Per Auto Door Den Kaukasus Naar Perzie De Aarde En Haar Volken
Chapter 4
In den namiddag kwamen we bij de eerste uitloopers van het bergland. Overal was het met bosch bedekt. Wij reden door een eindelooze laan van het heerlijkst groen, en overal was stroomend water, dat ruischte en nog den invloed ondervond van den pas afgeloopen regentijd. Nu eens roken we de heerlijke geuren van vlier, dan volgde er een bosch van eeuwenoude olijfboomen met zilvergrijs gebladerte; op een open plek graasden kameelen, en op het gras lagen pakken en balen. De karavaan zou eerst tegen den nacht verder trekken.
Wij hebben eindelijk het bosch achter ons en rijden langs rotswanden en over een brug; een koude luchtstroom blaast door den bergpas en spoedig daarna zijn we aan de zastava Mendjil, waar we zouden slapen en waar men ons verwacht, dank zij de hulp van den consul van Resjt.
Het is half elf, dus zijn we twaalf uren tusschen de wielen geweest en erg vermoeid.
Wij vonden te Mendjil als meester der zastava een jood, die vriendelijk was en wel onderwezen bleek. Zijn zoon had een paar maanden geleden het gymnasium te Rostov aan de Don verlaten, toen dat gesloten werd evenals alle onderwijsinrichtingen in Rusland.
Al gauw zong de samovar zachte muziek op de tafel en er werd een groote schotel pilau binnengebracht, die we heel lekker vonden. Wij maakten de mand met provisie open en deelden met onze gastheeren een maaltijd, die met grooten smaak gebruikt werd, terwijl buiten de wind, die door de bergkloof huilde, het huisje scheen te willen meenemen.
Emanuel Bibesco sprak met hen in het Duitsch. Toen boden ze ons hun kamers aan. Een der bedienden moest tot middernacht bij het tolhek op wacht staan, om de schatting van de karavanen te innen; de meester verving hem dan voor het overige van den nacht.
Wij gingen te bed.
Helaas, van slapen kon niet komen. De jacht op een klein beestje legde beslag op de eerste uren van den nacht. En toen we onze maatregelen hadden genomen en eindelijk de kaars hadden uitgeblazen, begon een dame muis haar werk, knaagde aan het houtwerk, klom bij de gordijnen omhoog en sprong op onze bedden... Adieu, slaap! En toch waren we zeer vermoeid; maar het muisje wou, dat we ons met haar bezighielden. We moesten het licht weer opsteken... Zachtjes lachten we om ons ongeluk, want in het vertrek naast ons sliepen onze gastheeren, en die menschen waren zoo vriendelijk geweest, dat wij voor niets ter wereld zouden willen, dat ze van onzen naren nacht wisten. Doodvoorzichtig liepen we op bloote voeten achter het muisje aan, dat we ten laatste vingen achter een gordijnplooi...
Het was al bijna morgen; we hadden geen minuut geslapen, en daar was al gauw het uur van opstaan, want we hadden een lange dagreis vóór ons.
De dag van den elfden Mei brak aan. De bergpas zag er somber uit. We moesten meer dan een uur op den koetsier en de paarden wachten. Het landschap vertoonde geen bloemen en water en bosschen meer; het waren nu alles rotsen en steenen. Daarbij een brandende zon, en eer een half uur voorbij was, moesten we onze reisdekens afleggen en zaten in hemdsmouwen onder een parapluie, die ons maar gebrekkig tegen de heete zon beschutte.
We hadden de kap van onze antieke berline moeten opzetten. Maar we waren onervaren reizigers en wisten dat niet.
Al die uren in de zon maakten ons slaperig; ons hoofd viel op zij, en de zon profiteerde ervan, om onze ooren of neuzen te verbranden. Wij wilden nog denzelfden avond in Kaswyn wezen. Dus moesten er meer dan honderd kilometer door het bergland worden afgelegd. De paarden, die alle twee uren verwisseld werden, waren in het algemeen langzaam en zeurig. De weg was verlaten, want de karavanen reizen in dezen tijd van het jaar alleen des nachts.
Bij elke halt dronken we een paar glazen thee, die altijd klaar staat op kolenvuurtjes. En we aten harde eieren, die overal te krijgen waren.
Tegen vijf uur in den avond waren wij honderdvijftig kilometer van Resjt verwijderd. Het land veranderde weer van aanzien; het dal werd breeder; er kwamen vlakten; de hellingen werden minder steil, en weldra zagen we velden van haver en rogge. Het licht bleef steeds merkwaardig helder en doorschijnend.
Eindelijk hadden we het hoogste punt van den weg bereikt. We waren op zestienhonderd meter hoogte en ontdekten plotseling een nieuw land vóór ons, het hooge plateau van Iran, dat zich tot in eindelooze verte uitbreidde en waar we zoo naar verlangd hadden.
Links werd het beschermd en van Turkestan gescheiden door een reuzenbergland, de Elboersketen, die oostwaarts in den Himalaya zich voortzet. De witte toppen rezen naar den hemel. In de verte schittert de kegelvormige piek van den Demavend, den heiligen berg, wiens krater onder eeuwige sneeuw slaapt. Aan den voet van den Demavend ligt Teheran. Vlak vóór ons daalde de weg naar Kaswyn.
Rechts lag het hooge perzische plateau ter hoogte van elf- of twaalfhonderd meter; lage ketenen liepen erover van het Oosten naar het Westen. Het strekte zich doodsch en eentonig uit in het grijze licht. Daar is dan nu het oude Perzië; eindelijk hebben we het bereikt!
Nu voelden we geen vermoeidheid meer. De nacht, die snel in het Oosten valt, overviel ons onder weg, en het was tien uur, toen wij in Kaswyn binnenreden, een oud beschavingscentrum. In de sjapar khané zouden we den nacht doorbrengen. Dat hôtel is eenig in Perzië in zijn soort. Men vindt er kamers met bedden en kan er op elk uur eten krijgen tegen niet te hooge prijzen. Er werd ons een kip met rijst voorgezet voor nog geen franc. Zooiets vergeet men niet, als men van de hôtels in den Kaukasus komt, waar andere prijzen worden gevraagd.
Van buiten geeft het hôtel zich allures van een paleis, met de zuilengalerij eromheen en den tuin, waarin het is gelegen. Trouwens ook de eenvoudigste huizen nemen in Perzië graag iets monumentaals aan, met mooie portieken en veel beeldhouwwerk.
Er heerschte te Kaswyn dien avond veel opwinding, want den volgenden morgen zou Z.M. de Shah, die Teheran had verlaten voor zijn reis naar Europa, een plechtigen intocht houden. De vorst reisde met zijn geheele hofhouding. Reeds om zes uur in den morgen werden we door rumoer buiten gewekt.
We gingen in den tuin van de sjapar khané. De lucht was heerlijk blauw en de atmosfeer aangenaam koel. Een echte heldere feestmorgen.
Vóór onzen tuin strekte zich de lange laan uit, die naar het paleis van den gouverneur leidt, een koninklijke weg.
Links, dicht bij ons, lag een donker hoekje onder olmen, die den hoofdingang naar de groote moskee overschaduwden. Onder den boog van de eerepoort door konden we het binnenplein zien met de fontein voor de wasschingen, en boven de muren staken tusschen het frissche gebladerte de minarets op, die den hoofdkoepel omgeven.
De keizerlijke stoet zou over het terrein van de sjapar khané trekken en zich dan langs den tuin door de groote laan naar den gouverneur begeven.
Ik installeerde mij op het dak van een laag paviljoen aan het hek. Dat was een best plekje om te zien en te photografeeren.
Het was al vol in de laan.
Er liepen groepen mannen rond in lange gewaden, meestal bruin, soms blauw. Een gekleurde gordel omgaf het kleed boven het middel, en op het hoofd droegen ze meest de kale vilten muts.
Alleen de mollahs of priesters droegen een witten tulband. Er waren veel priesters. Kaswyn is een priesterstad; het zijn knappe figuren met mooie gezichten, fijne, regelmatige trekken, een gewelfd voorhoofd, langen, fijnen neus. De afstammelingen van den Profeet hadden een groenen tulband en een gordel ook van die kleur.
In groepjes zag ik vrouwen met grooten, zwarten sluier, die haar geheel omhulde. Onder den sluier is dan nog haar gezicht bedekt met een dunnen witten doek, waardoor ze kunnen zien, zonder te worden gezien.
Allen liepen kalm en deftig, zonder ongeduld; er was geen gedrang en geschreeuw; kooplieden boden kleine blokjes ijs aan voor twee centimes; anderen verkochten gedroogde vruchten of sigaretten.
Aan den voet van het paviljoen, waar ik mij op bevond, zaten een half dozijn nog al arme menschen; ze vormden een kring en vertelden elkaâr geschiedenissen of grapjes. Het trof mij, hoe waardig dat alles toeging. Twee- of driemaal kwamen politie-agenten van den gouverneur ze verspreiden; dan gingen ze zonder verzet uiteen, en vijf minuten later waren ze terug en hervatten het afgebroken gesprek. In hun buurt speelden kinderen, die de gevechten van den nationalen held Rustem nabootsten.
Besproeiers goten water op het zware stof van de laan. Dat haalden ze uit de goten, die liepen langs wat bij ons de trottoirs zouden zijn. Zooals de meeste perzische steden, heeft Kaswyn een waterleiding, die van de bergen komt. De Perzen hebben altijd wonderlijk goed de kunst verstaan, om de bronnen op te vangen en ze onder den grond naar aanmerkelijke afstanden te leiden.
Op de daken der meestal lage huizen waren vrouwen en kinderen opgesteld, om te kijken.
Van zeven uur af kwamen lange rijen kameelen uit het keizerlijke kamp, dat twintig kilometer van de stad verwijderd was. Ze waren achter elkaâr vastgebonden, in groepen van zes. De kameeldrijvers gilden, dat de menigte plaats zou maken; de klokjes, die de dieren aan den hals hadden, klingelden en ze liepen voort, zonder op te houden, met vooruitgestrekten hals. Dat zonderlinge beest boezemde mij veel belang in; het heeft iets melancholieks.
Die nu voorbijgingen, droegen tenten, pakken tapijten en zakken haver en gerst. Muilezels bij honderden volgden, daarna kwamen bagagewagens met tallooze koffers, europeesche en kleurige perzische kisten. Bedienden van het hof in scharlaken liverei met gouden brandebourgs, soldaten en ambtenaren van de keizerlijke post met den zilveren leeuw op hun hooge muts van lamsvel dienden tot geleide voor de bagage. Die optocht duurde wel drie uren; er moeten wel vijftienhonderd kameelen en evenveel muildieren zijn voorbijgegaan. Ze hebben de wonderlijkste dingen op den rug; ik zag een schommelstoel met rieten zitting boven op den bult van een dromedaris; een kolossale muziekdoos op een muilezel, die eronder gebukt ging, een grammophoon en een aardglobe.
Daar kwam een klein, grijs mannetje aan met een bril en een puntbaardje, op een nietig ezeltje, beladen met een reuzenknapzak vol geheimzinnige voorwerpen, waartusschen dreigend en hemelwaarts wijzend, een onmetelijk groote kijker opstak. Dat was de sterrenwichelaar van Z.M.
Om de schilderachtigheid en het levendige van het tooneel nog te vergrooten hielden ook de hoofden der bergstammen en de gouverneurs der groote dorpen uit de buurt hun intocht in Kaswyn, om den Shah op zijn doortocht te begroeten. Zij zijn gezeten op levendige, kleine paardjes, mooi opgetuigd, hebben het geweer en bandoulière en stappen in groepen van twaalf of twintig in de laan voort.
De Shah, die ons dit schouwspel bezorgt, reist tegenwoordig nog juist als vroeger Xerxes en Darius reisden. Niets of haast niets is veranderd in 2500 jaar, en als hij uit moet gaan, is dat een heele optrek.
Het is niet voldoende, dat hij een paar dozijn hovelingen bij zich heeft. Hij heeft een gevolg van bij de vijf duizend personen, de bevolking van een kleine stad, die gevoed en geherbergd moet worden. De ministers en de hooge ambtenaren verlaten den souverein niet, evenmin als de hovelingen, die hij gewend is elken dag te zien. De harem blijft te Teheran; perzische vrouwen reizen niet in den vreemde.
Daar diegenen, die met den Shah reizen, personen van gewicht zijn, hebben zijzelf ook weer een gevolg, dat met hun rang overeenkomt. Ieder van die heeren wordt vergezeld door een talrijken stoet van dienstbaren. In Perzië heeft iemand van rang minstens een twintigtal lieden, wier eenige bezigheid is, elkaâr, op hun hurken gezeten, eindelooze geschiedenissen te vertellen. Ieder hoveling heeft twee tenten noodig, een, waarin hij slaapt, en een andere, die vooruit wordt gezonden voor het kamp van den volgenden dag, en zijn domestieken moeten ook hun tenten hebben.
Hij neemt verscheiden rijpaarden mee en evenveel palfreniers als paarden, dan kameelen, ezels voor het dragen van de tenten en de meubels, veel tapijten, een weelde, die een Pers niet ontberen kan, tapijten uit Kerman, Yezd of Ispahan, die bij de halten op den grond worden uitgespreid; twee of drie koffers, waarop in heldere kleuren allerlei versieringen zijn aangebracht. En daar de reis door de woestijn plaats heeft, moeten ook levensmiddelen worden meegenomen. Eindelijk waken een duizendtal soldaten voor de veiligheid van den Shah.
De reis om aan den russischen spoorweg te komen duurt twee maanden, want Z.M. houdt er niet van, meer dan twintig kilometer per dag af te leggen. En bij die snelheid zucht Zij nog, en als men in steden als Kaswyn of Resjt is aangekomen, wordt verscheiden dagen uitgerust.
Aan den oever van de Kaspische Zee neemt de Shah niet de boot. Hij houdt niet van de zee en in het algemeen niet van water. Een waarzegster heeft hem eens voorspeld, dat hij door het water sterven zou. En sedert dien tijd vermijdt de Shah de zee, de rivieren en zelfs de beekjes. Wij zijn over de Moerdab gevaren; daar waagt de Shah zich niet op. Hij volgt een zandigen weg, die pas is gebaand en die langs een grooten omweg naar Enzeli voert. Onze automobiel zal daarvan profiteeren.
Wat moet de waarzegster lachen, als de Shah, in plaats van op een der uitstekende stoombooten van de russische maatschappij naar Bakoe over te steken, over land de lastige reis doet langs de Kaspische Zee op een nauwelijks gebaanden weg door een streek, die veel koortsachtiger is dan Perzië. De tocht naar Bakoe duurt dan drie weken en met de boot slechts vijftien uren.
Aan de russische grens laat hij dan 4500 personen en een onnoemelijk aantal kameelen en muildieren achter. Er blijven dan slechts een vijftigtal ministers en hovelingen over, om mee naar Europa te gaan. Dat leger van volgelingen wordt gevreesd in de landen, die worden doorreisd. De bedienden van den Shah dragen een schitterende uniform, maar ze ontvangen zelden hun loon. Zonder dat is men van oordeel, dat het al genoeg eer is, de keizerlijke uniform te mogen dragen. Zij moeten zich maar zien te redden. Als ze aankomen, nemen soms de bewoners de vlucht, en de kameeldrijvers verlaten den weg met kameelen en muilezels.
De moderne en allerkluchtigste verschijning in dit tooneel is de automobiel van den Shah, want de vorst heeft een stoomautomobiel en twee fransche chauffeurs.
Waarvoor gebruikt hij zijn auto?
Niets zou aardiger wezen dan dat de groote koning van de snelste en nieuwste manier van reizen gebruik maakte, en bijvoorbeeld in Teheran in de auto stapte, om in een enkelen dag de 350 kilometers af te leggen, die de hoofdstad van de Kaspische Zee scheiden. Het zou mooi zijn, dat Zijne Majesteit de snelste man uit zijn rijk was. Men kan zich zoo voorstellen, wat een legenden dit bijgeloovige volk zou spinnen rondom een souverein, die de buitengewone macht bezat, om des morgens in Teheran en des avonds in Resjt te wezen.
Dat heeft de Shah niet begrepen. En buitendien heeft hij pijn in de lenden.
Hij bedient zich van de automobiel, zooals gij en ik een ziekenwagentje zouden gebruiken. Hij rijdt erin door zijn tuinen. Op den weg legt hij twintig of vijf-en-twintig kilometer per dag af. En dat gaat niet in een half uurtje. De soldaten moeten het rijtuig in stap kunnen volgen....
Zoo houdt de Shah, die om zeven uur in den morgen in de automobiel is vertrokken voor een reis van 800 kilometers, om tien uur op en heeft dan een twintigtal achter zich.
Overigens wisselt hij nog af en gebruikt de auto maar om den anderen dag. Ik denk, dat hij nu wel in het rijtuig zijn zal, om zijn getrouwe onderdanen van Kaswyn niet te verschrikken.
Eindelijk klonk tegen tien uur een kanonschot. De Shah is de stadspoort doorgegaan. Dadelijk daarna zien we een wolk van menschen aankomen, te voet en te paard, met lange stokken gewapend. Dat zijn de voorloopers van Z.M., die de menigte ordelijk opstellen. De belangstelling is trouwens maar matig.
Dan gaat een peloton voorbij van lieden van het keizerlijke huis, in scharlaken liverei met gouden brandebourgs; een majordomus stapt voor hen uit, een korte, dikke man, die onhandig zwaait met een dikken staf van tamboer-majoor; dan volgt een fanfarecorps te paard en perzische kozakken met een rooden generaal aan de spits, en eindelijk in een rijtuig met zes paarden de Koning der Koningen onder de half opgeslagen kap.
Hij was op zijn Europeesch gekleed en zag er zeer vermoeid uit; een oude afgeleefde dorpsnotaris leek hij wel.
Het kanon bulderde, maar de menigte juichte niet. Zij bleef onverschillig. Dat schijnt altijd zoo te zijn. De Perzen zijn nooit geestdriftig geweest tegenover de koningen of shahs, die hen nu al vijf-en-twintig eeuwen en meer regeeren.
Tegen den middag waren wij weer op weg van Kaswyn naar Teheran. Wij kruisen nog de achterhoede van den Shah en ontmoeten al maar weer kameelen en muilezels. De weg, die tot Teheran door de woestijn leidt, is gruwelijk eentonig. Mijlen en mijlen lang gaat hij steeds rechtuit. De Elboersketen verrijst aan den linkerkant. Rechts ligt het eindelooze plateau van Iran. Er was geen boom, geen struik; niets dan steenen en zand, zoo ver het oog reikte. Aan de eene zij stonden de palen van de russische telefoon en telegraaf, en aan de andere die van de indo-europeesche telegraaf, die uit Tabris en Odessa komt.
Alle 26 of 30 kilometer een posthuis met een paar boomen. Het duurt telkens wel een uur, eer we met de versche paarden wegrijden. Ondanks het voorbijgaan van den Shah waren we nog al gelukkig met het krijgen van paarden. Maar de ongelukkige beesten waren uitgeput van vermoeienis, en wij kwamen langzaam voort. Wij hoopten zonder tusschenpoozen de honderd-vijftig kilometer te kunnen afleggen, die ons van Teheran scheidden.
Toen we van Kaswyn vertrokken, hoopten we vóór middernacht in de hoofdstad te wezen. Nu is het vijf uur en we denken er niet voor het aanbreken van den morgen te zullen zijn. Maar we hielden vast aan ons besluit, om niet in een zastava te overnachten, en niet in een sjapar khané.
De warmte en de weerkaatsing van het felle zonlicht op den weg vermoeiden ons zeer. Wij kropen beiden onder de witte parasol van mijn metgezel. Te vergeefs beloofden we vorstelijke fooien aan de koetsiers, we komen toch nooit met grooter snelheid dan tien kilometer in het uur vooruit.
Bij elke halt stapten we uit, om onze beenen te strekken. Het werd donker en we waren nog onder weg. Daar moesten we over een rivier. Een der bogen van de brug was ingestort. De koetsiers verklaren, dat ze de doorwaadbare plek in donker niet kunnen vinden. Te vergeefs beloofde Emanuel Bibesco aan den postmeester, die Russisch verstaat, een zeer groote belooning; geen enkele koetsier durft op den bok klimmen. Zij zeggen maar, dat het onmogelijk is; dat wij door den stroom worden meegesleurd.
En zoo waren we genoodzaakt, de bagage af te laden voor een nacht in een sjapar khané.
Ons humeur was ver van prettig.
Het huis was nog al groot; wij liepen onder een poort door, dan door een tuin en langs gebouwen, terwijl een vriendelijke maan ons mooie boomen en bloemen vertoonde. Toen gingen we een trap op met te hooge treden en kwamen op terrasjes, waar een zilveren licht speelde. Daar werd ons een deur geopend van een kamertje met gewitte muren en dat er zeer zindelijk uitzag. Er stonden twee ijzeren ledikanten met twee stroozakken, een tafel en twee stoelen.
Wij waren doodop van den langen dag in den zonneschijn, vroegen naar een samovar, haalden conserven voor den dag en sloegen de veldbedden op. Het was vochtig; we waren zeker aan een plas of een moeras.
Het was over middernacht, eer wij, in onze shawls gewikkeld, te rusten lagen. Ondanks de bedekking rilden we.
Maar we konden niet slapen, want onder het terras klonk een onophoudelijk gekwaak van kikkers. Hun muziek dreunde door den nacht; er waren soli en er waren koren, en nooit hoorde ik ze zoo krachtig en hoog. En nu begrijp ik die heeren in de Middeleeuwen, die in den nacht hun lijfeigenen het water lieten slaan, om niet door de kikkers uit den slaap te worden gehouden. Ik had tot hier toe in dezen voorzorgsmaatregel een gril van dwingelandij gezien, het egoïst gevoel van een meester, die slaapt, terwijl anderen voor hem waken. De perzische kikkers, die bij het maanlicht uit den treure zingen, rechtvaardigen de wreedste maatregelen, die eertijds genomen werden, om aan de europeesche zusteren het zwijgen op te leggen.
Toch won eindelijk de vermoeidheid het van al het andere.
Het moet nog geen half uur geweest zijn nadat we in slaap gekomen waren, daar werden we wakker door een geluid in de kamer.
Wat is dat? Dieven? Wij zijn in zulk een diepen slaap, dat we ons wel zouden willen laten bestelen, mits het maar zachtjes gebeurde.
Neen, het was de postmeester met een primitieve lantaren in de hand. Hij probeert, ons iets in het Perzisch uit te leggen. Wij willen nergens naar luisteren. We jagen hem weg en slapen weer in.
Voor korten tijd, want een uur later komt die hardnekkige man weer ter plaatse.
Weer worden we wakker en vinden hem voor ons staan, zwaaiend met zijn lantaarn en vertelt onder drukke gebaren een historie, die wij ten laatste, nu hij ze voor de derde maal herhaalt, begrijpen. Hij verklaart blijkbaar, dat wij moeten vertrekken, om bij het aanbreken van den dag aan de doorwaadbare plaats van de rivier te zijn, want dat naarmate de zon hooger komt, het water ook zal rijzen en dat, als we nog langer wachten, we er niet over zullen kunnen.
Daar hij niet wegging, moesten wij wel opstaan.
Wij waren verstijfd; de vochtigheid had een laag fijne druppeltjes afgezet in de kamer; ik had een papier met potloodaanteekeningen buiten laten liggen, en het schrift was geheel uitgewischt. Rillend maakten we ons een kop thee.
Toen moesten de bedden uit elkaar worden genomen en in hun bergplaats worden geborgen; de shawls worden opgerold, de proviand worden ingepakt, de valiezen gesloten en naar buiten gebracht, en wijzelf moesten de trap afgaan met de te hooge treden!
Wij zaten in het rijtuig, maar de paarden zijn niet aangespannen. En ten slotte gingen wij, die vóór het dag was opstonden en bijna niet hadden geslapen, pas weg om zes uur.
Na enkele kilometers te hebben afgelegd, waarbij we de zon zagen opgaan achter de in nevelen gehulde bergen, waren we aan den oever der rivier.
Zij stroomde snel tusschen haar steile oevers. Er was een brug over, maar de middelste pijler was door het water meegesleurd. Men had ter eere van den Shah een houten hulpbrug gemaakt voor voetgangers. De rijtuigen moesten door het water gaan en langs den oever dalen en klimmen. Er werden hulppaarden voorgespannen, de koetsiers gilden, het water spoelde om de wielen, en wij zagen ons rijtuig oversteken, terwijl wij van de houten brug toekeken.
Den geheelen dag gingen wij langzaam verder op den eentonigen weg. De warmte was erg, en geen koeltje bracht verlichting. Maar eindelijk wees de koetsier ons een streep boomen; dat is Teheran. De steden in Europa kondigen zich aan den reiziger aan door huizen en grootere gebouwen; in de steden van Azië daarentegen verbergen de hooge boomen de lage huizen en uit de verte ziet men, als de gids u een stad wijst, niets anders dan groen.
In plaats van den gordel van voorsteden, die vaak een indruk van armoede maken, omringen tuinen de steden in het Oosten.
De zon heeft ons echter zoo gebrand, dat wij ons over niets meer kunnen verheugen.
Langzaam naderen we de stad. De weg werd druk. Soldaten te paard en te voet kwamen terug uit het kamp van den Shah; ezeldrijvers dreven troepen kleine ezels, met brandhout beladen, voort, en een ruiter had een toegedekten valk op zijn hand. Stofwolken deden iemand pijn aan de oogen.
Nog een uur, en wij waren voor de poorten van Teheran.
De koetsier voerde ons door breede straten, tusschen muren zonder vensters. Het was affreus. Waren wij dat van zoo ver komen zoeken? Is dat Teheran? Wij hadden een paar wanhopige oogenblikken.