Parodieën

Part 4

Chapter 43,733 wordsPublic domain

"De Apachen zijn klapachtige oude wijven. Een groot opperhoofd zegt het! De jakhalzen verwaardigen zich niet hunne verpeste lijken te verslinden. De zitdeelen der Apachen zijn platgetrapt door hun eigen hielen bij de razende vlucht voor den Slangen-Pawnee. Hun geraamten zweeten nog in de graven van de hijgende haast, waarmee zij bij hun leven vloden voor de zuigelingen van mijn stam! Hunne achterkleinzonen zullen nog lijden aan piependen adem en hartebons, tengevolge van de ijlende vaart, waarmee hun voorvaderen aan den haal gingen voor den Blauwen Vos en zijn broeders.

"De Slangen-Pawnee is de koning der prairiën. De Blauwe Vos is het grootste opperhoofd der Slangen-Pawnees. De Blauwe Vos is een goed vriend, een verschrikkelijke vijand. Ik ben de Blauwe Vos."

Geen der aanwezigen wist hieraan iets toe te voegen. De Blauwe Vos scheen dat ook niet te verwachten, maar vervolgde, na een korte pauze, op honigzoeten toon:

"Hoe denken mijn bleeke broeders over de Apachen? De ruige jager der bleekgezichten spreke! Een groot opperhoofd luistert. De wijsheid van zijn beide grootvaders bezielt de woorden van den ruigen jager der bleekgezichten!"

Maar Gustaaf wist wat het beteekent als de Slangen-Pawnees u complimentjes maken!

"Ben ik een oude vrouw, hoofdman?" antwoordde hij, "dat gij mij door vleiende woorden de tong hoopt te doen draven als een hengst met den kolder in den kop?"

"Mijn broeder Pelsgezicht heeft naar den Spotvogel geluisterd, de Spotvogel is een leugenachtige en bedriegelijke Vogel," zeide de Blauwe Vos.

De hoofdman boog ietwat spijtig en vertrok. Een half uur nadat de Blauwe Vos onze vrienden verlaten had, werd plotseling de welbekende kreet der Commanchen vernomen.

Inderdaad naderde een troep krijgers van dezen stam met de gebruikelijke, omslachtige beleefdheden. Hunne gelaatstrekken zouden innemend zijn geweest, zonder de uitvoerige beschilderingen, waarmede een zeker verkeerd schoonheidsgevoel hen genoopt had ze te bedekken.

Het Stille Water, de aanvoerder, nam nu het woord.

"Opent uwe ooren wijd, bleekgezichten, het groote opperhoofd Het Stille Water spreekt. Het Stille Water houdt niet van babbelen. Het Stille Water spreekt in zeven dagen niet zooveel woorden als er scalpen aan zijn gordel bungelen. Nochtans spreekt hij tot u. Ziehier zijn zonen. Hun arm is sterk, hun hart dapper, hun tong niet leugenachtig, hun maag leeg".

Hierop antwoordde de jager, na de gebruikelijke plichtplegingen, daar de Commanchen veel hechten aan etiquette:

"Het Edele Hart, de Panter en mijn persoon groeten den machtigen stam der Commanchen zeer. Wij hebben geen gespleten tong. Onze huid is blank, maar ons hart is rood, ons eten nog niet op!"

"Hugh!" riepen de Commanchen en vielen op het maal aan, dat spoedig verdwenen was, want dit volk presteert op dit gebied veel. Toen de maaltijd was afgeloopen, traden twee krijgers te voorschijn, die een Apache gekneveld meevoerden.

"Het hart van de Commanchen", sprak de hoofdman niet zonder aandoening en te midden van een plechtig stilzwijgen, "is even vol van dank als de bodem van het gebeente hunner verslagene vijanden. Om dit te toonen willen zij de blanke broeders de eer waardig keuren om de plechtigheid bij te wonen die volgt".

De marteling van den gevangene, uitvoerig als al wat tot de zeden der Commanchen behoort, nam een aanvang. Daar wij geen bewoners der wildernis zijn en op zulke tafereelen niet belust, doen wij beter ons te verwijderen, totdat de Apache den geest heeft gegeven. Een luid applaus kondigt dit tijdstip aan--wij keeren terug. Alsnu kwam de Sachem voor den dag met het eigenlijk doel zijner komst.

"Een verachtelijke Slangen-Pawnee, de Blauwe Vos", sprak hij, driemaal op den grond spuwend, "heeft mijn blanke broeders bezocht. Het Stille Water vermag zijn onreinen scalp niet aan den gordel van een zijner blanke broeders te ontdekken. Dit bedroeft het Stille Water zeer. Ziet de dappere hoofdman weent van smart en spijt".

De jager antwoordde voorzichtig:

"Wij hebben den scalp van den Blauwen Vos voor den gordel van het Stille Water bewaard! Overigens schijnt de Blauwe Vos niet langer een vriend der Apachen. Hij gaf dezen volksstam leelijke namen. Hij beschimpte hunne voorvaderen en hunne nazaten".

"Poah! De Blauwe Vos is de vijand der Commanchen. De Blauwe Vos blaast zijn stinkenden adem in het oor van Sluipvoet, het opperhoofd der Apachen. Het Stille Water is geen babbelzieke squaw! Mijn broeders hebben roode harten, maar een bleeken neus, die het verraad niet ruikt, dat kankert in de ziel van een schurftigen hond van een Slangen-Pawnee!"

"Het opperhoofd rookte met ons de calumet," zeide Edelhart thans. "Ook is hij niet wijzer gegaan dan hij kwam".

Het Stille Water scheen eenigszins bevredigd. Hij wenkte zijn mannen en ging, echter niet zonder het voorgeschreven afscheidsceremonieel alle recht te doen wedervaren.

De drie reizigers vervolgden des morgens hun tocht ter bevrijding van de schoone Camilla, respectievelijk hun pleegdochter en geliefde.

HOOFDSTUK II. Camilla's vlucht.

Het rad der fortuin is uiterst wisselvallig! Dit feit moge somtijds bij den sterveling een onrustig gevoel opwekken, het moet erkend worden, dat de tand des tijds zelden een groot ongeluk brengt, zonder er eigenhandig een klein gelukje bij te voegen, als een pleister op de bloedende wonde, of zooals een oase in de woestijn.

Wij bevinden ons op de eindelooze prairie, eenvoudig, doch schoon omlijst door het hemelsblauw, echt Mexicaansch, of liever Texaansch uitspansel. Dit landschap wordt dra gestoffeerd. Een ruiter nadert in vliegende vaart, als een waterval van de bergtoppen ijlt, schuimend en spattend, in kokende drift. Het is een vrouw in manskleeren, die haar vormen zeer voordeelig doen uitkomen. Deze vrouw is Camilla! Op haar lieftallig gelaat betwisten vertwijfeling en moed elkaar den voorrang.

Een woest gehuil, dierlijk van klank, doch ongetwijfeld uit den mond van een mensch gekomen, treft ons oor! Zelfs de blanke staat dikwijls niet hooger dan het laagste dier, vooral in de wildernis! Dit is treurig, maar waar.

Het is de Bleeke Scalpeur! Camilla heeft dezen ijzingwekkenden man weten te ontkomen. Maar helaas, hij nadert met de snelheid van den wervelwind, doch dan in steeds voorwaartsche richting!

Reeds grijpt zijn ruwe hand naar de haren der schoone jonkvrouw. Heeft hij haar gevat?

De lezer sla het begin van dit hoofdstuk op, hij zal er een opmerking vinden, die hem tot goed begrip van het nu volgende wel te stade zal komen!

Camilla's haren zijn van schrik te berge gerezen!

Zoo kan de vervolger er niet bij!

Welnu, op dit oogenblik springen drie mannen te voorschijn.

De eerste is de jager!

De tweede is Edelhart!

De derde is een geheel nieuwe figuur in onze romans, n.l. de neger Kroeskop, een door de Indianen met bevreemding bejegend man van zuiver Afrikaansche huidkleur.

HOOFDSTUK III. Een mooie scalp.

De regen viel bij stroomen neder, als schreiden de engelen in de goedheid hunner harten over de boosheid der menschen, die zich niet ontzien elkander te haten en zelfs te dooden. De Blauwe Vos, gewend wind en weder te trotseeren, is met zijn squaw of huisvrouw en kind op het pad. De Zingende Leeuwerik, zijn jonge vrouw, is niet zonder typische Indiaansche schoonheid, voor wie daarvan houdt tenminste. Naar onzen smaak is haar profiel wat hakerig. Beider zoontje, drie jaar oud, vertoont reeds den listigen en wreedaardigen trek zijns vaders.

Eensklaps legt het hoofd van dit gezin den vinger op de lippen en duikt weg achter de struiken! Vrouw en kind volgen zijn voorbeeld gezwind.

De neger Kroeskop komt voorbij. Een scalp, zoo zeldzaam als de zijne, kon niet missen reeds lang de begeerigheid van den rooden schelm te hebben opgewekt.

Vóór de ongelukkige zwarte, onbekend met de gebruiken des lands, weet wat geschiedt, is hij van zijn scalp beroofd.

Op dit oogenblik rijst een man als het ware uit den grond op. Het is de Bleeke Scalpeur. Het zien alleen van dezen geduchten grijsaard doet het Indiaansch gezin vluchten, den scalp inderhaast achterlatend.

De redder treedt op den neger toe. Is hij te laat gekomen? Het schijnt zoo. Eens gescalpeerd heeft men gewoonlijk niet veel meer te vertellen. Doch wat nu voorvalt zal menigeen verbazen, die de buitengewone taaiheid van de negers en de hardheid van hun schedels niet uit ondervinding kent!

Kroeskop heeft zijn scalp opgenomen en drukt dezen thans met alle macht op zijn hoofd. Nu maakt hij vertwijfelde teekenen. Het verblijf in de wildernis verleent tegenwoordigheid van geest. De grijze reus begrijpt hem! In een oogwenk staat hij op het hoofd van den gescalpeerde. Dit krasse middel mist zijn uitwerking niet. Kroeskop is binnen weinige oogenblikken weer geheel zich zelf. Zijn haar echter is van nu af aan onherstelbaar uit de krul!

De Bleeke Scalpeur bevindt zich nog in de zoo even geschilderde menschlievende positie, als Camilla op hem toesnelt.

"Men zegt mij", roept het lieve meisje blozend, "dat gij mijn vader zijt. Thans wordt mij alles duidelijk!"

"Zoo is het", antwoordt de woeste man, wien de tranen over het verweerde gelaat loopen. Hij stijgt af--en omhelst zijn kind.

De band des bloeds werpt somtijds een rooskleurig licht op een schijnbaar zwarte ziel en opent de ruwe schors, die het hart van een bewoner der wildernis omgeeft!

HOOFDSTUK IV. Een veelbewogen dag.

De prairiën, hoe onherbergzaam ook, zijn evenmin als eenig menschelijk oord, ontoegankelijk voor de liefde! Gelijk wij gezien hebben, beminden zoowel El Pantero als Edelhart, Camilla, welke bovendien het eenige jonge meisje van hun eigen complexie in den ganschen omtrek was.

Het is niet de taak van den romanschrijver, de zoete woorden af te luisteren, welke El Pantero haar toevoegde; nog minder, deze op te schrijven. Veeleer doen wij goed den wraakgierigen Blauwen Vos in het oog te houden, die sluipend naderde, en den tomahawk ophief om de beleediging, hem in ons eerste hoofdstuk aangedaan, te wreken. Het verheugt ons te kunnen zeggen, dat Edelhart op datzelfde oogenblik ten tooneele verscheen en den medeminnaar met een welgemikten kogel redde, daarbij tevens zich zijn naam waardig toonend.

De vuilaardige Indiaan viel voorover en de Bleeke Scalpeur, die zijn naam ook niet voor niets droeg, wilde hem van zijn haartooi berooven. Het kwam den jager echter voor, dat deze onbeschaafde daad voor een blanke, die bovendien de vader van Camilla was, niet door den beugel kon. Een strijd ontstond tusschen de bedaagde mannen, doch spoedig verscheen een nieuwe vijand ter plaatse.

Een troep krijgers van den Blauwen Vos stormde toe om den hoofdman te wreken.

Maar de redding liet niet lang op zich wachten. Een afdeeling Commanchen onder aanvoering van Het Stille Water, die weer kwam alsof hij geroepen was, zond hen in massa naar het schimmenrijk.

Nu scheen alles in orde! Maar zoo iets bestaat in de wildernis niet. Een regiment Mexicanen naderde in woeste vaart! Om rust te nemen, nadat men zijn koetjes op het droge heeft gebracht, moet men niet naar dit--overigens gezonde en schoone--land toe gaan. Thans scheen alles verloren. Doch dit moet men in de wildernis niet te gauw zeggen!

"Moed gehouden!" riep de jager nu, ontroerd. De geoefende woudlooper legde het oor tegen den grond, en zeide met de meeste zekerheid:

"Op tien minuten afstand naderen honderd Texanen en 50 Sioux in volle vaart! Arendsneus heeft het commando."

Hij sprak de waarheid! Maar nog waren de spannende gebeurtenissen van dezen woeligen dag niet ten einde.

Een bende Apachen vervulde de lucht met hun barbaarsche oorlogskreten, welke een kwelling zijn voor beschaafde ooren.

Een woedend gevecht volgde, waarbij de Apachen het veld moesten ruimen, vele dooden achterlatende, ten prooi aan scalpjager en gier... Onze vrienden verlieten het tooneel van zooveel lief en leed.

Nadat zij zijn verdwenen, werpen wij een laatsten blik op de prairie... De nacht spreidt den mantel der liefde over de bloedige overblijfselen van dappere legerscharen. De maan gaat op en verleent schilderachtigheid aan een tafereel, dat zooeven nog alles behalve aangenaam aandeed. Wat beweegt daar? De Blauwe Vos--want hij is het--richt zich kreunend op. Waarheen staart het oog van dezen schijndoode met zooveel aandacht? Volgen wij zijn blikken, al maakt zijn loenschheid dit ons moeilijk.

Een tweede krijger wordt door een rilling doorploegd. Het is een jong opperhoofd der Commanchen, die thans zijn forsch lichaam op den elleboog opheft. Zijn verglaasde oogen schitteren in den maneschijn als fosfor...

De beide schijndooden van zooeven wisselen een blik vol haat, afgunst, verachting en bloeddorst...

PRINSES ZOETEKAUW

EEN SPROOKJE.

Er waren eens een koning en een koningin, die een beeldschoon dochtertje hadden, dat Eveline heette. Nu wilde echter het ongeluk, dat het prinsesje één groot gebrek had; zij was zeer snoepzuchtig. Zoo kwam het dat men Eveline, toen zij acht jaar geworden was, nooit bij haar eigen naam noemde, doch dat elkeen sprak van Prinses Zoetekauw! Dit veroorzaakte H.H. M.M. veel verdriet.

Op een avond nadat Eveline naar bed gegaan was, bespraken haar ouders juist de noodzakelijkheid, haar van hare fout te genezen, toen er gescheld werd en Antje de meid vlak daarop een kaart binnenbracht van den volgenden inhoud:

ADELGONDE, FEE.

Directrice van het Herstellingsoord "Excelsior". Beveelt zich beleefd aan voor het verbeteren van kinderen met onvolmaakt karakter.

Billijke condities.--Ook aan huis te ontbieden.--Gezonde, boschrijke streek.--Prima referentiën bij de deftigste families.--Strikte geheimhouding verzekerd.

Prospectus wordt desgewenscht gratis toegezonden.

De ouders van Eveline zagen elkaar verbaasd aan. Toen zei de koning:

"Laat de juffrouw binnenkomen, Antje."

De Fee trad binnen, nam den haar beleefd aangeboden stoel en glimlachte vriendelijk.

"Mag ik u vragen, Fee," zeide Eveline's vader, "waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb?"

"Zooals u wel zult vermoeden, meneer de koning," begon de Fee, "heeft de helaas algemeen bekende snoepzucht van uw overigens aardig dochtertje mijn schreden hierheen geleid."

H.H. M.M. zuchtten diep.

"Ik geloof namelijk," vervolgde de Fee opbeurend, "het prinsesje te kunnen genezen."

H.H. M.M. zagen elkaar hoopvol aan.

De Fee stond op en zwaaide de tooverparapluie, welke zij steeds bij zich droeg. In een oogenblik was de kamer vol eigenaardige wezens. Elfen, kabouters, hulpfeeën, enz.

"Dit is mijn personeel", zeide Adelgonde. "Het staat mij met ijver en plichtsbetrachting bij in mijn somtijds moeielijke taak. Onze kabouters hebben u, zooals u zien zult, een der laarzen meegebracht van den Reus, die niet zelf kon binnenkomen wegens zijn reusachtigheid".

Vervolgens stelde de Fee de aanwezigen één voor één aan H.H. M.M. voor. Nadat de hulpfeeën: de dames zuster Silentia, zuster Attentia, zuster Patientia en zuster Olympia hare nijging hadden gemaakt en minzaam door het vorstelijk echtpaar waren toegesproken, kwam de beurt aan de kabouters: de heeren, Jokniet, Morsniet, Snoepniet, Pulkniet, Kijfniet, Zeurniet en Gilniet.

H.H. M.M. onderhielden zich daarop een tijdlang met elk der aanwezigen afzonderlijk en lieten zich hunne denkbeelden uiteenzetten. In het bijzonder interesseerde H. M. de Koningin zich voor het praktisch werk door zuster Olympia verricht. Hare Majesteit liet deze hulpfee haar nieuwste systeem verklaren, dat op een combinatie van nuttige handwerken en lichamelijke opvoeding berust, en gaf door de vragen, die het Haar behaagde te stellen, blijk van Haar belangstelling en kennis van zaken. Onderwijl leende Haar gemaal een gewillig oor aan de belangwekkende theorieën van den heer Jokniet over de jacht, een onderwerp dat den vorst buitengemeen interesseerde.

"Mijn personeel", vervolgde de Fee, het woord weder opnemend, "bestaat uit prima werkkrachten. Ik heb de eer in het bijzonder de aandacht van Uwe Majesteiten te vestigen op onzen heer Snoepniet, sedert vele jaren bij mij werkzaam, aan wiens zorgen ik gaarne de behandeling van Hare K. Hoogheid wenschte te zien toevertrouwd."

Eveline's ouders maakten nader kennis met dezen bekwamen en welwillenden kabouter. Besloten werd, dat Eveline een tijdlang verpleegd zou worden in het herstellingsoord "Excelsior" en aan de zorg van den paedagoog Snoepniet zou worden toevertrouwd.

Den volgenden dag vertrok zij, alleen vergezeld van de particuliere hoffotografe der koningin. Haar afscheid van het koninklijk echtpaar was kort maar roerend.

De reis was zeer voorspoedig.

De ontvangst was allerhartelijkst. De jongste verpleegde, 2 1/2 jaar oud, in behandeling voor duimzuigen, bood de hooge gast een ruiker aan. Het woud Excelsior wemelde van berispelijke kinderen, daarheen gezonden, om verpleegd te worden tot den waarlijk billijken prijs van f 1.- per dag, per persoon, met volledig pension (buiten de wasch). Meer kinderen uit één gezin gereduceerd tarief (wij citeeren den prospectus).

De kinderen waren in ploegen verdeeld, en werkten acht uur per dag onder toezicht van de kabouters. De arbeid van iedere ploeg was er op berekend, de kinderen, die er toe behoorden, van hun bepaalde ondeugd te genezen. Had een kind meer dan één ondeugd, dan werkte het afwisselend in verschillende ploegen en dan duurde de kuur natuurlijk langer.

Prinses Zoetekauw werkte, met nog vijf andere kinderen, onder toezicht van den welmeenenden, doch gestrengen afdeelingschef Snoepniet.

De arbeid bestond in het proeven van taartjes, gebak, bonbons, koekjes enz. In den beginne lachte deze bezigheid ons prinsesje niet weinig toe, zooals men denken kan. Weldra werd dit echter anders.

Het proeven moest namelijk zeer schielijk geschieden. Ieder kind moest een taartje of koekje een oogenblik proeven, en er een stukje afbijten, waarop het aan wie volgde werd overgereikt, enzoovoort, de rij langs. Met de linkerhand werd doorgegeven, met de rechter schreef men zijn oordeel op. De voorraad werd niet ververscht, vóór dat elk taartje op was. Ander voedsel kreeg deze afdeeling niet. Men mocht zich niet verwijderen.

De taak van Snoepniet, die acht moest geven dat elk kind werkelijk proefde en slikte, en dat opgeschoten werd was alles behalve licht! Voortdurend klonk zijn stem: "Doorgeven daar! Opschieten daar! Slikken daar! Wie volgt! Blijven zitten daar!"

Is het wonder dat Eveline en haar kornuitjes weldra een innigen afkeer gingen koesteren tegen alle snoeperij?

Des Zondags werd niet gewerkt. De kinderen verzamelden zich op een heuvel tot het hooren van eenige lezingen en voordrachten. Het programma van de matinée was vol afwisseling. De inleidster, Tante Adelgonde, zette, in een welsprekend pleidooi, het doel van Excelsior uiteen.

De fee begon met erop te wijzen dat "Excelsior" streefde naar hooger. Evenwel moeten wij niet slechts naar buiten maar ook naar binnen omhoog streven. (Applaus!) Excelsior heeft nog een vruchtbaar arbeidsveld voor den boeg! Wij willen dezen dag vieren als een mijlpaal, die den stoot geeft tot nog grooter inspanning en waarop wij krachtig moeten voortbouwen. Het tot nogtoe bereikte mag ons tot blijdschap stemmen, dit moet ons daarom nog geen reden zijn op onze lauweren te rusten, (gelach) doch integendeel een spoorslag om de handen inéén en met frisschen moed aan den ploeg te slaan! (Daverend applaus!) De spreekster wees verder op de noodzakelijkheid van propaganda en gaf vervolgens het woord aan de ijverige secretaresse, de hulpfee Patientia, die het jaarverslag uitbracht.

De volgende spreker was de heer Jokniet, die de toehoorders tot tranen wist te roeren, terwijl hij op zijn overtuigende wijze alle jokkernij aanviel en daarop mededeelingen deed omtrent een bezoek door hem, in opdracht van Excelsior, gebracht aan den Ooievaar.

Spreker werd door den voorkomenden patriarch met de grootste welwillendheid ontvangen.

Het gesprek kwam, na eenige inleidende beleefdheden, natuurlijk spoedig op het vraagstuk der moeilijke kindervragen.

De Ooievaar was overtuigd namens zijne geest- en bloedverwanten te spreken, wanneer hij ten stelligste ontkende, dat zijn fractie nu of ooit eenige medewerking bij de geboorte der menschenkinderen zou hebben verleend! Hij brandmerkte dit gerucht als een bloot verzinsel, hij wilde niet zeggen een unfaire verdachtmaking van een deel der pers. Sommige groepen, meende de vriendelijke gastheer, trachten uit bedenkelijke zucht om de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven, zijn fractie aansprakelijk te stellen voor de tegenwoordige crisis.

Op de vraag van spreker wat zijn opinie was aangaande eerlijke antwoorden op kindervragen, achtte de Ooievaar het een dringende plicht zich met de meeste omzichtigheid te uiten, zoolang het program van zijn groep nog niet definitief was vastgesteld. Slechts geloofde hij verantwoord te zijn, wanneer hij als zijn vaste overtuiging te kennen gaf dat de tijd thans nog niet rijp was voor de oplossing van het verwante probleem: wie er het eerst was, de kip of het ei. Een brochure van zijn vleugel over dit onderwerp is overigens ter perse.

Terugkomende op de eerste vraag, verzekerde de ooievaar nog eens ten stelligste, dat voor deze geruchten elke grond ontbrak. Er bestaat volkomen overeenstemming in den boezem mijner groep, verzekerde hij.

Ware het mogelijk de geboorte van kikkers te bevorderen, hij en zijne vrienden zouden gewis niet werkeloos blijven. Nog vestigde hij er onze aandacht op, dat geen enkel ooievaar de bevoegdheid bezit tot het verleenen van medische hulp, en geen enkele ooiemoer diploma voor vroedvrouw.

Nadat dit onderhoud tot des heeren Jokniets bevrediging geëindigd was, wenschte deze zich nog naar een niet minder bevoegde persoonlijkheid te begeven, om diens oordeel te vernemen over een andere hardnekkige legende, volgens welke deze zelf, zekere St. Nicolaas, nog altijd op den 5en December (den avond vóór zijn geboortedag) geschenken en straffen zou uitdeelen om op verouderd-paedagogische wijze het gedrag van het kind te beïnvloeden.

Deze poging mocht evenwel niet met hetzelfde succes worden bekroond. Noch het adresboek van Spanje, noch de ijverige nasporingen der politie konden het verblijf van den z.g. Sint aan het licht brengen. Hoogst waarschijnlijk heeft men in dit geval met een oplichter te doen, die misbruik maakt van den goeden naam des lang overleden bisschops, om het kinderpubliek beloften en concessies af te persen. Men zij gewaarschuwd!

Niet minder bijval oogstte de heer Morsniet met zijn vurige bestrijding der morsgewoonte. De heer Snoepniet, die op aanschouwelijke wijze een bedorven maag schilderde, vond eveneens een uitbundig onthaal. Met groote belangstelling volgden de aanwezigen de voordracht van den heer Pulkniet, over het neuspeuteren, met lichtbeelden. De zon had hierbij hare belangelooze medewerking verleend door zoolang te verdwijnen. Niet minder toonde het publiek zich ingenomen met de belangwekkende rede van den heer Kijfniet, die het kijven op zijn bekende krachtige wijze bestreed. De heer Zeurniet zeide over het zeuren kort te zullen zijn en voegde, in een bondig betoog van slechts enkele uren, de daad bij het woord. De heer Zeurniet koos tot thema een vers, dat, naar zijn meening zeer ten onrechte in bepaalde kringen van kinderen en opvoeders een zekere mate van populariteit genoot.

Spreker begon met de voorlezing van dit vers, een noodzakelijke inleiding waarmee hij het geduld der vergadering tot zijn spijt een weinig op de proef zou moeten stellen:

Dit is de sleutel van den Bibelbontschen berg Op dien Bibelbontschen berg Wonen Bibelbontsche menschen En die Bibelbontsche menschen Hebben Bibelbontsche kinderen En die Bibelbontsche kinderen Eten Bibelbontsche pap Met een Bibelbontschen lepel Uit een Bibelbontsche nap.

Spreker wilde zijne bedenkingen tegen dit vers neerleggen in een reeks vragen: