Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Chapter 6
„’k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren streek. „Maar komaan, ’t is eenmaal de traditie zóó!” Hij zette de pruik op en „schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige wangen. „’k Ben sedert drie dagen niet geschoren. ’k Heb ’t glad vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: „’t Past nu goed in de rol; hum! ik zal....”
„Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein hem een glas melk met geklutste eieren voor.
„Je bent toch een goeie kerel, Willem!”
„Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel rum in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.”
Onder ’t drinken even ophoudend, zei Walten: „Ik kan ’t haast niet inkrijgen; ’t is alsof ik ’n stuk in mijn keel heb, dat ’k niet doorslikken kan.”
„Kom, kom! allemaal gekheid! ’t Moet erin.”
„Heelemaal?”
„Achter elkaar, anders helpt ’t niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je heelemaal. ’k Heb zoo’n voorgevoel, dat je van avond een succes zult hebben.”
Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar ’t goede hart, dat hij zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. „Hum!” ging hij voort, „ik heb van morgen nog van Schröder gedaan weten te krijgen, dat de souffleur vanavond vrijaf heeft.”
„Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend bijvoegde: „We spelen „De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven, zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat....”
„Hè, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend.
„En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl hij „Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij: „Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—’k ben van jou school, papa Walten—maar ik heb van Schröder gedaan gekregen, dat Pietersen van avond souffleert.”
„Pietersen?”
„Ja! ’k Heb ’t om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en ik dacht....”
„Dank je, Willem! Ja, ’t is waar—’k heb hèm liever als dien anderen; hij kent me beter. Maar.... zeg?”
„Wat?”
„Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles gedaan is?”
„’t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!”
„Daar wordt geklopt, Hostein.”
„Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes vriendelijke stem.
„Entrez!”
Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer in en wendde zich tot Walten, met de woorden: „’k Wou eens even komen kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat ’t weer mis is bij je thuis. ’n Ellendige historie voor je, arme vent! En is ze nu alleen?”
„Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.” fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe.
„Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?”
„Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.”
„O!—En?”
„Die blijft totdat ik terugkom van avond.”
„Goed!—Jongens, jongens! wat ’n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je nog eens goed, hé? Heb je al door ’t scherm gekeken? ’t Is stampvol. De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je nu van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! „Heb ik me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, ’k doe ’t voor jou; anders speelde ik „de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed, hoor!—Heb je vandaag nog kunnen leeren?”
„Ik?—Groote God! wat ’n vraag!”
„Och, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar hengelen,[1] ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd, maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag uitdrukte: „Hoe zal dat afloopen?”
[1] Op den souffleur spelen.
„’k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de kleedkamers loopend, riep: „Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den aanvang!”
Vóór het gewone: „_van ’t tooneel_” en „_aan ’t gordijn!_” van den inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even de hand, klopte hem op den schouder en zei: „Wees nu maar kalm en bedaard. Hoe is ’t mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo’n ouwe „troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan ’t eind van ’t tweede bedrijf bij je „sortie” nog even ’t hoofd om de deur steekt, om me „_tot wederziens_” toe te roepen; dan kan ik beter mijn claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de verte toeroep:
„_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!_”—Denk er asjeblieft om, want op de repititie heb je ’t telkens vergeten. En nu: goed succes.—O ja! nog iets, in ’t vierde bedrijf, wanneer ik dat gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik „af” moet, nog even terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,—je maakt zoo’n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een woedend gezicht en maak nog een nijdige „dienaresse”; daar heeft ’t publiek pret in, begrijp je? ’t Is anders zoo’n ellendige „sortie”, zóó mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar komt; en ik _wil_ applaus hebben van avond, alléén omdat Andrée ’t bepaald _niet_ krijgt in haar rol als Elize.—’t Verwondert me nog, dat ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen, vat je?”
Daar klonk op eens het schelletje en de roep „Halen!” ’t Scherm ging omhoog en ’t stuk was begonnen.
* * * * *
’t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het „schellinkie” en „de tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk „De Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren.
Misschien ook heeft Waltens naam op ’t affiche—men had hem immers vroeger, toen hij nog in zijn kermistent „alles” speelde, zoowel in „Rolla”, als in „de komiekigheid” bewonderd—er ’t meest toe bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten.
Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de hand van den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich toefluisteren: „Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk aan u.”
’t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter de schermen moet spreken, pakt „Laflèche”, die naast hem wacht, bij den schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en—dan draait en duizelt alles hem voor de oogen.
Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de woorden: „_Voort! ’t huis uit, zonder tegenspraak, op ’t oogenblik, voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!_” waarmee zijn rol begint in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt, verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn geluid reeds is bij dien eersten volzin.
Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare handen op ’t tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor gezorgd, omdat zij meende: „’t Zal den ouwen stumperd een riem onder ’t hart steken, als hij goed wordt ontvangen.”
Het „Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor ’t publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige „St! St’s” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op, ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en voor eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende; de artist in hem wordt wakker—hij is „Harpagon de Vrek!”
Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met grappige verwondering uitroept:
„_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen zijn ’t; de politie moest zulke zakken verbieden,_”
Gaat er een luid gelach op uit ’t parterre.
„Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: „Ja, maar hij spreekt toch erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je ’m niet.”
„Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch dadelijk „den artist””, zegt in de stalles de verslaggever van een der bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend antwoordt
„’t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog zóó natuurlijk, bepaald alsof ’t geheel en al zijn eigen gezicht is. Kijkt u zelf maar eens, meneer!”
„’k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe tooneelrot”, zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die naast haar staande, achter „den manteau d’arlequin”[1] verborgen, evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat.
[1] De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is.
„’t Valt me geducht mee”, antwoordt Schröder en klapt met zijn rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch gezegde woorden: „_Wat ’n juweel van ’n knecht!—’n Gelukkig mensch, die er zóó een heeft en zóó goedkoop._”
VI.
In ’t derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: „Hij is totaal op, méér dan op” en van „’t Schellinkie” klinkt nu en dan een afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor hun geld.
„Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met minder toegefelijkheid dan ’t overige publiek, opmerkt, dat Walten zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten.
Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem, zooals men dat noemt, „er door te sleepen”, ’t baat niet; hij raakt hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in ’t geheel niet meer wat hij zeggen moet.
Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een vergefelijk iets voor iemand van haar talent en temperament—eenigszins knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten geheel en al vergeet, haar aan ’t einde van dat tooneel terug te roepen. Daardoor mist zij het applausje dat zij begeert en zegt zij in zich zelf: „’t Is een treurige boel,—’k heb geen lust om er verder naar te zien.”
In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend:
„_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben bestolen!_” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt het tooneel op.
Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen wil om den schuldige te ontdekken.
Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: „_Ik ben bestolen. Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of ’k mezelf pakken moet of een ander en...._” Plotseling blijft hij stokstijf stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand die door een hevigen schrik bevangen wordt.
* * * * *
„Dat speelt hij waarlijk niet slecht; ’t is wel een zonderlinge opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends in” zegt fluisterend een dame in ’t balcon tot een heer naast haar, die even zachtjes antwoordt: „Ik geloof bepaald dat hij blijft steken, mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.”
„Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de woorden souffleert: „_nu is het uit met mij; uit, gedaan!_”
„’t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op smartelijken toon herhaalt. „_Nu is het uit met mij._”
„Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan ’t niet langer aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op haar programma blijft kijken.
Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van ’t hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.
„Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van „’t schellinkie” iemand die, in die akelig wanhopende beweging „spel” meent te zien en als Walten nogmaals dof en droevig herhaalt: „_uit! uit!_” klinken zelfs een paar bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.
’t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en ’t komt zoo in de rol te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de ontdekking dat ’t zuiver „natuur” is wat het aanschouwt.
Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in ’t souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor ’t hoofd.
’t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes zegt hij: „Enfoncé mon Directeur” en, zich zoo ver mogelijk oprichtend, roept hij, halfluid: „Walten! Walten! luister dan toch:—_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat ’t weg is_—alles is weg!”
„_Weg! alles is weg!_” herhaalt de oude man en als versteend blijft hij staan, vlak voor ’t voetlicht; hij beeft aan alle leden.
Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.
’t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die, wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat, allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend uitroept: „ik ben alles kwijt, alles vergeten!”
„Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een beschonkene heen en weder.
„Hij is vet”, roept er een van ’t „schellinkie.”
„Hij heit ’em om, hoor!” gilt een ander.
Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat zich met de pruik herhaaldelijk in ’t gelaat en is op het punt van neer te vallen op ’t tooneel.
De muzikanten staan op in ’t orchest, en rekken de halzen uit om te zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. ’t Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle toeschouwers komt—’t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder gebeuren zal.
* * * * *
„Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige stem een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem onder de armen vast te houden en van ’t tooneel te brengen.
Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts, met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen „den beneficiant”, die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht, is neêrgevallen.
Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand, krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen, vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze haren die zijn kruin bedekken.
„Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, ’t is het sein voor ’t begin van ’t 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer wordt gegeven.
„God! ’t vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen voor de oogen slaat.
„Klaar voor ’t vijfde?” roept een stem uit de verte.
„Neen! neen!” schreeuwt Laflèche terug. „’t Doek moet vallen, roep den inspiciënt!”
Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn omgeving.
Als ’t beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten met onverschillige, oogen aanstaren.
Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld en allen vragen dooréén: „Wat is er? Wat is er gebeurd?”
Er heerscht op ’t tooneel een verwarring, die zich allengs verder uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig aanloopen, terwijl hij vraagt: „Is er iets niet in orde?”
„Laat ’t scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als vernietigd.
„Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: „Doek vallen, dadelijk! En ’t orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan worden!”
„Hij was niet meer te redden,” fluistert Laflèche, zijn plaats bij Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig, in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen.
„Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg ’t mij maar? Stumperd, snik zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet rusten.
Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van mevrouw Grootes stem. „Kom!” herhaalt zij, „huil zoo niet, ouwe vrind; kom ’t zal wel zoo erg niet wezen.”
„Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man zijn armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, zenuwachtig schokkend, heen en weer.
„Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu ook nog gebeuren op je ouwen dag?”
„O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen, applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.
„Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de Directeur. „Hoor ’t publiek eens aangaan.”
Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt.
Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: „Luister er maar niet naar, m’n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé? Maar ’t kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.”
Plotseling richt Walten zich op. „’k Moet ’t toch uit—spelen—ik moet, ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles is weg!”
„Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—„Luister!—Hostein is voor ’t voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door een plotselinge ongesteldheid bent overvallen, ’t gevolg van treurige familie-omstandigheden.—Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes. Zie je, dat wil zeggen: Och! dat’s ongelukkig. Neen, hou nou op met schreien, dàt kan ik niet zien. Och! ’t is zoo erg niet, Walten, zoo iets is immers wel meer gebeurd.”
„Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de handen voor ’t gelaat.
De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van „De Vrek” kent, verklaart zich oogenblikkelijk bereid „Harpagon” verder te spelen.
[1] Achter de schermen aanwezig.
In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als ’t gaat gecostumeerd en gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze doen of laten moeten, wordt ’t laatste bedrijf afgespeeld.
* * * * *
’t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had „de annonce” met een gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig bijvalsbetoon aan ’t eind van ’t stuk den Directeur aanleiding gaf om tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler aanzag, te zeggen: „Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik dacht; we zullen hem in de volgende maand „De Vrek” eens geheel en al laten spelen.”
Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den Schouwburg, want een nastukje met „één gelezen rol[1]” er in, is niet aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw Groote, die de „Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was niet voldoende om het blijspel te redden.
[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest.
Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.
„Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen”, zei Schröder, en Hostein voegde er met een weemoedigen blik bij: „Wat ’n eind voor ’n artist; ’t is om ’t te besterven!”
„Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. „We hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; ’t zou zoo’n aardige kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, hé, Schröder?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en vroeg toen aan Hostein: „Zou je ’t couvert er maar niet zoolang afnemen. Er zit ’n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij mekaâr geklopt.”
„Geef maar hier Hostein, dan zal ik ’t zoolang in mijn brandkast sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans en ’t couvert te geven, hé?—’n Kleine troost voor zoo’n grooten val! A propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?”
„Een van de tooneelknechts.”
„O, Zoo!”
„Waarom deed jij zelf ’t niet even Hostein?”
„M’n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; ’t was hier zoo’n eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes uitgeknepen.”
„Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,’k moest me kleeden voor ’t nastukje.—Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?”