# Pallieter

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/pallieter-11355/index.md

Rond een eenzame hoeve met notelaren bezijds, lagen de koeien te kauwen, en een veulen stond met hangenden kop aan de sluiting van het hekken.

Uit den duivenkijker kwam er een duif, die na wat talmen terug binnenwandelde, en een glazen dakpan schitterde en straalde lijk een brok, gevallen uit de zon.

In de verte leefde nog altijd het tromgeroffel, dat nu eens dichter scheen te komen en dan weer stil te staan, daarna was er vaag harmoniemuziekgeruisch bij, met een gegons van zingende menschenstemmen.

"Mor da's verdoeme de processie!" zei Pallieter. Hij sprong op Beiaard, en draafde naar dien kant.

Bezweet kwam hij op den witten steenweg en voor hem spreidde zich een schrale veldvlakte uit, en hoog boven den horizon in 't heete hemelblauw dreef een gele luchtballon.

Pallieter zag den steenweg op; en ginder, in een wolk van zondoorblonken stof, kwam de processie aan.

Pallieter reed hen te gemoet....

Wel een duizend menschen bijeen, die nu, na het zwijgen der muziek, dat voorop ging met kruis en priesters in koorhemd en roodgekleede misdienders, luid aan 't weesgegroeten gingen, 't Was alsof er uit den grond een doffe rommeling kwam. Al die menschen, vrouwen, mannen, boeren, begijnen en kinderen, waren grijs van 't stof, dat opwolkte vóór hunne lamme voeten. Hunne roode bestofte gezichten lekten van zwart zweet, en zakdoeken in beekwater gesopt hadden er velen op hun hoofd gebonden. Er waren er bij die het maar lieten droppelen, en als het hun bovenste lip geraakte, het met hun tong weglikten.

De mannen hadden hun frakken uitgedaan en hunne halsboorden weggestoken, en de vrouwen het bovenste van hunne zedige jakken losgezet. Er waren er die dronken uit doorwarmde bierflesschen en daarna slijmig speeksel wegspeekten, anderen leien zich op den grond, en dronken aan de meeloopende beek.

De moedigsten en de devootsten waren van voor en baden mee, terwijl meer van achter de devotie minderde en men luie gesprekken voerde. Zij die niet mee met den hoop kosten, liepen nevens den weg in het mulle zand, dat hen aanstonds in een wolk omhulde, of wel bleven ze wachten naar de twee gele scheefhangende omnibussen, die achter de stoet kwamen aangewaggeld.

Zij liep wanordelijk ondereen, de processie. Onder de zonnescherm van een begijn ging een ongeschoren achterbuurtjongen, en onder die van een notable een vuile vrouw met een mager, bietend kind.

Een uitteerende jongen, halfdood en geel lijk was, werd meegevoerd in een rolkarreken, en achter hem kwamen er mannen op krukken, en vrouwen met zieke en schreeuwende kinderen, en een blinde.

Hei! die duizend beewegende menschen, met dat ruischen van de bestofte kleeren, kindergeschrei, geklap en moe voetgeslef, en dan die flauwe zieke reuk van zweetend menschenvleesch; 't was iets ontzettends in dien heeten zomerzondag, iets dat men maar zien kon in een droom.

En zoo onder dien geweldigen hemel, waarin slechts een gele luchtballon, moesten ze nog vier uren ver, door de blakte van het land, dat heet was lijk een bakkersoven, om kunnen neer te knielen voor het kleine zeer-mirakuleuze zwert Ons Lievevrouwenbeeldje van Scherpenheuvel.

"Hei!" en Pallieter rilde van ontroering en kreeg tranen in de oogen, die menschengolving daar te zien, zoo vol geloof en zielenbrand.

Maar daar zag hij Charlot, die hem blij toelachte, omringd van kwezels en begijnen, en toen viel zijn ontroering lijk een leege zak; want seffens dacht hij aan de vele menschen, waarvan Charlot hem had uitgelegd, waarom zij meegingen.

Onder anderen: de vrouw van een doktoor opdat haar echtgenoot zijn zaken beter mochten gaan; de heer uit "Den koperen Olifant" herbergier, opdat zijn acht maanden zwangere vrouw een kloeken zoon zou baren; Arnold van Sichem, horlogiemaker, opdat hun tweede zoon zou afgekeurd worden bij de soldaten, en de andere, die reeds onderofficier was, luitenant zou worden: (de vader hield er aan dat de eerstgenoemde zijne zaken voortdeed). Boeren opdat het zou regenen voor de aardappelen, en jonge college-studenten, die een Vlaggeinhuldiging gingen geven, opdat het niet zou regenen.

En als ze voorbij gegaan waren zei hij--"Dor zen der zeker ook wel bij die bidden lak Ruijsbroeck het bediedt;" en hij citeerde: _Dat is gode alleene besitten--meinen--minnen niet omme onze ghewen--achte omme onse eere--achte omme onse salecheit--achte omme iet dat hi ons gheven mochte--maar alleene omme hem selven--ende omme sine eewghe eere selen wine minnen. Ende dat es volmaect karitate.--Daar mede sijn wie gode gheenecht--ende woonen in heme ende hi in ons--._

Dan reed hij verder door binnenwegen, voorbij dorpen en gehuchten, en zag na langen tijd boven de boomen het blauwe torentje van Mariekes dorp uitsteken. Zijn hert begost te kloppen, en hij deed Beiaard rapper loopen. Ginder aan den uitkant van het smalle dorp lag haar huis, en om haar te verrassen en zich aan te kondigen, begon hij op zijn doedelzak te spelen, en reed zoo door de dreef naar de witte woning. Een boer kwam eens over de haag zien en twee patodderkes van kinderen liepen verwonderd mee achter den rijdenden speelman, maar het huis van Marieke bleef toe.

Pallieter stapte af en ging langs 't meerhof zien. Nonkel Hanrie hong tegen den beschaduwden muur op een stoel te slapen en verder was het stil.

Pallieter maakte den boer wakker.

"Wor is ma lifke?"

"Hee! Ja 't!" zei de boer, al geeuwend en zich rekkend, "z'is mé heur twie nichtjes, die in vacansie zen, nor de hei gon wandele. Kom! gon w'een pint drinke?"

"Nee 't," riep Pallieter, "ik brand oem Marieke te zien, ik gaan ze zuuke. Tot straks!" En daarmede was hij weg.

Hij reed door binnenwegen, overal heet en stil, dan nevens een dennenbosch, weer over brokken land waarop de gele jeneverstruik blonk en de heidebloemen purpel bloeiden, dan door een heel lang dennenbosch, en ineens aan den ommedraai lag heel de langverwachte heide open in haren vollen purperen bloei.

Een onafzienbare vlakte, groot als een zee, maar purpel opengespreid, purpel lijk avondbrand, een purpel dat de zon ophief tot een gloed. En daarover omhoog, klom helder de blauwe hemel open en strekte zich een eeuwige stilte uit, tegelijk met het gonzend gezoef van de bieën.

En Pallieter bleef staan, aangedaan tot aan het puntje van zijn ziel. Het was hem alsof zijn lijf openging, en hij met zijn hert bloot stond tegenover het inwezen van de wereld: iets van de ziel der aarde voelde. Hij scheen zichzelf een reus te zijn, en even groot gelijk de wereld. En hij zei:

"Een menscheziel is nog zoo klentjes ni!"

Hij reed voort en zijne oogen kost hij niet gelooven. Dat purpel! dat purpel! Hij kon het einde van dit koninklijk koleur niet gemeten.

Over heel die vlakte was er geen levendige ziel.

Toch reed hij verder, en zag bezijds aan een viertal berkeboomen een groot ven te schitteren liggen. Water trekt aan, en hij daarop af! En zie! plots schoten uit het oevergewas twaalf reigers op, die met hun verward vleugelengeslaag ondereen opstoven, wit en grijs met hangende roode pooten, lijk een echte Japaneesche schilderij.

En toen merkte hij aan een verdere venzilvering drie naakte wezentjes in 't water spelen. Hij stond recht op zijn paard, hield zich vast aan een berkeboom, en zag Zoo vóór zich uit in de verte.

Ja 't waren drie naakte wezentjes, die in het water sprongen, er weer uitkwamen, en malkander met het glinsterend water dresten.

Pallieter werd in eens rood, en zei overgelukkig: "Dat is Marieke me heur nichtjes. Wacht!"

Och! Hij was zoo blij! Hij was lijk zat! Wat een verrassing! En hij liet zich op het paard vallen, en schoot lijk een pijl uit den boog vooruit....

Wat later zaten de drie meisjes gekleed op het paard, en Pallieter ging vooraan, spelend op zijn kornemuze; met vieren zongen ze.

Zij aten gezoden hesp met boerenbrood en genoten geurige koffie. Er werd aan de ouders over het zwemmen niets verteld, maar vastgesteld werd er, wanneer ze zouden trouwen en dat zou vallen op den 21^{en} van te naaste maand. Dat was de maand September, de rijkdom van het jaar, de lust van 't aardeleven!

REGEN

Den anderen dag, na een brandend nacht-onweder, góót het water. De regen viel schuins, in lange, dikke strepen en kletste nijdig op den grond; het waren lijk sabels die vielen.

De verten waren er blauw van toegesmoord, en steeds nieuwe regengordijnen wandelden gietend over het land.

Pallieter zat een pijp te smoren onder het wagenkot, en luisterde naar den regen als naar een oud vertelsel in een ouden boek. 't Was een aangename afwisseling na al die drukkende bakkersovenheette, en een nieuwe frischheid groeide uit den grond. Het water sloeg ruw op het dak, rolde in de dakgoot, die al dit geweld niet slikken kost en daardoor overliep, pletsend en kletsend, en putten wroette in het zand. Het bonkte op de emmers en klokte in de tonnen, het ruischte over de smachtende boomen en speelde ratelend op het water.

Heel het land ruischte onder de goede laving, als een groote zucht van verlichting. De peerdestal stond open en de mesthoop dampte. En Pallieter zat op de berrie van den kruiwagen, naar de lekken te zien die van de pannen vielen, lijk poppekens weerop dansten en in kortstondige blaaskens uitstierven.

Het was alsof het regende over zijn hert; het zwol van de deugd. Hij zag de blauwe verten, het gezwollen water, den natten hof, waaruit de regen den zoetsten rozenreuk omhoogsloeg, hij zag zijn blauwe pijpesmoor door den regen wegwandelen, en er kwam een groot gevoelen van innige goedheid in hem, een gevoelen dat moest uitgevierd worden, omdat het te groot en te schoon was, en hij het alzoo niet slikken kon. Hij wilde den regen voelen tot in zijn hart.

Hij sprong in het schuitje, dat daar grauw en oud te droomen lag, stak van kant en wrikkelde rechtstaande, stroomop. De regen danste over het water met een breed rhythmisch geluid. Het zingende water was zoo aanlokkelijk! En hij, mestnat, wroette en wrikkelde met den riem zoo krachtig in het water, dat de opstroom schuimend tegen het voorsteventje plaste. Hij zong.

't Was toch een zaligheid, al dien overvloed van lavend nat, op de aarde zoo smakkend te hooren neerkomen, zoo met een ruwe mildheid, als de gift van een reus. De boomen kosten al die regenmacht niet vatten, het gers lag plat en het water liep in schuimende beken naar den lagen grond.

't Was een wellust zonder weerga, al die vracht van water op zijn lijf te voelen! Het bedrenkte hem tot op het bloote vleesch, maar hij zong:

"O Heer uwe voeten druppelen van vettigheid, Zij zegenen het uitspruitsel der aarde!"

Hij hief het hoofd op en liet den regen zijn gedicht rood slaan, zijn borst en schouders bekletsen.

"O! regen omhult mij mé oew sluiers, zuster van de zon!"

En zóó vaarde hij over het ruischende water en door het ruischende land, en hij wrikkelde maar vooruit, en zong kijkend over de natte velden:

"Het regent, regent, jongens nu is het weder frisch. Ja! roept men door het venster dat regen welkom is!"

In dat heerlijke waterlawijd was er nergens een mensch, ja toch één, een visscher, weggedoken in lederen overjas, aan 't hengelen. Hij stond stil als een rots te loeren naar den rooden stop.

Zwaluwen zaten met kladden op den dijk, en de koeien in de weiden wandelden over en weer, en hun lijf dampte hun in eene witte wolk. Een koewachter zong ievers onder een afdak. Er was een blijheid over de groene akkervelden en een weldadige grondreuk spreidde zich uiteen.

Voor Pallieter was het een zielsgenot, zoo aan de regenkoorden te hangen en hij veerde maar dóór in zijn geestdrift. God weet waarheen!

Maar op den overneetschen steenweg, die hier omtrent tot tegen de Nethe kronkelde, hoorde hij zijn naam.

En, van onder de bruine huif van een mulderswagen, zag hij Fransoo armenzwaaiend, hem toeroepen. Pallieter riep hem, en door den plassenden regen kwam de dikke vent lachend aangekwakkeld. Hij stapte in het bootje, en zette zich op een banksken. Zij vaarden verder.

"De rege mokt ma zat!" juichte Pallieter.

"Mij nat!" zei Fransoo.

"Allé dan, in de vischkamer!" riep Pallieter, en Fransoo wrong zich door het vierkant in den bak, en liet er alleen zijn blozenden, lachenden bacchuskop boven uitsteken.

Pallieter vertelde hem dat hij vast den 21^{en} trouwde.

En daarop riep Fransoo: "dor moet oep gedroenke weurre, lot ons in e stamineeke gaan."

"Ni!" zei Pallieter, "as we thuis kome."

"Dor zet ik 'n pijp oep," riep Fransoo, en hij smoorde een pijp uit zijn dikken kop. "Lot ons al mor vroem kiere, 'k krijg deurst!" Zij meenden weer te keeren, maar Fransoo riep: "Ginder, de processie!"

En waarachtig, in dien kletsenden regen, kwam de processie, zwart, met open regenschermen, treurig afgezakt. Ze was zeker meer dan de helft verkleind, ging uiteengespreid lijk doolaards, en daar klonk geen muziek of geen trommelslag, er waren geen priesters vooraan, en van achter sloten de twee gele omnibussen en eenige zwarte rijtuigen den stoet. In de laatste zaten de priesters, en de omnibussen waren volgepropt, en van boven in den vollen regen, met of zonder scherm, zat het nog vol menschen. En Pallieter zag Charlot, de jubilarisse, met opgeheven rokken, zoodat hij tot aan de knieën bijna haar dikke pileerrechte beenen zag--alleen loopen onder een purpelen zonnescherm. Hij riep haar. Zij kwam afgeloopen, lamenteerde: "Och Bruur, kiert algau nor huis, en mokt de kaffe geried, 'k zien gruun van den hoenger."

"Kom stap oep!"

"Neeje!" zei ze, "'k doen alles te voet, al zeven uren in den regen, in zoe'n hondeweer!" en ze keerde terug naar den steenweg, en vervoegde de andere pelgrims, Pallieter en Fransoo lachten, maar toch vaarden zij dan terug. Pallieter luisterde naar den regen, en Fransoo, die maar smoorde, zag soms met één oog het blauwe landschap aan.

Als zij thuis kwamen, herkleedden zij zich. Fransoo maalde koffie, en Pallieter zette de tafel onder het glazen dak, om den regen er te hooren opbonken.

Tegen het glas, langs binnen had een knokige druivelaar zich opgewerkt, en spreidde er nu een weelde van blad en vruchten uit.

Och! een vracht van over de honderd purpele druiventrossen, met vruchten groot als duiveneieren! Hei, wat nen boom!

Hij was het sieraad van Pallieters huis, zijn schoonste meubel. Nog eenige dagen, en zij zouden geperst worden in zijn gulzigen mond! O, wat een genot bereidde zich daar. De wijn die het hart des menschen versterkt, en de ziel doet lustig worden.

Het was een kloeke, overrijke boom. Hij was bezonder heerlijk als de zon er op stond, als de groote bladeren doorlicht werden, en de druivenbollen van haar levengevenden gulden schijn werden omhangen.

De aangename koffiereuk vulde de kamer, en toen alles omtrent klaar stond, hollandsche kaas, eierkoek en appelspijs, kwam Charlot, druipend lijk een teemsch, zuchtend binnen.

Zij liet zich op een stoel vallen, en begost te schreeuwen om haar schoon kleed, dat nu bedorven was en goed voor Loebas laten op te slapen.

"Zwijge," zei Pallieter, "hoe was de reis?..."

"Wa ne regen! we na regen," ging ze voort, "de mieste blijve tot het over is, het muziek is ni wille mee vroem kome, en is mè den trein afgereje. Der hemme wijve gevoechten oem in den oemnibus te zitte. Ach, man kliere zen lak loed; zeven uren in den rege! héjéjéjé!"

Zij ging zich herkleeden, en kwam terug in heur swerkendagsche kleeren.

"En lot nij is zien, wat da' g' hed meegebroecht," zei Pallieter.

Zij haalde haar eemerken, knoopte den natten zakdoek er van los, en haalde er, al maar door pratend, een glazen bol uit, waarbinnen het beeldje van O.L. Vrouw stond.

"Ziedis hoe schoen!" riep ze, "het sniewt!" en zij draaide den bol om, schudde er mee en daar vielen en wemelden in den bol allemaal kleine, witte zemeltjes, rond het beeldje.

"Dad snie is zagemeel!" zei Pallieter.

"Ni schampe!" dreeg Charlot, "of 'k steek alles weg! En ziedis mijnhier Fransoe," lachte Charlot, "ziedis Bruur!" en zij haalde uit een kartonnen doos, een schel-koperen tuig. Het was een Lievevrouwken dat plat horizontaal boven een bel lag. Charlot duwde met den duim op het gezicht van 't beeldje, zoodat het met de voeten omhoog kwam, dan ineens liet ze het los, en het kletste hevig tegen de bel, dat het rinkelde lijk in een kerk.

"Da's veur oep tafel te zette, en as ge ma noedig hebt, belde mor."

"En," zei Pallieter, "dan zulde gij denke dat ons Luverrijke oe roept."

"Zwijgt," zei ze, "hier is 'n Luverij, die ge zied in den doenkere. Kom, zie mor," en zij plaatste een pleisteren Mariabeeldje in de kas, deed de deur goed dicht, en zei van door het sleutelgat te zien. Pallieter zag, Fransoo zag, en inderdaad, in de pekzwarte kasdonkerte bloeide groen het met fosfoor bestreken beeld.

"Schoen hé?" riep Charlot, "oem bang te zijn saves."

"Wa 'da' ze toch verzinne, hé Bruur," zei Fransoo.

"Ja," zei Pallieter, "as ne mens ni mier mè 'n pop kan spele, dan spele ze mè ons Luverijke."

En zie! op nen één-twee-drij scharde Charlot alles van tafel, en droeg het verontwaardigd naar haar kamer. Zij riep:

"Nij krijgde niks, en 'k laat niks ni meer zien!"

Pallieter en Fransoo gingen koffie drinken; daarna plaatste Charlot zich zwijgend en kwaad bij hen, maar onder het eten kwam ze stillekens aan weer in 't humeur, en begost te klappen over Marieke!

Mariekes beeld zette Pallieter zijn hoofd vol warmte, en hij deed de tafel wegruimen, en liet wijn brengen om te drinken op haar.

Onder de druiven, die eens wijn zouden worden dronken zij het donkerroode vocht, uit groote kristallen roomers, die zongen als men er maar effekes tegen stiet.

Fransoo was in zijn schik met den goeden wijn, hij liet zijn glas noch leeg noch gevuld staan; het ging er in lijk water. Charlot dronk zoeten witten wijn, en ze had een flesch voor haar alleen. Pallieter bleef bij Fransoo niet ten achter, en die twee tikten en dronken onder het vertellen over Marieke en onder het rooken eener groote cigaar, wel vier-en half flesschen leeg, dat hunne oogen lam in het hoofd gingen staan, en zij naar hunne woorden moesten zoeken. Charlot ging boodschappen doen, en zij ledigden ieder nog een flesch ouden zwarten wijn.

Het ging donkeren en Pallieter zei: "Kom, we gon het de pastoer oek zeggen." Met zoekende, onvaste stappen gingen ze achtereen door de regenplassen, en beiden lachten zonder te weten om wat. Zij vonden den pastoor, nog bezig in zijn vetplantenserre aan 't frutselen. De goede vent hield kollektie in de raarste soorten vetplanten, en daar besteedde hij veel tijd aan, en sprak er geren over.

Den pastoor werd de datum kond gedaan, en hij haalde drie flesschen op, van achter 't patersvaatje. De kaarsen werden aangestoken, en de pastoor wilde Beethoven spelen op zijnen cello, maar 't ging er niet in; Pallieter en Fransoo zaten daar allebei stapelzat, en dronken maar aanhoudend voort; Pallieter zong iet zonder woorden, begost dan weer te vertellen om dan in eens te zwijgen. Fransoo zat te lachen, altijd maar door te lachen. En nu riep hij: "nu gon we naar manne meulen e fleschke drinke, kom Pallieter, kom Pastoer!"

Maar de pastoor ging niet mee, en samen, Pallieter en Fransoo, trokken ze over 't begijnhof, zwijmelend van hier naar ginder. Pallieter viel in een ruit en 't was een luid gerinkel van brekend glas, door de late stilte.

Zij staken over, en arm aan arm zingend dat het galmde, waggelden ze door den regen voort, die altijd even hard het land begoot.... En als Pallieter 's morgens in Fransoo's molen wakker werd en de mistige, natte verten zag, riep hij: "O, aarde mè a duzend borste, wannier zulde ma verzadige? nooit ni!"

DE HOREN VAN OVERVLOED

Eindelijk was 't September, de frissche maand, die blauwe wierook voor de boomen hangt.

Dien achtermiddag lag er een zoete stilte ver over de velden, waar de boeren in menigvuldigheid de patatten aan 't uitdoen waren. Nu en dan puntte er door de koperen-zonlucht een wildeganzen driehoek naar het Zuiden, en hoog in het Oosten plakten witte wolkskens.

En hei! op de Nethe, vóór Pallieters huis, lag een verschgeschilderde tjalkboot gemeerd! Hij stond boven op het water met zijn blinkenden, ronden buik, en verders was hij vinnig wit en groen geverfd, met hier en daar wat gele krullen of een helle roode ster; witte zeilen hongen slap nevens den mast, en van boven in den hoogen top fladderde een roode wimpel.

Die tjalk, zoo blij van kleur, was het schip waarmee Pallieter zijn huwelijksreis ging doen--en de krone van het jaar, het dierbaar fruit, moest de scheepskas vullen, want niets anders zou hun voedsel zijn!

En God! nooit was misschien de krone zoo zwaar en groot geweest! Zij spande zich over heel de wereld, in een droom van de heerlijkste koleuren, zoodat het land ervan inzakte en de boomen ervan kraakten! O, het onvolprezen fruit, dat het heiligste van het leven is, omdat het de ziel en het bloed der aarde heeft opgezogen en in zich verborgen houdt, het had de wereld overweldigd en verblind!

Ja, de wit-roze Mei had zijn belofte gehouden: al de overvloed van witte bloesems onder de jonge lucht was heelemaal fruit geworden! Wat eens de wereld in een vizioen van geurende blankheid sloeg, was nu een macht van zwaarwegende appelen, peren, abrikozen, meloenen, hazenoten, druiven, die spanden van het sap, en die de zon had rood geslagen, geel en roos en purper.... Een droom!...

De hoven waren paradijzen, waar niets verboden was, en waar al de weelde en de goedertierenheden des levens in rijk koleur en zoeten reuk te pakken hingen, 't Was een zegen!... om te bidden en te loven!

O, wat was Pallieter blij in deze dagen! Hij was lijk zot en uitgelaten lijk een jonge merel. En hij riep van uit den perenboom:

"Het léve lot zan perels valle!"

Hij had een blauwen voorschoot aan van Charlot, en hij was op zijn kousen, radijsroze kousen, die fel uitblonken in de gedaagde tonen van daarrond. Alles was geplukt en gereed om ingescheept te worden, want vandaag zou Pallieter vertrekken en morgen ginder aankomen, om te trouwen. Hij liet zich uit den boom vallen, en groen van het mos, riep hij met den mond vol perensap tot Charlot, die met een halve-maan bezig was de okkernoten te geeselen:

"Spoed oe!"

Maar Charlot pekte voort lijk de duivel op Geeraard, zoodat de takken kraakten, de bladeren in den ronde stoven en de omslunterde noten, lijk een dichte, rappe regen op den grond klopten.

Daar op den blijk lagen de afgeplukte appelen en, met den vollen schijn der koperen zon erop, sloegen zij het water in de oogen en brachten het hert omhoog.

Elke appel was twee vuisten dik en donkerrood met botergele stralen.--"Hun ziel komt erroep ligge," zei Pallieter verbaasd, "wie zij deurve denken da ze van binne witter zen dan melk?"

En hij wreef er eenen zoolang op zijn gespannen hemdsmouw, tot hij blonk lijk glas.

"Het is zunde van hem oep te ete," zei hij, als hij nog maar 't klokhuis ervan in zijn vingeren hield.

"Allé, Charlot" riep Pallieter nog eens. "Lot het staan. Er zen al note genoeg. Brengd alles mor ba den hoep."

Charlot vulde een meukesmand met appelen, en hief ze dan krochend voor haren dikken buik; de roode schijn der appelen sloeg op haar dik gezicht lijk een late zon.

En het wilde zoo zijn, dat de pastoor op den Nethedijk aan 't brevieren was, en riep:

"Hela, Charlot, brengd er is wa nor mij!"

Charlot wilde zich omdraaien, maar zij strunkelde, en onder het geroep van "Jezus Maria, man apelle, man appele!..." viel zij op den grond, en al de roode vruchten rolden rap en botsend voor haar uit.

De pastoor kwam seffens bijgeloopen, om haar te helpen inladen en Pallieter stond van wijds haar uit te lachen, dat het tegen de boomen sloeg en echo's gaf.

De pastoor droeg mee de mand.

Ondertusschen had Pallieter het blauwe hondenkarretje al vol geladen met de helft van den vruchtenhoop, en hij deed er nu nog appelen bij, dat zij over de berden rolden.

Hoe verschoot de pastoor van al dien vruchtenovervloed daar op dit blauwe karken!

Hij sloeg zijn handen bijeen en hij riep:

"Mor zie nij toch, zie nij toch! Salomon zij er ne schoene psalm oep vinne!"

En 't was waar!

