Per auto door den Kaukasus naar Perzië De Aarde en haar Volken, 1907

Part 3

Chapter 34,014 wordsPublic domain

Houdt ge van soldaten, dan moet ge naar Bakoe gaan. De inwoners beklagen zich erover, dat ze overdag door de roovers worden bestolen en des nachts door de soldaten. Wij gingen in lichte rijtuigen met twee paarden en tartaarsche koetsiers rijden naar Bibi-Ebat, een petroleum-onderneming aan de zee. Daar krijgen wij het treffende schouwspel van een woud van derricks, die er hun geteerde, hoekige vormen naar den hemel heffen. Er zijn lanen in dit bosch gemaakt, waar het gefluit van den door de buizen jagenden stoom doorheen gaat. Wolken zwarte rook worden met kracht uitgeworpen uit de schoorsteenen, en er hangt steeds boven Bibi-Ebat een dichte damp. Men hoort aanhoudend het knarsen der katrollen, waar de boren aan bevestigd zijn. Buizen loopen langs de wegen; de bodem is vet en zwart, en links en rechts ziet men meren van petroleum. De petroleumvoorraad onder den grond vloeit in een vaste richting. Hier is een derrick, die niets levert, en op vijf meter afstands staan er drie of vier, die hun eigenaar een fortuin opbrengen. Er worden gangen gegraven, om de aardolie onder water te vervolgen.

Wij reden met gematigde snelheid, tot op den terugweg de koetsiers grapjes begonnen, en een wedren gaan houden. Zij willen elkander voorbijrijden. De voorste gooit zijn rijtuig naar links of rechts, om den ander den weg te versperren. Ik weet zeker, dat het een heel aardig gezicht moet opleveren voor toeschouwers in een circus, maar wij zitten in de rijtuigen en vinden de zaak minder grappig. Twee- of driemaal zouden we zóó in een petroleumplas terecht komen. Tevergeefs waarschuwen wij de koetsiers.

Ze roepen: "Soeda, Soeda!" en jagen verder. Ik vergeet nooit hun gebruinde gezichten en de levendige oogen....

Eindelijk raakte ons rijtuig voor. Wij hadden den ren gewonnen.

Kalm reden we Bakoe weer binnen.

Daar liepen wij te voet door de oude perzische stad, en in het hôtel vroeg een respectabel inwoner van Bakoe ons naar onze reisplannen. Toen hij hoorde, dat wij naar Perzië gingen, zuchtte hij: "U gaat naar Perzië? Wat moet ge u gelukkig voelen! Daar zult ge tenminste veilig wezen!"

Om tien uur 's avonds gingen wij scheep, na tot op het laatste oogenblik vrees te hebben gekoesterd, dat een plotseling in de haven uitgebroken werkstaking ons zou verhinderen naar Perzië te vertrekken.

Het gaat goed. Het anker wordt gelicht en de stoomboot glijdt over de stille wateren, waar de duizenden lichten der stad zich in spiegelen. De reede van Bakoe bij nacht levert een interessant schouwspel op.

Toch zeiden we ze zonder weemoed vaarwel.

Wij gaan eerst in Perzië aan wal.

Op 8 Mei naderden we langzaam het land onzer hope. Vijf uren lagen we te Lenkoran voor anker. Dat is een in de boomen verscholen russisch stadje. Er achter verheffen zich de groote kruinen van de Ghilanbergen, met wouden bedekt. Een blauwachtige damp hangt in de atmosfeer, verzacht de omtrekken en geeft aan dit land iets fluweeligs, iets onwezenlijk bekoorlijks, dat aan enkele vlaamsche landschappen eigen is.

Het is intusschen een der ongezondste streken der aarde en ook een der meest woeste. Nog voor enkele jaren huisden er tijgers in die bosschen.

Tijgers! Wat zijn we ver van Ile de France!

Rondom de boot vliegen zwarte cormorans.

Aan het ontbijt gaf een asthmatische russische doktores ons inlichtingen over de organisatie van de medische hulp in den russischen veldtocht. Als men haar hoort, zou men meenen, dat Rusland in dit opzicht, net als in alle andere, aan de spits der beschaving staat. Wij behoeven haar gelukkig niet te gelooven.

In den namiddag kwamen we te Astara aan de russische grens. Een volle boot met gegalonneerde heeren kwam bij ons aan boord, en de passagiers moesten zich aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen, terwijl ik voor de honderdste maal onze paspoorten moest vertoonen.

Wij lagen bijna een kilometer uit de kust voor anker, want er was weinig water, en onze boot kon niet dichter bij de kust komen.

Des nachts ging het verder, nu naar Enzeli.

Er was maar één ding, dat ons bezig hield, namelijk het weêr van den volgenden dag. Als er een hooge zee is, moet de postboot ons naar Bakoe terugbrengen. Het zou een bittere teleurstelling wezen.

Wij raadpleegden mijn barometer. Hij ging achteruit, en daar begon ook al een flinke regen te vallen, terwijl de boot begon te rollen. Toch vielen we in slaap...

Het weer was 's morgens te Enzeli grijs; er vielen af en toe regenbuien; een frissche oostenwind zweepte de zee en joeg de golven op, die hoog genoeg waren om de kust met schuim te bedekken en het schip erg te doen schommelen. Maar de kapitein hield vol, dat wij aan wal konden gaan. De kust was in nevelen gehuld; we konden flauwtjes lage gebouwen onderscheiden, met een toren en enkele boomen. Wij keken onze oogen uit. Dat is Perzië, daar voor ons!

Bootjes kwamen van land en een klein stoombootje, dat al gauw naast ons lag en aan onze boot gemeerd werd. Wat gaat het op en neer! Een auto hadden wij nooit hier kunnen ontschepen. Het zal een tref zijn, als we zelf van de boot af komen zonder een of ander lichaamsdeel te breken!

Onze koffers en valiezen werden zonder ongelukken vastgebonden en ontscheept. Toen kwamen wij aan de beurt. Er moest gewacht worden tot de kleine boot omhoog ging en naast de onze kwam; als ze dan boven was, moest men een der stangen grijpen, waar bij kalmer weêr de zonnetent aan vast werd gemaakt; twee matrozen duwen iemand naar den rand, men doet een sprong, en twee andere zeelui nemen u in ontvangst, terwijl de kleine boot weer neervalt in een golfdal.

De dames brachten het er goed af; nu waren we op een klein dek, waar het water overheen sloeg, en tien minuten later waren we te Enzeli aan de kade, eindelijk in Perzië!

We bleven eerst op de boot. Beleefde ambtenaren, Belgen, kwamen ons begroeten. Het waren heeren van de douane, maar de menigte om hen heen was wel echt perzisch. Eenige mannen droegen de nationale muts van gekruld lamsvel; anderen een vilten hoed zonder rand, die op het hoofd geplakt stond en waaruit aan beide kanten toefen haar uitkwamen, die over de ooren hingen. Bij die haren zal de profeet zijn getrouwen optrekken naar zijn paradijs, natuurlijk alleen als ze zijn geboden hebben opgevolgd.

Die Perzen dragen voor het meerendeel wijde, bruine kleêren. Enkele baarden van een lichte mahoniehoutkleur verhoogen voor ons de belangwekkendheid van deze exotische menigte. Ze kijken ons zeer nieuwsgierig aan, wat wij op dezelfde manier beantwoorden.

Perzië te Enzeli, dat gelijkt op Cochin-China.

Ik ben niet in Cochin-China geweest, maar naar beschrijvingen moet het hierop lijken.

Een vlak land, zand, biezen, zeer groene boomen en veel water. Aan beide zijden van het breede water, dat de Kaspische Zee in verbinding stelt met het groote binnenmeer, de Moerdab, staan strooien hutten op palen, en op het houten stoepje voor de hutten zijn goederen uitgestald. Platboomde vaartuigen brengen die aan; de beide einden van de jonken zijn spits en omhoogloopend, en een groot vierkant zeil wappert hoog in den wind.

Het water is grijs, en de lucht hangt laag in grijsheid, en tusschen die beide grijze doen de verschillende tinten van bruin van de hutten, het touwwerk en de zeilen en dan het groen van het riet genoegelijk aan.

Groote vluchten cormorans scheren over de golven; bij honderden vliegen ze achter elkaâr aan, maken wendingen en draaien om ons heen.

Het weêr is drukkend, zwaar en vochtig.

Dat lijkt alles op Cochin-China.

Wij voeren over de Moerdab op de kleine paketboot, die twee jonken sleepte voor onze bagage.

We dronken thee op het dek en keken naar de evoluties van de cormorans.

Bij de monding van de rivier, de Piré-Bazar, verlieten we de stoomboot en gingen aan boord van de jonken. Acht forsche kerels, met den vilten hoed zonder rand, zetten zich aan de riemen en roeiden, waarbij ze zich van de banken verhieven en weer neervielen. Ze waren al gauw in 't zweet gewerkt.

De rivier kronkelde tusschen het riet door en tusschen gladiolusstengels. Kleine schildpadden kropen langs den oever. Noteboomen stonden er, en er waren een massa vogels, die door ons in het minst niet werden verontrust, reigers van allerlei soort, snippen, valken en wouwen.

Spoedig werd de rivier te smal voor de riemen. Onze roeiers sprongen aan land, en aan een touw, dat ze boven aan den mast vastmaakten, trokken ze ons in snellen pas voort.

Waarom moest dat touw zoo hoog worden bevestigd? De mast boog door, gaf mee en de acht trekkers vielen met hun neus in het slik.

Toch maakten ze daarna het touw weer vast, zoo hoog, als ze konden klimmen.

Een oogenblik later kruisten we een boot, die verschrikkelijk vol was met koffers en kleurige kisten, waar gesluierde vrouwen op zaten en mannen met rokken. Nu begrepen we de manoeuvre. Het touw van de andere boot ging onder het onze door en de booten passeerden aldus elkaâr, zonder dat men behoefde op te houden.

Eindelijk waren we aan het doel, Piré-Bazar.

Stel u voor in een wat verwijde bocht van de rivier de meest grootsche verwikkeling van een oneindig aantal booten, vlak naast elkander gelegen. Onze roeiers vonden toch nog gelegenheid, ons bij de plek te brengen, waar we konden landen.

Er werd een plank uitgeworpen naar den oever. Die bestond uit dik, kleverig slijk, en daar de kanten steil waren, kostte het ons veel moeite, vasten grond onder de voeten te krijgen. Er stonden rijtuigen op ons te wachten, en een troep koetsiers en sjouwers, die zeker gauw wat van onze bagage zouden hebben geroofd, als wij niet op de ontscheping van ieder stuk nauwkeurig toezagen.

Gelukkig kwamen er twee kozakken te paard aan van het russisch consulaat-generaal te Resjt.

De weg was vuil en door de overvloedige regens bedorven. Wij zouden er met de auto's niet door zijn gekomen.

Halfweg werden we begroet door ruiters, die de gouverneur der stad, een der zoons van den Shah, ons tegemoet zond.

Iets verder liet een der hoofdambtenaren, de Salar, admiraal der perzische vloot, naar ik begreep, ons prachtig opgetuigde paarden brengen, en een der ruiters, die ze vergezelde, stelde ons een brief ter hand, waardoor de Salar ons meedeelde, dat hij een van zijn huizen te onzer beschikking stelde. Maar we zouden te Resjt de gasten zijn van Rusland.

Wij reden stapvoets door de plassen en kuilen. Met de kozakken, die voor ons uit reden, de stalknechts, die de rijk opgetuigde paarden aan den teugel voerden, want de étiquette wil, dat ze met ons meegaan, maar niet bereden worden, en de perzische ruiters, die onze vier rijtuigen volgden, hebben we wel een beetje van een buitenlandsch circus, dat in een nieuwe stad binnen trekt, en we wisselden van wagen tot wagen genoegelijke glimlachjes....

Tegen den middag kwamen we in een tuin, waar een groot huis stond, vierkant en van steen op zijn Europeesch opgetrokken. Dat was het keizerlijk consulaat van Rusland.

De consul-generaal, de heer Olferieff, ontving er ons op de vriendelijkste manier. Hij bood ons wat hij had, groote, ledige kamers, en wij zagen dadelijk, dat het veldbed geen weelde was in Perzië, maar het allernoodzakelijkste meubelstuk.

Resjt is de hoofdstad van Ghilan, de provincie die in het zuidwesten de Kaspische Zee begrenst. Dit land aan den voet van de bergketen, die ons scheidt van het hooge Iranplateau, is vochtig, warm, rijk en ongezond.

Een perzisch spreekwoord zegt: "Als gij een vijand hebt, laat hem dan benoemen tot gouverneur van Ghilan".

Niets weerspreekt zoo sterk als dit land het denkbeeld, dat men zich bij voorbaat van Perzië maakt. Enzeli-Resjt is een paradijs van groen, van rustige wateren, rijstvelden, waterlelies, irissen, gewone leliën, en ganzebloemen, zoo hoog, dat men ertusschen verdwalen kan.

Toen Pierre Loti uit Ispahan kwam, passeerde hij Resjt. Hij hield er zich niet op, hij heeft het niet gezien. Daarom kan ik hem wel verklaren, dat Resjt het mooiste van Perzië is. Zoo denkt ook er Emanuel Bibesco over.

De stad, die vrij groot is, wordt geheel door water omringd, met tuinen ertusschen en lanen van oude boomen. Het is, of men in een park is. De bazar, een onoverdekte, is druk en schilderachtig. Wij reden erdoor met de gebruikelijke kozakken, al behoeft men hier niet voor zijn veiligheid een gewapend geleide, want het is, zooals de inwoner van Bakoe zei: "In Perzië zult u veilig zijn". Maar wij zijn gasten van Rusland, en wij moeten alles vermijden, wat schaden kon aan het prestige der Europeanen.

De bazar bestaat uit smalle straatjes met open winkels. Hier verkoopt men fluweel van Resjt, waar prachtig goudborduursel wordt aangebracht op fluweelen stoffen, die in de plaats worden vervaardigd. Het is rijk, maar niet bijzonder smaakvol. Dan zijn er tapijten, maar niet in groote keuze, want de perzische tapijten komen per karavaan aan en worden dan direct naar Enzeli en van daar naar Bakoe vervoerd.

Kooplieden zitten op den drempel van hun winkels en rooken de kelyan, terwijl in de smalle straat zorgvuldig gesluierde vrouwen en die zelfs haar oogen bedekt dragen, de stoffen koopen, waarmee ze zich thuis zullen tooien en thuis alleen, want op straat is haar toilet leelijk en altijd hetzelfde. Ezeldrijvers drijven kleine ezels door de menigte, grijze, zachtmoedige dieren met mooi tuig, en de zonnestralen vallen op de blauw porseleinen torens, die in den bazar hier en daar verrijzen.

Wij hebben dan nu eindelijk zonneschijn en rijden voorbij het paleis van den gouverneur, den zoon van den Shah, naar een plein, waar een groote menigte bijeen was. De rijtuigen hielden stil; rijen gesluierde vrouwen zaten voor een gebouw met houten zuilen; mannen en kinderen vormden de drie andere zijden van een vierkant, dat in het midden open gelaten was. Daar stond een kleine estrade. Er zaten en stonden enkele personen. Wij trilden van vreugde, want er was geen twijfel aan, wij woonden de voorstelling bij van een van die taziehs of perzische mysteriën, die gedeelten uit de kerkelijke geschiedenis te zien geven.

Toen we nader traden, zagen we op de estrade de acteurs en konden de neusklanken bijna verstaan. De doodsche vlakte van Kerbela werd voorgesteld en een doodvonnis, dat er op ongeloovigen zou worden voltrokken. De Perzen, die vóór ons stonden, gingen wat op zij, en zoo konden we enkele photografieën nemen.

Maar al gauw hadden alle toeschouwers ons gezien. Mag ik het zeggen? Ze hadden veel meer aandacht voor onze aanwezigheid dan voor het gewijde drama. Ze keken niet naar het tooneel, maar naar ons. Hun onernstige afgetrokkenheid was niet naar den zin van den mollah van Resjt, die de voorstelling bijwoonde. Verontwaardigd stond hij op en sprak de menigte heftig toe, haar verwijten doende over haar profane nieuwsgierigheid voor onreine lieden, vervloekte Europeanen, die door geloovige Mohammedanen verafschuwd moeten worden.

De tolk van het consulaat gaf ons een teeken, dat we weg moesten gaan, want dat er anders herrie zou komen.

Toen stapten wij weer in de rijtuigen, terwijl al de vrouwenhoofden in de zwarte sluiers met een zelfde beweging zich naar ons keerden, om ons te zien weggaan.

Wij reden door de omstreken van Resjt langs lanen van eeuwenoude olmen naast rivieren met zeegroen water. De zon had alle nevelen verspreid. Wij zagen in het Zuiden de hooge bergen, die Emanuel Bibesco en ik den volgenden dag zouden beklimmen, om Teheran te bereiken. Ze waren bedekt met zware bosschen, en van Resjt uit leken de hoogten, die ons scheidden van het centrale plateau van Perzië, ontoegankelijk.

Wij hielden stil voor den tuin van een rijken Pers, zijn zomerverblijf. Wij waren al op de hoogte van de gastvrijheid der Perzen. Waar ge er lust in hebt, kunt ge binnentreden. De heer des huizes trekt zich bescheiden terug, opdat ge zijn huis of zijn tuin rustig kunt bezien. Hij komt eerst later voor den dag, om koffie of ijs te presenteeren.

Wij wandelden in de lanen onder bloeiende seringenboschjes, die over perken met leliën zich wuifden. Daarna brachten we een bezoek aan het huis, helaas, naar europeeschen trant gemeubeld, als alle huizen van rijke Perzen. Alleen de tapijten zijn die van het land.

De heer des huizes verschijnt; hij spreekt Fransch en laat ons ververschingen aanbieden, om daarna met ons te gaan wandelen en ons bloemen te geven.

Het gezicht, van het terras, op het boschrijke land was zeer mooi; het liep tot de bergen door, die in de verte blauwden. Wij vroegen onzen gastheer, of hij deze bezitting bewoonde.

"Ik heb dit landhuis om er des avonds in het voorjaar den nachtegaal te hooren zingen," antwoordde hij.

Wij keerden naar het consulaat terug; de zon was ondergegaan. De vochtigheid steeg uit den grond en uit de ons omringende rijstvelden op. Lichte dampen als doorzichtige feeënsluiers zweefden onder de onbewegelijke boomen van dit slapende park. De maan stond hoog aan den hemel.

Des avonds klonken langzaam en met een eigenaardig rhythme langs den weg, die den tuin begrensde, de klokjes aan den hals der kameelen, die in lange rijen van Kaswyn of Hamadan kwamen. De karavanen reizen alleen als de zon onder is, want reeds is de hitte overdag te groot. En we zagen tusschen de boomen de groote geheimzinnige gedaanten voorbijgaan, schommelend als op een onstuimige zee. Dit is wel echt een oostersch geluid, dat geklep van de kameeleklokjes.

Wij hadden trouwens de gelegenheid, ze nog vaker in den nacht te hooren, want het was de eerste nacht, dien we op onze veldbedden doorbrachten. Een harde geschiedenis! Wij zullen er wel aan gewend raken.

Den 10den Mei hadden we nog geen bericht van Keller, die zich met de groote Mercédes te Bakoe zou inschepen.

Emanuel Bibesco en ik besloten, vooruit te gaan en in een perzisch rijtuig naar Teheran te vertrekken. Onze medereizigers zouden misschien nog onderweg zich bij ons voegen, en in elk geval zouden we elkaâr in de hoofdstad treffen.

Om van Resjt naar Teheran te gaan, zouden we den beroemden, voor enkele jaren aangelegden weg volgen, die niet door het gouvernement, maar door een russische maatschappij is gemaakt, die er concessie voor had gekregen. De weg is 337 wersten lang en stijgt tot meer dan 1500 meter.

Het is een gepachte weg, en rijtuigen en karavanen betalen een recht, dat voor een rijtuig met vier paarden acht tomans bedraagt. Een toman is nominaal tien krans of francs; maar een ongunstige koers heeft dit jaar de krans tot veertig centimen en bij gevolg de toman tot vier francs doen dalen. De kosten voor het onderhoud van den weg zijn groot, want het klimaat is niet gunstig. Er is een plotselinge overgang van de diluviale regens tot een droogte van wel zes maanden; in de lente smelt de sneeuw in enkele uren onder den invloed van een brandende zon, en de rivieren, die van de kale bergen vloeien, worden overvol en zijn onstuimige bergstroomen.

De russische maatschappij verliest dan ook geld op den weg, die haar twintig millioen francs heeft gekost. Maar ze hoopt zich schadeloos te stellen door de haven van Enzeli, waarvoor ze concessie heeft gekregen. Er wordt een lange pier gebouwd, in welker beschutting de booten de kade zullen kunnen naderen. Binnen enkele jaren zullen de reizigers niet meer met levensgevaar te Enzeli ontscheept worden.

Uit financieel oogpunt is dus de weg voor het oogenblik een slechte zaak; maar hij is van groote beteekenis uit politiek oogpunt en hij dient wonderlijk goed Ruslands bedoelingen.

Dank zij dien weg, die aan Rusland behoort, zou dat land in geval van nood in enkele dagen van Bakoe uit, een leger voor de broze, geëmailleerde muren van Teheran brengen kunnen.

In tijd van vrede heeft Rusland een veiligen weg voor zijn koopwaren. Geen europeesche transporten worden door den Kaukasus toegelaten met bestemming naar Perzië, zoodat Rusland op den heenweg alle concurrentie heeft afgesneden, terwijl het op den terugweg profiteert van het grootste deel van den perzischen handel.

De reizigers gaan tegenwoordig over Resjt, zoodat men langs een russischen weg in de hoofdstad van Perzië komt. Bij elken haltpost treft men een postmeester aan, die Russisch spreekt. Bij elke afgelegde vijftig kilometers vindt men een douanebureau of zastava, tot men aan het kantoor is gekomen van onzen machtigen gastheer, den russischen consul-generaal.

Zoo krijgt men den indruk, tusschen de Kaspische Zee en Teheran het onmetelijke russische rijk niet te hebben verlaten.

Wij hadden den volgenden morgen ons rijtuig om acht uur 's morgens besteld. Een Rus is concessionaris voor de postpaarden en de rijtuigen. Hij levert gevaarlijke voertuigen en vermoeide paarden. Een rijtuig voor vier personen met weinig bagage kost bijna zevenhonderd krans van Resjt naar Teheran, plus tachtig krans tol en twee of drie krans fooi aan den nieuwen koetsier, dien men bij elke halt krijgt.

De post doet er ongeveer vijftig uren over en houdt alleen op, om van paarden te verwisselen. Maar wij zijn geen postpaketten en willen gemakkelijk reizen, dat wil zeggen tweemaal onder weg slapen, te Mendjil den eersten avond, te Kaswyn den tweeden. Wij zullen den derden dag te Teheran komen, zoo God het wil, in ch' Allah! zooals de Perzen zeggen.

Om tien uur is het rijtuig er eindelijk. Het is een oude berline, waarvan de veêren met touwen zijn verzekerd; de kap kan niet gesloten worden dan voor een vierde deel; wat de portieren betreft, ze zijn zeker in geen vijftig jaar open geweest. Wij moesten er uit nood wel over heen klimmen.

Onze valiezen werden vastgemaakt naast den koetsier op de voorbank. Onze vrienden zien op de toebereidselen toe en benijden ons, want nu gaan wij nog eerder dan zij door Perzië reizen!

Alles is gereed; de koetsier, een groote, gebruinde vent, met een viltmuts, staat bij de koppen van zijn paarden en fluit hun een geheimzinnig deuntje voor, dat we nog vaak zouden hooren op de perzische wegen. Hij heeft geweigerd, zich met onze bagage in te laten, bewerend, dat als hij zijn plaats vóór de paarden verliet, deze op hol zouden gaan.

Nu moet hij wel de teugels nemen. Hij plaatst twee kozakken voor zijn paarden, springt op den bok, roept, alles los te laten, wij houden ons aan de kap vast.... en de vier paarden loopen sukkelig met hangende ooren langs den weg, die naar Teheran voert. Ze zijn nu al vermoeid.

Wij rijden met een snelheid van tien kilometer in het uur. Dat is genoeg, om ons alle schokken van de harde berline, waaraan we onze beenderen en ons vleesch hebben toevertrouwd, danig te doen gevoelen. De veêren van het rijtuig zijn niet anders dan ijdele sieraden.

Het was grijs en vochtig weer. Wij volgden stroomop het riviertje van Piré-Bazar. Weldra waren we in het bosch. De plantengroei was er wonderlijk weelderig; beuken, ahornen met groote bladeren, platanen, olmen verheffen hun kruinen in de lucht, terwijl het onderhout dicht is en lianen de boomen omslingeren; een diepe beek stroomt langs den weg. Kleine zeboes weiden op de open plekken en eten het harde gras, maar vluchten het bosch in bij onze nadering.

Wij reden door een paar gehuchten van enkele huizen. Vrouwen in lichte stoffen gekleed, werken in de tuinen en bedekken zich het gelaat, als ze ons zien. Het landschap gaf een indruk van weelderigheid, maar ook van eentonigheid.

Maar op eens werden onze paarden onrustig, sprongen op zij en wierpen ons in de sloot. We hadden nog even den tijd, over het portier te springen. Onze valiezen, die we zorgvuldig hadden vastgebonden, vielen niet in het water. De koetsier, die van den bok gerold was, stond op zonder zich te haasten of zich te verbazen. De paarden amuseerden zich in het heldere water. Wij wisten nu wat hen had verschrikt, want een abominabele stank verstikte ons bijna.

Die kwam van een grooten kameel, aan den weg verrottend. Hij is daar neergevallen, en men heeft het beest er laten liggen, zonder het zelfs af te maken en zijn lijden daardoor te bekorten. Wij moesten het rijtuig ontladen, om het op te halen; gelukkig was er niets gebroken en we konden verder gaan op de gewone langzame en pijnlijke manier.