Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Chapter 12
Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij ’t noemt, haar hart vasthoudt dat er op ’t oogenblik, dat „meheer Kauwbeen” er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt niet en praat al etend met de winkeldochter: „Ik heb indertijd dikwijls vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr hèd de pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren,” zegt hij, kruimken voor kruimken kauwend. „Ik woonde toen ter tijd op kèmers op ’t Rokin; ’t is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of meer moest ... hum!... Enfin! ik heb...” Daar komen eenige dames binnen, en de winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord, zegt eensklaps: „Ik krijg zeven en een halven cent van u!”—„Oui, Voilè!” De Snoeper betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke buiging tegen de binnentredende dames te hebben gemaakt en met een glimlach om zijn tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: „Sèlut à lè beauté!”
Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor een koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met zijn hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft hij ten minste, de rest van zijn geld; ’t bedrag valt hem zeker mede, want in plaats van het „koffie- en chocolaadhuis” binnen te gaan, keert hij op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt daar—niemand ziet het immers—een ons zoetemelksche kaas en twee gesmeerde kadetjes, maar beide „in pèpier.”
In ’t chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: „Zoo, papa Kauwbeen! ben je daar weer? Kom je schaften?” Hij antwoordt niets, maar ziet hen met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: „Een kop chocolèd!”
Dan ontvouwt hij het „pèpier”, belegt met zijn vingers de twee kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug melk-chocolade.
„Zeg, Snoeper!” schreeuwt een van de werklieden, die, met beide ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, „zeg, waar heb jij nou weer die kaas opgedoken?”
„Och, laat hem zitten, hé!” vraagt de bedienende kastelein, en glimlachend voegt hij er bij: „Meneer doet jou immers niks!”
„Meneer? ’n Mooie meneer!” grinnikte de werkman. „’k Wou om de dood niet graag zoo’n heer wezen.”
„Och hij is halfsuf, laat ’m zitten, Karel; hij is toch vroeger ’n heer geweest,” zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er bij: „Hij is van voornaam komaf, maar z’n femielie is sjofel geworden net als hij zelf; ’t is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift leven moet.”
„Wat weêrga, laat ’m dan gaan werken: wij moeten ’t toch ook doen.”
„Hij werken? Kijk ’m ereis goed an: daar is ie veel te petieterig voor.”
„Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.—Afijn laat ’m voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met ’m ruilen met al zijn komaf.”
Intusschen eet de Snoeper, die ’t gesprek niet gehoord heeft, zijn broodjes; de laatste kruimeltjes, die op ’t papier liggen, tipt hij één voor één met een vingertop op en ’t laatste druppeltje chocolaad heeft hij met een stukje brood uit den kop geveegd.
Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt hij heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat.
De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op den weg; want—hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt hij uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en heeft hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn kaken werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile.
Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na te gaan en te volgen, zonder dat hij ’t wist. Wat ik verder over hem vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning, maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg zijn financiën voor ’t oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette, die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem staande en zei: „Hé bonjour! Hoe mèk je ’t? ’k Hèd in leng ’t genoegen niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht, mèr—c’est triste a dire—mijn gèrderobe is op ’t oogenblik niet premier choix. Ik heb hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik fètsoenlijk mensch wou blijven. Ik heb nu èlleen ’n kleine lijfrente wèrvèn ik existeer; wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of èndere betrekking, die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren door me te recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb ’t zeer noodig, ik kèn je èls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dèt ik ’t hoog noodig, zelfs zeer hoog noodig heb.”
Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des „Snoepers” ellendig uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand wilde leggen, weigerde hij dien eerst met een: „Pèrdon! zóó wès ’t niet mijn intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je genoegen mee doe, wil ik ’t momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt ik ’t je, zoodrè ’t me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop me spoedig te revèncheeren.”
Van dat „revèncheeren” is nooit iets gekomen—alleen de natuur nam „revanche” op de afwijkingen van „Kauwbeen”, want vóór zijn 48e jaar stierf hij in ’t Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent hem, niemand verliest iets aan hem—want hij had voor niemand geleefd dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling straattype is verdwenen—ziedaar zijn grafschrift!
DIRK DE SNORDER.
DIRK DE SNORDER.
Een bitter koude, donkere winteravond!
Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel, gereed om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht.
Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen, die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed, en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden krans, naar de wereld onder haar.
Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met witte plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen, waarin de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd opstuift, als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast.
Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot één vormeloozen, zwarten klomp, nauwelijks te onderscheiden van de dikke, zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken.
Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht breken op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat duister; ’t zijn de verlichte vensters van de huizen.
Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een zwarte massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante plek helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de houten trappen van het gebouw glinsteren.
Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande, links van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op de reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen.
’t Is kwartier voor elven.
Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en zal de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast.
De koetsiers van „de aapjes” en vigilantes trappelen op en neer naast de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een enkel nu en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om met zijn hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de beweging van zijn meester nadoen.
De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau zal kunnen verwisselen.
Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een paar vigilantes, die telkens, als een passagier instapt, beven en sidderen voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan vehikels met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp zijn om binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope biefstuk of best rookvleesch.
’t Zijn een paar „snorders”, zooals men te Amsterdam dat soort van vervoermiddel noemt.
De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers, die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen. Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De „snorder” daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die één of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op straat komt en in ’t duister ontsnapt aan ’t valkenoog der inspecteurs van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen.
Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde of vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele paarden, die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den Zeedijk en in de Nes.
De „snorder”, die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat, hoewel geen sport, toch iets hooger op de ladder van ’t voerwezen. Hij vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen der maatschappij en der grootere stalhouders. ’t Is in zeker opzicht een vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een tarief te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die geen ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan hier dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te snorren.
’t Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas betaalt hoogstens 4 à 5 gulden ’s weeks en laat verder zijn koetsier aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo’n knecht niet eerlijk, dan... Doch ’t is plicht te gelooven, dat ieder mensch als „goud” is, en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in alle deelen opkomen zooals ’t behoort.
„’t Is weerlichts koud van avond”, zegt de een tot den ander, die evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen.
„Nou sicuur, hoor! M’n beenen vallen haast af.—Zeg, Bobberd! heb je nog tabak?” is ’t antwoord.
„Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?” De Bobberd spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat met kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen woorden. „Viegelantje, meheer?”
„De manke” biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig met een: „Rijtuig, meheer?” of „Viegelant assieblieft?” aan de enkele menschen aan, die iemand of iets van ’t station moeten halen en die zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een sukkeldrafje de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt: „’N doossie lucifers, heeren?”
„Zeg, Bobberd?”
„Nou?”
„Er staan een boel gestationneerden van avond; ’t is bepaald weer mis; ’k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele sigaar: ’n kale boel. Ba!”
De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem antwoordt de Bobberd:
„Ik ook niet, ’k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren plentie: ’k rij nogal veel heeren, weet je?”
„Ja, jij bent gelukkig,—je hebt haast altijd volk; maar ik—ik veeg[1] gewoonlijk. ’t Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe langer hoe schrieler.”
[1] Geen volk opdoen om te rijden.
„Dat komt door de algemeene melaise, manke!”
„Wat is dat?”
„Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal ’t wel waar wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van handel temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, ’t is benauwd tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met fooien en al.”
„’k Wou, dat ’k ze maar alle weken had”, antwoordt de manke met een zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er uit alle macht op blaast.
„Wat heb jij vast bij je baas?”
„Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!”
„Blikslagers! dan ben jij ’t heertje, hoor! Dan heb jij een halven gulden meer dan ik.—Daar moet ’k mijn baas ereis over aanspreken.—Prrr! knol sta stil!”
„’k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden sloeg die ouwe dragonder—je hebt hem wel gekend, ’t was een witvoet, een nijdige rakkerd zoo oud als hij was,—m’n linkerbeen stuk. ’k Heb dertien weken in ’t Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me twee kwartjes verhooging.”
„Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat ’s vijftig centen per week waard.”
Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd zóó, dat zijn breede, tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. „En ben je er nou al rijk door? Neen, hé? Je bent even sjofel als ik; vroeger had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog geen vijf.”
„Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en ’k geloof waarachtig, dat ’k van deze week ze niet eens haal.”
„Klagers hebben geen nood, manke!—Prrrrr! Jan, hou je gemak, jongen; we gaan zoo naar stal.—Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers getrouwd, hé?”
„Ja, natuurlijk!”
„Kinderen?”
„Zeven!”
„Godzegenme!—Satansche knol! wat mankeert jou van avond?—Een hok vol. Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen.”
„Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?”
„Omdat ’k geen vrouw heb; ’k ben een vrije jongen!”
„Ja, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog over den slechten tijd?”
„’n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een getrouwd mensch.”
„Ei!”
„Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet een mensch toch....”
Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den aankomenden trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht hebben, is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de hand, tot zijn collega: „Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg is.”
Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril; de trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het station, alles in beweging.
Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is de locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een vermoeid en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van verlichte wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook de warme lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden winternacht.
„Bagasie, heeren! Bagasie!—Niemand bagasie?” roepen de langs de waggons snellende kruiers.
Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van ’t station de reizigers met: „Hôtel du Doelen, Rondeel! Bible-Hôtel! Hôtel Central! Pays-Bas!” enz.
In bouffanten en cachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en huiverende eerste- en tweede-klasse passagiers door den uitgang. Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen.
In draf rijden de verschillende „gestationneerden” de snorders voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers, hoe ’t eene rijtuig na ’t andere, met koffers op bok of imperiaal, hen voorbijrolt.
Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen: „Viegelant?” de passagiers zijn voor hen, naar ’t schijnt, niet aangekomen.
’t Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant. Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet van den manke, die hem naroept: „Gelukkige vent, jij bent er alweer uit met een prijs!” Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de reizigers, die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen.
Eindelijk zijn al de rijtuigen voor ’t station verdwenen; hij wacht nog even, dan rijdt hij zachtjes voor ’t plein op en neer: misschien komt er ook nog iemand voor hem.
Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor den manke geen vrachtje.
„Zou ’k van avond alweer vegen?” mompelt hij verdrietig, terwijl hij de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat om gevoel in de vingertoppen te krijgen. „In godsnaam dan, vort! Brrr! wat is het koud.”
’t Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en ’t snijden van de vorst.
„Hort, bles! dan maar naar stal.”
Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: „Hola, koetsier! stop!” hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op den bok, ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam naar hem toe komen.
„Viegelant?” roept hij hun vragend tegen.
„Ja! keer maar om!”
Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor zijn paard en ’t rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk herhaalt hij zijn vraag: „Viegelant?”
Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: „Jawel! hier heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden. Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar ’t Amstel-Hôtel.”
De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem bij: „’k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.—Dank je, conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de voorbank. Ziedaar, dat’s voor je moeite.”
„Dank u, mijnheer!—Beterschap!—Vooruit, koetsier!”
De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de stijve beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort.
„Dat valt mee,” denkt hij onder weg, „’n goeie fooi, hm! misschien maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe jongen.—’k Zal de Kalverstraat nemen,” zegt hij bij zichzelven, „dat rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te veel gegeten en pijn in z’n lijf. Och! wat kan ’t ons schelen, hé, bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is ’t me onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook....”
Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt even op; de passagier steekt zijn hoofd uit ’t portier en vraagt knorrig: „Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat rijdt?”
„Naar ’t Amstel-Hôtel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch dat asphalt zachter en....”
„O, zoo! is ’t daarom; dat’s wat anders, dank je. Wat is je nummer?”
„Honderd een en tachtig, meneer!—Doorrijen?”
„Ja, asjeblieft!”
„Hort, bles!—Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn nummer? Ik heb hem toch niet veraffronteerd,—is ’t wel, ouwe bles? Nou, ’t zal mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin; maar hij zei: „Dank je!” Blikslagers, misschien recommandeert hij No. 181 als een geschikt persoon. Ook goed!—Kom, bles, vooruit dan, we moeten, allebei naar stal.”
’t Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te praten, als hij rijdt; misschien doet hij ’t, zonder dat hij ’t zelf weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. „Komaan!” vervolgt hij, „daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de zweep eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; ’k zal.... Wat weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m’n viegelant? Phu-u-u-t!” de koetsier fluit tusschen de tanden.
Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn hoed, als hij vraagt: „Neem me niet verkwalijk, meneer, maar.... Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en ’t koffertje met ’t valies leit naast hem.”
„Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet goed?—Dat’s een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik gesjochten voor mijn vracht.”
Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten. Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: „’k Werd—weer—zoo benauwd; rij in Godsnaam voort!”
„Zou uwé ’t dan nou zóó kennen rooien?”
„Ja! ja! rij gauw weg.—Wat doen die mannen hier?”
„Ze hebben zooveel als een handje geholpen.”
„O, zoo!—Dank jelui.”
’t Portier wordt dichtgeslagen en een „vooruit!” van den koetsier brengt de vigilante weer op weg.
Eenige minuten later is het Amstel-Hôtel bereikt en wordt de zieke man door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke hoort hem zeggen: „Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!” ziet hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vóórdat hij dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: „Hé, portier, de ouwe heer heit nog wat vergeten,” reikt hij de reistasch over, klimt op den bok en rijdt weg.
„Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.—’n Gulden fooi! Zeker en bepaald een fijn mensch.—Kom! dat’s een meevallertje; even een hapje nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af.”
’t Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en dan draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want ’t paard weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen en laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan, om dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan.
Bij de brug, die van ’t Leidsche plein naar de Stadhouderskade voert, wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek tegen een lantarenpaal leunt.
„Hé! Hola, koetsier!”
„Phu-u-ut! Prrr!—Ho, bles!—Wou uwé rijen?”
„Ja! Ben je vrij?”
„Om je te dienen, meneer.”
Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in vroolijke stemming, neemt de kruk van ’t portier in de hand en vraagt met min of meer bezwaarde tong:
„Schroef jij ’s avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! ’t Beest valt om, als je niet oppast. Zeg, Autómedon! zou je me nog zonder ongelukken naar Kras kunnen rijen?”