Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Chapter 9
„Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing tusschen oom en neef voorkomen.
De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was, besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk niet goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had en... Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in ’t zelfde oogenblik lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg:
„Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet me dat niet zoo kwalijk nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum! zoo satansch kitteloorig was en....”
„Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig verdriet is, dat ze geen....”
„Akkoord, jongen! nou begrijp ik ’t, maar ’k wist het niet.—Zeg aan je „dot”, dat ’t me allemachtig spijt dat ’k haar hinderde; maar, goeie God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk is.—Kom! kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet altijd afstel; Sarah kreeg op ’r negentigste jaar nog wel ’n kleintje.—Ha! daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch niet boos op me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom ereis langs zij en laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, Frits.—Hè! dat doet ’n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je niet boos geweest?—Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te worden ook.—Nou! kinderen, ’t wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en compliment van oom Harmsen en als dàt nou ’t eenige is wat jelui ontbreekt, dan niet getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel ik je. Dag „dot”; niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik kom er wel uit.—’t Ga jelui goed; dag kinderen!”—en weg was oom Harmsen.
II.
Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen, als ’t kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de jonge vrouw, die ’t mocht bezitten.
En ’t kwam niet,—’t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren.
* * * * *
In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig en lang, maar altijd tevergeefs.
Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat ’t zóó was en niet anders, en dat ’t wel zoo verkieslijk was. Maar toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan, met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor Frits; hij had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig met het denkbeeld „geen kinderen te hebben” verzoend. ’t Verwonderde haar wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat zij er nog altijd onder leed.
En hij?—Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit met kinderen van anderen; ’t scheen zelfs alsof hij minder van kinderen hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig tegen Marie zeggen: „Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens meer aan kunnen wennen. ’t Is nog veel beter geen één, dan zoo’n half dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld.”
Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een paar malen gezegd: „Wat heb jij toch heerlijke kinderen!—Hum! ik zou misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo hard voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken, gingen altijd _te samen_ uit en kwamen altijd _samen_ weer te huis om, zonder dat zij ’t elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk zoo veel van elkaar hielden.
’t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan gewoonlijk min of meer despotisch regeert.
Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends, dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat noemt—„een aanspraak” hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan ook slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen en beantwoorden.
Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond.
Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl ’t regende dat ’t goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en, medelijdend van aard als hij was, ’t kleine diertje binnengebracht en aan de meid gegeven, om ’t in de keuken wat te doen opdrogen.
Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje „den leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen, om hem den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar ’t zou heel anders gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar opzag, als vroeg het bevend: „Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet besluiten om Jaantjes raad te volgen en „het mormel aan den dijk te zetten”. Integendeel zij bekeek „het mormel” oplettend, vond dat het aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om ’t arme dier weer in zijn vroegere ellende terug te stooten.
Frits had er niets tegen, dat ’t hondje bleef, en met onderling goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten, dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar den naam van „Bijou” te luisteren had.
De naam „Bijou” was een „bon mot” van Frits, die, toen hij lachend zijn toestemming gaf tot de opneming van ’t diertje, er bij had gevoegd: „Dan zou ik hem „Bijou” noemen, want ik geloof, dat hij een juweel van leelijkheid zal worden.”
Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat ’t nog nestharen waren, die ’t hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn naam alle eer zou aandoen.
Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, „dat ’t volk tegenwoordig maar persies deê wat ’t wou, en dat ’t voor een fersoenlijke dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de akefietjes van zoo’n mormeldier te moeten redderen.”
III.
Bijou was, ’t bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder plebeïschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit gekend—was vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die van een fik te stomp waren.
Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin, vooral ook omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen van Bijou op rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven. Niettegenstaande de tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond een weinig en wist hij zich door allerlei kleine, behendige greepjes in ’t hart van Marie en door den weeromstuit in dat van Frits een vaste plaats te veroveren.
Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was hij, bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op het punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter op den duur, zoo ook Bijou aan zijn halsband.
Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij ’t kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking van „’t half geschoren worden” had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond geworden, dat hij op een Zondagmiddag na ’t dessert aan oom Harmsen, die bij de Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld.
„Wel, oom!” vroeg Marie, toen Bijou de kamer intrippelde, „is ’t geen aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, hé! En schrander is hij, o!”
Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen „het aardige diertje” in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele haren naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken en zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de gedenkwaardige woorden uitte: „’t Is een monster!”
Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam Bijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half lachend, zei: „Kom jij maar hier, m’n beestje; ik vind je lief, hoor! Stoor je maar niet aan oom Bullebak!—Dáár heb je een koekje van de vrouw.”
Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat te lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: „Ieder zijn meug.”
’t Dient ter eere van Bijou gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van „de vrouw” te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij was, was ook hij en met stoïcijnsche gelatenheid liet hij zich herhaaldelijk van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij den sleep had aangepakt en zijn buit niet losliet, vóór hij holderdebolder zijn meesteres was nagekogeld.
Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op ’t kussen in de vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit voortbracht. In Maries schoot vergat Bijou gewoonlijk des avonds de vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals alleen een verwend schoothondje droomen kan.
Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even gek te worden op „’t monster”, dat van zijn kant die toenadering waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap „den baas” begroette als „de vrouw”.
„’t Is om je te bedoen,” verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid, tegen haar vertrouwelinge, de werkster: „daar zit me nou ’s middags dat mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig als ik hier voor je sta, m’n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond, maar nou moet ik, God beter’t, al een stoel voor ’m klaarzetten ’s middags. ’t Mankeert er nog maar aan, dat ’k voor ’m dekken moet ook.”
Inderdaad het was zoo, Bijou had het ver gebracht, zéér ver: hij zat deftig ’s middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; ’t was zoo grappig om te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn buren wendde. ’t Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen, die hem ’t eerst wat gaf.
Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die onvermoeid was in ’t dankbaar aannemen.
’t Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag kan bevatten, en Bijou was zóó dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn doodgebleven dan één enkele bete te weigeren, die Maries slanke vingers of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen naijver op te wekken zijn siësta beurtelings bij „den baas” en bij „de vrouw”, die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich geduldig onder zijn schepter kromden.
* * * * *
Bijou regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling, maar—niet overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier nul, want Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon „het mormel”, volgens haar eigen getuigenis, „niet luchten of zien, en zou hem”—’t waren haar eigen woorden—„wel ereis geknauwd hebben, als ze maar gedurfd had vanwegens ’t volk.” Was ’t alleen de herinnering aan de talrijke „akefietjes,” die Bijou haar eertijds bezorgd had, waardoor het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte? O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een geldiger oorzaak:—de cavalerie!
Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van den k’rnèl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van sterken drank, des Zondagsavonds, als ’t Jaantjes thuisblijfdag was, in de keuken mocht komen om....?
Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren, voornamelijk op avonden dat ’t stil is en rustig in huis en „’t volk” boven zit te schemeren.
Waarschijnlijk was het een gevolg van Bijou’s bloedmenging of een erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen afkeer had van de cavalerie-uniform. Reeds bij zijn eerste intrede in Stralings huis, in ’t prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de vetleeren laarzen van den „finaal-vrijen dragonder” aan te vliegen en daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen: „Geef hem ’n doodschop, Tienus!”
De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand grootmoedig, tilde Bijou eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in ’t kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter ontsnapping eindelijk huilend en jankend in ’t gruis ter ruste legde, om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op den hals te halen.
Bijou kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit vergeten; zijn hondenhart zon op wraak.
De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort, knorrig brommen, wanneer hij ’s Zondagsavonds de nadering van Jaantjes vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was.
Juist die „verraaierlijkheid” kon Jaantje niet verdragen, zij deed haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige malen door Bijou’s vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw „een compelement” had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de gepermitteerde in de keuken was geweest, ten einde zich over ettelijke kliekjes te ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held: „Tienus, als jij een kerel bent, dan draai je dien Judas van een Besjoe gewoon z’n nek om.”
„’k Zal ’m bij gelegenheid wel ereis waarnemen,” was ’t antwoord geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde, om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat „die stinkende hond” boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde te komen zien, of Bijoutje ’t weer bij ’t rechte eind had.
Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te blazen en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening: „Ziet uwé nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor niemendal?”
IV.
’t Was stil in Stralings woning; ’t had er iets van alsof er een doode in huis was,—zóó droevig zagen èn Marie èn Frits er uit. Zij zat met een bekommerd gelaat op de canapé in de huiskamer, en hij stond naast haar met zijn hoed op en een demi-saison aan.
„Niets? Heb je niets van hem gehoord,” vroeg Marie tragisch; en toen Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: „Niets, beste, niemendal,” zuchtte ’t lieve vrouwtje diep en smartelijk, terwijl ze zei: „Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is.”
Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde.
Sedert vier dagen was Bijou plotseling verdwenen, spoorloos verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran heengegaan. Waarheen?—Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was tot dusver zonder eenig gevolg gebleven.
Jaantje was, haar bekende afkeer van Bijou in aanmerking genomen, door Straling scherp verhoord en menig „’t is zonde, meheer” of „hoe kan uwee nou zoo ies veronderstellen” was met diepe verontwaardiging aan haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden, dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan Bijou’s raadselachtige verdwijning.
Met de hand op ’t hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: „’k Zal hier staande sterven, meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee alleen maar zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje uit de buurt stoeide, als ik ’m uitliet; maar met een woord van waarachtigheid kan ik u ook verzekeren, dat ’k hem juistement dáárom in den laatsten tijd nooit anders dan aan ’t touwetje heb uitgelaten.”
„En weet Tienus er niets van?” vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die onwillekeurig bij ’t noemen van dien naam de oogen neersloeg, doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met geweld haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den stoeren dragonder, Bijou’s antipathie, voor den geest.
„Tienus?” riep Jaantje bijna verontwaardigd. „Tienus, meheer! die is de goeïgheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an, die zou ’m subiet hebben weerom gebracht, als hij ’m iewers had ontmoet.”
Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond was en bleef weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder één enkel gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we over Bijou’s afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft wonderlijke gangen en ’t past den redelijken mensch niet om ’t redelooze dier te veroordeelen, dáár waar het zondigt—uit liefde.
Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de Stralings was komen aanwippen, werd—zooals vanzelf spreekt—het geheele verhaal van Bijou’s vlucht in geuren en kleuren door Marie medegedeeld en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de wangen van „’t dotje” vertoonde.
Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van ’s vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij er „waarlijk veel weet van had,” een verzekering, die oom Harmsens lippen in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man eindelijk in een hartelijk gelach deed uitbarsten.
„’t Is bij mijn ziel om te stikken,” riep de oude zeekapitein, terwijl hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. „Jelui bent allebei groote kinderen, hoor! ’t Is waarachtig alsof er een sterfgeval in de familie is: dáár zitten me nu twee groote menschen met gezichten van een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een schuinsmarscheerder, die ’t verzuipen niet waard is. Ben jelui wel goed frisch, allebei?—Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn poppetje; lach liever ereis mee om je eigen gekheid.”
„Ik heb zoo’n idee, dat hij t’ avond of te morgen wel terugkomt,” bracht Frits in ’t midden; maar oom viel hem in de rede, door aan Marie te vragen: „En zou je dan dien doordraaier weer in huis nemen?—Wat! zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo’n lieve dot was, zou ik je eens onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat, als je man je zoo’n poets bakte als nou dat kleine monster, je hem niet eens zoo dadelijk weer in genade zoudt aannemen!”
„Oom, oom! je slaat weer door,” riep Frits lachend, en Marie schoot insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een tragi-comische uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de woorden: „Ik zou in jou plaats in den zwaren rouw gaan.”
„Ouwe barbaar!” zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg, een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: „Met uw permissie, oom,” riep de vroolijke zeeman: „Zóó mag ik het zien. Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al wijzer wordt.—Kijk nu zoo’n paar lui eens aan: ze zouën waarachtig om zoo’n leelijk misbaksel van ’n hond vergeten, dat ze mekaâr nog hebben. Als één van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, à la bonne heure, dan zou ik ’t natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal ik je een van de mijne geven; ’k heb nog vier jonge fikken thuis,—mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie.”
* * * * *
Veertien dagen later verscheen Bijou op een morgen onverwachts aan de voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje met open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met den staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde, aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte een doordringend: „Daar is ie!—daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw beneden; Besjoe is weerom!”
Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende teederheid voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof „en négligé” de trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend ondier, dat kwispelstaartend, maar min of meer schuw—zelfs een hond heeft gewetenswroegingen—haar langzaam naderde.
Was dat Bijou?
„Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien,” zei Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den teruggekeerden vagebond oplettend beschouwde. „’k Zal ’m maar eerst meenemen naar de keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want uwee avontuurt, dat ie niet alleenig terugkomt. Kijk z’n oogen ereis, en z’n neus vol krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is ie mager geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt.”