Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Chapter 15
Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn stoel geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom, voortgaat met over paarden en rijtuigen te spreken—telkens weer opnieuw uitgelokt door een of andere vraag of opmerking van den Baron. Dirk merkt dat niet maar Freule Constance wèl; zij knikt, achter den snorder staande, een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij zeggen: „Ik begrijp u papa—’t is goed wat je wilt doen.”
Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek, brengt die even aan ’t voorhoofd en zegt tot den snorder:—„En nu, goeie vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe; ’k voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel goedgedaan.—Ziedaar! neem dat mee, dat’s voor den eerlijken vinder; doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van Overijssel, dat ik een landsman van haar ben—maar pak dan toch aan, man—dat ’s om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat ze een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren zal—Adieu!” Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een banknoot in zijn hand—nauwelijks gelooft hij zijn oogen.
„Godallemachtig! Honderd gulden!—Nou naar Mijn! Kristenenzielen, wat zal ’t wijf blij zijn!”
Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt deze, uit zijn hokje ziende: „Heb je den baron gesproken?”
„Nou! dat zou ’k je verzoeken.—Dag, portier!”
Dirk maakt, dat hij wegkomt.
Of de baron woord hield?
Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die, gedurende het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het buitengoed „Weijdenstein” boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er is altijd genoeg.
Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij: „Vrouw! ’t is eigenlijk jou schuld, dat we ’t nu zoo goed hebben”, en zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: „Neem een voorbeeld aan jelui’s vader: die is zoo eerlijk als goud!”
DE FASHIONABELE DINEUR.
DE FASHIONABELE DINEUR.
Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen naam.
„De fatsoenlijke eter”? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.—„De deftige gast”? Evenmin!—„De tafelvriend van goeden huize”? Misschien zou die naam iets beter zijn, maar ’t is toch de rechte niet. Neen! er is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te toonen, wat ik met „den fashionabelen dineur” bedoel.
’t Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik op ’t oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij oorspronkelijk een „niet inheemsch” type is, maar—ik ben er zeker van—velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar hebben ontmoet.
Wellicht wisten zij vóór dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast, dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen zij, na ’t lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun over- of nabuur was, tot het gild der „dineurs” behoorde.
Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte lezer,—ik houd mij aanbevolen om dien over te nemen.
* * * * *
De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd, ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik heb er zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren.
Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen, zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk: „Hoe meer ik u aanzie, hoe meer ’t mij frappeert, dat u sprekend gelijkt op Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron Van Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van Daelens?—Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon frappant, kolossaal!”
Een tweeden niet onhandigen „truc” gebruikte hij, wanneer er geen gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. ’t Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de soep en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar men wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende wendingen, op liefdadige instellingen te brengen, en als hij ’t op de hoogte had, waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos: „Liefdadige instellingen, Mevrouw?—Ik acht en vereer ze; maar! .... mij hebben ze drie ton gekost.—U lacht? Neen! ’t is parôle d’honneur, de zuivere waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik beschouwd als de eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst, geboren Freule Sprang van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder. Zij was weduwe en kinderloos; ik was haar petekind.—Wat blijkt nu na haar dood? Ze heeft haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen vermaakt, behalve een klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van Brijnen,—notabene om daarvoor een hondenasyl te stichten! Ridicuul!—Ja, zij was altijd excentriek, hoogst excentriek.”
In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vóór het „summa cum laude” afscheid van de universiteit te nemen. Familie en vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat hij nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende betrekking; ’t was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn afstamming, niet maar ’t eerste ’t beste baantje aannemen.
Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een verbintenis, die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en daarom werd hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in ’t worstelperk des huwelijks, als célibatair te oud om zich nogmaals aan Amors grillen te wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer ingrijpenden aard hem terug van Hymens boot; hij was immers lang „jongeheer” geweest en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen wàt hem terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is te fashionabel om zoo onbescheiden te zijn.
Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor ’t eerst ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te kampen gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door ’t onverbiddelijke noodlot te worden gedoemd, om, zooals men ’t wel eens vulgair uitdrukt, „zijn kostje hier en daar op te halen.”
Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden, arm nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert.
Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in ’t adresboek komt hij daardoor onder de rubriek „particulieren” of „renteniers” voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds overtuigd, dat alles wat naar ’t ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander familie-diner de pianino ziet openen, dat hij „au beau milieu de sa jeunesse” veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot zingen(?) te verleiden.—Wee u, zoo ge u laat vangen!
„J’ai dit la romance”, vertelt hij aan een ieder, die ’t hooren wil; en wanneer hij dat zachte woordje: „dit” met een soort van zoetelijken glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en burchtdames stem en speeltuig liet klinken.
„De romance moet niet _gezongen_ worden”, beweert hij; „il faut la dire.” Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij zou ’t u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook dadelijk „volkomen vergeving van zonden” verzekeren. Ge kunt u immers zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond geen „Rêve parfum au frais murmure” voorstellen, evenmin als ge u verbeelden kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer dikbuikigen heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te vertellen, ooit citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld.
Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien, de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd.
In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij „een gentleman” van top tot teen. Of niet nu en dan door de poriën van zijn volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in allen gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van Jockey-club of New-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek tegenwaait, wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand neemt, om daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te betten, als hij, na de vermoeiende bezigheid van het dineeren, van tafel opstaande, u plechtig verzekert, dat hij „gecharmeerd is van uw alleraangenaamst gezelschap”.
Met tact weet hij des winters na ’t diner, zonder dat iemand hem ook maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen, het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje Regalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl hij zijn koffie „savoureert”, geniet hij „als kenner” die Havana, zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan te doen. Hij zou iemand „lastig zijn?” O, foei! dat is onmogelijk. Hij is—vraag het maar aan al de dames, die hij kent—de meest galante, de beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle vrouwen—mits fatsoenlijke—een kleinen dienst overheeft, een dienstje soms zóó klein, dat een „gewoon heer” het niet zou durven bewijzen. Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen „en amitié”. Hij zegt het zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want—jokken, neen! daarvoor is hij veel te fashionabel.
Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van ’t een of ander een niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om—„en amitié” te blijven; waar ’t doel goed is, wordt ook voor hem ’t middel spoedig heilig.
Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit ’t oog verliest bij families, waar hij zijn „vasten dag” heeft, en treffend is het om te aanschouwen, hoe hij op die „vaste dagen” prijs stelt. Ontvalt hem zoo’n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden van vrienden in te leiden met een: „Veroorlooft u mij Mevrouw, dat ik u eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam gezelschap, dat....”
Meestal gelukt hem die manoeuvre, want ’t is voor veel familiën, die nogal eens diners geven, wel iets waard iemand „au besoin” te hebben: meestal toch doen de heeren opgeld.
Ook als „_veertiende_” komt de „dineur” niet zelden uitmuntend te stade; terwijl hij als „chapeau” voor dames van een zekeren leeftijd, die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid, veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in ’t geheel niet komt.
* * * * *
’t Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij een lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn hoedanigheid van „dineur” optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas „om te zuigen” is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid vermaalt.
Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat de doperwtjes „superber” en „délicaat” zijn, schaamt ge u, dat ge een oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven.
Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze, waarop hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en halsboord steekt; hij doet dat zóó handig, zóó zorgvuldig en „chic”, dat ge onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als „Dineur”, hoe ver hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk dineeren. Let op! hoe hij vork en mes hanteert; ’t is met volkomen meesterschap. Zie naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn wijnkelk opneemt. Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd rozenblaadje aanvat? Geef u de moeite op te merken, hoe keurig hij zijn lepel in evenwicht houdt, en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid hij met zijn stukje brood weet te spelen, als er niets gewichtigers voor hem te doen is. Aan ’t dessert zoekt hij zijn wederga in ’t ontkleeden van een Chinaasappel, waarvan hij de schil tot allerlei aardige doeleinden weet te gebruiken; niemand dan hij, ontdoet, met zooveel innige toewijding en snelheid, een sappige perzik van haar donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij een phoenomeen, als ge ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de perelende „Oeil de Perdrix”, die hem steevast een vriendelijken glimlach om de lippen toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij gewoonlijk één of, als de champagne bijzonder goed is, twee „uien” van zijn répertoire ten beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig zoo’n „uitstekend nette vent” is, lachen enkele gasten die hem kennen om die anecdoten, al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vóórdat hij begint te vertellen te zeggen: „Misschien kennen de heeren en dames deze aardigheid al, maar...”
Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel van hem leeren; hij verstaat het „dineeren”, zooals niemand anders. Geen wonder: ’t is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het eenige waarmee hij zijn leven verslijt—neen! in stand houdt.
* * * * *
Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker uiterst leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te gelijk leeren wil, hoe men onder ’t eten zijn dame moet bezighouden. Opéra’s, concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard van zijn beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met tact over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel, zonder dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a tot z leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over deze of gene zangeres of acteur, soms zelfs zóó apodictisch, dat men dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben medegedeeld, dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder verstand van heeft dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt zich altijd naar de geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het toeval naast hem plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng orthodox; oogenblikkelijk dweept hij met dominé Heiler of vindt de preeken van den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de coquette, maar min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem als dame toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van „robes Présidente, coiffure à la Japonnaise” en „plissés en biais;” wanneer ge hem met haar hoort, praten, zoudt ge—indien ge hem niet als „medegast” kendet, oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden, dat hij een dames-kleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt. Doet hij—in veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven man daarvoor—als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem niet naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, op wien ’t minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd occasie-politicus, dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn nevenman, en al naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of clericaal is, sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen; hij verandert als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het gebieden.
Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis en niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en meestal zóó gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht verdient; ’t hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel families wordt ’s winters, na ’t diner een kaartje gelegd. Ligt zijn naamkaartje op het servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan is hij dadelijk een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het nevens dat der kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk volkomen met haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat het toch oneindig veel beter is: er géén, dan zoo „plebeïsch veel” te hebben.
Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem „een aangenaam welopgevoed mensch”, namelijk zoolang men hem aan eet- en speeltafel ontmoet.
Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren.
Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik, die beter dan woorden zegt: „Ik tart een ieder om mij te overtreffen.”
Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als ’t groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit ontmoet.
Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat.
’t Is een lust om zijn „au fainéant” of „au chinois” gegroeide en gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand, gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen dan ’t onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of ’t allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo onbarmhartig kunnen martelen.
Wáár de „dineur” zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een kunstwerk kan verrichten, _al te veel_ te doen krijgen, immers met een loep zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren de aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op ’s mans gelaat als tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg had tot een baard.
Dat hij „rouge de théâtre” of „carmin des bayadères” gebruikt, is niet met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het u ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn over de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de maanlichtachtige bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals de kleine, maar helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het alpengloeien in den avondstond, spelen na het diner rozige tinten op de punt van zijn regelmatig gevormden neus, en om de zinnelijk gesneden lippen van zijn meestal te grooten mond.
Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door hun buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. ’t Zwarte haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog; maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of de „teinture capillaire”, die hij verkoopt, wel overal met even goed gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een pince-nez, die er „gedistingeerd” uitziet; en wanneer ge den „fashionabelen dineur” over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op en neer wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of daar een enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge onmiddellijk begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk vervaardigd of bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in plaats van door een rijtuig weldadig beschermd werden.
* * * * *
Ziehier dan het beeld van den „fashionabelen dineur” geschetst, wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er uitziet en wat hij doet, zoodra zijn plicht hem niet meer roept, zal ik trachten nog met korte woorden mee te deelen.
’t Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen, voor de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen herleven. Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien ameublement dommelt in ’t gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam kijken eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na, als ge u langs een tafel—waarop eenige boeken liggen, die eertijds in prachtband werden gebonden—naar de achterkamer begeeft.