Papieren Kinderen: novellen en schetsen
Chapter 10
Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen likte, maar—met zijn despotieke heerschappij was ’t voorgoed gedaan; hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens grillen slechts dan werden geëerbiedigd, als ze niet in tegenspraak waren met de grondwet.
Frits en Marie waren beiden door ’t zien van Bijou’s verloopen uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid, dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen genezen zijn. Ze overlegden, dat ’t best zou kunnen gebeuren, dat hun lieveling nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze voorloopig een afwachtende houding aan en duldden hem nu dáár, waar hij vroeger werd vergood en vertroeteld.
Arme Bijou! Beklagenswaardig slachtoffer van „de liefde.”
V.
Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en roer; er zweefde als ’t ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar eenigszins kon, en ’t was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met angstige spanning verbeidde.
Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje pruttelde in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk verrichtte: „Dat mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt me nou al de keel uit. Zoo’n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze d’r eigen wel?”
Het „mensch”, dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in de slaapkamer met Mevrouw aan ’t onderhandelen en verzekerde op stelligen toon: „dat ’t vandaag posetief nog gebeuren zou en dat meneer den meester maar vast moest gaan waarschuwen.”
Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en ’t blonde haar „en bandeaux” langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag.
In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig, maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van „den Ooievaar” voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de onderhandeling stoorde met een: „Alles is in orde, mijn schat”, wenkte Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend zijn bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op zijn oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed kloppen en op zijn trillende lippen de woorden: „Zou ’k waarachtig zóó gelukkig zijn,—een jongen?” bracht.
Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half spottenden, half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht bij zichzelf: „Dat geeft minstens een gouden tientje, als ’t heusch een jongen is.”
* * * * *
En...?
’t Was een jongen! En wel „een dikke gezonde knaap, als uit meheers gezicht geformeerd,” zooals op den avond van dienzelfden dag de baker met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna, stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te goochelen.
Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld wel willen omarmen,—de oude baker incluis.—Een zoon was hij rijk! Wat kon hij meer verlangen?
Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger wordend protest eens even om ’t hoekje der kamer kijken, waar Marie, schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in ’t sierlijke ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was.
In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk verspreid geworden; ’t hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar ’t de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en ’t hield den al te snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch de kalmte mocht verstoren.
* * * * *
Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien dag, ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: ’t waren Bijou en Jaantje!
Bijou was reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk een oude gewoonte gevolgd.
Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was.
Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot vrienden gemaakt.
Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó!
Enkele dagen na Bijou’s verbanning naar ’t sousterrain had de brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht van Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de keukentafel zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met bloemkool, waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had genuttigd, de hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen cavalerist te lezen. „’t Volk” zat nog aan ’t dessert, en daarom had ze tijd genoeg, vóórdat er gescheld werd om af te nemen.
Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in de bloemkoolsaus. ’t Was een portret,—haar eigen beeltenis. Zij had nog vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van ’t half dozijn, dat de photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus.
Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus, zei: „Jaan, wat gebeurt je nou” en likte met kloppend hart „haar beeltenis” haastig af.
Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik niets hoorde of zag.
Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij zich over de bloemkool, en eerst toen hij „niet meer kon”, bleef hij tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus’ brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten roffel op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een „bravo” toe over ’t volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn overbuur, alsof hij zeggen wilde: „Wat mankeert jou?”
Wat haar mankeerde?—Alles!—Zij had den brief gelezen en haar minnend hart was op ’t punt van te breken; hevig zwoegde onder ’t opgespelde eva’tje de eerlijke boezem, waarop Tienus’ hoofd in een doublé medaillon nog altijd schommelde.
’t Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus’ schrijven langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken.
Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot zijn oor, als wilde hij zeggen: „Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid voor je.” Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek onbescheiden mee in den brief.—„Mejuvfrou”, schreef Tienus. Ach! dat ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje _alles_ gezegd; vroeger schreef hij immers: „Zwaar beminde Jaan,” en nu: „Mejuvfrou.” O! ’t was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van den epistel gaf haar den genadeslag.
„Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft, dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient
vroeger u minnaar MARTINUS PLUIT.
P.S. hartelijke Groetenis!”
Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had, veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van ’t fornuis, langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouëerend zonder dat ze ’t wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden Bijou bij zijn kop, drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en snikte: „Ja, stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas naar z’n beenen vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou ook in de serijbel; jij bent een goed beest, maar hij is een valsche hond; voor mijn part vreten ze ’m derekt op in den Oost—zoo’n Judas! Verleden week stuurde ik ’m nog een guldens postwissel.”
Van af dien gedenkwaardigen middag waren Bijou en Jaantje trouwe bondgenooten, onafscheidelijke kameraads.
VI.
’t Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige „bonbon” in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had op zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje „kiele kiele!” gedaan en op zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het hem begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot de opmerking verleidde: „’n Stem als een klok, hoor!” en den dominee, die de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: „’t Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven.”
„Wat ’n wonder!” riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol, noch ledig liet staan, „’t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg, want je hebt ’m hartelijk toegesproken, dominee.” En toen de predikant min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde: „Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens.” voegde de joviale zeeman er bij: „Ja, tusschenbeide is zoo’n tukkie in de kerk niet onlekker.—Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van ’n wijf—Marie, dat ’s een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!” hij dronk even een glas Moët—„hartelijk te feliciteeren. ’t Heeft wel vijf jaren geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, maar ’t ziet er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang zal het leven! Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen ophouden aan is. Frits!—Marie!”
Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge ouders te klinken.
„Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één voor één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder, Hiep, Hiep! Hoera!”
* * * * *
„Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat ’n herrie om zoo’n wurm!—Dat mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed slaatje uit en ik blijf nuchter van de fooien,” pruttelde Jaantje, die in de keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig staarde zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een glas Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart, zij lustte geen „sampanje”, want in haar ziel was ’t nacht, stikdonkere nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar hart had gebroken.
Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: „Jou kunnen ze nou ook missen als kiespijn, arme sukkel!” Met een blik vol weemoedig verlangen keek de hond naar ’t bord met taart, als dacht hij: „Tienus had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is ’t te groot, maar ’k zou toch mijn best doen, als ’k mocht.”—„Daar, stumperd, proef maar eens: ’t is roomtaart,” zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij Bijou’s verlangen, hem een stukje van ’t gebak vereerde.
Haar gramschap over Tienus’ ontrouw had zich langzamerhand opgelost in een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken aan die tijden van Olim, waarin haar ’t kletteren van sporen en zwaard als muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar niet vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk gemeende pogingen zij ook aanwendde.
Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis van haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van de dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker aan de deur van het onderhuis een „ko’praal” verschenen, die aan „juffrouw Jaantje” met militair salut had verkondigd, dat zij, door een kennis, aan hem „gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor ’n milletèr.”
„’t Is in ’t geheel geen onknap persoon,—is ’t wel Besjoe?—maar ’n piot—daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten,” zei de gevoelige keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze ’t woord tot hem richtte.
„’k Zal ’m nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t’avond of te morgen verhuis,—want ’t wordt me hier veelste druk met dien schreeuwleelijk,—dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd.” In een aanval van teederheid greep zij een van Bijou’s voorpooten en drukte dien als ware ’t een vriendenhand.
De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn vriendin deed zeggen: „’t Is zonde, da’s waar ook, je heit een zeeren poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z’n eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m’n beessie, ik zal je ereis wrijven; dan wordt ’t beter.—Zóó, m’n hondje, zóó! Dat doet je goed, hé?”
Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn vroegeren lieveling wreedaardig een schop te geven?
Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding had verdiend.
Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had weten in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu letterlijk als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier zijn geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid had zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het sousterrain verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk ondernomen.
Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij staan en stak zijn kop nieuwsgierig om ’t hoekje van de deur.
Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn gaande te maken.
Daar zat „de vrouw,” stralend van geluk, blozend van gezondheid in den fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en op zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen, dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend toesprak.
Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij ’t zelf wist, en met een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en vinnig toe te blaffen: „Jij was ’t dus, jij! Om jou ben ik verstooten.”
„Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou ’t kind weg!” riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande, diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller ijl de kamer deed verlaten.
Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien.
„Als ’t niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet hij weg, de deur uit,” bromde Frits tegen Jaantje, die als goede kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: „Dat kan uwes geen meenens wezen, meheer; ’t stomme dier heit er toch geen part of deel an, dat er ’n kleintje gekommen is.” Die logische opmerking ontwapende Frits’ gramschap en behoedde Bijou voor ’t wegjagen.
De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak, omdat zij eens gezegd had: „’t is de peine nog al waard om over zoo’n paarderijer zoo te kremieten”, hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de beentjes en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des avonds, als ze „uit ’r werk was”, op den schoot en kamde hem met haar eigen kam, omdat „’t beessie er zóó boschduvelig uitzag, dat ’t rejeel schande was voor ’n deftig huis”; en terwijl ze zijn geele haren ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en zuchtend vertelde ze aan Bijou van die „ondankbare honden van cavalleristen”. Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan ’t geen Tienus eenmaal voor haar was, en overlegde in de binnenkameren van haar hart, of de infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om haar droefheid te lenigen.
Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem.
Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste hartewonden, vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam ontluikende nieuwe sympathieën, waartoe door een beminnend individu de eerste kiem met geduld is gelegd.
Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd met ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, „dat zij zooveul als een voorbeschikking had om in ’t Milletère verkeering te hebben.” De sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie.
Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en „ko’praal bij ’t 6e.”
Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger verre overtrof.
Bijou beschouwde, van den dag af dat „de ko’praal” zijn eerste kliek aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus onthaalde hem op een „allo vort!” en verklaarde, al kauwend, aan zijn uitverkorene, „dat hij ’t zuur ân honden had.”
Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met ’t egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes genegenheid en al naarmate haar liefde voor „den ko’praal” grooter werd, verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die eindelijk, treurig en alleen, soms dagen achtereen, in ’t sousterrain ronddoolde. Zijn mand met ’t stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep dus afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter ’t fornuis, en soms wentelde hij zich grimmig in ’t kolengruis, als wilde hij zich in den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?—Hij stal het. O! ’t was ver, zeer ver met hem gekomen!
Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een Peri aan de poorten van ’t paradijs nog eens die verloren heerlijkheid te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als wilde hij vragen: „Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch ééns uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij zijn?”
* * * * *
Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor Bijou tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger werd hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het kleine menschje, dat hem—den viervoeter—zoo natuurlijk nabootste en nu en dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen Mama lachend: „Ma-Ma,” stamelde.
Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie en afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de herinnering aan Frits’ bottine hem niet had teruggehouden; daarom bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de jonge wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en toenadering doen.
Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou’s lot kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht.
Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn peetekindje het maakte, en de goede man verheugde zich met „Mama” over de omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om „het staan”, dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen.
„Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt,” riep vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat ’t jonge mensch zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die van de canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen.
„Hij is er! Dat’s ’n kerel als Cats.—Marie, ik feliciteer je.”
„Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar oom; toe dan!”
„Komaan maat, zeil maar voor ’t lapje weg,” riep oom en stak de handen uit.
„Waf!—waf! waf!” Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon ’t nu niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem zoo aardig toescheen, ’t kostte dan wat het kostte! En hij stormde eensklaps naar binnen.
Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den grond en rolde over Bijou heen.
„O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij zal ’t kind kwaad doen,” gilde Marie haastig opspringend.