Pallieter

Part 7

Chapter 7 4,145 words Public domain Markdown

En zij sliepen den zwaren slaap der aarde. Ze waren met de aarde één herteklop, één asem, één stilte en één leven.

Zij sliepen hoofd tegen hoofd, in malkander verloren en opgenomen, om nat van den dauw, bibberend wakker te worden, als het eerste licht opstond en de smoor nog op het veld en in de hooioppers lag getresd.

't Was dag. De bloemen waren nog gesloten, maar hanen kraaiden, een hond baste, een koekoek riep van uit het bemiste bosch.

Marieke verschoot, en verblijdde zich seffens; zij kneukelde glimlachend den vaak uit de oogputten, geeuwde en lei gelukkig heur hoofdje een wijle terug in den hals van Pallieter.

Ze hieven zich eindelijk op uit de warme plek, lachten om hun klamme, verfronselde kleeren en om het hooi dat in hun haren stak.

En luide klappend en zingend, arm aan arm, huppelden ze naar huis, frisch lijk salaad, en verlangden naar versche kleeren en heete koffij.

Een herder toette op zijn horen en de klokken begonnen te luiden: 't was dag!

DE HONING

De bieënkorven liepen schuimend over van den honing. Heel de hof rook er naar, en nu was Pallieter al een heelen achtermiddag bezig met ze te ledigen en den honing in steinen potten te doen.

Charlot hielp hem, werkte mee en droeg de potten één voor één, den koelen kelder in. Beiden lekten van het zweet en van de malsche honingspijs; ze plakten, en hadden werk om hun vingeren af te lakken. Loebas, de hond, stond er bij, en wat er geklatst werd, slabberde hij gulzig op.

Pallieter was uitermate blij om den zoeten overvloed, hij zong dat het galmde, en Charlot hield haren mond niet stil over den honing en het weer. Zij was zoo gewarig aan de warmte en zoo weinig bang van bieënsteken, dat ze op heur bloote voeten liep, in een kort onderroksken stond, dat slechts tot aan haar pilaarrechte bruien kwam, en vrij en vrank liet zij heur armen, lijk twee vette kinders, uit de ver-opgerolde mouwen van haar rood slaaplijf komen.

Ook had ze haar slaaplijf van boven drie knoopkens losgezet, en alzoo kwam bloot, onder den halsput, het witte vleeschkussen, waarover de vele vettige linten van hare schapulieren kruisten. Den handdoek, die gewoonlijk onder het slaaplijf, haar borsten indrukte, had ze nu afgedaan, en geweldig als dondertorens hongen ze nu in hun volle malsche dikte naar voren op den grooten buik.

Ze zag rood lijk een oven en zweette lijk een spons.

En ze begosten te spreken over Marieke.

"Mor woroem mut het herfst zijn as ge trijwt?" vroeg ze.

"Dan is het beddeke koel, en dan kruipe we dicht bijien."

"Och zwijgt," knorde Charlot, maar een weinig daarna weer zoet, heel met haar eigen ingenomen: "En ik die altij' doecht begijn te weurre, 'k ben al blij da'k het noet ni geweurre ben, want wa zou Marieken hier zijn, zonder mij?..."

"Awel," baste Pallieter, "'k zal ze bij ij late slape!"

"Da' wil'k ni zegge," zei Charlot, en hier richtte zij zich op. "Maar Marieke is ma petekind, en zij zuut, der zal gin haarken aan miskome!"

"Och," zei Pallieter, halfzingend en tergend. "Als 'k getrijwt ben, hem'k gin meid nimier noedig."

En toen schoot Charlot uit: "Oei, oei, 'k moet hier buite! 'k weur hier weggejaagd, ikke een wies! 'k had het gedoecht! da's veur al mijn goedheid, da's dank! en da' deur degene, die 'k als kind nog hem gedrage! God, lieven Heer sto ma bij!"

"Kom, kom," zei Pallieter, haar troostend, "'k was 't vergeten dagge wiezeke waart."

En daarmee was de ruzie uit en 't werk geraakte gedaan.

Charlot sloeg een anderen rok aan, rolde haar mouwen naar omleeg en droeg den grootsten pot naar den pastoor.

Pallieter nam er een voor Fransoo zijn vriend, den schilder, en een voor het arme Gasthuizeken, ook aan den anderen kant der Nethe gelegen.

Hij vaarde een heel eind met het schuitje het water op, en stak toen over, lei zijn boot vast, en met een pot op zijn schouders en met een pot in zijn arm, stapte hij den malschen klimmenden wegel op, en floot een scherp deuntje.

Over de potten volgde steeds een gegons en gestippel van bieën, hommelen en wespen; in een herbergsken ging hij zijn dorst lesschen; 't was slecht bier, en als hij buiten kwam, hongen de beestjes seffens weer rond de zoete potten te draaien.

Ginder hoog boven de boomen rees de oude molen op. Hij draaide vreedzaam zijn roode wieken in den kalmen zuiderwind, en liet een koperen windhaan schitteren, en nu de zon zeer machtig straalde was helder het mos dat zoo weelderig de zwarte houten romp beplakte en bestreepte.

Het was een schoone molen, hij hong wat achterover, hetgeen hem nog vriendelijker maakte en hij domineerde over 't land, trotsch als een kerk, en was van alle kanten zichtbaar.

Pallieter ging er geren op, want hij had er steeds een schoon gezicht over de boomen en de verten, en genoot er voluit van de lucht en haar elementen; van den wind, die het land verblauwde, en van de regengordijnen, die achter de wereld omhoog schoven en de aarde begoten, wijl ginder de zon uit de donkerheid een molengehucht deed blinken.--Hij kon er zich uren vergapen aan het broeien en groeien der wolken. De avonden en morgenden waren er grooter en langer, en de nachten eens zoo oneindig. De winters lagen er rondom lijk ware Breughels, en men zag van hier de lente waarachtig uit het Zuiden komen, en dan, altijd en overal, in zon en mist, zag men het boerenvolk de goede aarde melken.

Was dat niet Mozesachtig?

Rap klom Pallieter met den honing en de bieën naar de schilderkamer van Fransoo, in 't hoogste van den molen. Fransoo's struische vrouw volgde hem lachend.

De vriend stond half naakt een panoramalandschap te schilderen, in het halve licht dat door de kleine luchtgaten kwam, en waardoor men van 't midden der schilderplaats reeds den wierookblauwen einder zag.

Pallieter gaf den honingpot, liep dan seffens naar een der gaten, en stak zijn kop er door.

Hei! Lucht en licht! zoover hij zien kon was het koren, koren heel de wereld rond, om de dorpen, om de begijnen-bosschen, de huizen, de beemden en langsheen de Nethe. Gouden koren overal! En klein en dun en zwart stonden de menschen gespikkeld, die daarin aan 't werken waren.

Dat was het heilige werk van 't koren! heinde en ver gonsde de pikke, overal draaiden de molens en hier joegen de wieken zoevend en ratelend, met een zweep wind, voorbij zijn verwonderd gezicht. Hei! dat was allemaal om 't brood te maken; het manna dat uit de aarde komt!

En hoog daarboven sloeg de zon heur licht het heelal in.

"Hei!" riep Pallieter tot Fransoo en zijne vrouw, die van den honing aan 't proeven waren--"ziet de Wereld! ze baart! ze geft zog! Komt lot ons fieste! lot ons deur 't kore gaan, de eerde kusse en verdrinken in de grond!"

Ze gingen beneden bij den mulder een glasken rooden wijn drinken en Pallieter kreeg van Leonie, Fransoo's vrouw, een grooten bloemekee van safraan-oranje rozen; dat was uit dankbaarheid voor zijnen honing, en hij duwde er zijnen neus in, en deed zijn oogen toe van den deugdelijken reuk.

En dan ging Pallieter met Fransoo den anderen honingpot naar 't arme gasthuis dragen. Ze droegen hem elk bij een oor.

Zij gingen langs het koren.

Hier stond het nog volop geel te rijpen, voorover gebogen van de zware aren, en van onder bedrest met blauw en rood; dáár waren ze het dan weer aan 't afpikken, een ploeg mannen met luidruchtige bindsters, of een ventje alleen. Heelder plekken waren hier en daar reeds afgedaan, en stonden thans vol schoongereide schoven. En overal hong het hevige licht van de zon als kransen rond, rond de aren, de boomen en de gebogen menschen, en de hitte bibberde daarboven altijd eender als een zenuwachtig water.

Pallieter en Fransoo waren uitgeklapt en zwegen. Ze gingen op gelijke passen voort, altijd achter het stof dat hunne voeten opwolkten; en 't eenige geluid was hunnen asem, het kletsen van een korenaar tegen hun gezicht, en het gonzen van de bieën rond den honingpot.

Zoo waren zij al een heele tap gegaan, en Pallieter zijn mond was poederdroog van dorst, en hij had een verschrikkelijke goesting naar den smaak van bier gekregen.

Maar ze waren ver in 't land en daaromtrent geen simpel herbergsken. En hij wrong met moeite speeksel in zijn aan leder gelijkenden mond.

Maar na nog een kwartierken gaans, zag hij uit een hollen weg een bierkar koperflitsend komen afgeroteld en hij riep--"Hoera!"

"Wat is het Bruur?" vroeg Fransoo verschietend.

"We hemme deurst en ginder is bier!" riep Pallieter, "lot ons drinken!"

En zij liepen dweers door 't koren naar den wagen toe.

"Hela!" riep Pallieter den aanrollende rooden dikken voerman toe. "Verkoept ons is 'n tonneke bier! We stikke!"

"Alles is verpast!" riep de vent voortrijdend.

"Ta, ta, ta, ik geef oe dobbel winst!" riep Pallieter terug.

"Allé dan!" zei de vent, hij hield het peerd in. "Neem daar mor e vaatje bock, da kunde seffes drinke. Gade gijlie fieste?" vroeg hij er nieuwsgierig bij.

"Ja!" riep Fransoo, en Pallieter nam een tonneken van de kar en betaalde.

De vent reed voort, en terwijl Fransoo den honing droeg, rolde Pallieter het tonneken met voetstampen voort.

"Mor hoe na gedroenke!" vroeg Fransoo, "wij hemme gin kraan en ginne pot!"

Pallieter krabte in zijn haar--"'n kraan is niks, mor waar ne pot gon hale?"

Beiden zwegen, bleven staan en zagen naar den honingpot. Was die pot nu maar leeg.--"Kom," zei Fransoo "lot ons oep 'n hoef ne pot hale."

"Allé dan!" en zij rolden het tonneken over den witten weg.--Zij kwamen aan een korenplek, half afgemaaid, en ginder in den elzenkant zaten er pikkers en bindsters hunnen vier-uren-koffie te schoven. Als Pallieter hen zag, verblijdde hij zich uitermate en riep, hoog zijne armen zwaaiend: "Hé manne, lot elle kaffe staan, hier is verschen bock en as g'n koem geft, meugde ellen buik vol drinke!"

Seffens kwamen zij afgeloopen, elk met hun koffiekom en wrongen om 't dichtst bij 't tonneken te staan. Met een lierenaarsmes sneed Pallieter de kurk er uit en klets daar spoot het bier er uit, maar de kommen wierden er ondergehouden, schuimend gevuld en gulzig leeg gedronken. In het gat wierd er een gauw gemaakten houten tap gestoken, en zoo konden ze drinken zonder haast, en liep er niets verloren.

Ze schaarden zich zittend rond het tonneken, en Pallieter dronk zooveel hij kon uit een groote kom, beschilderd met een rooden papegaai. Er kwam geen einde aan den dorst; gedurig aan spoot het bier uit het gat, en er werd gedronken en gelachen dat het zweet hen op het voorhoofd perelde.

"Nij nog e muzikske en 't is kèremis!" lachte een meid.

"Allé Araan!" riepen er stemmen tot een te langen, mageren jongen, "haald a schuiftrompet, dan kunne we danse!"

"Ja!! ja!" riepen ze nu verward, "w'hemme nog al den tijd! Allé spoed oe! zij rap!" De jongen liep gewillig weg, wijl de meisjes van de pret het uitgichelden en malkander zotten praat toesloegen.

Ondertusschen dronken ze, een oude vent was tapper, en daar kwam de jongen van huis terug, met zijn broeder en een groen uitgeslagen koperen schuiftrompet.

Hij dronk eerst nog een pint van 't smakelijke gele bier, en begost toen, in zijn volle lengte rechtstaande, een langen wals te spelen.--De klanken vielen vreemd uit de korenstilte en droegen ver. En zie! iedereen was aan den dans behalve de oude, die voor zich zelf maar tapte. Elke jongen nam een meiske, en de jongens die overschoten dansten met elkaar; zoo danste Fransoo met een klein bultig boerken. Maar Pallieter had er het bloemeken uitgehaald; een mollig ding met bloote braaien en armen, en een blozend gezicht vol rose zomersproeten. Ze had oogen vinnig lijk van een kat.

Al dansend drukte hij haar malsch lijf tegen het zijn, zoodat hij goed al hare vormen waarnam, en zijne handen betastten gulzig hare waggelende heupen, dat zij het uitkreet van de pret.

De dans was uit, en zij zetten zich nevenseen in 't gers, bij de anderen rond het vat. Allen hijgden, en hun boezems gingen op en neer.

Als zij weer eens goed van 't lekkere bier genoten hadden, riep Pallieter: "Alle gauwkes nog nen dans!"

't Was nu nen polka. Weer nam hij hetzelfde meiske, en zij dansten dol en wild. Hij drukte haar dichter tegen zich aan, danste uit den danserskrjng, en dan ineens zette hij haar een beentje, en beiden vielen op den grond; en hij viel op haar als op een kussen, en voelde al de weelde van haar mollig lijf dat schokte van het lachen, en gulzig plukte hij wel honderd kussen uit haar witten hals en van hare dikke kaken. Zij stonden moeilijk op, aan haar uitbundig lachen scheen geen einde te komen en iedereen moest meelachen dat zij niet drinken kosten.

Maar van uit de verte klonk het verschietend toeten op een blikken horen. Dat, was het teeken dat het rusten was gedaan en met spijt grepen ze hun alaam en pikke en gingen moeilijk aan het werk.

Ze riepen nog eenige zotte slagen naar Pallieter en Fransoo, die er opgeruimd van door gingen, het tonneken achterlatend.

De twee vrienden gingen pratend verder. Maar het klooster was nog wijd, en Fransoo zei van wat te rusten, want hij was open en hij zweette lijk een gieter.

Fransoo lei zijn dik lijf in het gras eener beek, deed zijn oogen toe, en was seffens in een diepen slaap. Hij snorkte lijk een verken.

Pallieter zette zich nevens hem, smoorde een pijp, zag naar het koren en de klimmende leeuweriken ... smoorde nog een pijp, en daar Fransoo niet verroerde lei Pallieter zich ook te slapen.

De honingpot stond tusschen beiden in een wolk van honingdieren.

En de twee vrienden sliepen, en boven hen, achter den breeden eikenboom, hong de hooge lucht te dansen van de hitte------

Als Pallieter wakker werd was de honingpot omverre gevallen, en was de zon gulden aan 't zinken in een zilveren wolkenstreep.

Fransoo werd omtrent met hem wakker en zei geeuwend:

"Dad hee me deugd gedaan."

Er wierd gelachen om den pot, waar meer dan de helft was uitgevloeid, en daarna gezwegen om den schoonen avond-dag.

De dag kreeg een schoone rust en heel de hemel stond vol kleuren-helderheid lijk in de schelpen van de zee.

Zij bleven staan en de avond kwam over het koren, het rood zwol uit in de lucht en elke korenhalm kreeg zacht een rooden schijn. Er klom van ievers een heele vlakte hooireuk op, en uit de beken steeg de smoor, die over de droge wegen schoof lijk gulden stof.

Zij gingen terug: "Ik zol morge nen andere pot nor 't gasthuis drage," zei Pallieter.

Fransoo ging naar zijnen molen en Pallieter naar de Nethe.

Onderwegen kwam hij een kind tegen, dat met een rolbaksken waarin een zak meel stond, van den molen kwam. Hij gaf het den honingpot, en beschaamd, zonder iets te zeggen, liep het rapper.

Er kwam van het veld een hoogopgetaste, korenwagen, waarboven een dikke vrouw zat, die een groote witte borst gaf aan heur kind.

De dag was henen, en in de groene lucht sneed de zilveren manesikkel een uiterst scherp streepken. Daar, grootsch tegen den hemel geblokt, trokken twee zwarte trage ossen eenen ploeg nog door den donkeren grond; de boer er achter zweeg. Er viel een blauw licht over het lijf der dieren heen, en de golvingen van hunnen hoogen rug bij eiken stap waren als bergen die verroerden. Hun kop knikte zwaar over en weer, en hunne snuiten snoven damp.

De boer scheen nog niet te eindigen, en lei een versche voor. Zijn ploeg blonk spookachtig wit, en zwart en reuzig trokken de twee ossen kalm het voertuig door den grond, die vettig openviel, een weinig glom en eenen goeden zalfreuk verspreidde. Uit de omgeklonte aarde steeg een dunne smoor.

En donkerder werd daar hoog boven de lucht, waarin het sikkeltje klaarder sneed. Een dikke ster deed haar oog open.

Pallieter zag weggaande steeds naar de groote ossen om; zij hadden hem het hart geroerd. En als hij in het schuitje overvaarde was er een die loeide in den nacht, en dat deed hem rillen.

De dag was toe en donker, maar het water was nog helder licht, en voerde hooi mee met zijn loop.

En door dien heiligen vrede die het land omhulde, klonk ver het veelmondig gezang van huiskeerende pikkers en bindsters. Pallieter had kunnen weenen en zei: "Neeë! de groete Pan is nog nie heelemaal doed. Die dat hoorde zeggen hee gedroemd! Want ik hem vandaag zan horekes gezien!"

EEN AANGENAME VERRASSING

In den heeten Zondagmorgen was Beiaard, de witte merre, aan 't zwemmen in het water van de Nethe. Zij speelde lijk een kind, hinnikte herhaaldelijk, en het groene water danste vol gebroken zilver en wemelende zonnescherven.

Pallieter had er deugd van met het na te zien en werd er ten langen leste zoo door meegelokt, dat hij zich gekleed in het water liet vallen. Hij zwom Beiaard achterna, haalde haar in, en wrong zich op den breeden rug. Zoo zat hij als in een bed, hij opende zijne armen en liet Beiaard maar haar goesting doen. Zoo zwem-rijdend, zag hij over den lande rond, dat om en om in roereloos zonnelicht en trillende hitte lag verdronken. Over de gele korenschoven, die t' allenkante, in die vinnigheid op rechte roten stonden, kwam er slechts een ekster heengevlogen; en nergens was een mensch.

Dat was de rust.

Maar onverwachts begosten in de zonbeschenen stilte de groote begijnhofklokken te luiden, en de gonzende bonken bleven ronkend hangen op de warme lucht. En daar kwam Charlot uit den hof. Zij was in 't feestelijk, blinkend satijnen zwart met matte boonen; haar jak had nog groote hespenmouwen, en haar rok was vloeiig lijk een wolk; op heure nieuwe zwarte bindersmuts waggelden, aan een busseltje stijve pennen, botergele bollekens. Zij droeg aan den arm een groen blekken emmerken, van binnen rood, waarin peerkens, pruimen en korentenboterhammen lagen en een bruine bierflesch stak. Ze zag er gelukkig uit, en riep uitermate hard:

"Allé Bruur, 'k ben weg! Doe strak veul complementen on Marieke, en zag da'k e Zondag koom! 'k Zal veul vor ons Luverijke leze da' ge same lank gelukkig meugt zijn!"

"Watte?" riep Pallieter, "'k wil ni gelukkeg zijn deur ij, mor deur man eige!"

"En toch zal 'k leze!" riep ze kwawordend, "en veul leze, zooveul as da'k kan!"

En daarmede draaide ze zich om op haren hiel, en ging zonder omzien rap door naar de kerk, om vandaar in stoet, te voet den beeweg naar O.-L.-Vrouw van Scherpenheuvel te doen.

Zij ging als eene heldinne beschouwd worden vandaag, want 't was de vijfentwintigste maal, dat zij achtereenvolgens, den vermaarden beeweg deed; en ter dier gelegenheid, zou zij de hooge gunst genieten, dat men het miraculeuze beeldje op heur hoofd zou zetten. Haar mond lachte, en haar hert was blij gelijk ne vogel....

Pallieter zei "Beiaard wij gaan er nor Marieke, maar eest nog wa gaan ete!" Hij liet zich van het paard glijden en zwom naar kant.--Het water viel uit zijn broek lijk uit een pomp, hij liep door den hof, maar bleef staan, getroffen door den fijnen reuk en 't schoon koleur der bloemen.

Zie die honderden rozen, vuisten dik, opengerold en opengebroken tot sneeuw of wijnenrood en morgendroos en safraangeel verbleekt in melk.

Wie dierf er de fluweelen violen tellen, die donkerpurpel, of met een wit en geel kaboutermannekesgezicht, heelder perken vulden? Rond het molenheuveltje prikten de gouden zonnewielen tranen in de oogen, en uit een dikken band van bloeiende geraniums spoot het fonteintje, stralend als een zweerd, zijn peerlenpluim uiteen. Daar als een gekleurd vuurwerk het Japaneesch gers, ginder franker dan appelsienen, de kelken van het lisch, en dan! als om niet te gelooven en nooit meer te vergeten, alles overheerschend en overweldigend, de uitbundige roode en oranje mastouchen in kegelranken tegen den witten muur en rond de dikke vruchtenboomen! Amé! 't waren als vlammen, die opkronkelden en opsloegen uit den grond.

Och, 't was overal de geestdriftige openbersting van het schoonste leven. 't Was als niet voor menschen. En die reuken die een mensch zijn ziel vergrooten!

Het was 't begin en 't einde van 't geluk. Pallieter zijn hert werd er zat van in zijn lijf.

Hij ging eten en kwam terug met zijn doedelzak onder den arm; het was het speeltuig waarop hij 't liefst zijn ziel liet leven.

Hij zwom over, zette zich op Beiaard, en op wandelstap reden zij over de heete stoppelvelden. De zon droogde zijn kleeren, terwijl hij met zijn doedel begeleidend zong, denkend aan zijn Marieke, de zotste liekens 't eerst.

De ronkende klanken gonsden hoog rond hem op, en waren hoorbaar overal, en menig boerenmensch kwam in het deurgat luisteren.

Vóór hem, uit een gracht, vloog een ooievaar luidruchtig op.

"Peterus!" riep Pallieter. De groote vogel herkende hem seffens, en kwam laag boven hem in groote kringen rondzweven. Zijn roode pooten hongen lam onder hem aan en zijn wit-en zwarte vleugelen waren rein als verschgewasschen en blinkend in de zon. Nu eens schoot de groote vogel plots vooruit, liet zich op zijde hangen met een vleugel naar omlaag, steeg hoog op en zakte dan weer roerloos langzaam naar beneden. En mee met den gang van het paard, vloog en speelde hij in de lucht.

De molens stonden met stil kruis, en aan den weg lag een omgekantelde ploeg. Dat was de rust der velden.

Op de smalle binnenwegen, gingen er blauwgekielde boeren en witgekapte boerinnen, naar het klein klokgelui toe, dat uit een smal parochietoreken kwam, en op den verren steenweg was er soms een wielenschittering van een luien fietser.

Over de stille veldenvredigheid pijpte de doedelzak, juist als een zwerm bieën, die het zingen hadden geleerd. Hij kwam voorbij de weelderige boogaards, waar een groote appelenreuk uit de zwaargeladen boomen viel. Er waren boomen bij die kraakten van hun roode en groene vrucht, en moesten onderschraagd worden. De lange pereboomen waren bronsbruin van de fluppen, bergemotten en boter-, pistool-, kaneel-en suikerperen. Het water liep over zijn hert en hij zei tot de zon: "Stook maar zonneke, en versnel de zuute vruchtedage, dan go man ziel in vacansie!... Geloofd zij God om de peren en de appels."

Hij dronk in een herberg bier en Beiaard kreeg een vollen arm hooi. Van uit de keuken kwam de aangename geur van Zondagsoep; Pallieter vroeg een telloorken, en lepelde het rechtstaande in de herberg uit; maar Peterus, die steeds meegevlogen was, kwam verlekkerd door de soepreuk, aan de deur staan bedelen.

Pallieter gaf hem twee frikadellen, en dan vloog de ooievaar weg, hoogopstijgend door de blauwe zonlucht, en liet zich dan voortdrijven op het licht. Pallieter zag hem na in de deur met de jonge bazin, die lachte dat ze schokte.

Hij ging terug binnen, dronk er nog een pint, en gaf er een aan Beiaard. Terwijl de meid zich bukte om een cent op te rapen, zag hij haren schoonen bruinen hals, en wip! hij lei een natten kus op het gemollig vleesch. De vrouw wilde hem een klets geven, maar weg was hij op Beiaard, en zwaaide met zijn klak al lachend naar heur om.

Het stof wolkte op van den drogen weg. De zon lei op het paard een matten zilveren schijn, en elke boomstam sloeg een blauwen schaduw op het lijf.

Honden lagen te slapen nevens hun ton, en op den weg besprong een bruine haan een van de vele grijze kiekens; daarna sloeg hij zijn vleugels open en kraaide zoo hard hij kon, en 't geklaroen der verdere hanen liep seffens als een ketting over 't stille land....

't Werd noen, en de verlaten velden rilden onder de geweldige heette, en nievers een wolk in 't warm lievevrouwenblauw der nooit-zoo-diepe lucht. Heel in de verte leefde er ievers traag tromgeroffel.

Hij kwam aan eenen watermeulen; het groote wiel draaide statig rond, gestuwd door het geweldig water, dat bruischend en stralend lijk kokend zilver opensloeg, en schuimend in een breede beek wegspoelde. 't Was er toch zoo frisch met den koelen reuk van 't water en de breede boomen rond het huis.

Hij stapte van zijn paard, en hij en Beiaard dronken. Hij lei zich op zijn buik in 't malsche gers een pijp te smoren, en overzag het land; het peerd scheerde de klaver uit het gers.

Van uit de breede schaduw gezien, was het licht der velden nog eens zoo schril en 't eenigste geluid was 't scherpe sjirpen van de krekels en de klotsende waterslag.

Niets verroerde, geen blad, geen vogel.