Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Chapter 16
Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in ’t heilige der heiligen! Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van de fashionabele kennissen en vrienden des „dineurs” den voet zette. Ge zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u—omdat ge onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd „UIT.” Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de advokaten borrel, die hij—ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt hebt—’s morgens zelf heeft gemaakt, „omdat hij dan zeker is dat er alles in komt.” Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok, dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest, verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tweeën gevouwen vleit zich de pantalon op den stoel er naast, tegen het onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de reet der deur doorsluipt.—Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den stoel verscholen, zich, alleen door één van haar glimmende neusjes verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft neêrgelegd. Hij is nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen van zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem plotseling voor goed en geheel onzichtbaar maken. Houd u dood—doodstil en volg de kleine lichtschemering die u, uit een tot nog toe niet opgemerkte zijdeur, wenkt.
Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant zich onbespied. In ’s hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij instinct—als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien verdwijnen; en .. ’t is heusch de moeite waard om hem gade te slaan.
Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?—Wat ziet ge dan? Zeg ’t mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het noodig is.
Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen doet om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een dito onderbroek met loshangende bandjes, twee somber afhangende sokken te verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken.
Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat, dat over ’t voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk burgerlijke pluimmuts voelt streelen.
Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is het wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan „in zijn vak” ontmoet en in huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in „gala.” Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, ’t diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de Bourgogne was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich nooit „heel lekker” op den volgenden dag—’t kan echter niet anders, zijn vak brengt dergelijke kleine „misères” mede.
Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar ’t geen hij doet.
Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een minimum van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt zich uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij kijkt naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht—waarachtig! we zijn in een keukentje verzeild—staat. Hij draait de pitten wat op en ziet met alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen scheren....?
Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij heeft immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan....
Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat; wie weet! misschien is de „fashionable dineur” een verkapt alchimist die, in zijn vrijen tijd, naar „’t levens Elixir” of naar „den steen der wijzen” zoekt.
St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van keukentje sluipen? ’t Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij. Ha! dáár bewaart hij zijn ingrédiënten, dáár in dat geheime kastje in den muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter, hoe hij goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig uitziend fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge wel dat hij in de andere een blikken busje houdt?
Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons toe; nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in ’t pannetje werpt.—Ga een eindje met mij achter uit. ’t Mocht eens gevaarlijk goed zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en.....
Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in ’t pannetje en .... heusch! hij proeft van—de hemel mag weten, wàt—hij kookt.
Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet?
Och ’t is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den scheurkalender in de voorkamer.
Nu, welken datum?
Acht en twintig Maart!
Juist, ’t is in ’t laatst van de maand: dan houdt hij om geldige redenen niet van restauratie of table d’hôte en—toevallig heeft hij heden geen uitnoodigingen.
O!.....
Vat ge ’t nu?
Ik geloof het wel, arme fashionabele man!
HOE JETJE GEZOEND WERD.
HOE JETJE GEZOEND WERD.
’t Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig, weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk, wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te houden, of in den deurpost staande, naar ’t vroolijke zonnetje en de voorbijgangers te kijken.
Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens.
* * * * *
Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op ’t hoofd, achter zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even oudbakken en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en andere zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te verkoopen.
Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader en wel van een Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe oogen en kastanjebruin haar als „mooi Jetje” bekend, door de jongelui, die in de nabijheid woonden, meer bijzonder „’t lachebekje” werd genoemd, omdat ze zoo’n vriendelijk rood mondje had, dat met twee schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig lachte, als deze of gene klant, generis masculini, met haar een grapje maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een luchtje schepte.
Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en gespikkeld ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui bijzonder in trek kwamen, zóó zelfs dat Jan de winkelknecht er zich over verwonderde en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: „Ik geloof, dat die spreeuwen”—Jans geliefkoosde benaming voor de spes patriae—„een stuk leer in d’r mond hebben in plaats van ’n tong; want als ze die bokkies lekker vinden, dan....” Jan liet den volzin onvoltooid en ’t was misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord meesmuilde de patroon, zette den handel in sigaren met kracht door, en bracht meteen den prijs der „bokkies” van zes op vier voor een dubbeltje. „Je moet maar zeggen, dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze nemen ze toch”, zei hij op zekeren dag. Jan pruttelde in zich zelf: „Smakelijk rooken!” en hij dacht er bij: „Als Jetje in den winkel is, kan ik ze voor drie centen evengoed verkoopen.” ’t Was geen onlogische Jan!
* * * * *
Vlak tegenover Bommers’ winkel, woonde op een kamer van de eerste verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij niet studeerde, zijn beenen en pantoffels op de vensterbank voor ’t publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten stak en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en vrijmoedig in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och! eenvoudig uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen. Zóó beweerde hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had gevraagd: „Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel? Ik heb al driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, zóó was je an ’t kijken.” ’t Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw Bommers juist op dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel in de geopende deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen, Hermans bruine oogen en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien. Zij vond, dat hij zoo gezellig en deftig rookte, en knikte—uit louter buurschap—hem toe.
’t Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden, buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder voor één dubbeltje Puantos Infamos van de vier, zwaar of licht, naar dat ’t zoo uitkwam,—’t was hun om ’t even. De winkelknecht had reeds een paar malen bescheiden aangemerkt: „Ze heeten Upmann-sigaren, heeren!” Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens zijn vrienden, geantwoord: „O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de communicatie, ’t is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien naam en zeggen dus kortheidshalve: „Puantos Infamos”.” Jan zweeg tegenover dit argument.
De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in sigaren iederen dag toenam, maar toch kon hij zich niet ontveinzen, dat die Puantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem, maar met zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig altijd in den winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar in ’t bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was.
Met schrik en een vaderlijke hartklopping—ook een kruidenier heeft een gevoelig hart—zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op één dag zich aan de Infamos te goed deed, en eens zelfs had Bommers, zonder dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en zoo glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien dag, zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met een: „Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen”, te verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier, maar vroeg te gelijk met ’t leukste gezicht van de wereld: „Opsteken, meneer?” en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over ’t doosje, zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den klanten in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich herhaaldelijk een: „Vade retro, Satanas!”—dat hij niet begreep—op den hals haalde.
Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van Bommers, nam het debiet der Puantos Infamos niet meer toe, want nadat ’t herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra „de heeren” zich vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden allerlei aanmerkingen te maken, en noemden met een zekere minachting, de heerlijke Puantos „bokkies”, een woord dat den winkelbediende een heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: „Ge komt langzaam aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!”
’t Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze „voor de acht” kregen, omdat het—zooals Bommers zei—een opruiming was, besloot de kruidenier den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan alleen tot ’t Koloniale vak te bepalen.
Nauwelijks was de laatste der Infamos verdwalmd tusschen de lippen van een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te voorschijn in den winkel.
Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden een plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en amandelen.
Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk, informeerden altijd naar den staat van „meneers gezondheid”, prezen zijn goede waar en kochten elken dag à contant een zekere hoeveelheid vijgen of rozijnen.
Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een woord, dat naar „zoetekauwen” of „snoepende jongens” zweemde. De studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte, eerst aan Jan en daarna aan den patroon, met de woorden: „Geneert jelui niet; proeft maar eens mee!” en kwamen den volgenden dag terug met de verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar konden krijgen en dat ’t hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef.
Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op te geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad belet te vragen en haar uit logeeren te zenden.
Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend, neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen zij met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar ’t station ging, hoe Herman Stam zijn krullebol uit ’t venster stak en met groote verwonderde oogen ’t meisje naziende, zuchtend uitriep: „Dag Jet—dag engel—goeie reis! Denk aan me!”
Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dàt hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank staan en meesmuilde: „Dat valt je tegen, hé knaapie!” En toen een oogenblik daarna een paar van de vijgen-habitués binnenkwamen, woog hij buitengewoon ruim en zei vriendelijk: „Pas ontvangen, ’n versche zending, heeren,—echt Smirnaasch goed!”
* * * * *
Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe. Dikke rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was, bijna onzichtbaar en deden de lamp walmen, zóó erg, dat ’t zelfs voor studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote vertrek. Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. „Kerels!” riep hij: „luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open, want waarachtig de lamp gaat anders uit.”
’t Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde hij, op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een presidentshamer, stilte gebiedend: „Mannen, broeders! wat moeten we met den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij mijn Helena, vulgo Jetje, ontroofde?”
„Laat ’m Puantos Infamos rooken tot in eeuwigheid, dat ’s straf genoeg!” riep er een.
„Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!” schreeuwde een ander.
„Doe ’m hertrouwen, dat’s nog erger!” meende een derde.
„Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan „zoetekauw”,” lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming aan en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het geraas zóó sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte moest gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: „Mijne heeren! ik stel deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op exemplaire wijze den aterling zullen straffen, die ’t pronkjuweel der schepping, Jetje, uit onze nabijheid durfde verbannen.—Ja! meneeren, de ellendeling kon de zon niet in het water zien schijnen; hij gedoogde niet, dat ik zijn spruit—de hemel weet, hoe hij zulk een lief dochtertje gekregen heeft—kuste. Een kus in eeren, mag niemand weren!—Toch heeft deze krenten- en vijgenploert zich verstout zulks te doen. De smaad, mij en mijn commilitones aangedaan, eischt wraak,—niet waar, mijne heeren?—Wraak!”
„Wraak! Wraak!” klonk het in koor, begeleid door een gestamp en gestommel, zóó hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: „Meheeren, breekt den boel asjeblieft niet af!”—Juist op dat oogenblik gilde een van de acht: „Zij zal gezoend worden, dat zweren we!”—een eedsaflegging, die de oude hospita met een: „’t Is zonde—wat zal me nou overkomen!” eerst de handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig voor de oogen te brengen.
Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de vriendelijke woorden: „Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij zijn geen antiquaren.”
„We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne individuen,” riep een ander. En Herman voegde er bij:
„Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen in vrede.” En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken: „Jelui bent nog niet droog achter je ooren,” vertrokken was, vervolgde hij:
„Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend worden.”
„Dat zweren wij!” brulde ’t koor.
„Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!”
„Wij zweren!”
De vergadering ging over in geheime zitting.
* * * * *
Sedert ruim drie weken was in Bommers’ winkel geen enkele vijg of amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na, dat ’t in zijn winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: „’t Is toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een vrindelijk gezicht: „Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!” Dan weer vroegen ze beleefd: „Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke vader van Jetje?” Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo’n klandizie wegblijven.” En in stilte dacht hij er bij: „De jongejuffrouw ook, want als zij terugkomt, zal ’t lieve leven wel weer van voren af aan beginnen.” Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de handen en—verkocht koloniale waren.
* * * * *
Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en zou ’s avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van ’t station te gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig, ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg:
„Heb ik ’t genoegen meneer Bommers te zien?”
„Om U te dienen.”
„U handelt in koloniale waren?”
„Natuurlijk!”
„Ook en-gros?”
„Zeker!”
„Kan ik U een oogenblik spreken?”
„Ja, hm!.... ik sta op ’t punt om uit te gaan.”
„’t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid, die geen uitstel duldt.”
„Hum! Hum! ik moet iemand van ’t spoor halen, maar..” Bommers keek op zijn horloge, „een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus....”
„In ’n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. ’t Spijt me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. ’t Was anders een zaak geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan toevertrouwen. Enfin! als ’t u onmogelijk is, dan....”
Het jongmensch zag er zóó bedaard en fatsoenlijk uit, sprak zóó kalm, overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en verlegen werd.
Wat te doen?—Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in ’t spaarzame grijze haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: „’t Is meer dan hoog tijd,” en zei toen luid tot den winkelknecht: „Jan! ga jij dan maar met de vigilante naar ’t station en haal de jongejuffrouw; dan zal ik dezen heer te woord staan.” Bommers zag niet, hoe een fijn glimlachje van voldoening over ’t gelaat van zijn bezoeker vloog.
Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn patroon op en holde den winkel uit; onder ’t heengaan wierp hij nog een blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: „’t Is me toch precies alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien.”
Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: „Nu, meneer?”
Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: „Meneer! laat me in de eerste plaats u beleefdelijk dank zeggen voor de heusche, gentlemanlike manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen afstaan.”
De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en mompelde iets als: „O! volstrekt niet, integendeel,” enz. Hij stond met zijn rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om ’t hoekje van de deur in den winkel werd gezet.
„Meneer Bommers,” zei ’t beleefde jongmensch, „ik ben hier gekomen om met u over ’t artikel stroop te spreken.”
„Over stroop?”
„Juist meneer, over stroop—s-t-r-o-o-p!”
„Maar had dat dan zoo’n haast, dat u...?”
„Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een toekomst heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt gebruikt: secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft....”
„Maar meneer!”
„Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld—dat wil zeggen de menschen—zijn allen vatbaar voor stroop; die ’t meest met den strooppot loopt, komt ’t snelst vooruit. Zegt niet de vanouds beroemde Judels in zijn onovertreffelijke chansonnette S-t-r-o-o-p, dat ieder mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook een philosoof.—O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt, hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe....”