderdaad waren het muizen, knabbelend aan onzen voorraad. Twee-, driemaal joegen we ze weg; ze kwamen terug, en onze waakzaamheid verslapte. Wij legden ons weer neer, en onderwierpen ons aan de schade, die ze kunnen aanrichten, vastbesloten, ze met rust te laten, als ze ons maar niet in de ooren beten.
Daar doet een luid gerinkel ons opspringen. Een kat had drie kisten met conserven omgegooid en twee glazen gebroken, en is toen gaan eten; hij had eerst de muizen voor ons weggejaagd. Op onze bedden zittend, keken we zonder kwaadheid naar de kat.
Maar moeilijk is het wel, in zoo'n portiek te slapen. Regendruppels kunnen ons van den weg bereiken, en daar rijdt een rijtuig binnen. Er komen twee Perzen uit, kijken naar ons en praten met hun koetsier.
Eindelijk gaan ze heen.
Nu komt de beurt aan den hond, dien ik al in den tuin had gezien. Hij is achter ons aan gegaan, en op het oogenblik toen ik net wat doezelig werd, voelde ik een warmen adem op mijn gezicht.
Ik joeg den hond weg, die even daarna de plaats van de kat innam bij den voorraad proviand. Maar alles is ons onverschillig, zoo moe waren we.
Een oogenblik later luid klokjesgebengel. Een kameelenkaravaan verlaat de karavanserai; een van de dieren, nieuwsgieriger dan de andere, treedt uit de rij, om te onderzoeken, hoe Europeanen er uitzien, die niet slapen. Het lijkt een goedige, gezellige kameel, die zeker heel wat aan zijn collega's te vertellen zal hebben. Hij mag ter herinnering aan ons meenemen wat de muizen, de kat, de hond en de ezel, die er ook nog is geweest, van onzen voorraad hebben overgelaten.