Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Chapter 14
„Alweer niets. Komaan! dat gaat goed,” dacht Dirk; „er schijnt geen navraag naar te komen; ’k zal nog een dag of wat wachten en dan...” Ja, wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest iets verzinnen, een leugen;—ze zou natuurlijk vragen van waar plotseling dat geld kwam; en zonder ’t zelf te weten, zat hij te soezen over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk niet. Waarom stond er nu niet zoo’n eenvoudig „Verloren” in, dat betrekking had op zijn vondst?
Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als hij, en—nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een...
* * * * *
Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de Bobberd houdt hem terug met de woorden: „Wou je nu al heengaan, manke? Zijn de centjes alweer op?”
„Wat bedoel je?” Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te hebben omgekeken, zijn ondervrager aan.
„Niks bijzonders, ouwe jongen!” grinnikt de dikke, en met zijn waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: „Je hebt van morgen bij Van der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. ’k Stond juist in ’t opkamertje,—dat dacht je niet, hé?—ik dronk even een kommetje troost bij de juffrouw.”
De manke verbleekt en stottert! „Zoo! ei!—Nou! en wat zou dat?”
„Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je zoo’n stiekemerd was om ’t voor een ouwen kennis stil te houden, dat je een pennetje[1] hadt gehad.”
[1] Fortuintje (volksuitdrukking).
„Wie zeit je dan, dat ’t zoo is?”
„Hè! hè! hè! hè! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je...”
„Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen.”
„Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar een paar proppies[1] moet je geven, hoor! Anders ben je een kale jakhals.”
[1] Borreltjes.
„Nou, als ’t daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder een klare, van die dubbelgebeide, hoor!”
„Met suiker!” roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt hij: „Kom, manke, ’n spulletje?”
„Neen! ’k ga naar huis.” Dirk staat op.
„Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?” Uitdagend lachend ziet de Bobberd hem aan.
„Neen! maar....”
„Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw ’t niet hebben? Als ik zoo’n vent was als jij, zou ’k me waarachtig niet aan een spulletje laten kennen,—Kobus! geef de kaarten ereis!—vooral niet als je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! daar komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken.”
Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe ’t komt, maar hij blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De manke durft het voorgeslagen „pandoertje” niet weigeren, neemt langzaam de kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen, te spelen.
Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en niettegenstaande hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens, zoodat Kees en de Bobberd hem er over in ’t ootje nemen en de laatste eindelijk, met een reeds bezwaarde tong, hem toevoegt:
„Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?”
’t Is lang over eenen, als hij ’t Schuttertje verlaat. Hij heeft ruim twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan; geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen, zoodat zij verschrikt opstaat en ’t licht aansteekt, bij de woorden: „Goeie God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je gewend! Hoe komt dat? Ben je uit geweest?”
Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt, snorkt hij spoedig zwaar en luid.
De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen aan, zucht: „Moet dat er nou nog bijkomen!” en weent zich eindelijk in slaap.
* * * * *
Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij had zwaar gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor was hij met den uitroep: „Blijf er af, valsche hond!” wakker geworden en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den stal, waar de baas hem met een: „Wat mankeert jou van morgen?” ontving.
Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij ’t zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen.
Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: „’t Is weer vegen vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond wat werk.”
„Wat zal Mijntje zeggen?” dacht hij onder ’t naar huis gaan; ’t drukte hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem ’s morgens geen enkel verwijt had gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest als altijd; dat hinderde hem. „Had ze maar opgespeeld, was ze maar begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... ’t Is toch een goed wijf!—Verdord! waarom heb ’k nou op eens geen courage meer om nog zoo’n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou, als ze vraagt waar ’t geld vandaan komt, dan deed ik ’t wel,” mompelde hij in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde.
* * * * *
Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt hij de gedachte: „’k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen, dat....” Daar hoort hij Mijntjes stem. ’t Is alsof zij ongenoegen met iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan gewoonlijk.
Daarom blijft hij staan en luistert.
Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: „Hoe kom je er aan? Ik wil het weten; geef antwoord, Gerrit!”
„Gekregen, moeder!” ’t Is Gerrits stem, die antwoordt.
„Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed, dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van vijf en twintig, en met zoo’n mooi lint er om, dat is niet zuiver!—Allo! zul je antwoord geven?”
De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en den jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan.
„Gekregen”, herhaalt Gerrit, „van den meesterknecht gekregen”.
„Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?—Je krijgt een kleur, je liegt!”
„Zoo maar, moeder, voor een aardigheid.”
„Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat ’t niet waar is.”
„Gerust, moeder, ik heb ze....”
„Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze weggenomen. Kind! ’t is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn Gerrit een dief....!”
„Neen, moeder! ’k ben geen dief!”
„Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient, ’t is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat is precies hetzelfde.”
„Maar, moeder....”
„Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet zien. Ga uit mijn oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal ’t....”
„Moeder, ik heb ’t waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!” schreit de knaap.
Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad bij Mijntjes woorden: „Ga uit mijn oogen, leelijke dief!” Hij heeft gebeefd en is op ’t punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk gestolen heeft, en daar valt ’t hem ook als een pak van ’t hart, als hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: „Ik ben geen dief.”
Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt, dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu minder luid en heftig.
„Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren, en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als ’t een eerlijke zaak was, hoefde je dàt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo goed met je. Kom! zeg het moeder maar.”
„Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in ’t portaal bij de sorteerkamer.—Neen! moeder, huil nou niet. ’k Ben toch geen dief, moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid, geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.—Toe, moeder, huil niet zoo; ik ben toch niet slecht, maar....”
„Kind! kind! waarom loog je dan? Is ’t wel wezenlijk waar?”
„Gerust, moeder! ze leiên op ’t portaal; een van de sorteerders zal ze verloren hebben en de....”
„Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel? Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht, Gerrit? Dat had je moeten doen, dat was je plicht geweest.”
„Ja, moeder, maar...”
Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij zijn hand op de plaats, waar ’t taschje verborgen is; ’t kost hem moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt:
„En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en...”
„Maar ik dacht....”
„Foei, kind!—Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je zeggen?”
„De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en nageteld, en...”
„Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je ’t pak sigaren al twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je ’t al; nou moet je alweer liegen, omdat...”
„Maar, moeder!”
„Zeg dan maar, dat je ’t mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!... Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo’n ding!—Wat zal ik zeggen?”
„Och, moeder!”
„Zeg, dat je vader ’t je had afgenomen en opgeborgen en dat je ’t daardoor niet eerder kon...”
„Vader?”
„Neen! zeg maar niets. ’k Zal er zelf heengaan; ik zal ’t dan wel voor je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe ’t in Godsnaam nooit weer—en houd je maar stil, doodstil voor je vader.”
„Zal u ’t ’m dan ook niet zeggen, moe?”
„Neen, jongen! ’k zal mijn mond houwen. Geef ’t pakje maar hier; ik zal ’t wegbergen tot morgen, want als je vader ’t wist, dan zou je wat beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,—hij sloeg je halfdood!”
„Och God, moeder! zeg ’t hem dan niet; ik zal ’t nooit weer doen; maar ik dacht, ’t zijn maar sigaren, en....”
Meer hoort de manke niet, want ’t is hem draaierig in ’t hoofd geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur.
Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden: „de man is zoo eerlijk als goud,” klinken hem zóó duidelijk, zóó luid in de ooren, als vernam hij ze pas op ’t oogenblik zelf.
„Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw de advertenties nagekeken, en ’t geld is er immers nog? Die vervloekte Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien ’t is? Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren verloren en...”—„Als dief aangezien door jou schuld!”—„Wat weêrga! wie zei dat daar?” mompelt Dirk in zich zelf: „’t Is precies alsof ik ’t iemand hoorde zeggen,” denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld van het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed, voor den geest. „Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; ’t zou toch kunnen zijn, dat zoo’n jongmensch voor zijn patroon geld ontvangen en, een beetje vroolijk geworden, ’t verloren had.—Neen! maar dan had hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wien het was! Hm! ’k Had toch wel eens aan ’t Amstel-Hôtel kunnen vragen naar dien zieken heer, die.... Wat weêrga! wat belet me, dat ik ’t nog doe, dadelijk?”
* * * * *
Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Hôtel en zegt tot den portier:
„’k Heb een dag of tien geleden, ’s avonds van den laatsten trein, hier een passagier gebracht....”
„Dat’s wel mogelijk; ’t is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet.”
Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den welgedanen portier, die met een zeker „air” hem van het hoofd tot de voeten opneemt, als wilde hij zeggen: „Wat moet die armoedige snorder hier?”
„En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is.”
„Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?”
„Neen!”—de manke glimlacht even—„’t Is die passagier, die ziek aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!”
Eenigszins gevleid door ’t beleefde „U”, antwoordt de portier iets vriendelijker:
„O! zoo! ja—’k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou je?”
„Goddank!” denkt Dirk, en Mijntjes woorden: „Dan is ’t nog niet te laat,” komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl hij zegt: „’k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?”
„Ja! maar....”
„Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is.”
„Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de baron wel te spreken is.”
„Is ’t een baron, portier?”
„Natuurlijk!—’t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de beterhand.”
„Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed ’s avonds; onder weg had hij nog zoo’n soort van flauwte. Och kom! is hij toen naarder geworden?”
„Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.—Kom dus liever eens terug,—later.”
„Neen! dat kan ik niet,” antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: „’k Durf Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vóórdat de zaak in orde is.” Daarom herhaalt hij nog eens dringend: „’t Heeft haast, portier! Ik zal den baron niet lang ophouden—Och! doe me ’t plezier en vraag of ik....”
„Nu, goed dan, ik zal je helpen,” en zich tot den kleinen groom, die in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de portier: „Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te spreken is voor dien snorder.”
„Voor No. 181,” roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen opwipt, nog na.
Terwijl de groom zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de portier, die op ’t oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke een praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron Van der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in ’t hotel, ernstig ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter, die telegraphisch werd ontboden, is verpleegd.
„’t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat ’t een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen! dan heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van voornaamheid,” zegt de portier op ’t oogenblik dat de groom terugkeert, en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij: „Wel?”
„Boven komen”, is ’t lakonieke antwoord.
„Dat tref je!—Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12.”
„Kom dan maar mee!” zegt knorrig de groom en gaat vóór Dirk de trappen op.
Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt hij, na een zacht: „Binnen!” door een vrouwenstem geuit, het vertrek in.
Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij uit zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer en ziet rond.
Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij heeft hem ook alleen maar ’s avonds gezien, en dan nog wel in een dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: „Ben jij No. 181?” herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: „Jongens! Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,”—en als schaamde hij zich plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: „Dat viel er zoo uit, meneer, neem me niet kwalijk,” en blijft verder zwijgend staan, totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem vriendelijk toevoegt: „Wat wenscht u?”
„Mevrouw—juffrouw—ik .... hm! ik....” stottert de manke, nog altijd eenigermate verward door de vreemde omgeving: „ik ben de snorder, die den baron ’s avonds hier heeft gebracht en ik wou....”
„Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den portier of....”
„O, neen! meneer,” valt Dirk snel in, „dat is ’t ’m niet; ’k blijf u nog wel dankbaar voor dien gulden, maar ’t is een heel andere zaak.—Heeft u bij geval ook iets verloren?”
„Goddank! ’t woord is er uit,” denkt de manke, en alsof ’t hem nu gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: „Iets van waarde verloren?”
„Ik?—Niet dat ik weet, beste vriend!”
„Och God! zou hij ’t nou toch niet wezen?” denkt Dirk; maar hij vervolgt: „’k Heb wat in m’n viegelant gevonden, een kleine zwarte tasch met....”
„Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in en...?”
„Juist, meneer! juist!—Hier is ’t, asjeblieft!”
De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die ’t nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en oplettend aanziet.
„Wanneer vond je dat?”
„’s Morgens vroeg, toen ik m’n wagon schoonmaakte. Als ik maar had geweten, dat ’t van u was, zou ik ’t dadelijk hebben teruggebracht, maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uwés verlof, ’n beetje sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij ’t laten vallen. Ik wist ook niet wie ’t was en ’k dacht: eerst hier informeeren en .... daarom, weet u .... geloofde ik....” Dirk verwart zich in zijn eigen woorden, omdat hij denkt: „Wat zal ik zeggen, waarom ik ’t zoo lang gehouden heb?”—’t Is een akelig ding, dat die woorden van Mijntje hem zoo voortdurend door ’t hoofd spoken.
De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen:
„Ja!—’t is van mij; ’t is geld, dat ik pas van mijn notaris had ontvangen,” en tot de freule: „Zie je, Constance, ik heb door mijn ziekte er in ’t geheel niet meer aan gedacht. ’t Zat in mijn valiesje; dat sloot niet goed en....”
„Dat kan wel wezen, meneer; dan is ’t er uitgevallen, toen u uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb ’t nog dichtgeknipt, voordat ik ’t aan den portier gaf. ’t Taschje had ik niet gezien; anders....”
„Zoo!—dus je vondt ’t ’s morgens en je zaagt, dat er geld in zat.” Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den hoed in de hand voor hem staat, aan. „’k Weet niet juist meer hoeveel geld er in was, goeie vrind, maar ’t zal wel akkoord wezen.”
In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein de gedachte: „Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te zeggen van dat vijf-en-twintigje.” Maar ’t is alsof een inwendige stem hem toefluistert: „Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je werk niet ten halve,” en, eer hij ’t zelf weet, zijn hem de woorden ontsnapt: „Neen, meneer, ’t is niet in orde.” En hij kleurt als een jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: „Kijkt u maar goed na, dan zal u wel zien dat ik—hm!—’t spijt me wel—maar...”
De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te hebben gedacht, zegt hij: „Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie vriend?”
„Vijf en twintig gulden, meneer!”
„Hum!” De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt met een zweem van misnoegen in zijn stem: „En waarom deed je dat?”
Een oogenblik is het doodstil in ’t vertrek, dan zucht de manke hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan zachtjes, met trillende stem:
„Ik ben zoo arm!”
Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij staat daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een heimelijke traan in ’t oog en freule Constance, die gedurende het geheele gesprek den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder dat hij ’t merkt, trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen blik op den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en met alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien.
„Ben je getrouwd?” vraagt zij zacht.
„Ja, juffrouw!”
„En heb je kinderen?”
„Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben ’t van de winter hard genoeg want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen en dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat ’t geen vetpot is....”
„Ja dàt kan ’k begrijpen,” de freule ziet medelijdend hoofdschuddend den snorder en dan, vragend, haar vader aan.
„De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dàt kon ik niet;—vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik hoop dus dat u ’t me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam—maar ik dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik ’t weerom breng. Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en toen...”
„Kom eens hier, man! Hoe heet je?” roept eensklaps de baron, het verhaal van Dirk afbrekend.
„No. 181; och, neen! Dirk de Vries,” is ’t verwarde antwoord.
„Kom hier, kerel!” Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt zenuwachtig: „Kom dan!”
Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule, verlegen aan.
„Maar kom dan toch bij me!”
De manke nadert.
„Geef me je hand, De Vries! Zoo! ’n fermen handdruk. Zoo! jij bent een eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou plaats ’t wel zóó had getracteerd.—Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.—Je hebt zeker een brave vrouw, hé?”
„Ja, meneer, die heb ik Goddank. ’t Is een best wijf, die m’n kinderen grootbrengt met God en met eere,” antwoordt de manke, uit de volheid zijns harten.
„Dat dacht ik wel.—Constance, schel eens om wat port; laat den man een stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.—Kom, vrind! vertel me nu alles eens. Wat verdien je wel en...?”
Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van Bles—dat dier ligt hem na aan ’t hart. „Wil u wel gelooven meneer! dat hij me als een hondje naloopt, aardig hé? Dat deden alle paarden die ik gehad heb.” Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij vervolgt: „’k heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog ongetrouwd was en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde, dat beloof ik je—maar wat krijg je bij zoo’n snorder onderhanden? Ouwe dragonders, een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja! als ik weer eens een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen, zou ik nog eens kunnen laten zien, dat ’k weet wat ’n paard is en wat het toekomt.”