Papieren Kinderen: novellen en schetsen

Chapter 11

Chapter 113,908 wordsPublic domain

„Da!—da!” riep de kleine lachend, en in ’t minst niet verschrikt of angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van den hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte.

„Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien hond, hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; ’n verduiveld aardig gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien kleinen rakker hem eens in z’n wammes nemen. Nou, ’t is een lobbes van ’n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat ze maar gerust met mekaar spelen.—Toe dan, Bijou, hou je goed,—pak ze.—Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z’n kop,” riep oom Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend voegde hij er bij: „Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat ’t mormel dan eerst eens wasschen.”

„Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal ’t kind bezeeren”, riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in ’t hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en ’t kind te scheiden.

„Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort, Bijou!—Ze laten elkaar niet los.—Oom, kom dan toch?”

„Waarom? Laat ze maar begaan.”

„Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama—’t is nu genoeg”—zei Marie, en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen.

Maar neen!—de jongeheer had er nog niet „genoeg” van, hij zette een keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel toegeven moest en de twee speelmakkers met een: „Nu, ga dan in Godsnaam jelui gang maar”, te zamen op den grond zette.

Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op ’t vloerkleed dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen om de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep hij vroolijk: „Zoo is ’t goed. Toe maar, jongens!—Marie, wat dunkt je: zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade aannemen?”

* * * * *

Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen, deftig op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn vriend, die op Mama’s schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar intusschen zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was komen aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch, groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood: „Janus, ik ga verhuizen; ’t is hier reëel in huis niet meer uit te houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. ’t Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, ’s middags zitten Besjoe en ’t kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies kan geen fatsoenlijke meid verdragen!”

HENRI DE SNOEPER.

HENRI DE SNOEPER.

AMSTERDAMSCH TYPE.

Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,—vrede zij zijne assche!—maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren, dat „de Snoeper” lang Amstels straten liep, als de schaduw van een man, die ’t eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, zal ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen „Henri” den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord „meheer kauwbeen” of „snoeper” nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend van kwaadheid te roepen: „Kwède jongens, indien ge mij nog lènger insoleert, zèl ik ’n ègent hèlen!”

Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing als ’t ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer, zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip vereenigde zich met de lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele profiel gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op de naar achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en ettelijke grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het menschdom te doen gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen, wanneer de grillige natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord.

Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed, die gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef men in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen—wanneer men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die de haarlooze en roodgerande openingen vulde, zóó kan noemen—waren steeds half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat „de Snoeper” zeer slecht van gezicht was.

Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines bekleed, of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen te vallen. Zijn kleeding was „shabby genteel” in de vijfde macht en bestond ’s zomers uit twee, ’s winters uit een drietal jassen zoodanig over elkander aangetrokken, dat de ondereinden, de panden, amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs goed laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen weerstaan. Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden over een vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; ’t was rijp voor den papiermolen.

Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als ’t ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik in de knieën loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje in evenwicht hield, zoodra ’t glad was of glibberig op straat. Iets was er echter aan den man, dat hem bepaald behalve „shabby” ook „genteel” maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en een boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn sterk naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals omsloot. Wáár hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven en strijken, zal wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als ’t nog steeds in ’t duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte manchetten kreeg, die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de glacé-handschoenen die hij droeg, winter en zomer.

Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel waren ze niet van ’t nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn vingertoppen door ’t leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw waren over ’t verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij links een zwarten, rechts een bruinen of gelen Jouvin; daarop lette hij niet zoo heel nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht gezicht daarbij een part.

Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit, want ’t had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri—hij zag hem op straat aan een schaafbank werken—gevraagd had: „Och! vrind, zèg me eens twee centimeters vèn dit stokje èf.” Een vriendelijke blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een zekere „chic” droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of over den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op zijn langzaam sukkeldrafje verder liep; in ’t barre jaargetij gebruikte hij het als balanceerstok.

Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of iets groens,—waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van Flora, dat hij gevonden had.

In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het leven zuur maakte en „meheer kauwbeen!” riep.

Met de grandezza van een Castiliaanschen Hidalgo en stoïcijnsch als een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of hoed achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en riep, inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig valsch pathos: „Kwède jongens,” „insolente jongens”, of „onbeschèmd rèpèlje!”

Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die ’s avonds van te voren veel Chambertin heeft gedronken of lichtelijk verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins geaffecteerd, ietwat „Hègsch.” Meestal volgde bij de jeugd een uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op, dat hem schouderophalend deed zeggen: „Onbeschèfd en dom tuig! Dèr is niets vèn te wèchten.” Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg.

Waarvan hij leefde?

Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dàt was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit en aan niemand.

Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die—gedachtig aan de dagen van Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers, die hij „en garçon” bewoonde, gastreerden—hem wekelijks een kleine toelaag gaven.

Wanneer de arme man geen „passies” had gehad, zou die toelaag, met eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft. Helaas! hij had wèl passies, de ongelukkige,—en die hartstochten waren: _beminnen_ en _smullen_.

Toen hij nog „le beau petit Henri” en „in bonis” was, had hij veel liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een veroveraar was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk gereden, totdat hij moede van ’t overwinnen zich rust had gegund bij een vriendin, die hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die hem zonder twijfel op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans of Veenhuizen zou hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg gestorven was, hem niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en een lichte aandoening van ’t ruggemerg, die hem beverig en schrikachtig maakte. Die goede vriendin had hem na aan ’t hart gelegen, zóó na, dat hij bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om verstrooiing te vinden voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte hem dit in ’t gezelschap van eenige dames, die de lieve overledene hadden gekend en vriendelijk haar best deden om door liefde en toegenegenheid Henri zijn bitter leed te doen vergeten. Hij werd minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde, dineerde en adoreerde evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn maag en rug hem gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn geworden.

Uit vermogende ouders geboren, opgevoed—neen! juist niet opgevoed, maar verwend—door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg weduwe werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk patriciër zich kan en mag veroorloven. Vóór den tijd meerderjarig verklaard, na moeders dood, en in ’t bezit gekomen van een vrij goed fortuin, was hij door goede vrienden, zoowel als door lieve vriendinnen, die volgens eigen zeggen „trotsch op hem waren”, geworden hetgeen hij was: een doeniet, een „noceur” die nimmer één enkelen cent had weten te verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, totdat zijn passiva de activa verre overtroffen.

„En privé!” zoo geheel „onder onsjes” was Henri toen „over den kop gegaan”; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot beredderd, en toen hij „schoongemaakt” was, zooals de vrienden zeiden, bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en—zijn passies!

De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg geweest; ze hadden hem van alles beloofd—en waren toen hun eigen weg gegaan, en zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te gevoelig georganiseerd.

„Pauvre petit Henri!” zei de laatste, die met hem had gesoupeerd. „Pauvre garçon, probablement nous ne nous reverrons jamais!” Zij sprak slechts Fransch—die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed.

Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad, die Fransch spraken, een „pâté aux truffes de Périgord” wisten te waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen Volnay en Château du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten opgeven.

Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een meer, de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun tijd in beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met tranen in de stem, dat zij hem „gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis zouden ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn soupers, diners en soirées van vroeger te réciproceeren, maar ... hum!—zij hoopten niet, dat hij ’t kwalijk zou nemen—hun vrouwen hadden de reuke van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van verre vernomen en daarom ... hum! hum! ’t Speet hun ijselijk en ’t lag heusch alleen aan de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus misschien—altijd zonder hem te beleedigen—konden assisteeren met een tientje of een bankje, dat hij later kon teruggeven, als ’t hem convenieerde, dan .... hum! van harte, hoor!—van harte!”

Henri was een goeie jongen, in ’t geheel niet trotsch; hij voelde zich in ’t minst niet gekrenkt of beleedigd door dat aanbod; hij zou ’t immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en—zonder blozen deed hij zoo’n tientje of meer in zijn toen nog elegante portemonnaie verdwijnen.

Slechts één enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden plaats op zijn kantoor aangeboden; ’t salaris was wel is waar niet groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de tering naar de nering zette.

Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten bediende rijk, dat was alles.

De chefs konden er niet beter „gesoigneerd” en „fijner” uitzien dan Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn passies—hoewel min of meer gewijzigd—met nieuwe kracht voelde ontwaken.

Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij er niet was.

Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig genoeg was om het _te kunnen doen_, zich bleef uitstrekken over Henri’s hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een aureool begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals ’t ging, totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand.

„Er was niets met dien panier percé aan te vangen”, beweerden de patroons, en gedachtig aan het „en leid ons niet in verzoeking” verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een „douceur” als afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers, maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu en dan aanhankelijkheid had getoond.

Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van vreemden bodem, maar had bij een der Françaises, die Henri vroeger kende, „meheer wel ereis ontmoet, als zij bij ’t schoonmaken hielp”. Zij was niet jong meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal „kennisjes”, die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje van gezellig verkeer; maar toen ook de douceur, ja zelfs de opbrengst van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar—ze waren er dan ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in ’t gasthuis had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover gekomen was.

Sedert jaren reeds had hij ’t werkwoord beminnen niet meer in ’t Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent.

Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op!

Hij was de ruïne van een mensch: droef en akelig ging zijn zon onder, voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan bescheen zijn bouwval.

Kil en koud sloop hij verder door ’t leven. In ’t gewoel der groote stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd verscholen—onder water—totdat op zekeren dag bij een van de oude, gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,—om brood!

Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein wekelijksch inkomen tot stand voor Henri—met zijn passie: want één passie was hem nog trouw gebleven, namelijk „het smullen.”

„Le beau petit Henri des dames” was in ’t gasthuis en in het straatvuil overleden,—het Amsterdamsche type „Henri de Snoeper”, alias „meheer Kauwbeen” was geboren.

II.

„Bonjour, m’nèr!” zegt „de Snoeper”, in een der voornaamste Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend.

Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich onsmakelijker voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en gedachtig aan de tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn winkel zag komen, wil hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt flauwtjes: „Morgen, m’neer!” maar brengt, te gelijk eenige op de toonbank open uitgestalde kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij ervaring weet, dat „de Snoeper” de gewoonte heeft om in de kistjes te grabbelen, de sigaren „en fin connaisseur” in de hand te nemen, te bekijken, te beruiken—en o, die handen......!

„Èngenèm weer vèndèg”, klinkt het verder uit den mond des bezoekers, die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet, terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank doet leunen.

Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als deze zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt en dan, uiterst beleefd, vervolgt: „Ik wenschte wel, dèt u mij eens een pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents ’t stuk, mèr met Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk zwèr.”

Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren eenige stuks voor en wacht.

Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt „de Snoeper” achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op, ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van ’t dekblad te onderkennen en vraagt:

„Welken nèm hebben ze?”

„Flor de Sevilla, Conchas.”

„Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?”

„Cuba es mi Patria.”

„Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een nemen èls monster.—Zes cent, niet wèr?”

„Pardon, acht cent!”

„O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr ’t is zoo, ik herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren: wènneer ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben.”

De sigaar wordt opgestoken en met een: „Au revoir, m’nèr” zet „de Snoeper” zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel, medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne had willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal geprobeerd, en toen hij zeide: „Houd het geld maar, u kunt de sigaar toch wel opsteken”, trots ten antwoord gekregen: „Merci! ik kom èls klènt, niet èls bedelèr.”

Sedert dien tijd behandelt hij „de Snoeper”, niettegenstaande diens afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende onderscheiding.

Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot giegelend den winkeljongen aan, als „Kauwbeen” binnenkomt. Ook daar neemt hij „gentlemanlike” den hoed af, maar zet dien niet op de toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: „Meneer! de toonbank is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten.” Die comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat!

„Geef mij eens een ons gèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd het goed in te wikkelen in pèpier.” Begeerig snuift hij in dat magazijn de lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne, Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen, bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om gemakkelijker het geld te kunnen tellen—of om tijd te winnen. ’t Is alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar malen, als kon hij door ’t inademen dier vluchtige deelen van kaas en vleesch verzadigd worden.

Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel.

Met den bakker maakt hij weinig omslag; ’t artikel brood is ook te gewoon. Met den hoed op ’t hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij twee „pains de luxe”, maar vraagt: „In pèpier, s’il vous plait!”

De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder tot aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn, want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten ’t bereik van den klant, die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te bevingeren.

„Wil u de beleefdheid hebben, mij ’n pèr zèndtèrtjes te geven?” vraagt hij, na te zijn binnengetreden.

„Van ’n stuiver ’t stuk?” klinkt het min of meer ondeugend van de lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord:

„Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn ’n hèlven stuiver.”