Papieren Kinderen: novellen en schetsen

Chapter 5

Chapter 54,045 wordsPublic domain

„Neen, mevrouw, ’t is onmogelijk.—Aannemen!”

„Wou je nog iets gebruiken?”

„Neen!—U?”

„Ik ben voldaan!”

„Ik ook.—Hoeveel is ’t, Jan?”

„Twee gulden zeventig, meneer!”

„Hier, wissel me dat bankje eens; ’n dubbeltje voor jou.”

„Maar, Walten, wat doe je?”

„Ik betaal, mevrouw!”

„Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?”

„De eer aangedaan met mij koffie te drinken.”

„Goeie hemel! wat ’n vent!”

„Ik ken Goddank m’n wereld nog wel, mevrouw!”

„Je bent ’n gek, ’n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch ben je n’ aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je huis gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.”

„’t Kan niet, waarachtig niet!”

Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling: „Kom! ’t is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.”

Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: „Ja, dat’s waar, dàt doet ze eenig; maar—van wien heeft u ’t gehoord?”

„Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van Pietersen, den souffleur.”

Walten heeft ’t oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: „Ja, dat kan wel; die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was. ’n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!”

„Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op Waltens arm. „Dat pleiziertje doe je me wel, hé?”

„Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—„dat was vroeger; nu doet ze ’t niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!”

„Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol zei of een fragment en....”

„Neen! alleen als ze....”

Mevrouw Groote ziet hem zóó medelijdend en met een licht hoofdschudden aan, dat hij onwillekeurig zwijgt.

„Laat me haar toch maar eens zien, Walten!”

„’t Is zoo’n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo’n hevigen aanval heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekaâr; en je _moet_ ’t kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt, met zoo’n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....”

„Wat ’n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot in dat kleine gebouwtje „de Variétés” speelden; ik was toen negentien en pas bij ’t vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om complimenten te maken.”

„Nu, dan in Godsnaam, omdat u ’t _wil_!”

IV.

’t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want ’t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht zwaar.

„Oude heer,” had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem gemoedelijk op den schouder klopte, „ik vertrouw, dat je ’t verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me, wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de lijst laat aanbieden.” Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op Waltens gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen hij zoo ondoordacht zei: „Wanneer ze jou zien.”

’t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.

Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. ’t Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en verviel; de vermoeienis van ’t loopen bracht er misschien ook nog toe bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk ’t ook scheen, toch volkomen geschikt was om medelijden op te wekken.

De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van ’t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee hij zijn korte aanspraak bij ’t aanbieden van de benefiet-lijst begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.

* * * * *

Over ’t algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn: „Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”, bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden. Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel dáár waar hij die ’t minste verwacht had. Oude goede kennissen, begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening op of gaven door een kort: „’k Heb al TE VEEL van die dingen aan de hand” te kennen, dat ze „er niet aan deden”. Een rijk geworden kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van „de kunst” te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en zei: „Wel, wel! ben jij nou Walten?—Manlief, ’t doet me plezier, dat ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om jou motte lache, m’n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; ’k zal je maar vooruit betale, want om de duite is ’t toch te doen. Dat ’s nege rikse, hé? Daar heb je een bankie van ƒ25.—; voor dat ééne achterwiel, dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, hoor!”

O! ’t was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die ’t hart zoo hoog droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar——’t was vijf en twintig gulden op eens, en—hij was zoo moe van ’t loopen, van ’t vragen. „’t Schijnt bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem ’t bloed naar ’t hoofd schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te uiten.

Hier en daar werd hij kortaf met: „Dank je, ik zal er niet van profiteeren,” afgewezen; ’t deed hem minder smartelijk aan dan de woordenrijkheid van „den ploert,” die zoo royaal was.

Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend, op zijn vraag antwoordde: „Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou ’t u niet vergeven hebben, als u mij had vergeten, want ik heb u niet vergeten; ’k heb veel genot en ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u „De Vrek?” ’n Mooi stuk, een van uw beste rollen. En den Nikolaas in ’t blijspel „De dochter van Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik me op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef me maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort zullen komen.”

Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen. Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te gemoet kwam.

Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den vorm van: „Meneer is niet thuis” of: „We houën hier niet van comedie”, herhaaldelijk ondervond.

Toch kon hij tevreden zijn, want ’t aantal genomen plaatsen was vrij aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als uitverkocht.

Pietersen liep, zooals hij ’t zelf eigenaardig uitdrukte, „en tempête” de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met spiritueus genot afwisselde,—„’t hoorde er onvermijdelijk bij”, beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters „exploiteerde”,—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien hij had binnengehaald.

Ook aan ’t bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op den speelavond zelf nog wat publiek „inliep”, er een batig saldo voor hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot, voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht te verzekeren.

* * * * *

Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat „de rommel” bij Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder diezelfde vrouw voorloopig als „gezelschap” bij de ongelukkige Annette gelaten, omdat zij vond, dat „de stumperd” zoo akelig alleen en verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan en had gezegd: „Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis geweest; ’t is daar een echt treurige boel, veel armoediger en ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.—’t Is waar, hij was vroeger ’n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo heeft iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een lauwerkrans gebonden.—Wat dunkt je?”

„Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel ’n beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. „Maar hoe is ’t op ’t oogenblik? Hij heeft een voorschot, hé?”

„Och, beste vrind! ’t was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij ’t graag aan, zoo’n beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me mee; ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. ’n Mooie vrouw is ’t zeker, ’n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner, was ’t verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?”

Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: „Ieder denkt zijn uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook niet geschikt om.....”

„Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. „Je kunt op hem niet veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen loopt. Op de repetitie’s was ’t niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_ kreeg ’t benauwd voor hem; ’k geloof nooit, dat hij ’t er goed afbrengt.”

„Kom! ’t is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij ’t wel,—hij kent de trucs!”

„Neen, waarachtig, ’t was brabbelen wat hij deed.”

„Was ’t zóó slecht?”

„Abominabel! Hij is op,—totaal op!”

* * * * *

„’t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vóór het benefiet tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.

„C’est clair, mon Prince!” antwoordt Pietersen, en met een schuinschen blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: „En is ’t nu wat beter gegaan op de repetitie?”

„Hoe bedoel je?”

„Wel, zit „De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het boekje, waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit „De dochter van Dominique” overhoort, op zijn voorhoofd.

„Ik geloof ’t wel, maar ’k heb nog altijd last van die duizeligheid, vooral als ik me inspan bij ’t spelen. Zou dat zwakte zijn?”

„Misschien?—’t Is ook een zware rol.”

„’k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er niet goed meer in. Ik begrijp ’t niet: ik kon „De Vrek” vroeger als mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.”

„Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij ’t boekje opnemend zegt: „Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel maar weer „de wacht” geven. ’t Is een echte lachrol, die Nikolaas.”

„Ja! maar ’t lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin maar.”

Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder ’t hoofd, zit te souffleeren wat „Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die somber voor zich uit ziende, op den rand van ’t bed zit en in hetgeen in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.

„Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.

„Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende ochtendjapon.

„Waarom is die vrouw weg?”

„Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!”

„Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.”

„Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?”

„Niets, mon Prince!—St! ze zal ’t in haar hoofd hebben.”

„Bonst ’t weer in je hoofd, kindlief?”

„’t Is zoo warm, dáár, dáár,” en met krampachtig gekromde vingers grijpt Annette boven op haar kruin.

„Wil je een doek met water erop hebben?”

„Neen!”

„Hindert ’t je, als we spreken?”

„Neen! maar die muziek buiten wèl.”

„Muziek? Er is geen muziek; ’t is doodstil!—God! Pietersen, ze zal toch niet weer...?”

„Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!”

„Maar lieve Netje, ’t is....”

„Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.”

„Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw Groote je gebracht.—Pietersen! ’t wordt weer mis: wat moet ik beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.

„’k Weet het niet, mon Directeur! maar ’t is niet in orde met haar, cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?” Pietersen slaat ’t boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.

„Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een wilden, zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich angstig aan Walten vast.

„Als je haar eens ’n klein tikkie cognac liet drinken; wil ’k je de flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar worden.

Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein meisje was.

„Kijk! zoo’n half kelkje—c’est un tonique!—dat zal ’r waarachtig goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt terugdeinst, bij ’t hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.

Zoo’n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft Pietersen ’t restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even, veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: „Ze lacht leelijk van avond; ’t zal een krasse bui worden. Wil ’k ook even naar den dokter loopen?”

„Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo meteen neervalt. Stil! ’t gaat wat over.”

Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig, hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem toesnauwt: „Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet lachen.”

Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: „Lach!”

„Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten.

Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders arm. „Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!”

Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt half zittend voorover op ’t bed.

Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en glazig de groote oogen, werpt ’t hoofd trots in den nek en zegt op bevelenden toon: „_Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn hermelijn!_”

Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst: „Daar is ’t weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen avond spelen?” Hij huivert en snikt.

Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt glimlachend: „Waar is je alma-viva dan, m’n wijfje?”

Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik tegen zijn lippen.

Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil midden in de kamer.

„_Zet mij de kroon op ’t hoofd en blijf hier naast mij staan!_” Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.

„Toe! Pietersen, gauw de kroon!”

„De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook aan?—Verdijd! daar stoot ik m’n elleboog.—Dat bordpapieren ding is er niet; ’n mooi l—lorrr!”

„Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze niet? Dáár!”

„Ja, ja! nou zie ’k ze wel; hou je gem—mak, mon P—prince; ik heb ze al. Tout doucem—ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch—oone D—donna.” En vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.

„God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb je...? Je bent bez....”

„Dronken? Waarachtig niet, m—mon Général; ’n beetje tipsy maar, legèr—re—m—ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha! ha! Annette, mon—id—ôle, je zit daar heel leuk. ’n Mooie troon, dat onopgemaakte mandje!”

„Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder En luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!”

declameert de ongelukkige luid en krachtig.

„Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest en dan is ze straks niet te houwen.”

„H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart, r—reine de mon c—c—coeur?”

„God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!”

„Hé?”

„Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet slapen!”

„Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de hand van haar vader vasthoudend verder declameert.

V.

Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van ’t stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich „in ’t pak te steken”[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in ’t hoofd en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk, hoe vermoeid en afgemat hij was.

[1] Tooneelterm voor costumeeren.

„Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins kaptafel neerviel en met ’t hoofd vóórovergebogen, de handen slap langs ’t lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. „Willem, ik kan niet meer!—Zoo erg heeft Netje ’t nog nooit gehad, en die aanval hield maar niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, met haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik ben dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?”

Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast hem zittenden man, lei ’t stuk „vetschmink”, waarmede hij zijn wangen bestreek, neer en zei: „’t Is verschrikkelijk;” maar toen de oude man opkeek en hem aanzag, terwijl ’t licht der gasvlam vol op zijn ontdaan gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: „God! Walten wat zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is ’t uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk, dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan ’t waarachtig niet helpen, ik dacht alleen om ’t stuk, en jij zit daar precies, even verslagen, als Harpagon in ’t derde bedrijf, laatste tooneel.”

Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: „Ik ken je immers Willem; je meent ’t goed.”

„Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.—Je „pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben zóó terug; ’k zal een hartversterking voor je halen.”

„Och neen! ik kan toch niets gebruiken.”

„Dat zul je wel!”

Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op den stoel, dien de andere verlaten had.

Een blik in ’t heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus.

„Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: „ik heb geen grime noodig.”

Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel weerkaatst en hij wischte ze niet af. ’t Kwam hem voor alsof hij in dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch ’t zijne was; ’t scheen hem als hoorde hij een stem, die hem toefluisterde: „Die man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en vervallen terug te vinden.

Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken viel hem moeielijk; ’t bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk ’t hoofd weer ophief en rondzag.