Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Chapter 13
„’t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar ’t is dubbel tarief na elven. Weet u ’t?”
„Daar vraag ik je niet na, Autómedon.”
„Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet.”
„Die is goed. Ha! ha! Heel goed!”
„Kom, stap nou maar in, ’t is al mooi laat.”
„Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou ’m recht, kerel! Dat’s zot, dat’s—hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!”
„Wil ik je ook even helpen, meneer?”
„Neen! ’t Is in orde.—’n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady. Zóó, ik zit. Vooruit!”
Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag dicht. Een „hort, bles!” en het rijtuig komt in beweging.
Onder weg zegt de snorder tot zijn paard:
„Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets aan te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!”
II.
’t Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries, bijgenaamd „de manke”, met zijn groot gezin wordt bewoond.
Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit één vertrek, met een klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast.
De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende wezens. Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom, maar niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren en den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw houdt, zooveel zij kan, aan alles de hand.
Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een van oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te slapen; onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien en elf jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige kleedingstukken, die hen ternauwernood voor de felle koude beschutten. Rechts naast de deur, die tot het keukentje toegang geeft, staat op den grond een soort van houten bak met eenig beddegoed, waarin een mager meisje van vijf en een aardig, klein, dik roodwangig kereltje van drie jaren sluimeren.
Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje niet frisscher wordt door de uitwaseming van ’t snerkende eten. Bij de kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings- en kooktoestel vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als stripjongen reeds eenige stuivers verdient.
Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; ’t vroegtijdig gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke lippen spreken van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is de uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen met zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet.
Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des volks ontsproten.
Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam, met een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde en gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek, ziekelijk jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd.
Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen gaat; haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in den rug geworden door arbeid en door ’t rondom haar sluimerende zevental, dat zij ’t levenslicht schonk.
„Wat is er dan, Jan?” vraagt zij, over ’t bed gebogen, met een licht Overijsselsch accent. „Heb je pijn in je mondje? Ben je koud, kereltje? Kom dan maar bij moeder.” Zij wikkelt het kind vaster in den doek, waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met melk en sust het, totdat ’t al kreunend weer indommelt.
Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw; daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten.
’t Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan, haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar ’t kind, dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje, onrustig slaapt.
„Hij is niet goed; ’k geloof, dat ’t schaap koorts heeft; wat gloeit hij,” zegt ze tot zichzelve; „dat moet er nog bijkomen!”—Zij luistert, want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. „Dat ’s Dirk,” denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later wordt opengedaan.
’t Is de „manke”, die thuis komt.
Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel mogelijk afschudt.
„Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in,” roept de vrouw hem te gemoet.
„’k Snapte daar net een bui.—’n Avond, Mijntje! Ben je nog op?”
„Ja; ’k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk op ’t fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; ’t is vinnig weer buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel weer aangelegd; ’k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is ’t vandaag geweest?”
Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij opgeruimd:
„’k Dacht eerst, dat ’t vandaag weer miserabel zou wezen, maar de avond heeft ’t goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en een dubbeltje. ’k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn eten, ’k heb trek.”
„Ik kan niet opstaan, Dirk: ’t kind ligt op mijn schoot; hij is niet goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: ’k wou, dat je ze alle dagen meebracht!”
„Dat schaap is dan erg aan ’t sukkelen, vrouw; zouën ’t de tanden wezen?” antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te verorberen.
Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar ’t Amstel-Hôtel moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij van het aangeschoten jongmensch. „Zie je, Mijn, hij had een flink stuk in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: „We bennen er, meneer!” Maar ’k moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan met een paar lodderige oogen en zei: „Goeie morgen! Ik heb ’n verduivelden dorst!—Die rammelkast van jou is geen cent waard,” maar hij gaf me toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn spul vindt. ’k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig verval gehad.”
Zuchtend antwoordt de vrouw: „Dat heb ’k gemerkt.”
Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: „Zeg, Dirk!”
„Nou?”
„Kierssen is er geweest.”
„Hm!”
„Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is.”
„Hm!”
„’t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver.”
„’k Weet het wel, maar ’k heb het niet, vrouw!”
„En ook niets meer om „weg te brengen.”[1] Kierssen zei, dat hij, als Vrijdag ’t geld er niet was...”
[1] Naar den lommerd brengen.
„Nou, wat dan?”
„Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: „Meneer Kierssen, je weet wel, dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur betaald, maar nou ’t zoo slecht is van den winter met de verdiensten, moest je nog wat geduld hebben en...””
„En wat zei hij?”
„Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: „Ik zou je wel willen laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit; laat je man zelf eens naar hem toe gaan.””
„Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te woord.”
„Maar als Kierssen ’t nou toch zeit, Dirk?”
„Praatjes! ze steken samen onder één deken.—Breng morgen dien daalder maar aan den opzichter op afrekening; dat zal...”
„Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en ’k heb al overal op de lat[1] gehaald: ’k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft ook bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen...”
[1] Op crediet.
„Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan ’t niet van mijn lijf snijen.” Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als Jantje onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt.
„Dat zal me een nachtje geven,” bromt hij, terwijl hij zich ontkleedt. Met de woorden: „’k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat kind toch stil, Mijn!” stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk onder de oude, dunne dekens.
„Leg mijn jas er nog maar op: ’t is vervloekt koud en de kachel heeft gênacht gezeid,” zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden kleine in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar van de slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun broertje, en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig, om zooveel zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft.
Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen weigeren haar dienst bij ’t aankleeden.
Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de vrouw, met ’t zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen neerleggen.
Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan juist vóór dien tijd soms een vrachtje krijgen.
’t Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in ’t keukentje; vóórdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om half acht op de sigarenfabriek moet wezen.
Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot hem zegt: „Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal gedaan heb, rij ik wel even aan om m’n boterham te halen.”
* * * * *
Buiten is ’t nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid.
De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine, morsige jongen, die zoo wat „handje voor alles” is, heeft al een paar oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden.
„Gêmorgen, Dirk!—Satans koud!” roept de baas hem tegen.
„Nou, baas!”
In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een bok, die nijdig naar Dirk stoot, als hij naast den uit de ruif etenden bles gaat staan en zegt: „Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we jou een beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb je nou nog je bekomst niet, vreetzak?”
Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: „Allo, Jaapie! geef jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen schoonmaken.”
Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de waterleidingkraan, zóó langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde koetshuis gaat, hem toeroept: „Kun je nog langzamer?”
„Jawel!” is ’t brutale antwoord.
„’k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!—Waar is de schuier?”
„Vraag ’t hem zelf!”
Gelukkig voor Jaapie, hoort de „manke” deze laatste vriendelijke woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die uit.
Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij nog niet had opgemerkt; ’t is een klein zwart lederen taschje.
„Hé! wat is dat?” zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie, die den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn hoofd omdraait en vraagt:
„Wat mot je?”
„Niks!”
„’k Dacht, dat je riep.”
„Neen!—Kijk naar je emmer.”
Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien borstrok en doet dan, alsof er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt.
Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door ’t hoofd: „Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?” Hij tracht zich zoo onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets ongewoons, zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem toeroept:
„Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen.”
„Ik, baas?”
„Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben ’k niet van je gewend.”
„Hm! Ja! Neen! ’k fluit, omdat ’k zoo koud ben, baas.”
„Zoo!”
Een oogenblik denkt Dirk: „Je moet dat taschje aan den baas geven om te bewaren,” maar dadelijk overlegt hij er bij: „Gekheid! eerst kijken wat er inzit; is ’t de moeite waard, dan breng jij ’t liever zelf terug aan den... Blikslagers! van wien zou ’t wezen? Van dien zieken heer voor ’t Amstel-Hôtel, of van dien jongen snuiter, die den prins gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of....”
In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar, dat de baas het ziet en—zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi aan.
Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. ’t Begint te schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met haast naar de stations spoeden.
Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te rijden.
’t Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en hem even toeknikt als antwoord op zijn groet.
Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt de leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te voorschijn.
Voorzichtig doet hij ’t open en houdt den inhoud, een pakje papier, tusschen zijn vingers.
„Waarachtig! ’t zijn bankies,” zegt hij in zichzelf, en terwijl hij met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: „Dat’s een vondst! Een van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig! drie, vier, zes, zeven van veertig! Dat’s al zeshonderd.—Godzegenme, één van duizend!”
Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. „Zestienhonderd en vijf gulden samen! Geen bagatel,” denkt hij, en als hij verder niets hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op en bergt schielijk een en ander weg,—nu echter tusschen zijn baaien hemd en het bloote lijf: daar is ’t zekerder! Terwijl hij verder rijdt en werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: „Wie zou dat verloren hebben?” Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn vigilante lag, toen hij ’s avonds te voren aan het station ging staan, want even vóór dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw op lag, nog uitgeschud. ’t Moet dus van een der twee laatste passagiers zijn.
Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar ’t bureau van politie brengen? „Hum!” overlegt hij bij zichzelf, „’k zal zoo dwaas niet weer wezen; ’k heb eenmaal een gouden ring gevonden en naar het politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en zelfs geen fooitje is er voor „den manke” overgeschoten; dat doe ik nooit weer.—Maar wat dan? ’t Geld houden, nu en dan een bankje wisselen?” Hij is ’t nog niet met zichzelven eens. „Een bankje van vijf en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar dat van duizend, dat’s te gevaarlijk! En....”
Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam reeds bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op zijn jas naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje met bankpapier ontstaat; ’t is alsof hij zich telkens opnieuw wil overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft.
„Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij ’t hoort”, denkt hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: „Dadelijk naar ’t bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst”, en—zijn hart klopt: zóóveel geld en zóó arm!
III.
Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met bankpapier in ’t bezit van „den manke”. Hij was, na lang beraad met zichzelven, tot het besluit gekomen om ’t geld zoolang te houden, totdat er navraag in de kranten kwam.
Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk moeite om het terug te krijgen, en zet ’t allereerst een advertentie in de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen.
Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo rekende hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel één of een paar bankjes van veertig gulden, opzitten.
Elken avond had hij in „’t Vroolijke Schuttertje”, een kroeg waar gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder gevolg.
Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van ’t Schuttertje, toen hij Dirk zoo aandachtig het _Handelsblad_ en ’t _Nieuws van den Dag_ zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: „Lees jij tegenwoordig de kranten?”
„Ik? Hoe zoo?”
„Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert een paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je kar?”
Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo eensklaps? ’t Zweet brak hem uit, want ’t kwam hem voor, dat hij hem zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend antwoordde hij: „Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?”
„Nou! ik dacht het maar zoo, manke!”
„Waarom?”
Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de Bobberd: „Wel! ’t is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; ’t was maar een bagatel, ’n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik ook gekeken naar de advertenties.”
„En?”
„’k Zag er eindelijk een staan, maar ’k had de duiten al op. Ha! ha! ha! ’t was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een gulden of acht in; ’k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je, als ’t nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon ook m’n vingers niet branden, want geld is geld, ’t is allemaal even rond, en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of van jou.”
„Ja! hm! maar Bobberd, ’t was toch niet....!”
„Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou ’t evengoed hebben gehouwen als ik.—Je begrijpt, ’t portemonnaietje had ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar.”
„Maar als ’t nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren.”
„Gekheid! ’k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal niet, hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering van de Voorzienigheid, dan _moet_ hij ’t hebben, ten minste als ’t niet zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers bekend? Dat ’s een praatje. Ja!—de menschen schrijven daar op, welke nummers ze in d’r zak hebben, kun je begrijpen! Als ’t een loterijbriefie is, dan is ’t wat anders; maar bankies,—gekheid!—Sakkerloot, manke! wat kijk je me raar an.—Neen! waarachtig, ik meen het, en als je er eentje gesnapt hebt, al was ’t er ook een van honderd gulden, geef maar hier! Voor een rijksdaalder zal ik ’t wel voor je wisselen.—Nou! biecht maar ereis op: wat heb je?”
„Niks! Je kletst.—Gênacht!”
* * * * *
Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd, en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: „Geld is geld, ’t is allemaal even rond en....” Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder in de gedachten: ’t was zoo’n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor een halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan haar denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. ’t Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij nu plotseling aan die herinnering? ’t Is toch bepaald vreemd, want hij kan het niet van zich afzetten; ’t komt hem voor, alsof hij haar eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; ’t is alsof hij de kracht van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was, wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht. Hij is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in zijn woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan ’t werk.
„Gênavond, moeder!” zegt hij binnenkomend.
„Gênavond, Dirk.”
„Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?”
„Ach, God! weet je ’t nog niet? We moeten er uit; in de andere week al.”
„Wat zeg je daar? Is ’t waarachtig?”
„Kierssen is er weer geweest, van morgen. ’k Had geen cent meer en van middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn patroon geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we verhuizen.”
„Zoo! hm!” Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje.
„’t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen naar toe?”
„Zoo’n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje.”
„Wist ik maar raad, Dirk!” Opnieuw barst zij in tranen uit.
Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: „Huil niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n’alterasie om zoo’n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we zoeken een andere woning; een betere, hoor!”
„Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?”
„Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar ’k zal den baas om voorschot vragen en....”
„Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig.”
’t Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: „Ben je niet goed, man? Slaap je nog niet?”
Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; ’t was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter treffen; ’t geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en rechts, maar ’t wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: „als een arm mensch wat vindt, dan is ’t een bestiering, dan moet hij het hebben.” Waarachtig, ’t scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand.
Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem snikte nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur gemaakt.
„Arme ziel!” dacht Dirk, „je hebt toch ook je portie; ’k zal zorgen, dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo’n rijke kerel, die ’t verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en ik...” Hij sliep in.
Den volgenden dag wisselde „de manke” bij een winkelier in de buurt een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer.
Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij ’s avonds „Het Vroolijke Schuttertje” binnen. De Bobberd was er nog niet; gauw dus de kranten nog eens nagezien!