Parodieën

Part 3

Chapter 34,026 wordsPublic domain

O, Harold, hoogstaand koning! Het hof heeft enkel honig, Te veel honig is te zoet, Al te zoet, dat is niet goed!

De vergadering der nihilisten was ongewoon rumoerig. Er was een nieuwe spreker opgestaan, die zijn gehoor overal heen wist mee te sleepen. Zijn voorkomen, zijn welsprekende taal, zijn geestdrift electriseerden de revolutionnaire hoorders. Waarlijk, Enneënne--onder dezen naam had hij zich aangemeld--had meer succes, dan Nietsewo, de groote leider zelf. Deze droeg zijn nederlaag schijnbaar kalm, doch met inwendigen nijd en wraakzucht.

Niemand kon heftiger zijn, dan Enneënne, niemand scherper in zijne uitlatingen tegen het koningshuis, de regeering, de wetten.......

Wie was deze man? Geheimzinnig was zijn verschijnen, even geheimzinnig zijn verdwijnen.....

Wij weten alleen, dat hij een wrat op den linker schouder had, precies op dezelfde plaats, waar de natuur koning Harold IV, den heerscher van Illyrië, op dezelfde wijze geteekend had!...

We vinden koningin Mathilda in haar boudoir. De vorstin is niet alleen, want zij spreekt op een teederen toon, dien men niet van haar als uit marmer gehouwen lippen zou verwacht hebben. Wie echter zou meenen, dat hare zoete woorden tot een der drie aanwezige hofdames gericht zijn, zou zich vergissen! Het is Dido, de Cobra, tot wie zij spreekt. Mathilda is bezig hoogst eigenhandig de gladde huid van haar lieveling met was op te wrijven, terwijl de hofdames met handdoeken, zalfjes en borsteltjes gereed staan, om bij het verder toilet de behulpzame hand te bieden.

"Ik houd van je, Dido! Je hebt zulke oogverblindende schoone oogen. Soms ben ik bang voor je oogen. Wat kun je staren--staren! De koning houdt niet van je, Dido! En Kuno ook niet. Maar ik houd niet van hen. Misschien zou ik van ze houden, als ze jou beminden. Ze zeggen, dat je riekt. Soms verwijt ik 't mij zelf, dat ik niet van hen houd. Ze zijn toch mijn man en mijn kind! Maar ik kan niet. Wat staar je weer! Ik word bang van je. Zie zoo, nu ben ik klaar. Ben je nu niet mooi? Emilia, geef een spiegel.--Wat glanst je huid, Dido! Alle kleuren zijn er in, van purper tot cobalt. Geen goud, geen edelgesteente glanst als je huid.--Dames, laat mij met haar alleen."

Een uur later klopte de hofdame Emilia zachtkens aan het vertrek der koningin. Zij verkreeg geen antwoord. Zij klopte een kwartier lang, toen waagde zij het, naar binnen te gaan. Met een ijzingwekkenden gil kwam zij dadelijk terug...

Een statig man schrijdt door de duistere straten. Zorg rimpelt zijn geniaal voorhoofd. Het is Enneënne, de nihilist. Hij blijft voor het koninklijk paleis staan en haalt een klein busje voor den dag, dat hij met aandacht bekijkt. Het is een bom. Het lot heeft hem aangewezen om als martelaar voor het nihilisme te sterven. Hij zal den koning vermoorden. Waarom wreef Nietsewo zich grijnzend in de handen, zoodat zijn dochter, die het zag, zich op staanden voet met hem brouilleerde?

"Het duizelt mij", zegt Enneënne, in een alleenspraak zijn gemoed lucht gevend. "Helaas, wat ben ik begonnen? Waarom moet ik de smarten van Satan lijden?"

"Al te zoet, dat is niet goed... ja, dat is waar. En zeker:

"Het hof heeft enkel honig," dat is niet tegen te spreken. Maar toch, in welk een dilemma ben ik geplaatst! Is dit de oplossing van het sociale vraagstuk? Moesten Enneënne en Harold IV door één hand sterven? Is de republikeinsche regeeringsvorm verkieselijk? Spreek, mijn volk! Zijn mijn wetten zoo infaam slecht? Wat heb ik misdaan? Streefde ik niet naar humaniteit, vrijheid van gedachte, kindervoeding, dierenbescherming, enzoovoort? Maar de tijd dringt, ik heb de brandweer gewaarschuwd. Zij zal weldra hier zijn. Helaas, Cora Mirelli, waartoe hebt gij mij gebracht?"

"Laster niet!" zegt Mirelli, die ongezien deze alleenspraak heeft aangehoord. "Denk aan uw gezin! Wanhoop niet! Gij zult uit deze moeilijkheid worden gered. Mijn hart zegt het mij!"

Zij verdwijnt en laat hem alleen staan, zoo diep in gedachten verzonken, dat hij het luide schellen van de brandweer niet hoort, die door hem zelf was gealarmeerd. Hij wordt overreden!

Eenige ijlings toegeschoten voorbijgangers rapen den ongelukkige op.--Te laat! Hij heeft den geest reeds gegeven. Wie is het? Een van de omstanders heeft een brief in de hand, dien hij juist op de bus wilde doen. Als hij dezen nog even bekijkt, om te zien, of hij wel juist gefrankeerd is, valt zijn oog op den postzegel, en van den postzegel op den doode. Hij stoot ontroerd zijn buurman aan. Deze leest hardop het randschrift:

"Koning Harold IV". Deze woorden gaan van mond tot mond... Een der voorbijgangers houdt zich op een afstand... en knarsetandt!... "Ontsnapt!... hij is mij ontsnapt!" mompelt hij. Het is Nietsewo, de nihilist!

De ministerraad was in allerijl bijeengekomen en had kroonprins Kuno tot Koning uitgeroepen, onder regentschap van koningin Mathilda. Men verwittigde den prins van het tragisch gebeuren. Voor deze meer voorkomende eventualiteit is een ceremonieel voorgeschreven, dat de vormelijke premier precies opvolgde. Hij maakte drie buigingen, zwaaide driemaal met zijn steek, deed drie passen voor-, drie achterwaarts, en herhaalde driemaal: "De koning is dood; leve de koning!"

Kuno steeg van zijn hobbelpaard. Hij was een verstandig kind, en begreep, dat hij thans moest weenen. Hij leende een zakdoek van den kanselier en deed zulks. Toen hij daarmee gedaan had, begaf hij zich aan de hand van den premier naar de vertrekken der koningin-weduwe. Zij vonden de hofdames in hevige verwarring en droefenis. Men had de koningin met Dido, de cobra, alleen gelaten en slechts de slang was overgebleven. Het boudoir bood een verschrikkelijk schouwspel. Het ondier lag, na zijn koninklijk maal, te slapen, een abnormale dikte gaf de plaats aan, waar zich de overblijfselen bevonden van haar, die eens de trotsche Mathilda, koningin van Illyrië was geweest....

Kuno X staarde vol ontzetting naar het levend graf zijner moeder, toen een zachte hand op zijn schouder werd gelegd.

Cora Mirelli stond naast hem en wees met een lieflijken glimlach naar de kroon, die op tafel lag. Zij plaatste die op zijn hoofd.

En hand aan hand gingen deze twee jonge lieden, terwijl hunne gouden haren zich golvend en wuivend met elkaar vermengden, het nieuwe leven in...

JACK SIMPEL

EEN ZEEVAARTKUNDIGE VERTELLING.

Jack Simpel, om U te dienen. Zeebonk van mijn geloof. Weeskind, altijd geweest. Een oom was apotheker te Greenwich. Toen ik van school gedrost was, omdat het me daar te droog was, besloot oom dat ik in zijn zog zou gaan varen. Hij preste me dus om met drankjes, poeders en pillen bij zijn klanten te beurten, want hij was van gevoelen dat men vóór den mast beginnen moest.

Ik proefde eens een paar van die drankjes en vond ze zoo leelijk smaken, dat ik diep meelij met zijn patiënten kreeg, die toch hun plezier wel opkonden daar ze ziek waren. Ik gooide de fleschjes leeg en vulde ze met zeewater. Meestal werden de zieken dan veel te gauw beter, wat voor oom schadelijk was.

Toen oom erachter kwam, vond hij dat er met mij geen land te bezeilen was, en besloot een minder teerhartigen bezorger aan te monsteren.

Het spreekt vanzelf dat ik beleedigd was, en dus plakte ik 's nachts op oom's deur een papier met dit versje:

Aan mijn Clientèle.

Menschen, 'k zal dat pilledraaien In 't vervolg nu maar verdraaien. 'k Stuur geen mensch meer naar de haaien. 'k Werkte toch maar voor de kraaien 'k Wil geen schuld meer op mij laaien, Wat 'k te goed heb laten waaien.

Dit opschrift veroorzaakte 's morgens in de vroegte, toen oom onder zeil was, een heele opschudding. Het was dadelijk overal in de stad bekend dat de apotheker Simpel uit de zaken ging en dat niemand zijn rekening behoefde te betalen. Er was een oploop, oom die slaapdronken vóór het venster verscheen, werd door alle slampampers van Greenwich toegejuicht, en de mariniers moesten aanrukken om de menigte te verspreiden. Toen oom doorging met zaken doen en disponeerde over de uitstaande gelden, werden veel klanten boos en gingen bij hem vandaan.

Onderwijl liep ik langs de havens te lanterfanten. Ik schepte veel behagen in het gezelschap der gepensioneerde varensgezellen, die daar pijpjes rookten, of als ze geen geld hadden voor tabak, kringetjes spuwden en elkaar allerlei verhalen deden, waarnaar ik gretig luisterde. Twee invalieden vooral bewonderde ik. De één, Joe Williams, had een houten been. De ander, Bill Jobson, maar één arm. Eens kregen ze samen ruzie. De twist liep zóó hoog, dat ze besloten het uit te vechten. Dat was een merkwaardige bokspartij! En ze had natuurlijk veel bekijks ook!

"Houd mijn pruim eens vast, kleine landhaai, en een oog in het zeil!" zei Joe.

"Houd de mijne ook vast, jonge zoetwaterzwabber," zei Bill. "Niet kapen, hoor!"

Dat was voor mij een heele eer!

Ze begonnen te vechten. Men was overeengekomen dat Joe maar één arm mocht gebruiken, en dat Bill zijn ééne been stijf moest houden, alsof het van hout was. Het gevecht, dat Bill een gebroken neus kostte en Joe een blauw oog, bleef onbeslist. Na de vijfde ronde waren ze vergeten waarover de ruzie eigenlijk liep, en besloten, die af te gaan drinken. Ze namen hun pruimen terug, leenden van mij een shilling, en gingen gearmd naar de herberg.

Deze gebeurtenis had mijn natuurlijke neiging voor de zee sterk aangewakkerd. Mijn oom draaide bij en stemde er in toe, vooral toen ik van een neef, die in gedragen zeemanskleeren handelde, een volslagen tweedehandsch uitrusting present kreeg. Dezelfde neef wist van een kapitein, die bij hem in het krijt stond, een aanstelling als adelborst voor mij te bemachtigen. Van Joe kreeg ik een Zuidwester, van Bill een verrekijker.

II.

De kapitein laveerde op het dek van het Zeepaard heen en weer, en was zoo uit den koers met zijn gedachten, dat ik dadelijk een aanvaring met hem had.

"Zoo! Ben jij de nieuwe adelborst? Zit ik soms al niet genoeg met dat kleine grut opgescheept? Ben je al zindelijk? Pas op dat je niet zeeziek wordt, kleine vooronderworm dat je bent! Nu, je zit in het schuitje en je moet meevaren. Wat is dat, je wordt bleek!"

"Ja kapitein, ik voel me een beetje raar. Het schip schudt zoo!"

"Ha, daar hebben we het al! Bootsman!"

"Hier, kapitein!"

"Jongeheer Simpel moet in den mast. Als hij zich niet vlug naar boven werkt, help je hem maar met de handspaak. Is er nog plaats?"

De bootsman keek in zijn notitieboekje.

"Links in de groote ra is no. 3 nog open, kapitein."

"Zoo," zei de kapitein grimmig. "Vooruit maar! Dat is het eenige voor zeeziekte."

Ik had heel veel moeite om boven te komen, daar het klimmen in een mast nieuw voor me was. Maar de bootsman porde me van achter met de handspaak zoo, dat ik niet anders kon.

Eindelijk was ik bij een been aangeland dat over de ra hing. Ik klemde me eraan vast.

"Heila!" zei een booze stem. "Wat moet je? Blijf daar niet hangen! Erop of eraf! Hijsch je op als je hier moet wezen!"

Toen ik met moeite dit bevel had uitgevoerd, praaide ik een tiental collega's. De oudste, O'Brien, deelde me mee dat hij daar zoo goed als altijd zat. "Als den ouwe z'n weerglas op stormachtig staat, zit men hier soms een heele week in de takels." Nu staken ze van wal met dit:

Adelborstenlied.

De ouwe is uit kooi gestapt Met zijn verkeerde been! Hij vloekt de equipage stijf En jaagt ons dan hierheen.

Maar och, wij zijn daaraan gewend En hebben 't hier wat best! We leggen een kaartje, we rooken een pijp, En slapen voor de rest.

We zitten hoog, we zitten droog. De lucht is lekker frisch, Je ruikt hier niet, als op het dek Pek, teer en zoutevisch.

De ouwe denkt dat hij ons straft, Met honger en met dorst, We hebben altijd proviand, Lang leve d' adelborst!

Wij eten de beste scheepsbeschuit En drinken kaapschen wijn, Die hebben we stiekum afgetapt, Uit het vat van den kapitein!

De zeewind geeft hier appetijt, Nooit zit je voor den mast, En moeten wij weer naar benêe Dat spijt ons allen vast. Hoezee!

"Maar zeg eens, Groentje," riep O'Brien, op wiens knie ik had moeten plaats nemen. "Heb je al kennis gemaakt met de kat?"

"Kat? Neen, ik heb geen kat gezien, meneer!"

"Denk er om, de kat is aan boord van een oorlogsschip een gewichtig personage. Vraag den bootsman. Maar wacht: Je hebt de zeebaboe toch al gekust?"

"Moet dat?"

"Daar kun je absoluut niet buiten, jongetje."

Toen ik beneden kwam, en den bootsman vroeg, met de kat kennis te maken, grijnsde hij, en riep den bootsmansmaat. Voor ik het wist had ik kennis gemaakt met de kat met zeven staarten. De lust verging me, toen de kennismaking voorbij was, naar de zeebaboe te vragen. Ik heb haar dan ook nooit gezien.

III.

Zeelui zijn excentriek. Ze hebben bijna altijd elk een dwaze eigenaardigheid. Dit treft gelukkig voor den schrijver van zeevaartkundige verhalen, die anders te flauw zouden worden, met zeewater en al. De bemanning van Het Zeepaard maakte geen uitzondering op dezen regel.

De kapitein had zelfs twee eigenaardigheden. Primo vloekte hij verbazend en secundo loog hij verschrikkelijk. In het vloeken was hij bepaald No. 1. Als leugenaar moest hij evenwel de vlag strijken voor den eersten stuurman Ferm, die hierin elkeen den loef afstak.

Maar het liegen was Ferm's eenige excentriciteit niet. Hij had er nog één, die niet minder vermakelijk was. Hij stond n.l. erg graag op zijn hoofd. Dat was zijn grootste liefhebberij. Als de bekwame zeerob het maar even lappen kon, hopsa, daar stond hij weer op zijn hoofd. Hij gaf zijn beste orders, op zijn hoofd staande. En hij loog het beste, in die houding.

Nu was er iemand op het schip, die deze laatste gewoonte van Ferm niet uit kon staan. Dat was de heer Kwak, onze scheepsdokter, een platboomsvaartuig met korte masten en boegsprieten. Het liegen kon hem niet schelen, maar hij haatte den stuurman om dat op zijn hoofd staan. En als deze in die houding braaf er op los loog, of commandeerde: "Aan lij! Bakboord houden! Reef het topzeil!" of iets dergelijks, kwam de scheepsdokter en kneep hem in de kuiten. Dan sloeg Ferm om. Stond Ferm een goed half uur op zijn hoofd en bleef de dokter uit zijn vaarwater, dan werd zijn gelaat heelemaal donker. Dan zeiden onze branikragen: Ferm liegt weer dat hij zwart ziet.

Een van zijn geliefkoosde verhalen was, dat hij eenmaal als jongen, heelemaal alleen, een schip buit had gemaakt. Avontuurlijk van aard als ik was, besloot ik, dit ook te doen.

IV.

Ik maakte O'Brien deelgenoot van mijn plan, en zoo slopen we op een nacht stilletjes van boord, nadat wij onze voorbereidselen hadden getroffen, en namen proviand mee. Het was stil weêr. Lang zwalkten we in ons kleine bootje rond, zonder een schip te zien. Eindelijk kregen we er een in de gaten.

Het dek van het vijandelijk schip zag er verlaten uit, maar op de voorplecht stond een man, in gedachten verzonken. Aan zijn tuigage zagen we, dat het de admiraal was. Wij legden zachtjes aan, en stil als een muisje kroop O'Brien op het dek. Snel had hij den verstrooiden admiraal een prop in den mond gestopt, zijn handen gebonden, hem opgepakt en in ons bootje gegooid. De wacht sliep. Die zorgelooze Franschen!

Ik ving den verbluften admiraal op en we maakten dat we wegkwamen.

V.

Toen we ons eigen schip hadden bereikt en onzen gevangene op dek geheschen, kwam de kapitein woedend op ons af. Wij kregen den wind van voren!

"Wat is dat? Wie gaf jullie nachtpermissie?" loeide hij, met vloeken.

"Wij hebben den Franschen admiraal gevangen, kapitein", zei ik. "Hier is hij".

"Zoo", zei hij knorrig. "Dat is geen excuus! In den mast jullie! Ik moest je laten kielhalen!" Nieuw gevloek natuurlijk.

Juist wilden we mopperend dit bevel opvolgen, toen de mast door een kanonskogel werd omgegooid. De Franschen hadden het verlies van hun vlootvoogd opgemerkt en vielen aan.

De strijd duurde kort. Wij enterden mosjeu, doodden de equipage, voor zoover ze zich niet overgaf, en namen het schip in bezit. Onze pikbroeken hadden het druk met het zwabberen van het bebloede dek, waarbij ze genoegelijk hun energiek zeemanslied aanhieven.

Matrozenlied.

Een schip in zicht, een schip in zicht!--Ahoy! Nu doet elk Engelschman zijn plicht!--Ahoy! Wij maken het natuurlijk buit! En smijten den Fransoos er uit! Ahoy! ahoy! ahoy! Ahoy! ahoy! ahoy!

Dan krijgt Janmaat een oorlam toe!--Ahoy! En daarom roept hij blij te moe:--Ahoy! Hij drinkt den rum niet aangelengd! Hij lust jenever ongemengd! Ahoy! enz.

Van binnen en van buiten nat,--Ahoy! Een liefje in elke havenstad!--Ahoy! Hij vecht en vrijt en zuipt en zingt, Tot 't "Een, twee, drie in godsnaam!" klinkt. Ahoy! enz.

Een haai slokt Janmaat op--o wee!--Ahoy! Dat hapje valt hem lang niet mee!--Ahoy! De haai bromt: "bah, alweer zoo'n lid! Jamaica-rum en negerhit!" Ahoy! ahoy! ahoy! enz.

VI.

Ik stond erg in de gunst van den eersten stuurman en daaraan had ik het te danken dat ik 's Zondags aan de officierstafel mocht eten. De kapitein dineerde alleen, maar aangezien hij zichzelf geen jokkens kon opdisschen, voegde hij zich met het dessert graag bij het gezelschap. Dan ging hij aan het opsnijden.

"Heb ik de heeren al eens verteld van de muiterij aan boord van de Anna?" Nu dan, ik was--even kijken--dertien jaar, en al eerste officier. Ja, ik heb vlug promotie gemaakt. Weten de heeren, waarom ik nog geen admiraal ben? Eenvoudig, omdat ik altijd bedank. Ik zeg tegen den koning--we zijn heel eigen--"George, mijn jongen, laat me waar ik ben, want hooger dan admiraal is er niet, en een mensch moet altijd iets hebben om op aan te sturen." Toen drong hij er niet langer op aan. "Je bent een filosoof, Peter," zei hij. "Dat ben ik ook George," zei ik. Nelson nam het me een beetje kwalijk, maar daar maalde ik niet om; hij kon me toch niet over boord gooien.

"Maar waar ben ik gebleven? O ja, onze kapitein was een beste kerel, maar hij was even als ik, een doodvijand van twee verd. zeemansondeugden: vloeken en liegen. Hij sloot de lui gewoon in de ijzers, als ze zich daaraan schuldig maakten. Zoo zaten op een goeden dag de beide stuurlui, de bootsman en drie kwart van de equipage in de boeien. De anderen hadden het natuurlijk daardoor driedubbel druk, en daarom sloegen ze aan het muiten. Ik plaatste me naast den commandant en zoo hielden wij, een revolver in elke vuist, de bende drie dagen lang in bedwang. Maar intusschen waren we op een klip geloopen. Het schip spleet en we kelderden allemaal. Toen ik bijkwam, de eenig overlevende van de "Anna", begreep ik, dat het met mij ook gedaan zou zijn, als ik niet spoedig zorgde iets te grijpen om mij drijvende te houden. Daar hoorde ik op eens in de buurt een vervaarlijk gebriesch en gesnuif. Ik zwom er heen. Wat denkt u dat het was? Een groot zeepaard, zoowaar als ik leef! Ik greep het bij de manen, klom op zijn rug, en bleef zoolang rondzwemmen, hem mennend waarheen ik wou, (ik ben een voortreffelijk ruiter) tot ik een schip ontmoette. Ter gedachtenis aan die wonderbare redding heet mijn schip nu, zooals u weet, het Zeepaard, en dat is het beste bewijs voor de waarheid van mijn verhaal".

Ferm was gedurende de vertelling van den kapitein heel onrustig geworden, en toen ze afgeloopen was, ging hij op zijn hoofd staan.

"Dat is allemaal niets," zei hij, "bij wat ik beleefd heb."

"Denk er om, Ferm," zei de kapitein streng, "kom me met geen leugens aan boord!"

"Wie praat van liegen," zei Ferm. "Ik mag gebreeuwd worden als ik niet de zuivere waarheid vertel! Maar ik zal de heeren het bewijs toonen, als ik zoover ben.

"Ik voer dan--het mag nu twintig jaar geleden zijn--als licht matroos op de "Admiraal Monk". Wij waren ergens aan de kust van Noord-West Liberia geankerd om wat ebbenhout (d. w. z. negerslaven) op te nemen. Ik had een vrijen dag gekregen, en keerde 's avonds laat met een nat zeil naar boord terug. Toen ik nu langs het eenzame strand een deuntje liep te fluiten, hoorde ik opeens een liefelijke stem, die iets geheimzinnig tooverachtigs had, een lied in een vreemde taal zingen. Ik had in geen jaar een vrouwmensch gezien of gesproken en ik moet zeggen, heeren, dat die stem me finaal in den grond boorde!

"Het was een zeemeermin, een beeldschoon vrouwspersoon van boven, maar van onderen een visch. Ze deed allemachtig aanhalig, maar ik heb een wijf en zes kinderen thuis en zei, dat ik bezet was. Toen had u moeten hooren hoe ze te keer ging! Ze was razend op me gesteld, op het eerste gezicht, en wou me maar al rauwe visch opdringen, die ze zoo maar met het handje ving. Het kostte me heel wat moeite van haar af te komen, maar toen we van elkaar gingen, gaf ze me haar portret. Hier is het. Als dat geen bewijs is dat ik waarheid spreek, dan weet ik het niet." We bekeken het.

"Ik zie geen visschenstaart," zei de heer Kwak.

"Hoe wou je dat de staart er op stond" zei Ferm minachtend, "bij een gewoon buste-portret? Ja, ze zal zich van onderen laten uitschilderen! Ze wist ook wel dat ze van boven mooier was."

VII.

We stevenden naar het vaderland terug. Toen ik in Greenwich aankwam, werd ik heel feestelijk ontvangen. Joe en Bill stonden me op te wachten in hun beste tuig. Ze hadden hun roer recht weten te houden, en dat was wel een bewijs van hun vriendschap. Overal waren vlaggen uitgestoken en jongejuffers boden ruikers aan.

"Wat is er aan de hand," vroeg ik verbaasd.

"Weet je dat niet?" riepen Joe en Bill tegelijk, met stemmen als lekke scheepsroepers. De verklaring is niet moeilijk.

Mijn vader was de achter-achterneef van Lord Whizzlewhist.

Op een goeden dag had deze edelman de vijfentwintig tusschen mij en de erfopvolging staande familieleden ten eten. Men at per abuis vergiftigde paddestoelen--ik bleef erfgenaam. Ik werd ziek van schrik, maar toen ik opgekalefaterd was, nam ik mijn rechten in bezit. De tegenwoordige Lord Whizzlewhist zal u gaarne op zijn kasteel ontvangen en staat in voor de paddestoelen die hij zijn gasten zal voorzetten.

ROODHUID EN BLEEKGEZICHT.

INDIAANSCHE NOVELLE.

HOOFDSTUK I. De Blauwe Vos.

Het is het recht van den romanschrijver, zonder voorafgaande plichtplegingen, den lezer te midden zijner personages te voeren. Wij maken derhalve daarvan gebruik en beluisteren het gesprek van vier mannen, die zich om gindsch houtvuur hebben geschikt.

Eén van hen, een Indiaan van deftig voorkomen en middelbaren leeftijd, is beleefd, doch met eenig wantrouwen ontvangen. Het was zijn drie blanken metgezellen niet onbekend, dat het verkeer met Roodhuiden eigenaardige moeilijkheden en zelfs gevaren oplevert.

Gustaaf, de jager, was het meest doorkneed in den sierlijken, doch waar het pas geeft, tevens niet weinig stekeligen conversatietoon, welke de Indianen zoo gelukkig weten te treffen.

"Als ik mij niet vergis", begon hij, "heb ik de twijfelachtige eer met een Slangen-Pawnee te spreken?"

De nauwgezette Indiaan nam nu zijn calumet (pijp) en om te toonen, dat hij aan dit gesprek veel gewicht hechtte, vulde hij die met mochichei (gewijde tabak). Na een paar trekken bood hij de pijp aan den jager, die er ernstig aan zoog en ze vervolgens doorgaf aan Edelhart. Deze beiden wisten de eer op prijs te stellen. Niet aldus echter El Pantero, die minder vertrouwd was met de gebruiken der Roodhuiden in het algemeen en van de Slangen-Pawnees in het bijzonder. Toen de vredespijp hem bereikte, wischte hij met zijn zakdoek het mondstuk af, een doodelijke beleediging in het oog van hun nieuwen bekende, die hiervan weliswaar niets liet bemerken, doch er des te meer over na bleef mokken, zooals wij zullen zien vóór deze roman ten einde is.

Na de pijp met de ongemaakte bevalligheid zijns stams weerom te hebben genomen, begon de Sachem:

"De Waconda is machtig. Hij ademde den grooten hoofdman de woorden in, die zijn mond weer uitblaast.