Part 4
Pallieter, die nevens Marieke zijn plaatsken had gezocht, zat zich soms krom te lachen, als hij die vretende menschen zag.
Charel Verlinden, een dikke boteropkooper, liet de karbonaden met peekens en erwten passeeren. "Ik zal straks man scha wel inhale," zei hij. Maar iedereen begost hem uit te lachen, en zij verkneukelden er zich reeds in, zijn groot achterste te zien.
De buiken zwollen, en drie menschen stonden te wachten vóór 't vertrek. En nog kwam er maar gedurig aan versch eten.
Een jonge boer wierd ineens bleek, liep achter een boom, lijk een ezel balkend, braken, en kwam terug zeggende: "'t Is niks." Hij dronk zijn glas wijn leeg en ontstak een versche sigaar. Marieke gaf maar heelder stukken vleesch aan Loebas en meneer Pastoor zei: "Drinken is ook eten". Deze voelde zich beschermd door zijne soetaan, en dronk maar den ouden zwarten wijn.
Charlot kon bijna niet meer. "Ik hem nog kans mè het staaltje te trekken!" zei ze. Dan wierd er eerst fijn gelachen, en men zong al van: "Charlot is van de brug het water in gevalle!"
Er kwamen nog looze vinken met bloemkool, enz. enz. Er was een aangename angst, en honderd zottigheden werden er verteld. Men dronk maar, en de wijn sloeg naar het hoofd. Maar toen kwam de voorlaatste schotel; jonge duiven met kriekenspijs. Stans gaf haar kind van de spijs met haren vinger, dat hij seffens zoo rood werd als een indiaantje. Een boerenknecht bracht een tweede schotel, maar de kleine sloeg er zijn pollekens in, en de telloor viel met de duifkens in stukken op den grond; tot veler verheuging, want ze waren raar die nog apetijtelijk aten.
Stans gaf daarop heur kind een schudding en de kleine begon brand en moord te schreeuwen. Zij opende haar jak, wrong er een dikke witte borst uit, en stak ze in 't roodbekriekt gezicht van 't schreeuwend jong. De kleine sloeg er zijn vettige handekens op en begost te zuigen, 't Rood van zijn gezichtje plakte seffens op haar witte borst.
Men werd uitbundig. Pallieter, die Marieke nevens hem voelde, dat schoone kind, nam haar in de lenden, en drukte met bekriekten mond een kus op haar wang waarop een rood plaksken bleef, en seffens wierd al wat vrouw was, door het mannenvolk gekust. Het was een gelachen getier waarboven uit het kind kriaalde.
Stans vergat de borst in haar jak te steken en zij zwabberde en waggelde mee met de lachschokken van haar dik lijf. Glazen vielen kapot en flesschen rolden van de tafel.
De zon zakte.
Maar daar op een draagbert brachten twee man de groote tellooren rijspap. Van dees gerecht hong alles af. Iedereen gaf zijn laatste courage. Een magere tooverheks en Pallieter alleen aten hun schotel leeg. En toen moest er staaltje getrokken worden tusschen meneer Pastoor, Marieke, Charel Verlinden en Charlot. Er was een ongeduldig afwachten. Iedereen stond rond Pallieter, zwijgend en zenuwachtig, en een luid gejuich brak los als de dikke boteropkooper het kleinste strooiken trok.
Maar de dikke boer ging loopen. "Pak hem vast!" riep Pallieter. "Charlot, breng de teiloor!" De boeren grepen Charel vast, die spartelde lijk een varken om los te geraken, en Charlot, kwam met de enorme schotel afgeloopen, maar zij lachte zoodanig, dat ze in haar rokken waterde, en de schotel in honderd stukken vallen liet. Charel Verlinden danste verheugd met de armen in de lucht. Iedereen stond te lachen om breuken te krijgen, en Pallieter rolde er van op den grond.
Verlamd en vermoeid gingen zij zitten uitrusten op den groenen Nethedijk, terwijl de zon de wereld met gouden armen omhulde.
* * * * *
Als zij, tot bij klaren maneschijn, onder de lage takken van kromme appelboomen en mispelaren hadden gegeten en gedronken, gelachen en gedanst, en, tot slot, het kort, rap vuurwerk hun beenen had doen rillen, namen zij met veel lawijd en gepol afscheid van Charlot, en trokken zingend, terwijl Pallieter aan den arm van Marieke op een mondharmonika speelde, langs de vest en door de straten naar de statie.
Daar gaf hij de vrouwmenschen allen een paar klinkende kussen, bij Marieken kon hij er bijna niet uitscheiden, en hij liet haar niet los voordat ze beloofd had binnen kort voor enkele dagen weer te komen.
En ze vertrokken, verhit en luidruchtig, in hun schoon kostuum naar hun ver dorp, om morgen bij zonsopkomst alweer met slechte kleeren in het mest en het groeiende veld te staan labeuren ...
En Pallieter voelde dat er iets van hem meeging naar ginder. Als hij thuiskwam lag Charlot in de keuken met ovenrood hoofd op de tafel te slapen, met nevens haar den paternoster en getijdenboek.
In den hof rook het naar verbrand papier van 't afgestoken vuurwerk. De maan scheen en lichtte op stukken flesschen en tellooren, in het gers, door het spuitende fonteintje, en op de ordelooze glazen, eetgerief en vruchten op de tafel.
Pallieter vond het schoon. Hij zette zich op eene bank en zat het stil te bezien.
Heel ver in de stad was er nog kermismuziek, en een nachtegaal floot dicht bij hem. Hij zag hem zitten met den staart scherp profileerend op den zilveren manebol.
Hij floot kort, beluisterde lang zijn eigen, maar elke klank was goud waard. Zoo zat Pallieter daar lang met den schijn der maan op zijn handen, en de nacht sprak tot zijn hart.
Hij ging wandelen.
De Nethe was stil, en slechts nu en dan lekte de maan een guldene plooi in het donkere water.
De beemden lagen vol droom en het gers was nat van den dauw.
De stilte was heilig.
Pallieter wandelde langzaam voort, plukte een natte bloem, die hij tusschen de tanden wiegelen liet, en zijn schaduw wandelde met hem meê.
Hij kwam in het veld, waar de vruchten roerloos in den lagen nevel stonden.
Het koren glom, strunken bogen maanbelicht over met witte bloemen begroeide grachtjes, en de berkeboomen ritselden blinkend hun ijlen blarenregen.
Hij zag het wit gat van een konijntje tusschen de selders weghuppelen, en wat verder nevens een mutsaard zat in het gers een verliefd paar zwijgend te vrijen.
Pallieter ging wat op zijde om hen niet te storen.
Na al het rumoer en de uiterlijke vreugde van dezen kermisdag was hij door dezen volle-maanbelichten nacht geroerd tot in de ziel, en zijn hart smolt van ongekende goedheid in zijn lijf.
Hij dacht aan Marieken, dat goed en zoet Marieken dat hij zoo schoon vond als een veld, wier lichaam hij had omprangd, wier lippen hij had gezoend.
En hij was vol van het verlangen dat Marieke bij hem zou zijn, zoo heel stil, hand in hand, lijk twee brave kinderen.
Er was iets in hem dat hij niet bepalen kon, maar hij liet het rusten, want het was zoo zoet voor de ziel, als voor een warmen mond een koele kers. En aan een plasje waarin de maan stond, haalde hij de mondharmonika uit den zak, en zuchtte en zoog er zulke zachte zilverklanken uit, dat het leek of 't de maneschijn was die zong.
EEN SATERACHTIGE DAG
't Was al wat na de kermis..
Van toen pas de zon was opgegaan en de eerste zwaluwen in de versche lucht aan 't zwieren waren, stond Pallieter reeds op den over-Neetschen Molenberg met een lange voermanszweep te slagen en te kletsen, dat het weergalmde alsof men overal aan 't zweepen was.
Hij stond tegen de steenen pijlers van den ouden, houten molen, en de breede wieken zoefden snel met groot gekraak voorbij zijn neus, en tusschen elken slag zag hij het landschap van de Nethe, bedekt met dikke lijnen morgendamp.
De zon hing nog matgeel achter de grijze stad, waar vroegmisklokken luidden uit kloosters en uit kerken en schril treingefluit de lucht doorsneed. De zon kon op de boomen nog niet schijnen, maar van achter het onzichtbare bosch bolde alreeds een breede wind, die openingen draaide in den doom; en de boomen begonnen te klepperen.
Ommiste koeien loeiden naar malkander.
Pallieter dacht aan Marieken, die sedert dien Zondag in zijn gedachten zat en hij zei:
"O minne zuster, o minne bruid, ghi hebt mi geckwetst met eene van uw ooghen en met een hair van uwen halse!"
Hij dacht aan heur aangenaam gezicht en heur jonge vormen, en harder sloeg en djakte de zweep de opklarende lucht vaneen.
De zon klom; de dunne hemelwolken braken uiteen van 't licht, en blauwe diepten gaapten over de aarde.
De nevelen zakten, en vensters van de stad schoten vuur; de windwijzer van een hoeve schitterde, en daar bedekte de zonneschijn al wandelende het land.
Versch-omgeploegde velden slurpten met groot geschitter de klaarte op hun vettige schellen, dat ze werden als spartelende waters. Er kwam gekraak en gegons van kevers en van vliegen. Pallieter riep:
"Vader zon bevrucht Moeder aarde!"
En hij liep zoo maar rats tusschen de feldraaiende molenwieken door, den berg af in 't natbedauwde veld.
Hij drentelde al zweepkletsend langs wegelkes, hagen en waterkant, en zong het land bijeen.
De nevelen waren weg, en opnieuw openden zich de verten, rijk aan korenvelden en savooien. Pallieter verblijdde zich om de blauwheid van de lucht en den kalmen reuk der aarde.
De hemel draaide rond de wereld vol bloemkoolenwolken, en in een hof balkte een ezel lijk een verroeste pomp.
De meimaand was een gouden hoorn van overvloed. Het Leven was er nu voor goed, de winter was vergeten en de reusachtige zomer stond voor de deur.
Het werk was gedaan. De boomen lieten hun vruchten stoven, de vogelen legden geen eieren meer, en er was een schoone kalmte over de Natuur gekomen als bij een krijger na een heeten strijd.
Dat zijn de schoonste dagen voor de schapen, die met hun lammekens aan hun uiers loopen, voor de sprinkhanen en de jonge visschen.
En de Natuur wil voor niets of niemand iets van hare goedheid achterhouden en hare genietingen hangen zoo maar voor 't pakken in de lucht. Zij is eenvoudig als een kind en goed als eene moeder, en wat zij geeft gaat tot in het leven van de ziel. Dat is de àl-goedheid van de oude aarde, die zich telkens vernieuwt, en door de menschen niet begrepen wordt, daar zij elders zoeken.
Daarom zeiden de philosophen: "Gaat tot de Natuur! Gaat tot de Natuur!" Maar zij zelven keerden hun gat naar de zon, en vermagerden lijk graten tusschen stapels boeken en dichtgesloten kamers.
"Fillesoof zijn is ni schrijve, mor is leve!" zei Pallieter, die met zijn voeten in de parij stond en 't perelend zonnespel aanschouwde.
De zon was zoo hevig, dat ze door de dichtste boomen heelder bundels pijlen schoot en de bladeren bijna doorzichtbaar maakte.
Maar daar kwam, van tusschen zilveren olmenstruiken, iets roods, bloedroods in Pallieters oogen pikken.
Hij sprong over het grachtje, kroop door het gewas, en daar stond hij voor een overgrooten bunder papavers. De klaprozenplek trok over heure wijdheid al het zonlicht naar haar koleuren, en 't was lijk een groote vijver bloed.
Het water liep zoo maar uit Pallieter zijn oogen, en hij zei, met een zucht van bewondering:
"Och, Sint-Jan, worroem staat da' ni in oewen apokalips?"
Hij werd er naar toe getrokken lijk naar een groot geluk, en ineens liep hij erin en verdween tot aan zijn borst in het machtige rood.
De zon vlamde en beet door de groote bloemen, lijk door rood glas, en poeierde van vinnigheid een rooden gloed de lucht in, zoodat Pallieters gezicht ermee omwonden was, en zijn handen en zijn haar.
Hij moest de geweldige klanken rood betasten en bestreelen, en hij sloeg zijn handen in de bloemen, rukte een tuil uit, dien hij in de lucht zwierde al roepend:
"Koleuren, koleuren is alles in alles!"
Hij ging voort, en wilde de begijnenbosschen in, de eeuwige begijnenbosschen, die zijn als een zee, met ook hun eeuwig lied van vogelen of van wind, en ook gevuld met allerhand gediert. Een bosch is als een zee!
Hij drong door 't dichte elzenhout, en stond ineens van witte zon in de koele weidschheid van het overdadig groen. De struiken en strunken van hazelnoten, wilg, olm en eik en dorens nog daarbij, stonden er dicht lijk het haar op den hond. Overal klom de klimop een muur dik, op de bemoste boomen en krinselde zich overvuldig met andere slingerplanten van den eenen struik naar den andere. Hij lag op den grond lijk tapijten. Er was niet dóór te geraken, maar Pallieter kroop door hollekens, sprong over strunken, klom op een schuingevallen boom, liet er zich weer afvallen, verdween onder een klimopgordijn, en zoo drong hij al dieper en dieper in het bosch, dat een berg van zomersch leven was.
Er klonk muziek van honderdduizend vogelen, 't Kwam als een regen uit de zuchtende takken gevallen, en in de lucht en op den grond gonsde het van vliegen en insecten.
Waar een plekske zon lag zaten de hagedissen als steenen beeldekens; broodkoleurige krekelschelpen plakten op de wildgewassen struiketwijgen en overal roerden rupsen, slakken, spinnekoppen, duizendpooters, motten, pieren, kikvorschen, padden, mollen in en op den grond, die rook van al dat leven. Visschen, dikkoppen en wormen in het trillende water van beken en moerasjes.
De bosschen zijn het hart der aarde! Overal was de weldadige reuk van mos en sappig hout. En dan de boschbeziën, die roode boschbeziën met een rhijnsch smaaksken achteraan! Pallieter zijn lippen zagen er purper van. En zoo drong hij heên door een wellustige overdaad van leven en groei, tot hij kwam in het eigenlijke woud.
Daar deed hij zijn hoed af, bleef getroffen staan, en voelde zich geen duim meer groot. Hier waren geen struiken, maar uit den rossen bladgrond rezen overal de grijze, gladde beukenboomen lijk keersen recht omhoog en spanden ginder boven met dicht bladerengewelf het zicht des hemels af: zij reiden zich achter en nevens elkaar tot een onmetelijke diepte van boomen, die heel ver vergroeide tot een grijze houtgordijn waar lucht noch land doorspierde.
't Was hier een licht alsof de avond al aan 't dalen was, en stil lijk onder water.
En om iets te hooren riep hij met de hand aan den mond: "Pallieter!" Zijn naam gaf een galm lijk in een kerk en viel, na drie echo's door in de verre grijsheid van het bosch.
En dan begon hij zoo luid en zoo lang te lachen, dat de eene echo tegen den andere botste, dat er overal lachers waren, hier, daar, voor en achter hem, en terwijl de weergalmen kruisten, daverde de lach gedurig uit Pallieters mond. Heel het bosch lachte.
"Nij hemme de boeme gesproke," zei Pallieter, en zingend liep hij verder.
Het woud was lijk 'n hooge zaal. Hij bleef zien naar een koninksken dat tegen een boom opklom en naar roodgevlekte, wondergroote paddestoelen aan den voet der boomen.
Overal lagen konijnenkeutels, en de diertjes ervan, door Pallieters lied verschrikt wipten in hun holen. Hij zag een vossenklem. Met een stamp deed hij ze afschieten, en haar onder den grond stoppend zei hij:
"Oemda de vos gi gers èt, mut hem steurve! Arme voskes!"
Pallieter dronk zijn dorst af aan een handgroot watervalleken, 't begin van een beek. De boschreuk hing om hem, zijn frak en zijn handen zagen groen van mos, zijn lach dreef nog ievers in de verte, en de boschstilte suisde nog in 't diepste van zijn hert! Hij had het bosch gevoeld!
Hoe jammer dat hij zijn jachthoren niet had meegenomen, om al de diepste diepten voor zijn gehoor te laten opengaan!
"Mor da's veur later!" zei hij, en hij liep terecht in de vette weiden, overgoten reeds, van zware, sterke zon, en bevlekt met bruine, witte en zwarte koeien. Hij ging door het losse gers, en de opgekomen honger deed hem zien naar de roze uiers, die vol zoete, warme melk hingen.
Het water kwam hem in den mond. Hij had maar te trekken om ervan te genieten en de groote goesting deed hem zijn zweep neêrleggen. Hij rolde een stuk papier tot een puntzak, zette zich onder een koe, trok aan eene der tepels en zie! de straal witte melk spoot ruischend en schuimend in 't papier. Als 't vol was dronk hij hem leeg en het bekwam hem zoo goed dat hij er drie zakskes van tapte. Hij hoorde de naar boter smakende melk in zijn holle maag boebelen; het lekte van zijn kin tot in zijn hals, en hij zei tot de koe:
"O wandelende herberg, wees gedankt!"
Al verder gaande wierp hij van voldoening over de weiden de luide knallen van zijn zweep, en hij dacht:
"Marieken is hier nog te keurt!"
O! haar bij zich te hebben in deze paleisachtige natuur, haar te mogen omvatten, met haar in zijn armen over de beken te springen, samen met natte kussen door het zachte gers te rollen, en zijn gevoelige vingeren te laten leven op haar gezond vleezeken! Oh!...
En zonder het te willen zag hij haar in zijn verbeelding, dwars door haar kleeding dóór. Hij zag niet meer het blauwe kleed met witte bollekes, maar een poezelig naakt lijveken met schoon geronde vormen.
Hij deed zijn oogen toe van teeder genot, en zong op haar:
"Marieke, pirrewieke, pirrewitje kandieke, pirrewitje kanditje, verrumpeld Marieke! o zallef, o heunink, o boter der ziel!"
Pallieter begon van zoet voorgevoelen met de zweep te djakken, stampte de molhoopen uiteen, liep en draaide, met de voeten los van den grond, rond de jonge boomkens, en zette het dóór het gers en de hooge bloemen op een loop, tot hij buiten adem op den Nethedijk terecht kwam.
De Nethe was hoog, en droeg zoo klaar gelijk de lucht de wolken van den hemel.
Als Pallieter dit groote, ijle water zag, dat aan den overkant zoo zuiver de gele en purpere bloemen weerkaatste, dan zakte de kalmte weer in hem, en hij werd stil zooals een mensch na diep gebed.
Het waterelement klotste machtig in hem óp, en op 'nen één-twee-drie, stond hij bloot, sprong in een spettering van zon doorschenen waterperels in de Nethe, en zwom naar de bloemen.
Het was een reuk als van warme rijstpap; zijn gemoed kwam ervan naar omhoog en hij wist van diep zielsgenot niets anders te doen dan fonteintjes omhoog te spuiten, die nederpletsten op zijn blinkenden buik.
Als hij daar zoo een heelen tijd in 't water had gelegen, en drie gebolzeilde schepen had laten voorbij drijven, kwam hij er terug uit.
En hij liet zich afdrogen door de goede zon, plukt een pisbloem af, stak ze tusschen de tanden en wandelde naakt, de handen op den rug, een kikvorsch achterna, die verschrikt voor hem uitsprong.
* * * * *
De noen stond in zijn heete stilte op de boomen, en Pallieter lag onder een aalbeziënstruik te slapen.
De hof was licht en stil. De kiekens lagen in het zand en de twee ganzen stonden nevenseen door de haag te gluren.
Er was een voortdurend gegons in en rond de bieënkorven, en van uit de keuken kwam de gedompte stem van Charlot, die kerkliedjes zong.
De bloemen stonden beweegloos in hunnen reuk en het water van de Nethe was schelblinkend als de rug van een visch.
De beemden sjirpten en de molens draaiden niet....
't Was de reuk van koffie en gebakken haring die Pallieter deed wakker worden, en al geeuwend riep hij: "Heb dank, o Heer, die man oegen ope doe om neif plezier veur manne mond!"....
't Waren vette haringen, wit lijk zilver, met een echten smaak van vleesch, en als hij ze binnen had, zong hij:
"Alle visse zwumme, "alle visse zwumme, "b'halve die gebakken zijn...."
"Bruur," kloeg Charlot, "er is gin botermelk oep de Waterschrans...."
"Got er halen nor boerken Aap!...
"Wa peisde wel," valt ze kwaad uit, "zoe'n dik mensch alleen, zoo ver me zoe'ne zware stoop, in zoo'n heette late gaan! Mor zadde ni beschomt?"
"Willik meegaan?" vroeg Pallieter pinkend.
"Kunde allien ni gaan?"
"Om ginne woroem, meske!"
"'k Zal 't ontijve!" zei Charlot. "Wacht mor tot da ge mij is noodig 'et!" en ondertusschen stak ze door nen koperen melkstoop een mispelaar. En samen gingen ze langs het achterpoortje van den hof de klare velden in.
De wegen waren wit in de zon, en de lucht hing vol hommelengegons, lijk het uitsterven van groote klokken.
Zij namen de kortste binnenweggekes en voor elken steenen kapelleken maakte Charlot een kruis, en daar waar de kersen wat laag over de haag hongen plukte Pallieter ze af, en deelde met Charlot. De zon scheen door hun kleeren heen op hun dikke buik, en het kersensap verkoelde hunne darmen.
Ze moesten ievers over een grachtje springen, doch Charlot durfde niet en vroeg:
"Zet er mij is over, bruur!"
"Dan valle w'er samen in! Maar doet â kousen uit en baad er deur, ik zal oe 'n hand geve!"
"Watte! ikke dor deurgaan! Het water komt zeker tot on man knieë!"
"Allez toe! wat is da' na' da'k oe knieschijf is zien!"
"Noet of van zelêve ni!" en ze keek langsheen de beek of ze nergens wat smaller werd.
"Allez toe, meske, zievert ni!" maande Pallieter.
"Draaid-oe dan om, dagge ma' ni' zie," zei ze gebiedend.
Pallieter keerde zich om, en hij hoorde Charlot heur kousen uitdoen, heur rokken opheffen en voorzichtig in het waterken gaan. En als hij wist dat ze omtrent in 't midden was, draaide hij zich plots om, zag haar witte, dikke billen, en schoot in eenen luiden lach.
Charlot wist van 't verschieten niet wat doen, sloeg met de gauwte haar rokken naar omneêr zoodat ze seffens mestnat waren, en liep dan lijk een bezetene terug uit de beek. En dan begon zij Pallieter uit te schelden voor aap, ballonnekeskop, lange vrijdag, schijnheiligen duuvel, tot ze geen asem meer kon scheppen. En Pallieter stond op den overkant te lachen dat hij rood zag lijk een kers.
"Neeë," riep Charlot, "ik gon nog liever vroem nor huis dan hier deur te gaan!" en ze trok een gezicht, als wilde ze gaan weenen.
"Ni schrieve, Charlot; kom ik zal er oe overzette!" En meteen wipte hij over de beek, nam de kwade Charlot in zijn armen en droeg haar met veel moeite door het waterken. Hij brak er bijna onder, en zij omklemde hem, met in iedere hand een kous, drukte haar hoofd tegen het zijne, en prevelde luidop eenige schietgebedekens. De schrik lag te pakken in haar oogen.
"Ziedaar, geloovig vliespaleis," zei Pallieter haar neêrzettend.
Charlot bleef kwaad, en sprak onder 't gaan geen half woord meer.
Pallieter zag naar de schoone landen, en smoorde een groote, houten pijp. De lucht was stil lijk een vijver, en de smoor ging recht naar omhoog. Er hing een sperwer heel hoog aan den hemel, waarin drie kleine wolkskes dreven.
Pallieter zag Charlot koppen en zei:
"Ge mut dezen avond is nor Marieke schrijve dat ze na komt."
"Och ja!" riep ze luid van overmatige vreugde, "wa zal da plizant zijn!" En heel den weg lang hield ze haren mond geen Ave Maria meer stil.
Ze dronken op de hoeve een pint, en gingen terug, doch langs eenen anderen kant, terwille van de beek.
Het wit licht van de zon was nu verguld, en de schaduwen waren eens zoo lang geworden. Héél de lucht was veranderd in een "schaapkesmerkt", allemaal kleine witte wolkskes tegeneen gedrumd. Het zakkend licht raakte ze, en ze werden roos lijk pasgeboren kinderen. Voorbij een boschken openden zich de verten van de sappige weiden. En God! de weiden waren lijk vuur en vlam.
"Charlot, scheid eruit van Marieken!" riep Pallieter. "De zurkel brandt! De zurkel brandt!"
Elk blad van den verschgeschoten zurkel slurpte een lek op van het zonnelicht, elk blad brandde ervan, héél de wereld brandde ervan!
Pallieter stond bijna te rillen op zijn beenen van bewondering en hij zei:
"Artiste mè en zonder haar, komt allemol zien, en goeit alle gal en botermelk in de stoof!"
Het was lijk brandend water; er was nog licht in het licht, 't was als geest in geest, als iets dat niet meer van de aarde was.
"Komt voort," zei Charlot, "wat is er nij on roeë zurkel te zien!"
"Wacht toetda 't gedaan is!" en Pallieter roerde niet meer.
"Dan geun 'k allien voert," zei Charlot en kwaadweg nam ze den stoop aan den arm, en scheefgebogen door 't botermelkgewicht ging ze de kronkelende wegelkes in....
De aarde draaide vóór de zon, en als er in het Westen nog wat vlammen hadden geflakkerd, hing het Oosten al vol blauwe duisternissen met één witte ster.
Toen ging Pallieter voort.
De avond vulde de lucht. De boomen stonden zwart en stil, en de eene ster na de andere sprong te voorschijn in het blauw. Pallieter zijn hart ging open voor den vrede van het land. En zoo stil lijk het was rond hem, was het in zijn hart.