Part 9
Een schat van de schoonste vruchten dooreengegooid: purperen druiven met roodgebrande bladeren en daarin en daartusschen het zachte roos en 't bleeke geel van fluweelige perziken en appelklokken, het groene van hazelnoten en okkernoten, het goud van meloenen, het brons van peren en het blinkende bruin van jonge kastanjen en mispelen, en dat geheel doorvonkt en doorslagen van den fellen brand der appelen!
Dat alles ondereen en overhoop, een rijkdom van koleuren, en een wolk verspreidend, die zieken kon genezen en de vogelen bedwelmde.
't Was heel het leven dat daar lag!
Een trofee voor een God!
Voorzichtig trok Loebas het zware karreken naar het schip en Pallieter, Charlot en de pastoor liepen er nevens met de vreugd op hun gezicht.
Och, 't waren hier toch zoo'n twee gezellige kamerkes! Witte gordijntjes en bloempotten vóór de kleine vensterkes, waardoor heen men hoog over de blauwe velden zag.
In den hoek, onder een rond vensterken, stond het door Charlot opgemaakte beddeken, waarboven zij niet vergeten had een crucifixken met gewijde palm te hangen.
Charlot ging seffens terug met het karreken om nieuw fruit, en de pastoor nam een stoel, terwijl Pallieter zich op een hoek der kleine tafel zette. Zij dronken een borreltje Schiedam en de pastoor zei:
"Mor wad' 'n aardig gedacht toch, van mé e schip 'n huwelaksreis te doen!"
"Ja!" riep Pallieter, "wa' kan er beter gevonne weurre, veur ni gestoerd te weurre van ij of van Charlot en saam gerust vlam en vuur te zijn, te smilte, te vergaan in malkander! Leven e schip!"
Charlot bracht eerst nog een nieuwe vracht vruchten en Pallieters kornemuze, zijn harmonika, tabak, enz., en toen moest iedereen van het schip, want het water begon op te loopen, en Pallieter ging zich wasschen.
Fransoo kwam omtrent dien tijd met een handdoekpak op den arm op den over-Nethedijk staan roepen om over te zetten, want hij ging mee met Pallieter naar Marieke. Charlot en de pastoor zouden morgen komen op het hondenkarreke.
Charlot haalde Fransoo met de schuit van den anderen kant en de schilder vertelde hun dat zijn vrouw niet kon meekomen omdat er een van zijn zeven kleinen scheuten in de tandekens had.
"Mor we zullen het allien oek wel gedaan krijge!" riep Fransoo.
De dag hing grauw-blauw uit, de avond kwam ijl en stil en de tij liep ferm op.
"We gaan trouwe!" kreet Pallieter en het zeil wierd losgeknoopt, de tjalk van kant gestooten, en daar dreef ze schuins weg naar het midden, waar ze met den loop mee statig henendreef, klaar weerspiegeld in het water.
"We veere nor Marieke!" zongen Pallieter en Fransoo tot den Pastoor en Charlot, die op den Nethedijk hen achterna te kijken stonden. De Pastoor wuifde met zijn zakdoek, en ineens schoot Charlot in een schreeuw, slikte van "Bruur, goejen Bruur!" en verborg heur weenend gezicht achter heuren blauwen voorschoot.
... De twee mannen vaarden nevens de stad. De smoor, die uit de vele schouwpijpen steeg voor het avondeten ging kalm en recht omhoog in de ijle avondschemering, waarin nog zongoud stond. De lampen werden aangestoken. Er waren veel geluiden van kinderen en zware karren op de smalle kaaien. Dan kwamen ze weer op 't open veld, waar het heel stil was en de avond reeds in de hooge boomen hong. Er viel uit de lucht een reine zoelte. De akkers waren verlaten met in de verte nog een traag-dokkende kar; en het schip dreef hoofg en geruischloos boven het koele, wassende water.
In een zuivere blauwigheid kwam de avond over de rustige wereld. Een groote lijn witte smoor hong voor de verre boomen, en ginder in de blauwe avond-eenzaamheid gloeiden twee hel-roode vuren van brandend patattenloof.
De smoor spreidde zich nu lenig over de landstreek uit, en bleef wiegen laag over den grond en het water als een bleeke droom.
Er waren fijne reuken in het veld, en de geur van meloenen en appelen kwam uit het kamerken gewerkt.
Een groote vrede overal, als na veel zwaren arbeid, en alsof nu een heilige rust gekomen was. Een late vogel lachte in de verre stilte.
Op het dek lagen de twee mannen, zwijgend, hun pijp te smoren. Morgen zou Marieke als maagdeken dit schip betreden en vrouw worden in den rijken vruchtenovervloed van 't milde jaar. Hoe feestelijk! hoe prikkelend!... Om niet stil te zitten!
En toch dacht Pallieter er niet aan; deze avond was zoo zoet en stil, zoo overweldigend van innerlijken vrede, dat hij zich kalm voelde en zuiver als een heilige.
* * * * *
Daar was de feest nu in vollen gang.
Heel de lange schuur was ééne tafel, en overal rond, zat het dicht bijeen met volk dat gulzig at, luid klapte, riep en zong.
Het was een lawijd lijk een laatste oordeel, en daar boven uit zoefde nu en dan een zware harmonika en een schelle triangel.
Zweetende knechten in hun hemdsmouwen brachten, op berries en afgehaakte deuren, de schotels worst, rookoolen, ham, snijboonen, dampende patatten en kannen bier.
De twee poorten stonden over elkander open om veel licht te brengen, en men had er een vrij en ver gezicht op de velden en mastebosschen, waarover een dunne nevel lag, doorsponnen van koperen zon.
De grauwe geleemde wanden waren mild bekleed met het donker groen van geschoten aspergiën, waarin vinnige papieren rozen helderden.
De zaal was blauwig van den smoor, die uit pijpen en sigaren steeg. De zon kroop ver de plaats in en verwekte veel koleur. In het midden aan de vroolijke boerentafel zat het jonge paar: Pallieter en Marieke.
Marieke zat daar lijk een popje, stil en stijf in een gespannen pruimpurpel kleedje, dat de borstjes hoog ophief; een witte gaze sluier, die in losse plooien over hare schouders viel, was op het hoofd vastgehouden met een kroontje van witte, in was gesopte, oranje-bloemekens. Ze zat er zedig lijk een nonneken, en verjongd en verfrischt door het geluk.
Hare appelroode kaken bloosden nog meer dan anders, en de gefriseerde haarkrullekens hingen in de kalme zon fijngoudig op het witte voorhoofd.
Ze zat daar in al dat lawaai alsof ze er niet bij behoorde, en als Pallieter, die nevens haar los en vrij zijn eten verorberde en zijn pijpen smoorde, haar iets vertelde, dan keek ze naar omlaag, en kwam er over heel heur gelaat een hevige blos, en een gelukkige glimlach op haar lippen; maar als Nonkel Hanrie, haar vader, dan weer tot Pallieter over honing en mest voortpraatte, dan gingen haar oogen over de tafel rond, en knikte zij ingenomen en wat verlegen naar kennissen en familie.
Zij roerde bijna de spijzen of het bier niet aan, maar at uit een der vele fruitmandekens, die op tafel stonden, een malsche perzik of peuzelde aan een okkernoot.
Pallieter zag haar alzoo in al heuren rijken, kinderlijken eenvoud zitten; hij had een jagend hert er van, en had met haar alleen willen zijn. Hij was opgewonden.
"Kom, wille w'er stillekes van onder muize?"
Maar dan zei ze van nog te wachten, dat ze nu nog niet dierf heengaan om de feest niet te storen; en dan kwam er weeral versch eten, werden er nieuwe liederen gezongen en de glazen nog eens gevuld.
Zoo bleven ze zitten.
Op een ton, met een pot bier aan zijn voeten, zat een scheele vent maar aanhoudend en onverschillig harmonika te spelen.
Fransoo kon zijn oogen van heel dien kleurenrijkdom niet slaan. Al die boerenkoppen, die bijna nooit iets anders dan aarde geroken hadden, en er kostelijk naar gevormd waren.
"Elke kop is goud waard," zei Fransoo.
De zijden pompadoeren sjaals wemelden en blonken; het zwaar goud schitterde en al die hagelwitte kanten mutsen, het zilverblond haar der jonge deernen, de bonte foulards der mannen, en een heidergroene dragondersoldaat, dat was een feest voor een schilder; en en dan! er was veel zwart, zijden en katoenen zwart dat die koleuren en de vruchten op tafel nog feller blinken deed. "O!" riep Fransoo tot Pallieter. "Bruur, zoe iet vinde ni meer van hier toet China! Och, hoe kolossaal!"
En de zon, die meer en meer binnenschoof, gaf er een grooter weelde en een inniger leven aan.
De pastoor zijn kletskop blonk hevig af tegen de blauwe verte der mastebosschen, en Charlot zat te zweeten van gulzigheid en plezier.
Mariekes grootmoeder, nevens haar gezeten in zwart krakende zijde en strooien hoed met breede linten op, hield haren mond over haar kleindochter geen "Ave Maria" stil, tot er een oogenblik kwam dat Charlot de tranen in de oogen kreeg.
Er wierd veel gezongen en gelachen en het bier sloeg naar den kop. Het lawijd overweldigde de luide harmonika.
Pallieter had lijk mieren in zijn beenen; hij wilde met Marieke weggaan. Zij dierf niet, maar hij zette zijn mond tegen haar oorschelp, zei iets stil en lang en toen stond zij glimlachend op, en ging heen. Juist sprong er een veertigjarig zat boerken op een stoel en begon te zingen van:
Drie schoon Tamboers die van den oorlog kwamen Drie schoon Tamboers die van den oorlog kwamen Van rom plom, rom plom, rom plom plom, die van den oorlog kwamen.
Iedereen zong mee en 't was daardoor dat Marieke, om zoo te zeggen ongezien, van de tafel ging.
Pallieter ging langs den anderen kant, en zij kwamen achter het huis bijeen, waar de karren der genoodigden stonden; en terwijl Marieke haastig naar heur kamer liep, om het reeds ingepakte kleergoed, spande Pallieter Loebas in het blauwe hondenkarreken. Zij zetten zich nevens elkaar op het smalle banksken, en met een Dju! rolde er het huwelijk van onder!
Maar pas waren ze een boogscheut ver of er ging van de hoeve een luid geroep op. Pallieter en Marieke zagen om, en achter de haag en op den weg stonden al de genoodigden te roepen en te juichen; zij zwaaiden met armen en zakdoeken, en er stonden er op tafels en stoelen.
Ze reden vlug door het stille dorp, en kwamen weer in het opene.--"Altijd maar vooruit naar de Nethe!" riep Pallieter. De stille mastebosschen gaven een sterken terpentijnreuk, en nu en dan stak er tusschen het donker naaldengewelf wat zon op een berkeboom. Soms viel er een blad draaiend neer.
Pallieter hield zijn vrouwken in zijn arm, en van het danig en snel rijden wapperde het gasen vool achteruit. Zij lei heur hoofd op zijn schouders, kuste hem zeer, en schoot toen in een luiden lach.
Zij geraakte los en vrij nu, nu ze met hem alleen was, dien ze liefhad als den Hemel. Zij botsten soms tegeneen, en 't zand stoof aan de draaien dik wolkend op. Boerenmenschen bleven hen lachend nazien, riepen een zotte slag, maar zij reden zonder omzien dóór om gauw gerust alleen te zijn. Allengskens aan werd de grond vettiger, en na nog een schraal mastboschken doorgereden, zagen ze, ginder beneden, in de helderheid de Nethe blinken; en dáár lag het schip.
Ze vlogen de zoete helling af.
Als ze daar gekomen waren mocht de knecht, die het schip bewaakt had, met een handsvol drinkgeld naar de feestvierders gaan.
"Nemt gij het kerreken mor mee," zei Pallieter, "Loebas blevt bij ons, dieë zal toch niks voertvertelle. Salu!"
Nu stonden Pallieter en Marieke en Loebas op het schip.
Zij wilde door het valluik naar beneden gaan om zich te verkleeden, maar Pallieter zei lachend:--"Nij nog ni of wij blijven er."
Dan zette zij zich van achter nevens 't roer, op het watertonneken, en zag Pallieter na, die de zeilen opensloeg, waarop een dunne wind stootte. Pallieter stak verders het schip van kant, zette zich nevens haar bij het roer en langzaam dreven ze weg, lijk een wandelstap.
"Eindelijk hem 'k u," riep Pallieter en bezoende haren rooden mond.
Het schip dreef door het schoone land van Reyen. Er waren hooge wolken in de frissche lucht, en in de beemden overal koeien, en ver de heuvelen met dennenbosschen begroeid.
En zij zat in dat pruimpurpel kleedje sterk in Pallieters arm geprangd, wijl hij met den anderen stuurde.
Haar vool waaide soms op, en als het weer neerhong nevens haar gezicht, filterde de zon er door en vergulde fijn haar roode kaken.
Hij vond haar een schoon Lievevrouweken.
Zij was toch zoo gelukkig; het straalde uit haar oogen, en onaangeroerd bleef het mandeke met fruit, dat Pallieter aan haar voeten had gezet.
Het water rook, het gersland rook; hier en ginder stond er reeds een vergelend boomken; de zon viel in het witte zeil en hoog in de lucht trokken de kranen in driehoek naar het zuiden. Pallieter zag die vogels na, en toen viel voor 't eerst in hem het groot gevoel de wijde wereld in te trekken.
Zij vonden dit alles zoo nieuw en heerlijk, dat zij het uitriepen en juichten, maar in hun hert werd heviger de zoetigheid der liefde, die zinnen bedwelmt en machten verlamt, en zij vergaten heel dien overvloed van zuivere schoonheid om maar met hun eigen te zijn.
Zij waren gulzig naar elkander, zoenden omtermeest, en konden niet dicht genoeg bijeen zitten.
Intusschen vaarden zij verder, en de vroege avond kwam rap in de lucht.
Grijsgrauw werd de streek, de wind viel uit de zeilen, en er kwam een stilte.
Zij verkenden het landschap niet meer, en in de verte werd er een lichtje aangestoken.
Maar zij wisten van geen opstaan.
In de stilte kwam de avonddamp over de velden gesluierd en verdikte zienderoogen.
Zij stootten ineens tegen kant, en het schip bleef steken. Toen stond Pallieter recht, Marieke zuchtte, en zwijgend lei Pallieter het schip aan een knotwilg vast. Er was nu hier en daar een lichtje.--"Kom nu gaan we naar beneden," zei hij.
Daar werd ook de lamp aangestoken, en als Marieke heel dien overvloed van schoone vruchten zag en het witte beddeken, dat Pallieter openlei, toen sloeg ineens het bloed naar heur hoofd, haar hert klopte, en stil en gelaten lei ze heur hoofdeken tegen zijn borst.
En daarbuiten, door den avond en den damp, lichtte de open vierkanten luik als een teeken van grooten vrede en geluk.
* * * * *
Wat een genot als zij 's morgens wakker werden in 't warme beddeken, te midden van den fruitreuk, als zij door het ronde raampje nevens hun hoofd, een zonbeschenen vlakte zagen openliggen, met mosbegroeide kentelende heuvels omendom. Ze grepen elkander vast en begosten te fikfakken lijk twee kleine kinders.
Fruitetend kwamen zij op het dek, en hei wat een plezier! Wind en Zon!
In den nacht had het geregend en nu was alles eens zoo frisch en versch.
Een breede, malsche wind rolde heerschend over de wereld; de nevelen waren weggevaagd en de zon zoelde verjongd en verrijkt van tusschen melkwitte rappe wolken op de groene aarde!
Het schip veerde nu met spierwitte open zeilen, die de wind deed zwellen lijk buiken.
Het schip joeg vooruit over het zilverrimpelig water, het hout kraakte, en de roode wimpel kletterde.--Loebas baste, maar zijn gebas viel uiteen lijk zand. Geen stem kon staande gehouden worden.
De smoor sloeg nevens de schouwpijpen der eenzame huizekens, en een witte molen draaide op een heuvel haastig zijn wieken rond.
Mariekes rokken wierden tusschen en tegen haar struische beenen geslagen en gespannen, dat men duidelijk haar schoone vormen zag.
Pallieters pijpsmoor verwaaide met den wind.
Dat was buitengewoon zoo te kunnen veeren! en beiden bleven recht staan om den goeden wind overal te voelen drukken. En zoo vaarden ze steeds verder en verder op, de schoone Nethe, die boven het land verheven lag.
"O Marieke!" riep Pallieter en hij nam zijn lieve vrouw in zijn armen, zag haar in de groote, blije, luisterende oogen. "Gij hed mij leve eens zoo groet en schoen gemokt! Hoe moet ik God bedanke?"
Zij zweeg, en toen riep hij: "Wij zullen zijn fruit ete!" En hij perste met bei zijn handen een grooten druiventrossel in haren open mond.
HORENGALMEN
Breed, machtig en gestadig had de Bamiswind dagen over de aarde gezwollen, nevel en prikregen meejagend in zijn groot geweld.
Dagen achtereen stonden de koppen der boomen gebogen, de blaren omgeslagen en het gers plat op den grond. Dan kwam de mist de blaren rotten, en de koeien loeiden naar den warmen stal.
Binstdien vierden Pallieter en Marieke in hun huis hun jeugdig liefdefeest.
Maar nu was het weer terug opengegaan en de lage zon liet de heerlijke verten zien. Deuren en vensters open!
O God! nu was de wereld heelemaal van aangezicht veranderd! Het machtige groen, dat zooveel maanden de boomen had bekleed, was nu geel, bruin en rood geworden!
En van uit het mos, de lucht, het veld, de beken en het riet, uit het groote en het kleine, kwam er eene heilige rust, eene zuivere stilte en hooge sereniteit.
De bladeren vielen, de winter rilde aan den horizon. Het was er mee gedaan. Het leven had alles gegeven wat het kon. Het was moe en uitgeput, en ging nu rusten terug in den grond, en er nieuwe krachten vergaren voor te naaste jaar. Kikkers, vleermuizen, vogelen en krekels, alles doet en moet mee met de wet. Terugwerking. Het is de inademhaling van de wereld. Allerhande nieuwe levens zijn nu geboren en hebben geleefd, en daar het leven altijd maar leven moet en leven geven, zoo haalt het er vele terug naar binnen, om er te naaste jaar andere zielen in te blazen.
Hoe kan het anders? van waar zou de aarde het omhulsel der zielen blijven halen? Zij is immers rond en afgerond, en er is niet meer stof in dan er in is.
Daarom doen die heengaan mee om anderen te laten komen. Zoo heeft ieder zijn toer, en 't eens is even schoon als 't ander, omdat het mee tot den asem van het leven behoort. Och 't is zoo schoon als men er aan denkt, maar ach, wij menschen zouden het toch anders willen!...
* * * * *
Het was hier stil bij de vele kabbelende beken, onder de hooge gele boomen en het dichte bruingeworden struikgewas. Er was een noenzon, en niets te hooren dan het droog tikken van een vallend blad.
Pallieter had een blauwe met roggemeel gevulde tweezak over den schouder hangen en ging naar huis langs de draaiing van een diepe beek. Hij was dronken, dronken van al de intense herfstkleuren, en zijn mond zag purpel van den overvloed lauwzoete brembezen, die hij onderwegen had geplukken en opgegeten.... Weer werd hij aan den grond gelijmd, als hij zag in welke schoonheid hij hier stond.
Hei! Al die geelgeworden bladeren, die gele boomen, waren doorhangen van de zon! De gele soppen, die zuiver en hevig het licht droegen en scherp opstaken tegen het fijn blauw gehemelte, konden al die overmacht van licht en zon niet slikken, en lieten het naar beneden vallen en omhulden heel hunnen boom met licht. Zoo deed elke boom, en de eene boom gaf zijn licht en zijn kleur aan den andere, en al die boomen waren bijeen lijk een gulden wolk. Pallieter werd er mee omklaard. Hij ging voort en bij elken stap ruischte het, fijn in de stilte van droge, afgevallen blaren.--Ze lagen los en dik lijk tapijten en gaven een aangenamen reuk. Pallieter vond het een heerlijk geluid en hij hief zijne voeten niet meer op, maar schoof ze door de bladeren. Het geruisch wierd er voller mee. Het was fijn, het deed hem droomen! De blaren sloegen, schoven en vielen over zijn schoenen, hij speelde er mee, ging nu eens rapper, dan weer langzaam, en hij liet ze zingen, deze gele dorre bladeren, zingen, zingen, lijk een verre zee.
Zoo gaande kwam hij op een geheuvelde bloote plek, vol met gele bladeren en omgeven van hooge, zware boomen en dicht struikgewas. Pallieter bleef getroffen staan, want hier stootte de zon vrij en bloot al haar macht in het kleurig boomenloof, zóó hevig, dat het geel der klepperboomen sterk was als levend goud en het rood der beukenboomen als vlam in bloed.--'t Was een heerlijkheid van toon en verf, een openvouwing van de zuiverste goudkoleuren die men denken kon; ambergeel, bruin, rood, koper, bloed, vuur, vlam en goud. En het licht der zon weefde, doopte, sproeide en danste en sloeg ze ondereen tot een vizioen van heiligen kleurenklank. Het was muziek.
Het was hier nog stiller, niets verroerde; 't was roereloos als ijzer.
Ineens stak Pallieter zijn hoofd luisterend vooruit. In de verte was er gegalm van vele jagershoornen.--Hei, dat geluid verinnigde het gouden koloriet der boomen! het lei als gulden kransen rond de blaren! Men zag het gegalm in de boomen!... Hij luisterde, ging schuivend door de bladeren verder, en kwam langs krinselende wegeskes, tusschen hooge boomen, in het bloote veld.
Overal een zachte, fijne zon en ginder, over de Nethe, uit blauwen nevel guldden vaag, de oneindige Begijnenbosschen. Herfstdraden wandelden in de lucht, en er was een oude rapenreuk over het land.
Pallieter lei zich op den buik in 't gers en beluisterde het verre hondengeblaf en 't geschal der horens, dat van uit de blauwe bosschen klonk. Heerlijk leefden de schoone horengalmen ginder ver. 't Was een overhoopgegooi, een weg en weder en verloren loopen over heel de streek.
En zie! een ontsnapte hert liep uit de Begijnenbosschen! Seffens wierd hij achtervolgd van boeren met schuppen en rieken gewapend--maar hij was hen te vlug en sprong met sierlijk wippen, het gewei naar achter en de dunne pooten in brug, lijk men ziet op oude tapijten, over slooten en beken, rende door een overstroomden beemd en verdween langs den kant der zon in een ander boomenrijk gedeelte.
Van uit de verten bleven de horens galmen, nu eens ver en dan weer dicht, al naar den gang der jacht. Hij zag schapen grazen, de zon scheen rood door hunne ooren, en streelde lijk vingeren in de dikke wol. Aan den boord van 't beeksken zat de bultige herder, alleen, heel alleen, lijk de kinderen, och arme, met de kaarten te spelen.
"Zoe wind altij," zei Pallieter, "mor wind is tege mij!" Pallieter zette zich in het gers, nam de vuile gekrolde kaarten op, onderstak ze, en verdeelde. Daar waren ze nu aan 't spel, aan 't wippen, en zij vloekten, sakkerden en riepen alsof er heel de wereld van afhong.--Dat duurde zoo een volle geslagen twee uren, tot de zon ging zakken, en ondertusschen dronken zij van den brandewijn, dien de herder in een blekken busken op zak droeg.
De herder mankte weg met zijn goede schapen en de zon zette het westen vol vlam en vuur, brokkelde rood en geel goud over blauwe en purpren wolken, omvatte heel de wereld in haar glorierijken glans, en de overgebleven waterplaskens op den weg gloeiden lijk stukken van de zon.
Pallieter trok langs binnenwegen naar huis en bleef ontroerd naar een jong boerenkoppel staan zien, dat fluisterend leunde over een witte koe, die late klaver scheerde. De zonlucht omhulde hen met fijn oranje-goud en een zwaluw scheerde tjilpend rond hun hoofd.
Pallieter ging nog een stamineeken binnen, waar boeren en voerlui zaten te kaarten.
"Hela!" riep men verward van alle kanten Pallieter toe, "gij gaat er e kasteel mee winne! Gij wordt nij zoo rijk as de zie diep is! Geft er mor 'n tonneken ouwen bruin oep, 't kan er nij af!" Pallieter verschoot, zag verbaasd rond: "Wa' betiekend dat allemaal!?"
"Wettet nog ni!?" riepen ze ondereen en zij vertelden hem dat er een spoorweg ging komen over de Nethe, dat deze laatste zou gekanaliseerd worden, dat zijn hof er heelemaal zou invallen, verder zou er nog een fort bijkomen en een nieuw kerkhof. Het sloeg hem in de beenen. "Boem! 't Is nor de maan!" vloekte Pallieter dat het donderde. "Adieu schoon land.... Maar in zoo 'n land blijf 'k ni wone! dan trekken w'er uit! dan doen 'k mor lak de vogels, de wereld is groot genoeg!" En hij dacht wederom aan de kranen, die hij op zijn trouwdag naar 't zuiden had zien trekken en die hem voor 't eerst dit gevoel van overal te wonen hadden gegeven.
"Welgekomen!" juichte hij en dronk zijn pint uit, sloeg den tweezak terug over den schouder en ging rap naar huis om het aan zijn allerliefst Marieke te vertellen....
De avond was gekomen, het oosten was toe en in 't westen aarzelde nog een mat gouden streep. De smoor steeg uit den grond. De dorre bladreuk leefde op en er was een zeer gemoedelijke stilte op het land; alleen de grijsgele bladeren ritselden, kraakten en ruischten onder en over Pallieters voeten. Een koe loeide naar haren stal, een blad viel op Pallieters hand en in de donkere Begijnenbosschen galmde nog, weemoedig en traag, een eenzame jagershoren.
Pallieter werd er koud van tot in zijn haar, kreeg tranen in de oogen en voelde medeen de winter rillen door het land en door zijn hart.