Papieren Kinderen: novellen en schetsen

Chapter 4

Chapter 44,142 wordsPublic domain

„Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich dadelich wat op afrekening jeeft, dan....” De spekslager houdt eensklaps op met spreken, steekt ’t hoofd vooruit en luistert, want uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.—Ja! ’t is een gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. „Maar hoe is ’t mogelijk”, denkt hij, „hier?”

Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen, knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven: „Daar krijg ik op eens een idee” en is met twee stappen bij de kist.

Voordat baas Träger eigenlijk weet wàt hem gebeurt, voelt hij den snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat Pietersen met één greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen drukt met de woorden: „Il te connait, beau masque! Dáár! neem dat op afrekening; dat’s voor jou contant geld, mon Prince!”

„Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt,” roept verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van ’t vak, de big, binnensmonds zeggend: „’n Feines diercke, joet soort, moess nog fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig.”

Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de andere er in slaande, roept de souffleur: „Voor vier ben je koopman!”

„Drei!”

„Vier!”

„Noen in Kottesnamen, ’t is jekocht.”

„Mooi!” En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: „Neem ’t mee, baas Träger! Maar zal u ’t goed behandelen? ’t Is zoo’n lief beestje.” En met een traan in de stem voegt hij er bij: „We waren er al zoo aan gehecht, niet waar Walten?”

Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af.

„Noen, soll ich’s mitnemen voor ’n tientje?”

„Ja, ja! maar laat ’t in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!” Walten ziet angstig naar ’t bed, waarop zijn dochter rust.

„Sjreeuwen thoen al die ferkens; da’s die natoer.”

„En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M’n dochter ligt daar ziek achter dat gordijn en dus...” Met een tamelijk trotsche beweging wijst Annettes vader naar de deur.

„Kott im Himmel! armoeth hèvt ’n hooge broest ooch nog; allemaal Komödiantenbluf. Hà! Hà! Hà! Hà!”

„Lach niet, kerel, of...!”

„Maak je niet boos. Dat ’s heelemaal verkeerd, mon Directeur!” zegt Pietersen, die ’t onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar zóó tegen zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend, vervolgt hij soetsappig: „Meneer Träger, je moet dat zoo hoog niet opnemen: hij meent ’t zóó niet.—’n Fijn varkentje, hé?”

„Wie er ’s nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze rataplan op de jroote schteenen.”

Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar onverstaanbare woorden.

Walten ziet angstig naar ’t bed en zegt kalm, bijna fluisterend: „Je _zult_ ’t hebben, baas.”

„Joet, maar noen verder?”

„Verder?”

„Jawol, denk jij dat ich jou op ’s nieuw drei monate zal laten wonen oend....?”

„’k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om ’t hardst, en mijn arme Netje _moet_ rust hebben.”

„Jou Netchen kan mir jestohlen worden.”

Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas Träger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe:

„Breng me niet tot ’t uiterste; ga heen, man!”

Er ligt iets in Waltens blik, in ’t heesche geluid van zijn stem dat den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer bewegend: „Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen. Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit, macht samen vieroendfünfzig. Wenn jij die morjenabend vóór negen uur nich hev’t; logier jij verder in ’s Hôtel blauwe lucht, verschta je?—Adjé!”

* * * * *

Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs het lijf hangend, het hoofd vóórovergebogen, in doffe moedeloosheid voor zich zit te staren: „Jij bent en blijft toch altijd onpractisch, Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zóóver gekregen, dat hij....”

„Ik wil van zoo’n vent niets hebben, geen consideratie, geen....”

„Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je benefiet niet veel over. Betaal je morgen hém, dan weet overmorgen de heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve dàt zal ’t nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden voorschot wil geven op je....”

„Pietersen, hou je in godsnaam stil!”

„Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?”

„Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je hebt zoo’n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?—Ga nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. ’t Zijn eerste galerijen; die kun je hier en daar wel plaatsen.”

„Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.—Hm! heb je soms niet een versleten gulden voor me ter leen?—”

„Neen!”

„’n Paar kwartjes dan?”

„Och!”

„Nou één dan?”

„Enfin! daar heb je er één. Maak nu dat je wegkomt.”

„Mon Prince! waar er één is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje bij; ik heb m’n portemonnaie thuis gelaten.”

„Dáár dan!—En nu....”

„„Vertrek, heer graaf,”” zooals Egmond zegt. „Adieu!”

* * * * *

Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel en ziet naar ’t flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is.

De avond valt; ’t is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die hij zóó op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand over ’t zacht bedauwde voorhoofd der slapende.

Langzaam knielt hij neder bij ’t bed, legt zijn wang tegen Annettes hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang—heel lang.

III.

„Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem staat.

„Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?”

„Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in Arthur of zestien jaren later.”

„Hm! die rol is niet groot voor ’n beneficiant.”

„Wat dunkt u dan van „De Vrek?” Die heb’k altijd met succes gespeeld.”

„Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—„hm! wanneer je die rol nog aandurft.”

„Nòg...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft.

„Ja! je wordt een dagje ouder en ’t is een zware rol.”

„O, ik ken ze nog wel op mijn duim. ’t Is een van mijn beste creatiën; ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een engagement te zoeken. ’t Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had, die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel weer willen optreden.”

In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen: „Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, ’t is niet zoo, je houdt mij voor ’t lapje.”

’t Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er snel bij: „Ik meen ’t in vollen ernst: als u me kunt emploieeren...”

„Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?”

„’t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: _’t Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt._”

„Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van ’t tooneel; ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en daarom....”

Walten wordt bleek; dat gezegde: „Enkelen zullen zich jou nog wel herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de herinnering van enkelen; den Walten van ’t heden kent men nauwelijks meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen, wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: „’k Heb al een paar oude kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen; maar—als u ’t niet kwalijk neemt, meneer Schröder, wou ’k wel gaan zitten, want....”

„Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden, excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een stoel, die onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten.

Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. „Ik weet niet wat mij mankeert, meneer Schröder, maar in den laatsten tijd heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....”

„Wel, m’n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.”

„Dank u; ’t gaat nu alweer over. ’t Is een alleronaangenaamst angstig gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben, dan draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen.”

„Dat’s niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?”

„O, als u ’t bij de hand heeft, graag.”

Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te zien, dat hij nog niet geheel normaal is.

„Ik denk, dat ’t van ’t heen en weer loopen en draven komt,” zegt hij: „ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb ’k weinig nachtrust gehad in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken vrij. ’t Is treurig, erg treurig.”

„We willen ’t beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde behandeling komt,” troost de Directeur.

„Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in ’t gesticht zou ze....”

„Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds herhaalde malen ’t relaas van den vader heeft gehoord; en om een andere wending aan ’t gesprek te geven, vervolgt hij: „Hoe sta je met de artisten?”

„Goed!”

„Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt krijgen, des te beter.”

„Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andrée zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.”

„Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op ’t oogenblik „the grand attraction.””

„Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou. Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat _ik_ wel begrijpen zou, dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi vallend, kon aannemen.”

„Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is erg van ’t hondje gebeten, nogal over ’t paard getild.... Binnen!”

Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en rijst werktuiglijk op van zijn stoel.

„Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer intelligent en prettig voorkomen, om ’t hoekje van de deur.

„Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!” antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten en neemt op den haar aangeboden stoel plaats.

„U komt als geroepen, mevrouw!”

„Waarom?”

„Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn stoel staat,—„Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen of....”

„Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En vriendelijk lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: „Ga eerst weer zitten, collega. ’k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit. Ben je ziek geweest?”

„’k Voel me niet wel, mevrouw!”

„Dat’s verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den laatsten tijd.... hm! hoe zal ik ’t zeggen....”

„Dat ik oud word, mevrouw! Zeg ’t maar.”

„Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je benefiet te geven?”

„Ik hoop „De Vrek”.”

„Ei! dat’s geen kleinigheid. Ben ik er ook in?”

„Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; ’k had u beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....”

„Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.”

„Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe.

„Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?”

„Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw emplooi....”

„Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan; geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik alles. Als ’t niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als je mijn naam graag op ’t programma wil hebben,” voegt zij er met een klein vleugje van ijdelheid bij.

„Wat is u goed, mevrouw Groote!”

„Zie je, Walten, daar spreekt nu ’t artistenbloed,” zegt de Directeur; en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: „Juffrouw Andrée is minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.”

„Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid in haar stem. „Nu, zoo’n grrroote artiste mag haar kuif ook wel opzetten. Zoo’n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben, is ’t niet zoo?”

„Ja, mevrouw.”

„’t Is om te lachen,—zoo’n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een mooi figuurtje,—dat ’s waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?”

„Nog geen rol; ’t was maar bij voorbaat, dat zij....”

„Wel goeie hemel! wat ’n drukte voor niemendal!—Luister eens, Walten, ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?”

„Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als ’t niet in haar...”

„Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!” En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende stem: „’t Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet.... Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur ’t goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles—ik heb ’t land aan dat creatuur—en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol. Dat’s een aardig eenvoudig kind met ’n snoepje van ’n gezichtje en met meer talent dan die „grrhoote juffrrrhouw Andrrhée.” Dan zetten we op ’t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw Groote.—Wat zeg je daar van, meneer Schröder?”

„Nu, dat ’s nog zoo kwaad niet,” merkt Schröder, die eigenlijk juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan. „’n Debuut met ’n benefiet samen is een goed idee.”

„Mevrouw, ’k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.”

„Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote wrijft zich eventjes in de handen, „ik ben heusch in m’n schik, dat we die Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan haar niet zetten; ze heeft zoo’n paar opera-maniertjes, die ’t publiek aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit de stalles, ’t balcon enz. Voilà tout! Voor ’t overige zit alles er dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen....”

„Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo _heel lang_ en beter kende, zou ik werkelijk denken, dat hier ’n beetje „jalousie de métier” in ’t spel was,” hervat Schröder, lachend mevrouw Grootes woordenvloed stuitend.

„Kom, Schrödertje! dat weet je wel beter; _ik_ heb me waarachtig niet te beklagen, _ik_ heb succes genoeg gehad”—en met een zelfgenoegzaam lachje—„en nog succes! Begrijp je, dat’s veel gezegd, als men bijna vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik zie, dat je heen wilt gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil ’k ook ’n beetje eer met ’r inleggen.”

„Wanneer dunkt u dan, meneer Schröder?”

„’k Zal er met den régisseur over spreken; overmorgen weet u ’t.”

„Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed.

„Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet na „De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien hebben en die zoo’n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?”

Walten antwoordt kortaf met een zucht: „Neen Mevrouw!”

„Dat’s jammer; anders zou ik je proponeeren: „’t Huishouden van den schoenlapper” of „De Behanger”.”

De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en denkt: „Sic transit.”

„Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. „Geef als toegift: „De dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat kun je best, en ik zal de Cathérine spelen; dat ’s altijd een glansrolletje voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om aan die Andrée met al haar drukte te laten zien, dat _ik me nog jong kan_ maken, als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den Directeur even aan.

„Is dat een pique sous l’eau, mevrouw?”

„Onder of boven water, meneer Schröder, zoo je ’t nemen wilt,” lacht mevrouw Groote en vervolgt: „Nu, Walten, wat denk je daarvan?”

„’k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt ’t weer. O!”

„Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. „Vadertje wat wordt je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is ’t al weer over? Jongens! jongens! je moet er ’n dokter over spreken; dat ’s geen gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk, Walten?”

„Duizelig, flauw, ’k werd wee!”

„Zenuwen!—Hier! drink eens.”

„Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van ’t glas, dat mevrouw Groote hem heeft aangegeven.

„Zenuwen zijn ’t, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in de lucht. Wil ’k met je meegaan?”

„Neen! neen! dank u.”

„Zeg, Schröder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?” Mevrouw Groote vraagt ’t fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en zegt haastig:

„Och! asjeblieft niet; ’t is nu heelemaal over. Ik begrijp ’t wel: ik ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet geweest, en.....”

„Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe! ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. Hé, ja, laten wij eens samen „lunchen”, als ouwe collega’s, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren mag je niet, hoor kameraad!”

Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur zegt: „Excuseer ons, Schröder; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan, beau cavalier, je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo’n tête à tête gunnen.”

Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: „Als jij refuseert, refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om je te schaken.”

Schröder ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op ’t hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: „Heb je nog wat?” De oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt geleid, knikt „ja” zonder dat zij ’t ziet. Daarom roept de Directeur hem met: „Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets zeggen”, terug.

„Gauw dan; ik wacht hier”, zegt de actrice.

Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt Schröder: „Wat wou je me vragen?”

„Meneer Schröder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... ’k Heb dringend geld noodig; ’t is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik moet van avond huur betalen; anders....”

„Heb je veel noodig?”

„’n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: ’k heb nog een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet ’n honderd gulden voorschot willen geven?”

„Hum!” Schröder denkt even na.

„’k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....”

„Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?”

„Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten teekenen.—Zou u....?”

„Enfin! ’k zal je maar helpen.”

„Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!”

„Dadelijk, mevrouw!”

De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van ƒ25 uit, geeft die aan Walten en zegt: „Ziedaar dan, maar meer dan dit geef ik in geen geval.”

* * * * *

Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en gebruiken met smaak een eenvoudige „lunch.”

Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij het noemt, „op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt, laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel deelnemend woord, een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling vraagt zij: „En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?”

„Zeker!”

„Voorgoed?”

„Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is; dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.”

„Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben gedaan met eten, laten we opstappen.”

„U bij mij aan huis? Neen! dàt kan niet.”

„Waarom niet?”

„Neen! Neen!”

„Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te zeggen, dat jij „dames seuls” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan, kameraad.”