Parodieën

Part 2

Chapter 23,726 wordsPublic domain

Wij staan vóór de Tuilerieën, bezichtigen dezelve, en volgen het voorbeeld eens slanken jongelings, welke de gebouwen zoo juist heeft verlaten om huiswaarts te keeren; doch zoo ras heeft deze niet het plein der Tuilerieën, dat zich daarvóór uitstrekt, verlaten, zoo ras heeft hij niet voor zich heen de eerste noten geneuried van een krijgshaftig lied, of eene hand rust op zijnen schouder, een Onbekende, in eenen dichten mantel gehuld, welke slechts den neus--maar welk eenen neus!--bloot laat, staat vóór hem, "herinner u," fluistert de gestalte, "herinner u" en is verdwenen, verdwenen, doch niet zóó afdoende, of de jongeling is hem nagegaan, nagegaan door enge donkere stegen, nagegaan tot in de onoogelijke kleine herberg, in de slecht verlichte kamer, en wacht--welk een nieuwsgierigheid!--heeft zich verscholen--welk een slimheid!--beidt--welk een moed, want wie de Onbekende moge zijn, bij het onderhoud, dat volgen zal met hem, die talmt, begeert hij gewis geenen getuige!

Eene wijle--hoe bange het beiden valt, als men meer dan zes voet lang meet, en zich te versteken heeft onder eene wankele keukentafel!--eene wijle, en de personaadje op wien het toeven is, verschijnt, mank gaande, den kraag omhoog, den hoed in de oogen--een personaadje die haastig om zich ziet, en den eerstaangekomene begroet met de woorden, vol ontzetting, doch niet zonder deftigheid, uitgesproken:

"Gij! Wederom gij! Altijd gij!"

"Ja ik, prins Talleyrand, ja ik, gij bisschop van Autun, ja ik, o vriend van Bonaparte! Ja ik, en altijd ik!"

"Maar, maar, wie zijt gij dan toch?"

"Mijn naam? Eilieve, monseigneur, wat bate kan mijn naam den man brengen, die den Overweldiger om den vinger windt? Noem mij den Onbekende! Ik ben de vreemdeling met den graauwen mantel en den sluipenden tred, die schor fluisterend en met den vinger wenkend, de wereldgeschiedenis maakt! Hadde ik geleefd tijdens den tachtigjarigen oorlog, ik hadde, een zendeling der Jezuieten, goedgezinde jongelingen tot samenzweringen verleid, ware ik eene halve eeuw later opgetreden, ik zoude de spion geweest zijn van eenen Lodewijk, van eenen Richelieu, eene Maintenon! Ik ben de stokebrand, die verschijnt en verdwijnt, naar mate kwaad te stichten valt, dan niet! In dit geval ben ik een afgezant van vorst Metternich!"

"Van Metternich! Van Oostenrijk! Hoe! Hier, in den muil des leeuws! Rampspoedige!"

"Tut, Tut, Doorluchtigheid! Mij dunkt, ik bespeure het recht, neen, ik vergisse mij niet, het gelaat van prins Talleyrand is ondoorgrondelijk, nogtans, die aandoening verbergt het niet! In waarheid, edele heer, ontken het slechts niet: uw leeuw verveelt u reeds!"

"In trouwe, vreemdeling...!"

"Met oorlof, wat zegt gij, edele heer?"

"Bijloo, in de daad dan, zoo u dit woord uit mijnen mond beter bevalt, in de daad dan, sarkastische anonymus, gij voert eene vermetele tale!"

"Vermetel, het zij, prins, maar waar!"

"Eilacy, mijn vriend, de muren hebben ooren!--maar luister, het zij--wij zijn onder ons,--gij kunt zwijgen,--wie vermag beter te zwijgen, dan gij?--gij onsterfelijk incognito!--het zij,--laat mij het bekennen, u kan men toch nietwes vergauwen--laat mij het harte éénmaal verlichten, laat mij eindelijk éénmaal mijn leed uitstorten en den last afwentelen, die mij drukt, zij het voor eene enkele stonde; ja, hij verveelt mij, ja, verveelt mij doodelijk!"

"Gansbloet!" riep de vreemdeling uit, "wat zeide ik u?"

"Ach mijn vriend,--wij zijn onbespied?--dat eeuwige vechten! O, dat hij ten leste op ietwes anders zon! En die drie houdingen, zegge drie--drie houdingen!--gij kent ze, gij voelt met mij--ach hoe zonderlinge zeer hangen ze mij ter kele uit! Gewis, gij kent ze, vreemdeling? Eéne hand in het vest, de andere op den rug, dat is er ééne; beide op den rug, dat is de tweede, beide armen gekruist op de borst, dat is de derde--dat is al! Ja, ál, mijn geheimzinnige vriend! Ach hoe steekt mij er de walg van! Hoe, heb ik hem daartoe Keizer der Franschen gemaakt!"

Eene wijle poosde de kerkvorst-minister, het voorhoofd steunend op de hand, toen sprak hij, zuchtend:

"En dat is het ergste nog niet--er is erger,--veel erger,--luister, vriend, dat ik het u zegge, wat Frankrijk--de wereld, spoedig weten zal,--het is, eilacy! niet langer te verbergen--het is een secret de Polichinelle! een publiek geheim--hij wordt dik!"

"Ha!" riep de Onbekende uit "de rampspoedige!"

"Certeyn, man, wèl rampspoedige! Hij put alle middelen uit, hij verweert zich wel--hij neemt veel beweging, drinkt geen bier, geniet luttel slaaps--hij vindt geen bate. Mariënbad,--Karlsbad zijn nog niet in trek--wat te doen? Dik! Een Caesar!, een soldatenkeizer, dik, corpulent, welk een schouwspel! In waarheid, zóó zoude men al zoo goed eenen Bourbon..."

"Eenen Bourbon," viel de vreemdeling snel in. "Eilieve, waartoe dan geenen Bourbon?"

Talleyrand zweeg; hij staarde vóór zich henen, de trouwe des wispelturigen mans scheen wederom te wankelen, eenen Bourbon, mompelde hij, eenen Bourbon, maar hoe Napoleon te storten, hoe hem te verjagen?

Dit was het oogenblik, dat de Onbekende beidde--de oogen gingen bespiedend rond, doch zonder den ontzetten luisteraar onder de tafel,--ontzet over zooveel ontrouw, zooveel ondankbaarheid, zulke laagheid!--te vinden... dan, flonkerend had hij ze in het eind op den nog immer peinzenden diplomaat gericht, had gesist: "Rusland!" had de kaars uitgeblazen en was verdwenen!--verdwenen uit onzen roman, maar waarheen, maar voor hoelang, maar om wat kwaad te brouwen?

HOOFDSTUK VII

"Waar werd oprechter trouw Dan tusschen man en vrouw, Ter waereld ooit gevonden?"

Vondel.

De prachtige zalen van de Tuilerieën boden eenen somberen aanblik; de armen over elkaar geslagen ging de Keizer op en neder. Josephine naderde hem: "deze scheiding is noodzakelijk", klinkt het dof uit zijnen mond, en de toekomstige ex-Keizerin zwijgt, zwijgt gelaten, zwijgt en gaat!--Hendrik Jan, derwaarts ontboden, vervoegde zich op dat oogenblik op den drempel; met kieschheid week hij der alsnog zoo hooge vrouwe, die snikkend vóór zich heen fluistert--"neen, neen, wit kleurt mij beter dan olijfgroen, veel, veel beter" zijn de woorden, die hij ondanks zich zelf opvangt--en vindt den Keizer nog in tranen.

"Gij ziet mij weenen, mijn vriend, niet velen, in waarheid, zagen Bonaparte dus! Maar ach, dit drage ik niet!"

Bescheiden, innerlijk begaan, vurig wenschende deze smarte te lenigen, zag de jongeling toe, inmiddels, de Keizer hernam:

"Kom nader, Kapitein, ik ken u, ik heb van u gehoord, gij zijt geen vleier, gelijk die anderen. Gij weet toch wat mij smart, spreek!"

"Sire, ik gevoele diep, deze scheiding..."

"Is noodzakelijk. Maar zeg mij, zeg dan toch, is het waar dat het steeds erger wordt, altijd toeneemt, ach, gij zwijgt--spreekt niet tegen--ach, het is gelijk ik vreeze--maar besef dan toch, maar begrijp dan toch, dit is het begin van het einde--in rouwe, in rouwe is mijne zege verkeerd! Och, ik, de held, de veroveraar, bleek, romantisch, interessant... niet meer alzoo,--een buikje, een buikje--neen, dit drage ik niet! O, ik zal sterven aan dit leed..."

Op dit oogenblik werden prins Talleyrand en Fouché aangediend.

Te vergeefs trachtte Hendrik Jan, denkende aan het afgeluisterde onderhoud van den vorigen dag, zijne ontsteltenis te verbergen, welke het den Keizer ondertusschen behaagde toe te schrijven aan sympathie; deze drukte hem de hand, "blijf" sprak hij,--"blijf" en duwde hem achter zijn stoel "blijf", als de ministers reeds binnentraden!

HOOFDSTUK VIII.

"Een vriend, die mij mijn feilen toont."

Van Alphen.

"Eén weerhaan ware overigens genoeg geweest," zeide de Keizer ontstemd, als de diplomaten binnentraden; en weerhanen waren zij in de daad, de beide raadslieden, die op deze barsche woorden nietwes dan een verlegen lachje wisten te doen volgen! Prins Talleyrand droeg ditmaal geene vermomming als gisteren, doch het praalgewaad des ministers; de kunst van den besten tailleur vermocht niet de scheeve schouderen, van den vaardigsten coiffeur niet de sluike haren, van den bekwaamsten bottier niet de mankheid des machtigen staatsmans te verhelen, welke in eenen blauwen rok van goudgestikte zijde, violette zijden hozen, citroenkleurige kousen en fijnverlakte schoenen met roode hakken, niets meer geleek dan de vos, die hij inderdaad was. Aardde Talleyrand naar den vos, zijn metgezel, wiens gelaat de grijnslach nimmer verliet, slachtte, in eenen Isabella-kleurigen slipjas, scharlaken hozen, kemelharen kousen en schoenen met nikkelen gespen, de jakhals, die zich aan de dooden, te lafhartig om de levenden aan te vallen, vergast. Voegen wij terloops, bij den hoon, hem door zijn tijdgenooten met zooveel billijkheid naar het hoofd geworpen, ons deel, waarde lezer, en luisteren wij naar het belangrijk gesprek, dat zijn deftiger metgezel met beider meester voert!

"Welnu, mijnheer Talleyrand, wat is er?" zeide de Keizer. "Gebruik uwe woorden niet om uwe gedachten te verbergen, al raadt gij dit aan anderen aan!"

"Uwe Majesteit bewijst mij veel eer, door mijne mémoires te citeeren, en dit nog wel bij voorbaat!" luidt statelijk doch hoofsch het antwoord.

"Het zij, maar volg uwen eigen raad ditmaal niet!"

"Sire", antwoordde de diplomaat fijntjens, "dit ware erger dan eene misdaad; dit ware eene fout. Wij wachten Uwe orders omtrent den ontdekten afstammeling der Bourbons, den hertog van Enghien?"

Napoleon fronste de brauwen. Inwendige strijd kampte in hem.

De sluwe staatsman glimlachte. Nauw merkbaar, als in scherts, fluisterde hij voor zich heen de schijnbaar onbeteekende klanken: pief, paf, poef,--welke klanken maar al te wel door den vorst werden begrepen, immers, deze zette zich neder, zuchtte diep en teekende vlug, zonder het in te zien, het hem inmiddels door Fouché gedienstig gereikte doodvonnis. "Nog iets?" vervolgde hij.

"Sire", sprak Talleyrand op fluweelen toon, "generaal Furioso vraagt verlof zich naar Rusland te begeven. De arts schreef hem een verblijf aldaar voor, ter genezing zijner corpulentie."

"Rusland,--corpulentie--" zeide de Keizer verstrooid; Hendrik Jan beefde, het gif had alreede gewerkt, de oogen des veldheers flonkerden, hier was eene poorte der hope, hij straalde; twee vliegen in éénen klap!

"Generaal Furioso mag naar Rusland gaan"--zeide de Keizer op den minzamen toon, welken hij soms kon aannemen. "En wat hem zeker plezier zal doen... wij gaan mee, ik en het leger! Naar Moskou!" Hij floot, floot, valsch weliswaar,--want welke ook des Keizers gaven waren, die der muzikaliteit behoorde daartoe niet--maar floot opgewekt. "Malbrouck s'en va-t-en guerre!"--De geslepen staatsman had zijn doel bereikt. Hendrik Jan sidderde. Eéne poging wilde hij nog wagen. Hij wierp zich op de knieën. "Sire", bad hij, "ga niet naar Rusland!" "Die jongen bevalt mij," mompelde de Keizer ten tweeden male--"maar ik ga toch", vervolgde hij, "ik ga toch--waarom niet naar Rusland, Kapitein?"

Hendrik Jan antwoordde eerbiedig, doch met vrijmoedigheid. Hij schetste het klimaat, den afstand... Een oogenblik scheen het, alsof de Muze der wereldgeschiedenis Rusland, Elba, Waterloo, St. Helena achteloos hadde kunnen voorbijgaan! Hadde Blücher, hadde Wellington vermoed, hoe slecht hunne kansen op vermaardheid in deze stonde stonden, zij hadden gesidderd, hadden den moedigen jongeling gevloekt, wiens scherp verstand den toomeloozen overmoed des veroveraars aan het wankelen bracht, wiens trouw de list van een Talleyrand trotseerde! Eene huivering doorliep de leden van den Corsikaanschen adelaar! En de onze, lezer? Welke beelden doemen voor ons op, in dit ondeelbare oogenblik, dat de veroveraar weifelt. Wij zien eenen tot rust gekomen Napoleon, den welwillenden landsvader, regeerende over een welvarend en vreedzaam volk, wij zien hem algemeen geacht, bemind en geprezen, een waardigen ouden dag beleven, met een kleinkind op elke knie en "l'art d'être grand-père" in de hand... doch, wijk, gij, ontzettend, want vergeefsch, gij valsch en bedriegelijk beeld!

De oogen van den keizer hadden zich gedurende de siddering, die zijne leden doorliep, naar omlaag gekeerd, edoch zonder zijne rijlaarzen te speuren!... de teerling was geworpen... één oogenblik slechts had de aarzeling geduurd, dan, ze was reeds voorbij!--"Ik ga toch", klonk het nogmaals... en zwijgend kuste de jongeling de hem minzaam tot afscheid gereikte pink des overweldigers--"Ik ga niettemin."

HOOFDSTUK IX

"Vroeg in den morgenstond."

Breeroo.

Het lever eens Keizers! Verbeeld u, lezer, in stede uwer bescheiden doch geriefelijke burgermans-bedstede met de pronklooze, doch warme wollen dekens, de prachtige met zijde en zorg gespreide praalsponde; in stede uws gezelligen alcoofs, de slaaphalle eens Keizers uit het eerste Keizerrijk, hoe grootsch en nogtans, hoe kil, hoe weelderig en nogtans, hoe somber, hoe ruim en nogtans, hoe rumoerig; grootsch, want zij meet 30 bij 20, kil want de muren zijn niet behangen met de gemeenzame daguerreotypen van dierbare bloedverwanten, weelderig, want goud en verguldsel, goudleder en gouddraad sieren ze, somber, want geen lachend gelaat van blondgelokte kinderen verheldert ze, ruim, want (zie grootsch), rumoerig, merk op hoevelen de heiligheid des morgenstonds schenden, aanschouw deze fluisterende schare adjudanten, deze bezige groep kamerdienaars, aanschouw eindelijk dezen jongeling en deze schoone vrouwe! Geen van beiden zijn ons onbekend. Het is Hendrik Jan, die daar staat, Hendrik Jan, de trouwe dienaar, Hendrik Jan, die, met de desperatie in het harte, deze laatste poging, welbewust van den indruk, welken vrouwelijk schoon op den Keizer maakt, is komen wagen. Het is zijne gade, die daar knielt, zijne jonge bevallige gade, gekleed, of, meer nog ongekleed volgens de toenmaals meer en meer gehuldigde mode van het Empire! "Sire, ga niet naar Rusland!"--de Keizer heft haar op, niet onheusch, hij kust haar op het voorhoofd, hij geleidt haar minzaam naar haren echtgenoot ...--edoch, hij gaat niettemin!

De jonge vrouwe richt zich op en bedekt kuischelijk met een sjawl van Spaanschen kant den boezem--hebt gij u gestooten aan haar gul décolleté, gij neuswijze juffer van onze dagen met uw arglistig bloot nekje, of gij, jongeling met uwen kouwelijken halsdas waarvan de slippen--o verwijfd geslacht!--u op de knieën hangen? Ja, zij is laag gekleed, maar wat de lengte der mouwen betreft is deze adellijke dame uwe meerdere in zedigheid, gij burgerdochters van mijne kennis,--ja, haar schoenen zijn spits, doch wat de hoogte der hakken aangaat steekt gij, mijne steltloopsters, haar den loef af; ja, hare rokken zijn eng, doch niet zoo nauw als de uwe, mijne vriendinnen, de uwe, die mij te zamen met uwe à jour kousen omtrent de teekening uwer beenen zoo weinig te raden laten; ja, hare keelbanden zijn wereldsch, doch niet zoo onzinnig noch zoo gevaarlijk als uwe duivelsche hoedespelden, mijne waarden! Doch verlaten wij haar, evenals haar echtgenoot doet, bij de trede van de draagkoets welke harer wacht.

HOOFDSTUK X

"Als aapjens te hoog klimmen willen..."

Vader Cats.

Wij wonen eenen wapenschouw bij, lezer, eenen wapenschouw van het leger des grooten keizers! Bewonderen wij de orde, waarin ze gerijd staan, deze regimenten, vanaf gerimpelde veteranen met lange en ruige mutstatsen, tot baardelooze knapen, candidaten nog voor den vuurdoop; doch bewonderen wij niet te lang, doch voegen wij ons bij eene groep ruiters, en wel bij het tweetal, dat blijkbaar eenen hoogen rang bekleedt, dat het zoo vrijelijk zich tusschen de keurlijk in het gelid geschaarde scharen beweegt!

In de daad, de één, kort van gestalte, trotsch van opslag, is geen ander dan Keizer Napoleon zelve, thans aan het begin van den middelbaren leeftijd, en op het keerpunt van zijn roemrijke loopbaan, dit laatste onbewust. De tweede is een norsch krijgsman, wiens burgerlijke afkomst zich niet verloochenen laat door de maarschalks-epauletten op zoo grofgebeende schouderen, de handschoenen aan zoo roode en plompe handen. Luisteren wij--al behoort er moed toe den boozen luim des geduchten keizers te trotseeren, want dat hij in eenen boozen luim is, bewijzen zijn gefronste brauwen, zijn fonkelende oogen, zijne gebalde vuist--luisteren wij, veilig, hij bespeurt ons niet, rust niet zijn blik met onwil op eene groep generaals ter linkerzijde, terwijl wij ons ter rechterhand hebben opgesteld?

"Ik begeere van mijne veldheeren geene vrekheid, Ney," spreekt de Keizer, korsel, "integendeel, ik achte het van hunnen plicht een exempel te geven in royale depensies, edoch deze onzinnige opschik, deze loszinnige verkwisting!" In de daad, de officieren des Keizers gingen zich, wat hunne kleeding aangaat, aan uitsporigheden te buiten, welke in vredestijd nauw te vergoelijken waren geweest, hoeveel te minder in eenen tijd, waarin de harpije des oorlogs woedde!

Joachim Murat, de zwager des Keizers, was onder de voorsten. De Koning van Napels had zijne kroezige lokken gedekt met eenen steekhoed, welks grootte en omvang die onzer dames, welke in het theater zooveel protest uitlokken, in de schaduw stellen zoude, gegarneerd met eenen vederpluim, welks kostbaarheid eenen echtgenoot van heden ijlings naar het sanatorium zoude doen verhuizen. Zijn purperen mantel was opgetooid met eenen kraag van hermelijn, welke de opbrengst van een gansch jaar zijner landgoederen vertegenwoordigde. Doch zwijgen wij verder van deze zwakheden, welke hem en andere dapperen ontcieren, gaan wij voort met de aanmerkingen des Keizers op te teekenen, hen betreffend.

"Hij dacht eerst geenen hoed op te zetten," smaalt de krijgsvorst, als Murat passeert. "Aangekleed gaat uit.--Wat zijn we mooi vandaag--Ik met mijn pluimstaart--" zulke zijn de verachtelijke opmerkingen, welke de veroveraar voor zich henen gromt--dan, hij heeft het reeds vergeten, hij richt zich reeds tot zijn armee; hij wijst met plechtig gebaar naar de zon, welke aan den hemel staat:

"Herinnert u, soldaten, dat van uit dit hemellichaam ontelbare eeuwen op u nederblikken!"

Het witte paard van den Keizer voert hem langs de gelederen, welke daveren van het "Vive l'empereur!"

De vorst vat eenen majoor, ons niet onbekend, bij het oor... "Ik zag u te Wagram."--"Ja, Sire!" "Gij zijt nu gehuwd--ik schenk u de verbeurd verklaarde goederen uws vaders. Zoogt uwe vrouw hare kinderen zelf, Kolonel?"

"Zij heeft er nog geene, Sire.--Heb dank, Sire!" want eigenhandig hecht de Keizer onder het geroep van "Vive l'Empereur", het kruis des Legioens van Eer op de borst des jeugdigen krijgsmans!

"Geene kinderen! Foei, generaal! Denk aan la Patrie!" Voort reed de Keizer,--op Rusland aan, zijnen ondergang te gemoet. --

Maarschalk Pichegru reed zijnen meester op zijde. "Wat nu, Sire?" [2] sprak hij, "wat nu, als ik vragen mag?"

Maar de Keizer antwoordde niet ...

CORA MIRELLI

(EEN VERHAAL VAN WERELDLIJKE MACHT)

Neerslachtig liep koning Harold IV in zijn studeerkamer op en neer. Niets ging vandaag zooals het behoorde! Hij was één der voortreffelijkste dichters--zoo niet de voortreffelijkste--van zijn rijk, maar heden werd het niets dan rijmelarij--een rijmelarij, die de vijf-jarige kroonprins Kuno gewis te kinderachtig zou hebben genoemd. Hij was een musicus van den allereersten rang, maar zijn harp bracht thans klanken voort, niet ongelijk aan de voorjaarsontboezemingen eens katers. Schilder van groot talent en verwonderlijke techniek, had hij in een uur verknoeid wat zijn meesterwerk beloofde te worden. Zijn minister van financiën was zoo juist heengegaan, na vergeefs getracht te hebben zijn anders zoo schranderen vorst, een veel beter financier dan hij zelf was, placht hij te erkennen,--de nieuwe belastingwet te verklaren.

Harold was een buitengewoon schoon en statig man, maar toen hij in het voorbijgaan in den Venetiaanschen spiegel blikte, vond hij zijn eigen voorkomen bijna terugstootend.

In het kort, de koning had het land, was onbevredigd, tot niets bekwaam. Het was een opmerkelijk toeval, dat zijn gemalin bij de dagelijksche ontmoeting van het vorstelijk echtpaar, meer op een afstand was geweest dan ooit. Overigens waren gemaal en zoon van haar weinig warmte gewend!

Toen Harold de schoone, hoogbegaafde prinses huwde, had zij het hem eerlijk gezegd: "Ik kan u niet beminnen; ik kan geen enkel man beminnen. Nimmer zal ik u echter,--of juist daarom--bedriegen." Daarmee had hij genoegen moeten nemen.

Prinses Mathilda van Essen-Nierstadt was het schoonste en meest begaafde meisje van haar land. In alles door haar goedhartigen vader toegegeven, was zij vrij en frank opgegroeid, omgeven door goeverneurs en goevernantes, van wie zij spelenderwijs al het noodige leerde en die zij spoedig elk in hun vak overtrof. In alles uitblinkend, heerschte zij oppermachtig over het geheele hof. Maar haar hart bleef koud, koud voor alles, behalve de prachtverzameling reptielen, welke haar koninklijke vader zich gehaast had, haar te schenken, zoodra hij haar vreemden hartstocht voor deze dieren had opgemerkt.

In alles wat haar huwelijk betreft was zij onverschillig. Zij bekeek de grootste kostbaarheden met onbewogen blik, behandelde de ter bruiloft genoodigde staatshoofden der machtigste mogendheden met nauwelijks beleefde achteloosheid en toonde zich met geen der schitterende feesten ingenomen. De voorwaarden van het huwelijk boezemden haar geen enkel belang in, alleen stond zij er op, dat de beide gunstelingen uit haar verzameling, twee jonge cobra's, haar zouden vergezellen. Hoewel persoonlijk tot walgens toe afkeerig van alle kruipend gedierte, stemde Harold daarin toe.

De geboorte van den kroonprins, voor den koning en zijn getrouwe onderdanen een reden tot jubelen, vermocht niet hare belangstelling op te wekken. Des te meer werd zij ontroerd door den dood van een der cobra's, die zich aan het klimaat van Illyrië maar niet kon aanpassen. Met meer dan moederlijke zorgen verpleegde voortaan de trotsche vrouw, die zeven talen vloeiend sprak en in alle kunsten bedreven was, haar overgebleven lieveling. Prins Kuno echter werd aan de hoede eener min toevertrouwd, die later door eene goevernante werd vervangen. Hij zag zijn koninklijke moeder alleen Zondags een kwartier lang, tusschen ontbijt en kerktijd. Wanneer zij in een zeer goede stemming was, mocht hij haar de hand kussen.

Maar laat ons tot Harold terugkeeren, die mistroostig tegen de vensterruiten stond te trommelen.

Plotseling schitterde zijn oog alsof een sterke emotie zich van hem meester maakte. Hij hijgde naar adem.

"Daar is zij weer", zeide hij voor zich heen, op geagiteerden toon. "Hoe schoon is zij! Hoe etherisch! En verheven! Als een engel des hemels! Zij zal mij helpen!"

Hij schelde. Nieuw leven was in hem. Een lakei trad binnen.

"Vraag haar, binnen te komen!" beval Harold.

De bediende volgde den blik des konings. "Het Zigeunermeisje?" sprak hij aarzelend.

"Ha! Zigeunermeisje! Gij zijt ontslagen! Gij kunt drie weken loon halen bij den major domus. Laat ik u niet meer zien! Zend een minder grooten ezel!"

De man ging. Hij was al meermalen zóó ontslagen. De koning vergat dergelijke kleinigheden.

De lakei kwam terug. De koning meende een anderen te zien. Hij vergat zulke gezichten.

"Vraag haar binnen te komen! Houd vol! Dring aan! Zeg, dat ik het wensch! Zeg, dat ik verzoek, dat ik smeek!! Doe een beroep op haar patriotisme, op haar idealisme, op alles! Ga en keer niet zonder haar weer!"

Maar zij was al binnen, zonder kloppen. Als een zonnestraal! Doodeenvoudig en toch bewust van hare wondere macht. En sprak:

"Ik wist het!"

Zij zette zich op Harold's knie en sloeg haar reine oogen tot hem op.

"Wie zijt gij, mijn kind?" vroeg hij zacht, hare gouden lokken streelend.

"Cora Mirelli. En gij zijt de koning. Gij zijt goed. Ik weet het. Vader zegt, dat gij niet goed zijt, maar ik weet beter!"

"Wie is uw vader?"

"Nietsewo."

Nietsewo, de nihilist! De koning verzonk in gepeins. Maar nu begon zij te zingen met hemelsch, heldere stem: