Papieren Kinderen: novellen en schetsen

Chapter 8

Chapter 84,009 wordsPublic domain

De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht kermend: „Jezus-Maria-Joseph”, in den stoel terugzonk.

Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne Ildegard zweefde nader, ten einde papa’s kloppende slapen met wat Eau de Cologne te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op bevelenden toon zei: „Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: „Zulk een woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!”

Mama nam Ildegards plaats in en hielp haar gemaal bij ’t ontkleeden zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: „Zóó is ’t genoeg.—Ga nu eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.”

Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus ’t been, ’t heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met klem:

„Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.”

„Zoo! En die zijn, Dokter?”

„1º. Totale onderwerping aan het diëet, dat ik u voorschrijven zal.”

„2º. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch moed?”

Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij antwoordde:

„Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar dan onder chloroform, asjeblieft.”

„O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend.

Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; ’t sleutelplaatje viel plotseling neer voor ’t slot der porte-brisée, waardoor ten duidelijkste bleek, dat Ildegard uit de andere kamer door ’t sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en verstaan.

„Snijden?” vroeg de dokter lachend. „Geen kwestie van, Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. Mezger uit Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; _’t is het eenige middel_, waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.”

Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman, terwijl hij nog steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn baard bromde: „Anders niet? Maakt de kerel daar zoo’n drukte over?”—en luid voegde hij den dokter toe: „Dan maar dadelijk, Dokter; hoe eerder, hoe beter. Knijp dan maar!”

„Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw von Hattersdorff verschrikt vroeg: „Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?” viel hij haar lachend in de rede met: „Pardon! ik maak ’t me alleen maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo’n massage.” Druff knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg: „Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? ’k Gebruik anders cold cream, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....”

„O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig cold cream op haar toilet.—Ildegard! geef de cold cream eens!”

De porte-brisée werd zoover geopend, dat Ildegard, die nog voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de andere met het potje cold cream er in, om het hoekje kon steken, terwijl zij fluisterde: „Hier, Mama!”

„Als ’t u blieft, Dokter!”

„Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik zal u helpen; zoo!”

„Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!”

„Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!”

„Wil ik ook liever weggaan, Dokter?”

„Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....”

„Goed, Dokter; best!”

„Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr. Druff, terwijl hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef.

„Integendeel, dat doet me goed; ’t is aangenaam. Als je zóó doorgaat, Dokter, dan.... Au! Himmelhöllensakrement—Au!—Hou op!—Hou op! Neen, Dokter, zóó niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De Overste rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen der kunst.

„O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen kromde als een worm, dokter Druff zijn behandeling besloot met een allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten heup, zoodat de patiënt bijna opsprong en brulde: „Gottsdonnerwetter, dat is àl te erg!”

„’t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en wischte zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen.

„O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer zoover was aangekleed, dat Ildegard, zonder schaamrood te worden, haar papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk:

„Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! ’t is geen aangename gewaarwording, Overste; maar ’t eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw diëet praten.”

Met matte stem antwoordde de Freiherr:

„’k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! ’t was of ik sterven zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandeling de ware is; ’t is alsof ik nu al een weinig soulagement gevoel!—En wat moet ik nu al zoo vermijden, Dokter?”

„Alles, Overste!”

„Alles?—Hongerlijden?”

„Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr. Druff. „Neen! zóó erg is ’t niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water kan u drinken ad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diëet gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer, dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert, terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.”

„Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, „dat is heel erg, Dokter!”

„Ischias is nog veel erger, Overste!”

„’t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn; ’k zal doen wat u zegt.”

„U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: finis coronat opus.”

„Blijf me met dat potjes-latijn van ’t lijf, Dokter! Dat versta ik niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden door die ranselpartij.”

„Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde hij: „Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest, _moet_—en hij drukte op dat woord—_moet_ u zorgen, dat de Overste zijn diëet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw dochter?”

„Neen, Dokter, nooit!”

„Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr. Druff nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot eensklaps den inhoud uit ’t venster in den tuin—„verwijderen.—Adieu! Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen.”

Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen dan te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in zichzelven: „’n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn behandeling mij wel zal bevallen; maar die ééne slag was—hum!—zoo—hum! voor een officier zoo vernederend.”

Voordat Dr. Druff het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met Ildegard en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden.

Op mevrouws vraag: „Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde hij met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien dagen.

III.

Geregeld elken dag, ’s morgens om tien uren verscheen de medicus in het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen.

Hoeveel „Donnerwetters” en „Sakkrrrements” de oude krijgsheld in de wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: „Die Druff is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. En weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien laatsten, geweldigen slag, dien hij me na elke massage op mijn—hum!—op mijn—hum! geeft. ’t Is alsof de vent een os dollen wil! Die ééne vervloekte slag gaat me door merg en been.”

„Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, „’t is verschrikkelijk—ik kan er ten minste niet meer naar zien; ’t is heusch, alsof Dr. Druff al zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...”

„Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; ’t is dan ook alsof er een stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu laat welgevallen, omdat ik _moet_, omdat ik aan dien Druff op genade of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen dag iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste zette een gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één grooten hap had willen verslinden—„anders zou ik bij hoog en bij laag—me zoo’n vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den d—nder niet.”

„Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat’s niet fijn”, riep Ildegard verbleekend.

„Neen! zoo’n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er aan denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!”

„Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet ’t toch uit bestwil, omdat ’t noodig is voor...”

„Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn; in mijn heup zit het, nergens anders...”

„Och, papa! ’t is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.”

„Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag in, dag uit, een slag op uw...”

„O, foei! papa, wat ’n ordinaire suppositie.”

Ildegard keerde zich verontwaardigd om.

„Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er samen eens met den Dokter over spreken—niet waar, Ildegard?”

„Spreekt u er liever alléén over, mama!”

„Nu, goed, dan zal ik ’t doen—ik durf wel.”

* * * * *

Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een oogenblik met Dr. Druff alleen was: „Dokter, is die laatste slag bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?”

Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr. Druff: „Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; ’t is wel onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe.

Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk papa’s lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame van haar kennis, in ’t zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd: „Dokter, ’t is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papa wordt er zoo door gedépraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat men bij een massagekuur den patiënt zoo’n verschrikkelijken slag op, hum—” zij durfde ’t eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus blozend: „op de heup toedient?”

Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: „Neen, Freule, gewoonlijk niet. ’t Is wel zonderling, maar mijn collega Druff is een door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal ’t dus bepaald noodig oordeelen voor ’t heil van uw papa.”

Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste, door eenstemmig te verklaren, dat zij ’t volste vertrouwen in Dr. Druff hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en noodig voor hem was.

* * * * *

Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen.

„Overste!” zei Dr. Druff na den achttienden dag, „ik kom afscheid van u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u tevreden?”

„Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden kerel weer een jongen vent gemaakt.”

Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: „O, Dokter! nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!”

Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen, fluisterde zachtkens:

„O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen: „Spreek met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word voor eeuwig Frau Doctorin....”

„Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen, Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte.

„O, Dokter!” klonk het in trio.

„Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid te wenschen.”

„Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij: „Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen zenden, want ik reis spoedig naar huis?”

„Mijn declaratie?” vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen kon.

„Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik u schuldig ben....” antwoordde de Freiherr.

„Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.”

„Wa-a-at?”

„Wij zijn nu quitte, Overste.”

Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: „De arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij ’t hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: „Quitte? Hoe—be-doelt u dat?”

„Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?”

„U, Dokter?—’k Had vóór deze dagen nog nooit de eer....”

„Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff; ik heb in ’70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig recruut en vrij weerspannig. ’t Ging streng toe in den oorlogstijd, en daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...”

„Alle donders!” riep de Overste, opspringend, „’t is waar; nu herinner ik mij: ’t was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen surveilleerden.”

„Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn betrekkelijk klein vergrijp; maar ’t was oorlogstijd, en daarom heb ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.”

Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen ’t dikste gedeelte der heup wreef: „Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we quitte!”

„Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel en, naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—sans rancune!”

Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit.

„Bombenschwerenoth!” riep de Overste lachend, „wat een kranige vent! Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—„’n beetje minder hard had hij toch wel kunnen slaan!”

_BIJOU_.

_BIJOU_.

I.

’t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen.

Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige helderblauwe oogen in de wereld had gekeken.

Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature „sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg tot een gezellig „embonpoint”—in de verre toekomst verrieden.

Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die ’t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek zien, wanneer ’t een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie was „een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein telkens tegen Frits, haar man, beweerde.

Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van „’n schoone kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen.

Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes, voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij Marie in den volsten zin des woords „vergoodde.”

* * * * *

„Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een dag, dat hij de Stralings bezocht en ’t echtpaar met een breeden genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: „’k Heb van mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen, zie je, maar zóó als jullie hebben wij ’t toch nooit beetgehad.”

Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman „op” en antwoordde lachend:

„Ja, maar tante Jans was ook zoo’n dot niet als mijn Marie. Was ze wel, oom?”

„Nou, dat ’s maar zooals je ’t nemen wilt, jongen,” zeide oom; „’t was een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat ’s nog wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er bij: „Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn wijf zoo’n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He! Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk.”

„Oom, oom, ’t loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer wilde verlaten, om terug te komen.

„Wàt, wàt? ’t Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie, geef me maar een hand; ik ben ’n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik meen ’t goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als _ik_ jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven laten,—om den dood niet.”

„Maar, oom! foei wat ’n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend.

„Gekheid! ik bedoel immers niet, dat ’t aan jou zou gelegen hebben, maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me wel, jongen!”

Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te geven, door te zeggen: „Jelui woont hier toch als in Abrams schoot, hoor!—eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die ’t breed heeft, laat ’t breed hangen. ’t Is tegenwoordig ’n heel andere thee dan vroeger. Toen ik met m’n Jans onder zeil ging, was ik machtig blij, dat ’k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie kooi voor mij en m’n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie Gods een canapé; een latafel en een chiffonnière voor de losse bagage; een pot en een pan,—en klaar was Kees!”

„Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer comfort en....”

„Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, ’t is allemaal gekheid; zooals ’n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten niet beter of ’t hoorde zóó.—Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo’n paar flinke gezonde lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral m’n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... Hè?”

Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering, dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits, die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: „Kom, Marie! wees niet dwaas; trek je zoo’n grof woord van oom Harmsen niet zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal hem....”