Part 1
PARODIEËN
DOOR CORNELIS VETH
EERSTE REEKS
AMSTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ "ELSEVIER" 1918
VAN GIGIO EN FAMULUS
ROMEINSCHE ROMAN
Het was dien morgen een ochtend van ideale schoonheid en atmosfeer. De keizerlijke Villa lijnde zich uit als een droom van marmor, als een eindeloos uitgemeten stuk groen biljartlaken spreiddede zich het grasveld, als een architecturale fabula volgden portico's op portico's, schakelden nymfea zich aan nymfea, ronddeden zich de immense exedra als cathedra voor pedagogen van titanen.
Langs den oever van de rivier, die zich strekte als een eindeloos uitgeplette reep blik, op het strand dat naar de zon duiddede als een lange vieil-or-kleurig-gehandschoende voorvinger, promeneerden de matronae in stola en palla, de meritrices in palla en stola, stroomden zij uit de Thermen, nog na-boudeerend over de duurte van de tesserae, die zij betaald hadden aan de ostiari, en de patriciërs, nog mopperend over de foia die zij volgens de mos hadden moeten aanbieden aan de capsarii in het frigidarium of het nog prijziger tepidarium, waar zij hun corpus hadden gebaad en geodorificeerd. Hier ontmoetteden de jonge Aanzienlijken de matronae en de virginae, groetteden hoffelijk, wisselden met geëffaceerde galanterie of geaffineerde venijnigheid epigrammen, tot de slik van een carpenta met één of twee paarden hen bespattede, zoodat zij haastig scheiddeden en zich voortspoeddeden, anathema's van vernuftig-stekelige vinding werpend naar de menners, welke hiervan, hooggezeten, niets vermoeddeden. Daartusschen scharrelden de straatjongens, etende hun oliebollen, buitelende over hun caput, of elkaar slaande op hun tabernaculum, hun testimonium, hun tonitrus, hun fulmen of wel hun animus. De vermetelsten verstoutteden zich wel eens achter den rug van de Aanzienlijken een langen naso te trekken, of de lingua uit te steken. Bij afwisseling bestookten zij elkaar met sputum of zelfs faecaliën.
Over de blik-blanke rivier gleed een navicula, in voorname wiegeling. In dat bootje, geroeid door Ethiopische zwarte slaven, zaten twee Aanzienlijken, en onderhielden zich, hoffelijk, in kunstvol geciseleerd Latijnsch.
De één was een vijftiger, treffend aristocratisch, met artificieel klein geknepen mond, een kale calva en donkere oogen, verborgen achter groote lunettae, in onberispelijk Romeinsch avondtoilet gehuld. Hij sprak met kalme hooge stemme het zoetklinkende accent der residentie. De ander was een godschoone knaap, met slanke, als broze leden, fijn, doch athletisch, een roomkleurig teint en een heerlijken, fraai bewerkten haardos.
"Waart gij bij den Augustus, Edele Gigio?" vraagde de laatste.
"Ja" antwoorddede de ander met elaboraten glimlach.
"Hoe was de Salutatio?"
"Quatio."
Beiden zwegen. Er liepen gouden glansen over de zweetdruipende zwartheid van de slaven, als verguld ebbenhout glommen zij soms in den Sol.
De beide Aanzienlijken leunden, nauwelijks genietend hun mollige kussens, peinzend over het factice leven.
De stad was blank onder blauwe lucht.
Gigio droomde. De welverzorgde hand met slechts enkele, niet overdreven bejuweelde ringen, rusttede op den rand van het bootje, het schuim dat zich daarlangs afteekende, zachtkens fijnknijpend.
Hij droomde van en over zich zelf en anderen, van goden en keizers en dichters en hetaeren. Hij bevond zich op den weg der vreugde en richttede zich vol majesteit op, want vóór hem rees een berg van licht. Over lichtende drempels trad hij in extase, God en Goden, maar ook kleine zielen en comedianten voorbijgaand en bereikte, langs lijnen van geleidelijkheid, Babel. De hooge troeven uitspelend van een stille kracht die geen illusie was, overwon hij zijn noodlot. Het was een metamorfose zijner psyche. Een lent van vaerzen zong in hem. Het was of de wereldvrede gekomen was. En Fidessa waarde rond, orchideeën in het hair, een kluwen in de hand. "Wil is winde!" bad zij. Heracles, hoffelijk, strekte reeds de hand uit. Maar Dionysos was den ongelukkige voor. Op eens hadden zij de gestalten van oude menschen aangenomen, van dingen die voorbijgaan, van reisimpressies. Doch daar was Eline. Zij was jong gebleven ....
Het donkerde. De bonte menigte op de promenada was henen. Alles was stil. Alleen vedelden fel de krekels, die rekels.
Plotseling woei ziltere bries.
Gigio sloeg de oogen op. Zij rustteden met welgevallen op zijn godschoonen metgezel. De jongeling beantwoorddede zijn gefaneerden glimlach.
"Wat peinst gij, lieve vriend?" vraagde Famulus, ter onderscheiding van zijn beroemden bloedverwant, den arbiter elegantiarum, de jongere genaamd.
"Famulus," antwoorddede Gigio, en zijn oogen, half gesloten, blikten met gesupprimeerde flonkering van weemoed op den jongeling, terwijl zijn vingers in distractie een vlok felwitten schuim verknepen. "Ik weet het nauwelijks. Van de jaren die vlieden, ... van de boeken, die nog komende zijn ... van den bijval der menigte ... van het cameleontische verleden ... van roode dorpen onder grauwe lucht... van schoone woorden en booze moorden ... van romantiek in antiek ... van antiek in romantiek ... van den Paljasso in het Palazzo ... Endymion ... van het obscene, maar ongemeene ... Sappho ...
"Van nieuwe titels?" vraagde Famulus belangstellend.
Gigio antwoorddede niet.
De slaven ziegezaagden met hunne roeiriemen.
Donker de rivier, en dieper, lichter de lucht en hooger, het lichtst de heuvelen... Alleen geeuwden helsch de meeuwen.
Wiegewagend wigde het bootje door de golven.
"Dat is wel mooi!" wees Gigio.
"En wel groot hé... ?"
"Héél groot alles...!"
"Mooi...!"
"En óf!"
"Maar niet te groot?"
"Beslist niet!"
"Niet te mooi ook?"
"Kan niet bestaan!"
"Heb je honger?"
"Of ik honger heb?"
"Ja!"
"Ja en neen!"
"Lekkere honger?"
"Juist."
"Lig je goed?"
"Zalig."
"We zijn er haast."
"Ben je daar blij om?"
"Ja en neen."
"Hoezoo?"
"Blij om het maal, niet blij om het heerlijke liggen."
"Heu daar, wij zijn er!" sprak Gigio nu.
De slaven hielden. De beide Aanzienlijken strekten de knieën, ontspanden de kuiten, rekten de armen en de kaakspieren lang en behagelijk, met geprolongeerde keelgeluiden. Zij stonden op hun pedes posteriores. En Gigio wuifde den slaven een gebaar, dat zij zouden wachten.
Aan de trappen eener exedra, door den cubicularius geleid, verscheen de serenissima.
Groot, donker van haar en van oogen, in koker-enge stola, de nauwe palla omgietende het lichaam, de zona, gordel die de borst omgaf, breed. Zij zelf een weinig crassa: strak spande de stola...
Gigio waardeerde de serenissima, hield van haar habitus.
Was zij niet zijn vriendin? Had hij haar niet in de ziel gelezen? Hield zij niet, als hij, van fraaie woorden, van het artificieele, het geëffaceerde, het gefaneerde, het geaffineerde, van hoffelijkheid, van reverentia en révérences, van elaborate epigrammen, van tea's en petits-fours?
Was zij daarom niet zijn vriendin?
"Gegroet, edele Gigio, gegroet, lieve vriend Famulus, Vale," sprak de serenissima.
Hoffelijk bogen de beide Aanzienlijken en kusten de hand die flonkerde van robijnen.
De cubicularius boog slechts.
Men ging naar binnen. De Serenissima nam Gigio bij de hand. Famulus volgde. Hem volgde de cubicularius op eenigen afstand.
Men vlijde zich op de rustbanken.
Op een wenk der Serenissima verwijderde zich, onhoorbaar, de cubicularius.
"Het verschaft mij hooge eere dat gij, edele vrienden, wilt komen aanliggen aan mijn nederige tabula", zeide de gastvrouwe, terwijl zij met eigen hand drie glazen goud-fonkelende oude clara inschonk.
"Onzer is de eere!" zeide Gigio buigend. Hij hief het glas.
"Nostrorum Sanitas!" sprak hij.
"Idem!" beaamden de beide anderen. Zij klonken.
Een vrijgelatene, strak-correct, pink op de naad van de tunica, verscheen.
"Serenissima est servita!" sprak hij.
Men legde zich om den disch. Slaven slopen onhoorbaar met de gerechten aan. Men at een gans, gekookt op de Romeinsche wijze, in een saus, samengesteld uit peper, coriander, muntkruid, ansjovis en olie. Vooraf ging de calucacabia of Romeinsche soep, waarin kaas, pijnappels, azijn, honig, eieren, komkommers, uien en kippenlevers gemengd zijn. Men deed zich nog te goed aan andere spijzen, allen toebereid met min of meer olie en honig.
"Hoe smaakt het?" zeide de Serenissima.
"Goed," zeide Gigio.
"En u, Famulus?"
"Goed."
De schoone knaap at veel, te veel. Gigio weinig. De Serenissima, gewoon. Zij sprak veel, Gigio weinig, de schoone jongeling in het geheel niet.
Want aldoor at en vrat, de knappe fat.
De conversatie begon tegen het dessert, dat bestond uit geroosterd papaverzaad met honig, aan te wakkeren, maar de Serenissima moest wel opmerken, dat Gigio al minder sprak en al minder eetlust had. Slechts de wijn, de zacht gouden Syciliër, uit den eigen wijngaard der gastvrouw, werd door hem gewaardeerd.
"Gij zijt stil, lieve vriend Gigio," zeide de Serenissima eindelijk, het hoofd rustend op de sculpturale armen.
Gigio schuddede zich wakker.
"Ja," zeide hij, "de Augustus ...." Hij voltooide den zin niet.
De vrijgelatene trad ongeroepen binnen, doodsbleek.
"Wat is er?" vraagde de Serenissima.
"De Augustus, Titianus ...."
"Heu," riep Gigio uit, "wat is er van den Augustus?"
"Is vermoord!"
Allen zwegen. Slechts knapte krak, het krappe stola-pak. De godschoone knaap maakte den gordel losser.
Buiten was het volk saamgeloopen. De mare had zich door de stad verspreid.
Men riep het elkaar toe:
"De Augustus is dood!"
"Is de Augustus dood?"
"Ja, de Augustus is dood!"
"Hij werd vermoord!"
"Wee, hij werd vermoord!"
"Vermoord?"
"Vermoord!"
De lucht, azuur, strekte ongevoelig boven de ontroerde menigte.
"Door wien is hij vermoord?"
"Door een tribuun."
"Neen, door een vrijgelatene."
"Nietwaar, door een tribuun!"
Men was het er niet over eens.
Uit de ramen, halver lijve, lagen wijven met hun vijven, te kijven:
"Ik zeg, dat het een tribuun was!"
"Ik zeg: een aedile."
"Nu nog mooier: een officier!"
"Och, kom, een officier!"
Er kwam nog een oude vrouw bij.
Het gesprek werd vreedzamer.
Nu gingen, met haar zessen, die oude besten aan 't kletsen.
Langzamerhand voldeed het haar niet meer, uit het raam te roepen.
Zij kwamen naar buiten, op de via.
De lucht was vol rumoer van stemmen. In de eetzaal der Serenissima was het stil.
Gigio peinsde. De gastvrouwe deed haar siësta.
Alleen schrokte en slokte, de godlijk goudgelokte.
Buiten bleef men roepen:
"De Augustus is vermoord!..."
"Titianus regeert niet meer!"
"De Caesar, Antoninus is nu de Augustus!"
"Ja, hij is nu de Augustus."
"Wie vermoordde Titianus?"
"Een vrijgelatene Beneventus vermoordde den Augustus!"
"Hem doodden de aedilen!"
"Ja, de aedilen doodden den moordenaar!"
Gigio schonk zich nog eens in. Hij peinsde. Hij zag den Augustus, dien morgen, boos, achterdochtig, de salutatio opheffen. Hij zag hem liggen, in zijn weelderig paleis, aan den disch, de oogen wild, den lach pervers, zinnend op nieuwe genietingen, woester, wreeder dan de vorige. Hij zag een vrijgelatene naar voren komen en steken met den dolk; bloed, geen gouden bloed, maar purperen keizersbloed spoot uit de wonde. De Caesar was een cadaver. De artsen stroomden toe, wijze mannen, vol occulte wetenschap. Zij schuddeden het hoofd.
"Hij is mortibus," sprak de een. "Hij is ad patres," sprak de ander. Zij bedoelden hetzelfde.
Gigio zuchtte. Zóó is het leven: een Augustus sterft, een andere Augustus volgt hem op. En zóó is het leven: men schenkt zich nog eens in en denkt eraan, wat men bij de ludi funebres dragen zal.
Gigio keek om zich.
De godmooie jonkman lag voor miraculum.
De Serenissima had de zale verlaten. Gigio stond op en naderde het venster. De oude wijven, dik en dun, tanig en purper, kaal en ruig, bespraken nog den casus. De lucht koepelde staalblauw over de puntige olijfgroene cypressen. De rivier kronkelde als een zweep en glinsterglom in het zilveren licht der maan. In de verte glansden, als oud goud, de bezweete huiden zijner zwarte slaven, wachtend bij het bootje. Overal heerschte silentium.
Alleen kwebbelden schel de heksen.
DE VONDELING
HISTORISCHE ROMAN
HOOFDSTUK I
"Maar wie telt mijner tranental?"
Borger.
In één der volkrijkste wijken van Parijs, den Faubourg Saint Antoine, bewogen zich op eenen guren Novembermorgen in den jare 1793 twee eenzame voetgangers, wier uiterlijk voorkomen op eene drokkere ure voorzeker de algemeene aandacht op zich zoude hebben gevestigd.
"Voort! Voort!"
De best, welke deze rauwe woorden meer tierde dan sprak, meer krijschte dan zeide, mocht ongeveer honderd zomers tellen, edoch meer dan de jaren hadden de nijd, de booze luim, de gram bovenal deze gestalte gebogen, dit gelaat doorploegd; zij duwde eenen in lompen gehulden knaap vóór zich uit, maar hoe onzacht!--porde hem met een ijzeren haak, het werktuig der voddenrapers, tusschen de schouderbladen, trok hem--alsof dit alles nog niet genoeg ware om den onwilligste--en deze knaap scheen niet zoozeer onwillig als moede, niet zoozeer lui als afgemat--tot spoed aan te manen, trok hem onbarmhartig aan zijn éénigst cieraad, de lokken!
Eenen nauwlettenden opmerker zoude in de gelaatstrekken en houding van den mishandelden knaap intusschen zekere fierheid niet ontgaan zijn; er was in dat welvend voorhoofd, de onder het vuil zoo kleine en blanke handen ietwes, dat welsprekend van eene hooge afstamming gewaagde; zoo althans dacht blijkbaar de korporaal der republiek er over, dien wij het ongelijke paar zien ontmoeten.
"Goeden dag, Hendrik Jan," gromt de snorrebaard niet onvriendelijk; hij groet de oude stuurscher, welke intusschen daarvan nietwes bespeurt, vervuld als zij is van begeerte naar de schatten, welke de afval der straat voor haar bergt, verdiept als zij is--eilacy!--in het plukken aan de lokken haars rampspoedigen pleegzoons!
"Goeden dag, Meester Jacob," gelukt het dezen nog te antwoorden, als een hernieuwde por tusschen de schouderen, als een versche ruk aan de lokken hem op eene vondste der heks--eenen koolstronk--eene doode muis--eenen tabakspruim--wat raakt het ons?--opmerkzaam maakt.
Met gebalde vuisten oogt de korporaal het tweetal na; dan maakt hij rechtsomkeert en gaat zijns weegs.
HOOFDSTUK II
"Wij zijn geen gewone menschen, Egmond".
Goethe.
Woedend ging het roodgemutste graauw te keer in de zalen van het parlementsgebouw; maar de jongeling, klein, tenger, met holle, bleeke trekken en ravenzwarte haren, in de uniform eens luitenants van het leger der Conventie, staart lijdelijk dit somber tooneel aan; lijdelijk, zeiden wij, doch niet zonder dat zijne tanden op elkander knarsen, lijdelijk, logen wij eigenlijk, immers niet zonder dat zijne vuisten zich ronden, zijn oogen flonkeren: een kanonschot, mompelt hij, en ik hadde dit gespuis weggevaagd, één kanonschot slechts, ik zwere het, of mijn naam is geen Napoleon Bonaparte--dus fluistert hij, haalt de schouders op en vertrekt, peinzende, als een rijtuig in volle vaart den hoek omslaande, hem welhaast overreden had. Een knaap, in lompen gehuld, ons niet onbekend, schiet toe en slaagt er in hem te redden; een historisch oogenblik: hadden beiden het slechts bevroed, hadde één hunner het slechts kunnen gissen, welke onafzienbare stoet van gebeurtenissen hadden zich voor zijne oogen ontrold, die nimmer hadden plaats gevonden, indien de knaap te spa gekomen ware! --
18 Brumaire hadde nimmer geslagen, de naam van Napoleon hadde nimmer de wereld doen trillen van schrik en ontzag; Ulm, Marengo, Austerlitz en Jena, maar ook Leipzig, maar ook Elba, maar evenzeer Waterloo, maar zelfs St. Helena, welk ijdele klanken in de ooren des onverschilligen nageslachts; waar ware uw roem, gij Blücher, gij Wellington, gij Prins van Oranje, waar de uwe, Metternich? Uwe toekomstige Keizerstroon wankelde in die hachelijke stonde, gij spilzieke Josephine, en gij, bovenal, hartelooze Maria Louisa! En gij, gij rampspoedig arendsjong, waar waart gij?...
Het was, als deed een profetisch voorgevoel Napoleon gevoelen welk een pleit in die ettelijke seconden, door een schijnbaar bloot toeval, werd beslist. Hij tastte in zijne beurs en ontnam daaraan het laatste frankstuk! "Daar gaat gij, mijn noenmaal!" prevelde hij somber, edoch vervolgde overluid:
"Gij reddet mij, knaap! Ziehier."
"Dank voor uw geld, burger," klonk het fier.
"Ha, die knaap bevalt mij," mompelde Napoleon. "Hoe heet gij, knaap?"
"Hendrik Jan, burger."
"Hendrik Jan, hier is mijne snuifdoos. Mocht ge ooit in gevaar komen, en Napoleon Bonaparte kan u van dienst zijn, presenteer hem dan een snuifje uit deze doos. Goed onthouden hoor: Napoleon Bonaparte."
"Eén vraag nog, burger Boonampart...."
"Bonaparte, knaap!"
"Bonaparte alzoo. Is ze betaald?"
De officier glimlachte. "Kunt gij zwijgen, knaap?"
"Ja, burger."
"Ik ook, knaap! Vaarwel!"
HOOFDSTUK III
"Daar nadert Evertsen, Verheft u, landgenooten."
Helmers.
"Gij hier, Meester Jacob?"
"Gij hier, Hendrik Jan?"
Dit gesprek vond eenige jaren later plaats.
Napoleon Bonaparte, de jongeling uit het vorige hoofdstuk, had zich de kroon des veroveraars op de kruin geplant; de sprekers waren een jonge luitenant en een oude sergeant in het leger van den grooten Keizer.
"Gij vondt nog geen spoor van uwe ouders?" vraagt de snorrebaard.
"Eilacy, neen!"
Een kapitein naderde het tweetal; hij scheen verre van nuchteren; "hebt gij uw moesje nog niet gevonden?" spotte hij; "zoek maar niet langer", grijnsde de onverlaat, "het zal een floddermamsel geweest zijn", lachte de ellendeling,--één oogenblik en de luitenant had den degen getrokken, één ommezien, en hij had zijnen superieur gedood!
Een krijgsraad veroordeelde den jongeling tot den kogel; welk eene droefenis; meester Jacob, die nog nooit geweend had, deed dit nu, de makkers hadden den vinger aan den trekker, onwillig, maar de tucht gebood!--dan, daar weerklonk het "Vive l'Empereur!" de veldheer naderde, de armen over de borst gekruist; en ziet, de jongeling van straks is in hem herkend!
"Een snuifje, Sire", de talisman komt te voorschijn, "een snuifje, Sire!"
"Leef," spreekt de keizer goedig, "leef, kapitein--de plaats is immers vacant?"
Hebt gij aan zulke gebeurlijkheden gedacht, geestige Lafontaine--of vóór u, zakelijke Phaedrus--of vóór u nog, scherpe Aesopus, toen gij de fabel van den leeuw en de muis dichttet?
In ons verhaal is het kleine knaagdier een jongeling van meer dan zes voet, de koning der wildernis, de keizer der Franschen; overigens: de overeenkomst is treffend--ook gij moet dit inzien, lieve lezer, zoo gij den zin der fabelen verstaat, zoo gij haar symbolische beteekenis te erkennen weet!
De oude grognards hebben thans geen reden tot mopperen,--verheugd scharen zij zich onder het commando van hunnen nieuwen kapitein--een goede ruil voor den straks met militaire eer, doch zonder tranen, ter aarde bestelden voorganger!
HOOFDSTUK IV
"Wie zijt gij?"
Tollens.
Eenige etmalen mogen sinds ons vorig hoofdstuk verloopen zijn en wij bevinden ons in een der drokste door de krijgslieden bezochte herbergen der goede stad Calais; aan een tafeltje is een jongeling gezeten, het hoofd op de hand; om hem klinkt allerhande rumoer, hij laat zich niet hooren, men zingt, hij zingt niet mede, men drinkt, hij beroert den beker niet; men vermaakt zich, hij schijnt droefgeestig; zuchtend tast de hand in den borstzak en haalt een medaillon te voorschijn, en beziet het lang, en ernstig en verdiept; te lang, dan dat de heete groc in den beker nog dampen zoude; te verdiept, dan dat een geritsel hem zoude doen opzien; te ernstig dan dat een zacht lachen aan zijn oor zoude zijn opgemerkt;--dan, de mijmering werd verbroken, eene hand raakte zijnen schouder, het staren werd gestoord, eene stem bevochtigde zijn oor; hij werd eenen man gewaar, den vinger op de lippen, in den wijden mantel der Onbekenden gehuld, in eenen mantel welks geheimzinnigheid slechts neus--maar welk eenen neus!--en oogen--maar welke oogen!--spaarde, en alvorens het gansch niet onnatuurlijke, wie zijt gij, wat wilt gij, den jongeling ware ontsnapt, is hem het dof en schor, doch vastberaden: "volg mij" toegefluisterd, een volg mij, waaraan werd voldaan, zwijgend, doch met de hand aan den degen, zwijgend, doch met den argwaan in het harte!
HOOFDSTUK V
"Mijn' vader! mij dunkt, ik zie mijn' vader!"
Shakespeare.
Het is nacht, doch het is ons licht genoeg, om de twee mannen, door donkere stegen huns weegs gaande, te volgen; volgen wij ze, doch achten wij beter op onze schreden dan zij, want dra zullen zij den hoek omslaan, dra zullen zij twee anderen voetgangers tegen het lijf loopen,--dan, het kwaad is alreede geschied--verontschuldigingen,--hoe oprecht, zeg het ons, lezer, zoo gij kunt, lees dezen vier lieden in het harte, zoo gij die kunst verstaat, wij zijn ze niet machtig!--zijn gewisseld, hoeden--hoezeer beschadigd, schat het, lezer, hier in het duister, schat het, zoo gij, beter dan wij, dit artikel te prijzen weet, schat het op dezen onherbergzamen tochthoek!--zijn opgeraapt, men wil elk zijnen weg vervolgen!
Doch één der nieuwstaangekomenen slaakt eenen kreet, eenen kreet, die de haren te bergen doet rijzen, eenen kreet, die eenen sergeant, welke passeert, doet nader treden--"dit medaillon", roept de vreemdeling die hem slaakte, "deze dame, wie is het?"
"Mijne moeder!" antwoordde de jongeling--, en Hendrik Jan valt zijnen vader in de armen!--Wij hebben het recht niet, bij de eerste vreugde des wederziens tegenwoordig te zijn, wel, om het verhaal van den markies aan te hooren.
"Ik bewoonde het kasteel mijner vaderen met mijne gade, als op eenen dag--ach, nooit vergeet ik dien dag des onheils,--de abt Talleyrand mij met andere heeren bezocht; hij maakte eene snedige opmerking--ik vond geen repartie! Mijne eer was er mede gemoeid; de uren verliepen, de gasten waren vertrokken, de nacht verging, ach, mijn esprit liet mij volkomen in den steek! Ik kon Monsieur [1] zelf zoo spirituel, ik kon den abt, niet meer onder de oogen komen! De volgende morgen zag uwen vader vluchten, eenen banneling vóór de revolutie! Toen die uitbrak, verbrandde men mijn kasteel, uwe moeder stierf, U waande ik verloren!"
Vergeten wij het niet, de markies behoorde tot het wufte ancien régime, tot eenen tijd, waarin de fijne zet--het oorspronkelijk cynismus--het geslaagde bon-mot--oppermachtig den scepter zwaaiden!
"Arme vader! Uw Hendrik Jan leeft! Hoe was het bon-mot van Talleyrand? Ook ik ben Franschman vader!"
"Eilacy het is mij ontgaan! Doch ter zake! Dit is uwe nicht, Catharina. Ik rade u, elkaar te huwen. Aha, ik bespeure alreede", vervolgde de markies tot den sergeant, die dit tooneel met ontroering had bijgewoond, en die geen ander was, dan onze oude vriend Meester Jacob "dat komt in orde!" Daarop dong de markies plechtig, als vader van den jongeling, bij zichzelf als voogd der jonge dame, om hare hand en bewilligde die dan minzaam, en in de meest hoofsche termen.
Hendrik Jan wilde zich nu tot den Onbekende wenden, doch deze was verdwenen.
HOOFDSTUK VI.
"Zij steken de hoofden te zamen".
De Genestet.