Papieren Kinderen: novellen en schetsen

Chapter 7

Chapter 74,000 wordsPublic domain

„Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, ’k heb gauw een vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te zijn dat hij goed thuis kwam.”

„Zei hij nog wat Hostein?”

„Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.”

„Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder.”

„Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als ’t hem troosten kan, dat ik, globaal berekend, behalve ’t voorschot dat hij ontving, een zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden die jelui hebt, is ’t toch een kleine achthonderd, die hij in ’t handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man in ’s hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! ’t Zal weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.”

VII.

De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In ’t oosten kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn en leven.

Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen vergaan.

* * * * *

In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over ’t bed, waarop Annette in diepen slaap verzonken ligt.

Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.

Voor ’t bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend, ligt Walten, nog in ’t kostuum van den „vrek”, onbewegelijk stil. Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er niet van.

De zon komt hooger, ’t wordt al lichter en lichter; de schoone, frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t’huiskomst, in der haast neergeworpen.

Zóó was het ook.

Terwijl alles op ’t tooneel in rep en roep was en Walten alleen in Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd, dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, ’t klamme zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte. Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: „Hij, Walten! de eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor altijd!” Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor ’t hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den schouwburg verlaten.

Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij ’t eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een „van harte ’t beste meheer Walten!”

Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.

De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met olie brandend, op tafel stond.

Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem lodderig aan en vroeg: „Is uwes daar; veel pleizier gehad?”

Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: „Je kunt—wel heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij schaamde zich voor die vrouw!

Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen bleef hij een oogenblik gebogen staan over ’t bed, kuste zijn dochter zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de knieën voor ’t ledikant.

„Morgen heb ik toch ’t geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte zijn brandende oogen tegen haar op ’t dek rustende hand.

Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee, drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.

Zóó bleef hij liggen.

’t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in ’t glas was verbrand, ’t pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het, met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door ’t vertrek—en toen ging ’t uit.

Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer; hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.

„Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in ’t duister met haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: „Slaap je, vader?”

Geen antwoord.

„Och! hij slaapt,” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en dommelde weer in.

* * * * *

„Niet ankomme! M’n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat ’n geval,” roept juffrouw Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren in Waltens kamer staat bij ’t bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk in dezelfde houding, ligt.

’t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast, met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.

„Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel ’n kouwe voete krijge,” zegt een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt Netjes voeten daarin, met de woorden: „Hoe kan je zoo’n schepsel nou zóó op ’n stoel zetten?”

„’k Was al blij, dat ze zat; ’t was me ook een geschiedenis,” antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: „Zit je zóó goed, kind?”

„Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe, dat ie....”

„Blijf jelui nou toch met je handen van ’m af! Hij mot blijve legge zoo as ie leit, anders heb je ’r gedoe mee. Is er nou al iemand om de polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters.

„Jawel! Pieterse haalt ’n agent,” antwoordt de werkster.

„Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op ’t bed legge of op ’n stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept dadelijk: „Hoor die dikke nou? Wel nee! da’s teugens de wet!”

„Maar ’k zou toch zeggen, dat....”

„Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de schrik zit me nog in me knieën.” Juffrouw Daters gaat even op een stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken: „Wat zeg jelui er wel van? Wat ken ’n mensch er toch gauw uit weze!”

Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en daardoor onverstaanbaar, geven ’t antwoord op juffrouw Daters’ vraag.

„Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die mooiïgheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die doodkalm antwoord: „’t Is wat moois, ’t lijkt wel niks.”

„O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling bij de deur.

De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend, duwend en vloekend op de trap en in ’t portaal verdringen, komen de kamer in.

„Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen.

„Wat is hier te doen?” vraagt de politieman.

„’n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig voegt zij er bij: „Zóó morsdood naast ’t bed gevonde bij dat gekke mensch; we binne d’r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei.”

„Hoe lang ben jelui hier al?”

„’n Groot kertier, meheer!”

„En heb jelui dien man zóó laten liggen?”

„We hebben d’r geen hand an gehad!”

„Dat’s dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!”

„Niet? Nou, as ’n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer staat. „’k Heb ’m evetjes over z’n hoofd gevoeld en an z’n hande gepakt: hij is al koud en stijf.”

„Allo! pak eens meê aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op ’t bed neer te leggen.

„Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas, terwijl hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt, terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen.

„Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn gezicht vrij.”

„Hij is dood, meheer de agent, ’k versikureer ’t je. ’k Heb zooveel dooien gezien van m’n leven. Dek z’n gezicht maar gerust toe,” antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van ’t laken over ’t gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu ’t volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt, door ’t „schmink” en de onafgewasschen grimeerlijnen.

„Wat ziet ie er raar uit: z’n gezicht is beschilderd!” roept er een uit den hoop.

„Wie is ’t?” vraagt de agent.

„Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas. „Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van Annette staande, zwijgend toekijkt, „zeg! jij zelt er wel ’t fijne van weten?”

„’k Zal ’t uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en tot een van de buren gewend: „Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik zeggen wat ’r gebeurd is.”

„Wie ben jij?”

„Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had z’n benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin ’r nog besturve van; zoo’n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo sebiet is toch....”

„Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat ’r gebeurd is.”

Niemand verroert zich, want allen willen hooren „hoe ’t geval eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: „Allo, gauw!” en een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: „Ga jij dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.”

Brommend verwijdert zich de man.

„En nou verder. Hoe heet jij?”

„Ikke? Grietje Bruin!”

De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt zij angstig: „Ik kan d’r toch geen kwaad bij?”

„Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor ’t proces-verbaal.”

„’k Weet van die dinge niet af, want ’k bin ’n fatsoenlijke vrouw, ziet uwee, en ik zal met ’n woord van waarachtigheid getuige wat ’k gezien heb.”

„Vooruit dan, vrouwtje!”

„Van morgen was ik ’n beetje later dan anders, ’k heb zelf nog ’n huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges ’n uur of twalef, en ik dacht ook zoo bij m’n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest van z’n benefiesie en zal misschien ’n glaassie wijn gedronke hebbe: hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig gelijk met Pietersen, hier voor de deur.”

„Ho! Pietersen, wie is dat?”

„Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: „Hij is ’n mirakel van ’n vent, ’n sefleur, en....”

„Stilte! laat die vrouw verder vertellen.”

„Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m’n drie gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was ’t mooi? zeg ik zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? ’t Was ’n... Nou, toen zei ie ’n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt hij an. Ook geen antwoord. ’k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei sliepe.—’k Vond ’t wel raar, dat ie nog zóó in z’n konstuum lei, maar ik dacht er niks niet bij.”

„Verder!”

„Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, ’t is twalef uur. Maar zij werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d’r posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork ’t ’t eerst en zei weer wat op z’n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit z’n lije. Z’n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit ze nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide ’t raam ope, om de bure te roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.”

„Zoo! en waar is die man dan nu?”

„Da’ kan ’k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid weggeloope, of uit z’n eige zelve naar ’n dokter gegaan.—Pieterse is nogal gevat, weet u?”

* * * * *

Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: „Menschen, gaat wat op zij; daar komt ’n dokter an. Laat de heeren passeeren!”

Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.

Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat ’t bed nadert, waarop Walten is neêrgelegd.

„Hou jelui stil—St!—’t is de dokter”, zeggen fluisterend eenige buren.

Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te hebben geworpen, kortaf zegt: „Dood?”

Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik op den „Harpagon” van gisteren neerziet:

„Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien overleden.”

„Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich de tranen van de wangen.

„’k Vermoed een plotselinge stilstand van ’t hart, hij heeft NIET geleden.”

„Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht:

„_Hij is op ’t veld van eer in ’t harrenas gestorven._”[1]

[1] Vondel, Gijsbrecht.

—„Arme ouwe vrind!”

Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig naar den doode en fluistert: „Den krans van gisterenavond zullen we nu toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op Annette—worden?”

„Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand op ’t lijk—„hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.”

EEN MASSAGEKUUR.

EEN MASSAGEKUUR.

I.

Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrück was met een tamelijk goed pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente „Frau Gemahlin” en zijn „Fräulein Tochter,” een spichtige, achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn pijnlijke kwaal te vinden.

Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den „Kochbrunnen” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een „Himmeldonnerwetter” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vóórdat de klok in de Kurhalle acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en Beiersch bier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere teug de woorden: „Grässlich,” „Abscheulich” of „Verdammtes Zeug” te doen hooren.

Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo’s aan gewicht te verliezen; en „Fräulein Tochter” slurpte met een paar bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat, omdat zij wel eens had gehoord, dat ’t Wiesbadener water dikker maakte en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte.

’t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte, want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na ’t gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan naar de beroemde table-d’hôte in ’t Hôtel Dahlheim. Met een zucht van verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van allerlei spijs en gebraad.

Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden „Hôtel Garni”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table d’hôte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was ’t dan ook maar om den hôtelier de eer te geven die hem toekwam.

Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte en gebraden spijs. Papa, die waarschijnlijk het geldelijke evenwicht voor den hôtelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte, dat „der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der Kanone teufelmässig, niederträchtig gemeines Zeug” was.

Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden Bourgogne en geholpen door een Hochheimer-mousseux, waarvan Mama en dochter echter ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met Nuits, Château la Rose of Johannisberger, die hem na ’t diner steeds een hoogere gelaatskleur, een slaapje en bij ’t ontwaken een knorrige luim bezorgden.

’t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor ’t in- en uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van zijn vrienden Bourgogne en Rijnwijn, om weerom te komen, niet weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien table d’hôte, op een morgen in zijn kamer „als een blok” in zijn stoel en met zijn hand op de heup te kermen.

Een dag later brulde en tierde hij zóó geweldig, dat Mama uit medelijden tranen met tuiten huilde en Fräulein Tochter het op haar zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg onfatsoenlijk te vinden.

„Himmelhöllenhund Sakrement! dat’s te erg. Schwefelelement! laat een dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor zijn bataillon.

„Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw.

„’t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo’n ouwen pruik, zoo’n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een specialiteit heb... Au! Schwerenoth! ’k word nog gek van de pijn. O, sakkrrrement! die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde:

„O! papa, u bezondigt je heusch!”

„Dat’s wel mogelijk!—maar ’t kan me niet schelen. Au! Himmeldonnerwetter!”

Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den besten dokter te doen roepen.

* * * * *

Een paar passen verder in de straat dan het Hôtel Garni stond op een koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis:

„Dr. Otto Druff, Special-Artz für Massage, etc.”

De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem op zijn vraag: „Dokter, of u dadelijk in ons Hôtel wil komen? Overste von Hattersdorff zu Wiesenbrück, heeft zoo’n verschrikkelijken aanval van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde:

„Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: „Ik versta je immers goed: ’t is Overste von Hattersdorff?” schitterde er plotseling iets in het oog van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden, indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder edele aandoening verheven zijn.

„Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste.”

„Uitstekend, Dokter!”

II.

Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26.

Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: „Binnen!”

Op den drempel verscheen de dokter en boog.

„O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als ’t u blieft! O, mijn man heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: „Mijn dochter Ildegard,—ook ’n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend en erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.”

De dokter boog even voor de spichtige Ildegard, die zeer voornaam een nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een schaamachtig onderzoekenden blik op Dr. Otto Druff sloeg, zuchtte zij in stilte: „O! wat ’n lief mensch schijnt dat te zijn.”

„Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.”

„Gaarne, Mevrouw!”

De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde, vloekte en raasde afwisselend.

„Herr Oberst!”

„Herr Doktor!”

Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje boosaardigheid weer een ondeelbaar oogenblik in des dokters oogen en bewogen zijn lippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met deelnemende stem vroeg:

„U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?”

„O! om er helsch van te worden, Dokter!”

„Maar lieve man!”

„O foei, Papa!”

„Wees zoo goed eens even op te staan.”

„Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man! ben je dol? en herhaalde: „Opstaan?—Onmogelijk!”

„’t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en klagend werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog, totdat hij met dikke angstdroppels op ’t voorhoofd, op één been balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus smeekend aanzag.