Per Auto Door Den Kaukasus Naar Perzie De Aarde En Haar Volken
Chapter 2
Ik zal den weg niet beschrijven tusschen Ovidiopol en Odessa. De eenvoudige feiten zullen voor zichzelven spreken. Acht-en-dertig kilometer liggen tusschen de beide steden. Wij hebben meer dan vier uren noodig gehad, om ze af te leggen en we hebben geen ongeluk gehad.
We reisden weer in den nacht en kwamen om half elf aan.
Het kompas heeft diensten moeten bewijzen.
Meen niet, dat gij weet wat regenen is, voordat ge het in het gouvernement Cherson hebt bijgewoond. De aardrijkskundigen beweren, dat er in een jaar slechts veertig centimeters water te Odessa vallen; die hebben wij dan in twee uur tijd in hun geheel ontvangen. Een horloge, dat ik in den binnenzak van mijn tweeden overjas had onder een caoutchouc regenjas met de kap van het rijtuig omhoog, was bij aankomst vol water en modder! En ik was niet van mijn plaats geweest!
Maar dienzelfden avond lagen wij uitgestrekt in mollige fauteuils in het Hôtel de Londres te Odessa, en pas ontsnapt aan de gevaren van de reis door Bessarabië en Zuid-Rusland, maakten wij toebereidselen voor de Krimcampagne.
Ongehaast hebben we Odessa bekeken, want al moesten we eigenlijk den 15den naar Sebastopol vertrekken, we waren te moe en besloten te wachten op de boot van den 17den.
We gingen in de stad en daarbuiten uit rijden in belachelijk kleine rijtuigjes, waar iemand, die wat dik is, haast niet in kan zitten. We bekeken de kathedraal en zagen de popen met lang haar als van vrouwen. We deden inkoopen van ingemaakt goed voor de Krim en brachten zoo drie prettige en nuttige dagen door.
Maandag 17 April namen wij met al onze colli's, onze koffers en de drie auto's de boot naar Sebastopol, en het bleek, dat we al een groote handigheid hadden verkregen in het inschepen van onze wagens. Den volgenden morgen verscheen de kust van de Krim voor onze oogen en in de diepte van een baai lag daar de stad. Wij zouden er slechts zoo lang blijven, als noodig was, om ons klaar te maken voor het vertrek met de auto's naar de kleine tartaarsche plaats Batsji-Seraï. Ons program voor den dag was het volgende. Vroeg ontbijten en vertrek om elf uur naar Batsji-Seraï op 50 kilometer afstands; van daar in het Balbekdal omhooggaan, een pas overtrekken in de bergen boven Yalta en naar die bekende badplaats, het russische Nice, afdalen, die, naar ons gezegd werd, door het bergland honderd kilometer van Batsji is. Maar er worden ons mooie wegen beloofd. Dat werd ook tijd.
Van naam zijn de omstreken van Sebastopol genoeg bekend. Wie heeft geen herinneringen aan Alma of den Malakoff? Wij reden door Inkermann en bestegen den Malakoff heuvel, van waar we naar het Balbekdal zouden gaan. Men heeft de waarheid gesproken, want er waren wegen en goede. Het landschap was mooi, en een late lente had nog bloesems aan de amandelboomen gelaten. Te Batsji-Seraï wonen vijftien duizend Tartaren in een smal dal, een lange, schilderachtige straat, die maar niet eindigen wou. Alle inwoners liepen uit, om ons te zien.
Ik heb vaak op deze reis een gevoel, alsof wij alleen door zooveel landen trekken, om wat afleiding te bezorgen aan de bewoners van de verre steden, die we bezoeken. Wij moesten door een woest dal rijden en honderd kilometer afleggen door de bergen en over een pas, om te Yalta te komen.
Beneden was het dal dicht bevolkt, en we passeerden huisjes, in kleine tuinen gelegen bij velden, waar Tartaren werkten, maar daarna volgden eenzaamheid en stilte. Steil beklom de weg den berg. Ik zag de groote Mercédes honderd meter beneden mij en merkte hoe zij zonder moeite de scherpe bochten nam, en achter ons den wagen met de bagage, die er zich ook goed doorheen sloeg. Het werd avond; we zouden zeker niet vóór den nacht in Yalta wezen.
Wij stegen nog steeds langs den bezwaarlijken weg. Eindelijk waren we buiten het bosch en niet ver van den top van den pas, toen op eens een sneeuwmuur van een meter hoog zich voor ons verhief. De groote Mercédes nam een aanloop, maar zat al gauw in de sneeuw vast. Wat te doen?
Wij waren maar twintig kilometer van Yalta en toch moesten we omkeeren, niettegenstaande den erbarmelijken weg achter ons. Een honderd kilometer terug naar Sebastopol en nu in donker! Maar we hadden geen keus en daar ging het heen vliegensvlug naar beneden langs afgronden en remmend bij de scherpe bochten, terwijl de wind zich tot storm had verheven. Tegen elf uur waren we weer op den Malakoffheuvel. Daar sprong een band. Terwijl ze aan het repareeren waren, gingen wij op shawls op den grond liggen, doodop van vermoeidheid en honger. Daar op de kale aarde tusschen de steenen kwamen herinneringen aankloppen aan anderen, die er zoo hadden gelegen, vermoeider nog dan wij, zoo moe, dat het leven langzaam uit hen heenvloot op een avond als dezen, waarop de kogels floten als nu de wind.
Den volgenden morgen liepen wij door Sebastopol en ik trachtte de opschriften te lezen op de uithangborden van de winkels.
Waarom hebben de Russen toch zoo'n ingewikkeld letterschrift? Om het ons nog moeilijker te maken, hebben ze enkele letters van ons genomen, maar hebben die andersom gezet. Hun M is een T, hun P onze R. En dan verschillen de gedrukte letters van het loopende schrift en de hoofdletters van de gewone en zoo meer. Men mag zich dan ook gelukkig rekenen, als men er na een verblijf van eenige weken in is geslaagd, de opschriften te ontcijferen. Wat het lezen van een geschreven adres betreft, daarop moet men maar niet hopen.
Langs de beroemde Corniche van de Krim reden we in den namiddag naar Yalta. Ons eerste uitstapje was naar het klooster Saint-Georges. Om daar te komen, moesten we den grooten weg verlaten en vijftien kilometer door het veld afleggen. De boer, die ons terecht zou helpen, verdwaalde en bij een gracht moesten wij pontonnierswerk verrichten, om door vulling met aarde erover te kunnen komen. Onze dames, altijd vol moed, droegen mee steenen aan. Ofschoon ik te Parijs wel wat bezwaar had gezien in de deelneming van teêre en aan weelde gewende vrouwen aan onzen avontuurlijken tocht, hier was ik al lang gerust gesteld. Zij hadden steeds haar goed humeur behouden en onzen moed aangevuurd. Ik kan dus ieder aanraden, dames mee te nemen, maar men moet ze weten te kiezen....
Prachtig was het klooster gelegen, driehonderd meter boven de diepblauwe zee, op een steile rots, en het moet voor de monniken met de lange haren niet moeilijk wezen, dag aan dag God te loven en te prijzen, dat hij hen in zulk een heerlijk oord laat leven. Over Balaklava reden we door een mooi en afwisselend land naar Yalta.
Het was er nu rustig, maar het oproer had er huisgehouden, en hier en daar was geplunderd. Wij hadden tot nu toe niets van al de onlusten, waarvan de couranten vol hadden gestaan, gezien; maar we hadden ons wel degelijk op gevaar gewapend. Ieder van ons had een revolver. Dan was er in de auto een karabijn en een jachtgeweer, waar we telkens onze beenen zeer aan deden; de dames droegen een dolkje, dat alleen gediend heeft, om de bladen van Steindhal's "Amour" open te snijden, maar dat in geval van nood dienst kan doen. Ik moet bekennen, dat van het begin af de wapens in de diepte van onze valiezen hebben gerust, want al is het al een groote last, een revolver te koopen, het is nog een veel grootere, het wapen in zijn broekzak te dragen.
Kort na onze aankomst hoorden we, dat Maxime Gorki in een villa in de buurt woonde. Bij een apotheker kregen we het adres, en ik toog er op uit. Door het mooie park van Tsjoekoerlar reed ik er heen en het laatste huis van een kronkelende laan met veel villa's was het huis, waar Gorki met zijn vrouw woonde. Bij de deur verstond de meid mij niet, maar toen ik een paar passen in de vestibule had gedaan, verscheen de stoere figuur van den dichter, die toen nog veel van de rechtvaardigheid van de russische regeering verwachtte. Wij hebben lang en veel over de fransche en russische letteren gesproken en ik zal altijd de aangenaamste herinnering aan de gesprekken van hem en van zijn vrouw behouden, waarbij mevrouw Gorki onze tusschenpersoon was, want Gorki zelf kende geen Fransch.
In de omgeving van Yalta reden wij door een verrukkelijk land. De geuren van de lente waren overal, en wat natuurschoon aangaat kan de Krim met de beroemdste oorden wedijveren. Men zou hier weken willen blijven, maar wij zijn al ten achteren met ons reisplan en nog zoo ver van Teheran! Zullen we daar ooit komen?
Livadia, de zomerresidentie van den Czar, was onbewoond; wij zagen het park en het eenvoudige woonhuis. Bloemen waren er veel, en veel soldaten. Bij elke bocht van een laan stonden soldaten; op de grasperken exerceerden ze en ze zaten op de treden der trappen. De kleur der uniformen staat niet leelijk tusschen het groen, maar hier in Livadia is er te druk gebruik van gemaakt.
Op 21 April gingen we aan boord van de Grand Duc Boris, die van Sebastopol kwam en ons over de Zwarte Zee zou voeren. In de hutten vonden we al onze bagage, en bij helderen maneschijn zeiden we vaarwel aan Yalta met de witte terrassen en de slapende villa's. De boot deed Novorossisk aan en Soekhoem en kwam den 24sten in de plaats onzer bestemming, Batoem. Het is het best, maar niet stil te staan bij die dagen op zee; de mensch is blijkbaar er niet voor bestemd, om als een flesch, die omgespoeld moet worden, dagen lang te worden geschud. Wat er van ons over was werd in Batoem naar het Hôtel International gebracht.
De stad was in den kleinen staat van beleg. De poort van het hôtel was op slot en de vensters waren gebarricadeerd. De koetsier schelde; een soldaat deed de poort open, stemde er na wat onderhandelen in toe ons op te nemen, en liet ons binnen.
De bedienden staakten; er waren geen levensmiddelen, en niemand wou ze aan den heer des huizes leveren, die met den dood was gedreigd door de revolutionnairen.
We kregen een somberen indruk van de leêge gangen, en in een salon op de eerste verdieping dronken we bij een schrale verlichting een glas thee, philosofeerend over wat ons mogelijk wachtte. Ziedaar onze aankomst in den Kaukasus.
Den volgenden morgen scheen de zon.
Met Emanuel Bibesco ging ik uit; overal soldaten met de bajonet op het geweer. Menschen met donkere en dreigende gezichten liepen rond, van plundering teruggehouden door de aanwezigheid van al die militaire macht. We zagen de meest verschillende typen, weinig Russen, maar Armeniërs, Georgiërs, Turken, Joden, Tsjerkessen, Tartaren, Lesghiërs, slenterend in de vuile straten aan de haven.
Gelukkig zijn wij nog maar enkele uren in Batoem en hebben er nog geen vijanden, of men moest het ons kwalijk nemen, dat we logeeren in een hôtel, dat door de revolutionnaire comité's op den index is geplaatst. We hooren veel over die comité's in de twee dagen die we hier blijven; er zijn er drie, naar het schijnt, een georgisch, een armenisch en een russisch. Dat is wel veel voor een enkele stad, en de ter dood veroordeelingen, die ze uitspreken, zijn geen ijdele bedreigingen.
Er staan in de straten populieren met heerlijk frisch groen. Wij reden erlangs, toen we naar den gouverneur-generaal gingen, een man van echt mongoolsch type. We kregen van hem slecht nieuws.
De eenige weg van Batoem naar Tiflis gaat over een hoogen pas bij Akhaltsikh. Maar door het slechte weer, dat al een maand duurt, zijn de sneeuwhoopen zoo hoog, dat alle gemeenschap met Tiflis langs den weg verbroken is. Dus is het onmogelijk, ons plan uit te voeren en per auto in de hoofdstad van den Kaukasus aan te komen. Een groote teleurstelling.
Wij besloten een tocht te doen in het schoone Tsjorokdal, voor we per trein naar Tiflis gingen of eigenlijk naar Koetaïs, want van daar willen we toch nog beproeven over den Madisonpas Tiflis per motorwagen te bereiken.
In twee auto's vertrokken we, maar niet alleen. De ordonnansofficier van den gouverneur ging met ons mee. Hij was een Georgiër van origine, had te Sint-Petersburg gestudeerd, en daar hij Fransch sprak en het land kende, was hij ons een aangenaam reisgenoot. Wij kregen ook een kozak, die op de trede van het rijtuig plaats nam.
Het was een krijgshaftige expeditie! Toch reden we door een liefelijk dal met goede wegen; toen het enger werd en de bergen dichter naar de rivier drongen, hingen de bloeiende rhododendrons boven ons hoofd en vormden een troonhemel, en wilde azalea's bedekten de weiden, die op de steile hellingen lagen.
Nu hebben we werk voor onzen Kozak, die eindelijk zijn sabel eens kan gebruiken. We sturen hem in de azaleavelden en naar de rhododendrons. Die sabel is heel geschikt, om bloemen mee te snijden. Een geurigen oogst kregen we in de rijtuigen. Het leek wel, of we naar een bloemencorso trokken.
De kozak ging weer zitten op de trede en wij zochten weer naar roovers, die we niet vonden.
Maar gevaarlijk was het er niettemin. Dienzelfden avond in den trein naar Koetaïs bleek het land tusschen Batoem en Koetaïs in opstand, en alle voorzorgsmaatregelen waren genomen. Wij hoorden, dat aan het station, toen de auto's ingeladen werden, de stakende werklieden, die de machinisten fransch hoorden spreken, gezegd hadden: "Uw meesters zijn Franschen! Zeg hun, dat ze overal veilig zijn."
Dus zijn wij gerust, want van de zijde van het gouvernement waren ons kozakken meegegeven.
Koetaïs heeft een beroemden bazar, waar alle typen zich vertoonen, die den Kaukasus bevolken. En het land om Koetaïs had veel te lijden van den regen. Het heeft eigenlijk elken dag geregend in den Kaukasus. De overvloed van dat hemelvocht heeft een noodlottigen invloed gehad op onze reis en op de beslissingen, die we moesten nemen tijdens onze week in Tiflis.
Daarheen vertrokken we den 29sten.
Op het perron hoorden we bij aankomst al, dat de helft der stad in staking was, dat men de hôtels had gesloten, en dat de bedienden weigerden te werken. De trams reden niet. Dat was zoo erg niet, maar nu hadden ook de spoorwegbeambten het bijltje erbij neergelegd, en onze trein was de laatste, die in langen tijd in Tiflis zou aankomen; gelukkig bleek het bericht ongegrond, want een deel van ons gezelschap, dat zich bij het vertrek van Koetaïs verlaat had en niet met den trein was meegekomen, arriveerde den volgenden morgen.
Tiflis is de hoofdstad van Georgië, tegenwoordige residentie van den onderkoning van den Kaukasus; er zijn 200,000 inwoners en de stad wordt doorsneden door de Koer, een snelstroomend, grijs water.
Wij willen hier:
1. Tiflis bezien.
2. Per auto den militairen weg van Georgië naar Wladikawkas afleggen.
3. Naar Eriwan gaan per auto, langs het meer Goktsja en een bezoek brengen aan den Catholicos van Esjtmiadzin, den armenischen kerkvorst.
4. Noodige inlichtingen inwinnen over onze reis in Perzië en beslissen over den te nemen weg.
5. Aanschaffen wat noodig zal zijn voor den tocht door de woestijnen van Perzië. Wij weten nu, dat we het moeilijk langer dan twaalf uren zonder voedsel kunnen stellen.
Niets meer dan dat.
Wij hadden brieven voor enkele personen in Tiflis en we werden er zeer gastvrij ontvangen. We moesten den geheelen dag eten, een goede voorbereiding voor den aanstaanden vastentijd in Iran. Wij bekeken de bazars in gezelschap van den franschen consul, die ze goed kent. Ook werden we naar een karavanseraï gevoerd, waar perzische kooplui bibelots, wapens en antieke stoffen te koop aanboden.
De Perzen met hun fijne, bruine, magere gezichten zaten er op matten. Ze lieten ons moderne ringen zien, middelmatige wapens, ijzeren dieren, met zilver ingelegd, wat nog nieuw werk was uit Ispahan, en enkele kaschmireesche stoffen, waarvoor ze buitensporige prijzen vroegen.
Wij zullen maar wachten tot we in Perzië zijn met het aanschaffen van perzische dingen.
Het plan, om tot Wladikawkas te rijden, moest worden opgegeven, want de pas is te hoog en we zouden door de sneeuw worden opgehouden. Daarbij was het weêr altijd maar ellendig, en de inwoners van Tiflis zeiden, dat ze nooit zulk weêr hebben gehad in het begin van Mei. De zeldzaamheid van het verschijnsel is voor ons maar een kale troost.
Wat te doen? Naar Eriwan gaan? De wegen zijn niet berijdbaar.
Wachten? Het regent sinds drie weken; het kan nog wel veertien dagen regenen; dan treffen we de groote hitte in Perzië en dan adieu! tocht door de woestijn en reis naar Ispahan.
Intusschen bleef het maar regenen en wij bleven maar beraadslagen, hoe we naar Perzië zouden komen. Het waren discussies aan de maaltijden en aan de thee, en ze werden in onze particuliere vertrekken met frisschen moed weer opgevat. Emanuel Bibesco was de eerste, die een vast besluit nam, namelijk om zijn auto naar Marseille terug te zenden met een fransche boot van Batoem.
Waarna ik met energie het plan verdedigde, om, daar wij onzen tocht begonnen waren om Perzië te bezoeken, en daar de revolutionnairen nog wel treinen lieten loopen naar Bakoe, daarvan gebruik te maken en dan met de boot over de Kaspische Zee naar het verlangde land te varen. Zondagavond vertrekt een boot, laat ons daarmee gaan en laat ons de auto's stil te Tiflis achterlaten.
Binnen een half uur was toen alles in orde en dat plan onverbrekelijk vastgesteld. Alleen Leonida verklaarde, dat hij in Teheran wou aankomen over land en in een auto, dat hij over Eriwan en Tabris gaan zal en dat, al moest hij zijn wagen in brokjes door kameelen laten dragen, hij er zal komen.
Georges Bibesco heeft een tolk geëngageerd, den Tsjerkess Hassan. Hassan word gecenseerd Russisch te kennen en ook Perzisch en Fransch te spreken.
Hij zal ons naar Teheran vergezellen. Kent hij wezenlijk Perzisch? Dat weet ik niet; maar wat ik wel weet, is dat hij het Fransch alleen door gebaren spreekt en zoo onderhouden we ons ook in het Russisch. Hoe het zij, Hassan ziet er met zijn krulharige muts, zijn grooten nationalen mantel of boerka en de vier-en-twintig kleine kokertjes op zijn borst, die kruit moesten bevatten, maar waarin wij wel poudre de riz voor onze dames kunnen doen, zeer indrukwekkend uit. Hij doet aan ons prestige goed.
Reizigers hebben beweerd, dat de Kaukasus een land van bergen is, en aardrijkskundigen houden vast aan dezelfde stelling. Zij hebben een Kasbek bedacht, die zijn top meer dan 5000 M. in de lucht zou verheffen, en een Elbroes van 5600 M.
Welnu, ik kan dat formeel tegenspreken. Ik heb drie weken in den Kaukasus vertoefd en heb gewoond aan den voet van de plek, waar zij beweren, dat de Kasbek zich verheft.
Ik verklaar nog eens, ik heb geen Kasbek gezien. Geen mijner vrienden heeft den Kasbek gezien, ofschoon een hunner, om een oogenblik ons de baas te wezen, gezworen heeft, dat hij den berg even heeft bemerkt. Hij droomde denkelijk. Dus noch de Kasbek, noch de Elbroes bestaan.
Ik zeg hier openlijk, dat, naar mijn ervaring te oordeelen, de leerboeken der aardrijkskunde moeten worden herzien. De Kaukasus is geen land van hooge bergen; er zijn een paar hooge heuvels, dat is alles. Wat de dwaasheid betreft, er een ander Zwitserland van te maken, die moet geboren wezen in het brein van den een of anderen jaloerschen Rus, die zich verbeeldde, dat Rusland alle vreemde landen overtrof.
Wanneer men naar mijn aanwijzingen de aardrijkskunde van Rusland zal herzien, verzoek ik, dat er ook zal worden gezegd, dat nergens de hemel dichter bij de aarde is; naar mijn gissing is hij er niet meer dan duizend meter van verwijderd en soms nog minder. Buitendien zal vermeld moeten worden, dat hij onophoudelijk in water bezig is zich op te lossen. Dat is een onverklaarbaar natuurverschijnsel, dat we voorloopig maar moeten boeken, tot tijd en wijle, dat we het zullen kunnen verklaren.
Twee dagen lang waren we bezig, aankoopen te doen voor onze reis naar Perzië en wel allereerst veldbedden.
Als men nooit anders heeft gereisd dan in de groote expresstreinen, die internationaal zijn, of op de transatlantische stoombooten, kan men maar moeilijk gewennen aan het denkbeeld van een land, waar men geen bed vindt om op te slapen. Toen te Parijs een vriend, die in Perzië was geweest, mij zei: "Koop een bed", lachte ik. Een bed te transporteeren leek mij onuitvoerbaar en onnoodig.
Maar neen, nu zie ik in, dat men een bed moet koopen, wil men in Perzië naar bed gaan. Te Parijs heb ik mij een zeildoeken zak laten maken, dien ik in Rusland dacht te gebruiken, maar die opgevouwen in mijn valies is gebleven.
Te Tiflis kocht ik een bed, om den zak over uit te breiden. Wij vonden vrij gemakkelijke bedden, die bij den koopman bijzonder goed in en uit elkaar gingen, maar in Perzië ons veel inspanning kostten. Zij besloegen, toegeslagen, niet veel meer plaats dan een opgevouwen reisdeken en wogen elk elf kilo's. Ze zijn maar smal, en het zijn harde rustbedden.
We zullen tijd hebben eraan te wennen.
Een van ons heeft het lumineuse idee, wasdoek over het bed te leggen, om de vochtigheid van den grond niet te voelen, want we zullen geen kamers met parketvloeren vinden boven kelders.
Met onze zes bedden hebben we zeventig kilo bagage meer. Er zullen stevige wagens noodig zijn, om ons door de woestijn te loodsen.
Wij voegen er nog bij veertig kilo conserven, hammen, sardines, foie gras, beschuitjes, confituren in massa, daar houden we allen veel van, compôte, groenten, worsten en zelfs kaas. De oude tolk, die in Perzië heeft gereisd, raadt ons twee ketels te koopen, want de Perzen beschouwen ons als onrein en zullen niet willen, dat we hun keukengereedschap gebruiken. We koopen de beide ketels en twaalf borden en voor ieder van ons een couvert plus nog zout, suiker, thee, chocolade en citroenen, theedoeken, om nog eens over te wasschen, en handdoeken. Het is, of we een huishouding opzetten en of we als groote kinderen moedertje gaan spelen.
Er werd voor ons een zeer groote mand gemaakt, waarvan het gewicht bij elke etappe zal verminderen, terwijl, door een onverklaarbaar natuurverschijnsel, wij, die door den inhoud van de mand dikker moesten worden, elken dag magerder zullen worden op den tocht door de zand- en steenwoestijn.
Wij kochten nog allen caoutchouc-regenmantels.
Die hadden we ook meegenomen uit Roemenië; maar door de aanhoudende stortregens waren ze lek geworden en we lieten ze in Tiflis.
Van Tiflis naar Bakoe reed de trein achttien uren. Hij ging langzaam, maar was gemakkelijk als alle russische treinen. Men is in Rusland niet op het idee gekomen, zes personen in een compartiment eerste klasse te stoppen. In de coupé zit men hoogstens met zijn tweeën; in de dubbele compartimenten met zijn vieren; ofschoon er acht plaatsen zijn; de banken zijn verder van elkaar dan in Frankrijk; er is een tafeltje bij elk venster en daarbij is de waggon breeder dan bij ons. Tegen den avond komt de conducteur de bedden klaar maken, twee boven elkaar, en men kan lekker slapen. Er wordt geen supplement betaald zooals in de exprestreinen in Europa. Van Batoem naar Bakoe scheelt niet veel in afstand van de route Parijs-Marseille; men betaalt voor het eerste eind vijftig francs, voor het tweede zes-en-negentig francs; maar men doet den eersten afstand in de helft van den tijd.
Tegen den middag kregen we de Kaspische Zee te zien, grijsblauw en met schitterlichtjes door de zon.
De oevers waren kaal, met slechts hier en daar lage heuvels.
Maar daar verschijnt links een bosch van zonderlinge boomen, waarboven een donkere wolk hangt. Dat zijn de boortorens of derricks van Bhala-Khané, die vreemde houten schoorsteenen.