Part 2
Loebas baste van vreugd, en liep met korte, rappe stapkens. Zij rolden over de tempelachtige Begijnenvest en een endeke door het zuivere stadje, dat op dit uur vol zonneschijn en stilte lag, met het geklang van twee kasseiers.
Als zij op den bleeken steenweg kwamen, die met ronde bochten door de schoone velden draaide, dan verlengde Loebas zijn voorste pooten, en liep zoo hevig dat het karretje er op zij van slingerde, en knetste en bonkte op de bulten der kasseien.
Pallieter daar op zijn hukken ingezeten, had er danig plezier van en kletste met de zweep, dat het helder ver klonk over de geruste middagvelden.
Er vlogen duiven, en er groeiden veel madeliefkens in het jonge gers der beken. Het rook er naar boter....
Als de zakken betaald en geladen waren, riep Pallieter naar Fransoo, die boven in den houten molen zijn schilderkamer had. Uit het ronde vensterken kwam er seffens een roode, vette kop, die lachend riep "ik koom!"
Beiden gingen in "'t Plakleerken" een glas bier drinken.
Fransoo was in zijn hemdsmouwen, die tot boven de ellebogen opgerold waren, en zijn dikke bloote armen waren vol verfkladden, tot zelfs op zijn neus was een blauwe vlek.
"'t Plakleerken" was een oude afspanning, aan den voet van den meulenberg. Twaalf platte linden belommerden nevenseen de lange witte gevel. In de koelte van die boomen zat de jonge graaf van Dendersteen met een oude heer een pint te drinken.
Pallieter zette zich met Fransoo daarnevens en bestelde twee pinten dobbele gersten aan de oude deftige bazin, die nog struisch was lijk een boom. Zij droeg een kanten kap, een bril en lange gouden bellen. Ze bracht het bier op een tinnen schenkbord, en maar juist had ze zich omgedraaid of ze waren leeg, en Fransoo vroeg er twee met Faro in.
Loebas kreeg een emmer water en lei zich hijgend op den grond. Het was hier waarlijk een schoon gezicht. De velden en weiden zakten langzaam naar de Nethe, en daarover, klaar in de zon, lag "De Reinaert" van Pallieter, 't Begijnhof en de groote velden.
Fransoo vertelde van zijn vaders peerden en koeien, die ginder lijk witte en bruine paddestoelen in den beemd aan 't grazen waren. Daarna luisterden zij naar den verwaanden graaf, die luid riep, opdat zij het zouden hooren, pochte op zijn groot omliggend grondgebied.
"Zuukte nog grond bij te koepe?" vroeg Fransoo.
En de jonge graaf snauwde hem in 't gezicht. "Daar is niets van gekocht; daar hebben mijn voorouders voor gevochten!"
"Als 't ni mier is!" riep Pallieter, "wille w' er dan ook is veur vichte?"
De graaf stond op bezag hem kwaad van kop tot teen, en vroeg uitdagend: "Spot gij met mijn voorgeslacht?"
"En mè ij!" zei Pallieter.
"O mijn eer!" kreet de jonge edelman. "Ik moet voldoening hebben. Ik daag u uit!" en een zijner geglansde handschoenen in Pallieters lachend gezicht kletsend, siste hij "Welke wapens kiest ge?"
"Het kanon," zei Pallieter ernstig.
"Hoe?... wat?... Hoe wilt ge?..." vroeg de graaf verbluft.
"Zoe!" riep Pallieter, en met een kattenrapte, zette hij den graaf in gebogen houding naar het huis, en vóór deze zich had opgericht, hief Pallieter het rechterbeen op, riep "Vlam!" en liet een grooten wind.
Tafels vielen, pinten braken, en Fransoo viel van het lachen op den grond.
De graaf sprong kressend op als waarlijk getroffen, wilde met zijne karwats Pallieter te lijf, maar Bruur vloog haastig lijk een bieken in zijn hondenkarretje, riep "dju!" en ginder rolde hij over den kasseien weg, en moest de handen op den buik duwen om van het danig lachen niet open te scheuren.
EEN MEIAVOND
Als Pallieter koffie had gedronken met rhubarberspijzen-boterhammen, ging hij een stuk van zijnen hof bebeeren, om er nadien schorseneelen, postelein en bloemkooltjes op te planten. Hij schepte den drek uit het gemak in een beervat dat hij op een kruiwagen naar den omgeschupten grond voerde. Daar zwierde hij hem in breede geuten over den grond dat seffens heel de lucht er naar rook.
Charlot deed de deur toe.
"Die heèt deur wierroek en kèesriet eurre neus bedeurreve...." riep Pallieter haar nog toe.
Als de aarde goed doordrenkt was, wreef hij verheugd in zijn handen en zei:
"Zoe bestaan ik toch veur iet: wat de natuur ma' geft, geef ik heur vroem. Iet veur iet en niks veur niet."
Hij waschte zijn handen en ging aan de deur een pijp zitten smoren en zag het spel der vele kinderen na. Er kwamen eenige mannekens vragen:
"Menhierke, vertelt nog is iet...."
En Pallieter vertelde van de zeven kaboutermannekes en de put met de gevangene prinses. Zij luisterden de ooren van hunnen kop, en daar kwamen maar aaneen toe kinderen bij, die drongen om van vóór te staan.
Als het verken kwam met den langen snuit vroegen ze allen gelijk:
"Vertelt er nog is ein ..." en ze noemden ondereen op: "Van de waterkleudde, van de Zot nor Rome, van het Zilveren kruiske, het Haantje van den tore" en 'nen heelen hoop keldergatvertellingen.
"Neeë, mannekes," zei Pallieter, "oep nen andere kier."
Hij wilde opstaan, maar ze sloegen hun armkes rond zijn beenen en trokken aan zijn frak.
"Arrè dan!" zei hij en wierp eenige koperen centen in den grabbel. Op 'ne weerlicht lagen de kinderen op 'nen hoop te zoeken en te wroeten achter 't geld.
Pallieter ging zijn bootje losmaken om te varen.
Hij roeide tegen tij in tot voorbij het Hofken van Ringen, zoodat hij ervan zweette. Daar gekomen liet hij zich tij-mêe weerom drijven, stak zijn pijp aan, en genoot zoo van den zuuten avond, die neerkwam op het wijde land.
Het licht van de zakkende zon vloeide lijk goud over de wereld, 't spoelde uit de lucht, dreef over de velden, lekte van de boomen, plakte op de stammen en verguldde de witte koeien en de witte gevelen der huizekes waarvan de ruiten gensterden.
Het water was drijvend goud. Daar was geen wolkske. Vleermuizekes trilden zwart op het verdonkerend blauw, waarin twee sterren schenen en dunne nevelen kwamen op het water, stegen over het lisch en de waterbloemen en schoven over den dijk de beemden in, die geurden.
En in die heilige stilte van den avond kwam de gele maan omhoog, en tampte van heel ver het klaar begijnhofkloksken los.
Toen liep Pallieter zijn hert over. Het was té schoon om te zwijgen, hij moest den diepen vrede, het zuute avondgevoel met woorden tot zijn eigen kunnen zeggen. En hij zei:
"'t Pardoent, en op de klokke slaat Gods Engel in een wolkgewaad. Ave Maria! 't Pardoent, en 't vleeschgeworden Woord bij arme liên te huis behoort. Ave Maria! ..."
En hij liet zich zoo maar voortdrijven door de nevelen en den avondreuk.
Als hij aan kant wilde stappen bleef hij recht in het schuitje staan, luisterend naar een verren herder die toette op zijn horen.
En daar was een traan in zijn oogen.
* * * * *
Toen is Pallieter in het porcelijnen-lamplicht aan 't lezen gegaan in den ouden perkamenten boek:
"Hoe men yut de differente planten ende bloemen ende alre kruydekens, salfkens ende pappekens ende olijen weet te maken voor 't genesen van allerhande brand-ende snijwonden ende kwetsuren ende alsook van al de deelen des menscheliken lichaems".
Zoo wist hij wat hij thans plukken en gereed maken kon om de boeren, de begijntjes en de arme menschen en iedereen te kunnen genezen.
Van tijd tot tijd zag hij eens door het venster naar de maan.
Om half tien deed hij het venster toe, blies de lamp uit en ging naar boven om te slapen.
Charlot was op haar kamer nog half hardop gebeden aan 't zeggen.
Hij stond reeds in zijn hemd en gereed om in 't bed te trappen, maar hij ging nog eens door het venster zien naar buiten waar het vol nevel en maneschijn lag.
De avond was kalm lijk fijn olie.
"'t Is zonde nij te slape," zei Pallieter, en hij bleef met zijn ellebogen op den vensterrichel geleund in den nacht zitten zien. De meidoorn rook in den lichten nacht als een bedwelming.
Daar floot weer die jonge nachtegaal.
Pallieter beluisterde zijn gezang. Het waren eerst lange, stille trekken, zoo fijn als een naald: dan werden het klaardere, breede klanken met een diepe, volle waterslag erin, en ineens brak het klimmend gefluit in rollende broebelingskens uiteen. En de stilte van den nacht die tusschen elke herhaling leefde, was als een deel van het aandoenlijk fluiten dat altijd-aan maar schooner en schooner wierd.
Pallieter kreeg er een keuteling van in zijn lijf en de quintessencie van zijn woelige blijdschap moest uitgeklonken worden.
Hij zocht zijn harmonica, zette zich op 'n stoel voor het venster en zóó, in zijn koel hemd, speelde hij een machtig lied vol zwaarstappende akkoorden, dressen van hooge noten en gedans van heldere middentonen.
't Wemelde ondereen tot een blijde marsch, die vèrweg klonk over de maanbeschenen landen van den geurenden nacht.
En dan eerst trapte hij in zijn bed en deed gerust zijn oogen toe.
DE HOF, EN DE BRIEF VAN CHARLOT
Het smakelijke groen, dat de malsche Mei zoo zot uit de boomen had geklopt, was open gevouwen en overdekte nu het aanschijn van de wereld.
De beemden waren één bloem en de reuken van kruidnagel, lisch en peterselie wandelden ondereen bij nacht en dage door de lucht, 't Was om er bij in slaap te vallen lijk een slang door zoet muziek ...
Wie had het in den witten winter kunnen denken, dat er in die kale, harde aarde en die bloote, zwarte boomen zulke macht van hartverheugend leven zat bijeengekoekt?
Pallieter zat in den hof het jonge groen te zuiveren. De grond was malsch lijk boter en blonk van vettigheid. De zon kwam lijk een warme adem op Pallieter zijn wit hemd, en het deed hem zoo'n deugd dat hij er zijnen rug van ronddraaide, en hij zong.
Bij wijlen bleef hij een heelen tijd naar de riekende weelde van den hof zitten zien, en hij had nog oogen bij gewild, want er was meer schoonheid dan hij zag.
De boomen waren breed en vol, en 't licht dat rond de stammen hing was groen lijk maneschijn; er stonden al veel bloemen uit, en witte en roode rozen.
Een dauwdruppel schitterde op een zwarte pensée.
En in dat groene waterlicht speelde 't gefluit van een merel. Hij zat in den bloeienden kastanjelaar, van binnen in de schaduw. In die frissche eenzaamheid haalde hij zijn hert eens deugdelijk op, en 't rilde en 't sleep uit zijn keel een helderklinkend lied. Het klonk lijk in een kerk. Er lag een heiligheid in.
"Dor moet oep gedroenke weurre," zie Pallieter in zijn eigen, en hij riep met de hand aan den mond: "Pastoerswijn, Pastoerswijn!" Hij at een handsvol erwten.
Een beetje daarna kwam Charlot met een dikbuikig halve-liter kruikske en een fijn kristallen roomer. Hij rook aan de pasontkurkte kruik, deed er zijn mond van open en zijn oogen van toe, en schonk in. Een zonnepriem schoot door het glas en vergulde den blonden klaren wijn.
Als Pallieter hem met trage zeupkens had uitgezogen, klopte hij met den duimnagel tegen het kristal en een volle ronde klank sprong in de lucht en singelde zich langzaam uit.
Charlot schonk voor haar ook in, en Pallieter zag dan eerst de inktvlekken op haar rood gezicht.
"Woroem ziede zoe zwert?"
"Wel," zei Charlot, "ik ben nen brief on't schrijve oem nor de kèrmis te kome. Mor 'k hem gedoecht," voegde z'er rap bij, "van Marieke, ma petekind, oek te verzuuke, mag ek?..."
"Als ze goe kan ete," zei Pallieter, "lot ze dan mar kome, 'k wil da dink ook is zien ..."
"Och 't is zoe schoe meske," zei Charlot vol bewondering, "en brijf gelak 'nen engel. Ze kan nog gin vlieg kwa doen, lot goe staan on ne mensch. Als z'er ieste kommune dêe ..."
"Ja, ja, dat hem 'k al honderd kiere g'hoord," zei Pallieter, "zegt da ze meê komt, mè ne lêegen buik en mè ne groeten hoenger ..."
"'k Zal 't zegge," zei Charlot en ze ging weg. En Pallieter dronk het stoopke leêg.
Hij wilde voortwerken maar daar werd zijn oog op zij getrokken door een vinnig licht. Hij zag op, en 't was een schip met overgroot wit zeil dat heel den hemel besloeg. De zon kletterde er op en de mollige wind deed het zwellen.
Pallieter stond op en leunde over de haag om het beter te zien.
De anijsreuk die van de hagedoornrozekes in zijnen neus kwam, deed hem het schip vergeten. Maar de jongen, die het roer hield toette ineens op een horen; de klanken droegen ver over het land en vielen, na een kleine stilte, aan den blauwen horizon uiteen.
Het zeil schoof weg en daar had hij vóór zich het verre Netheland vol aangename diepten. Het lag daar, lichtgroen, wijd en klaar van het malsche licht dat uit de diepe luchten vloeide. De hemel was van dat zuiver Lievevrouwenblauw, en nevens de aarde schoven hooge gele, vette wolken, van boven wit verlicht, lijk sneeuw. De Nethe was nog dieper blauw, en kalm lijk fijn olie.
De molens draaiden langzaam rond, en de verre huizekens blikten wit en rood.
De overtollige boter-, pis en peerdebloemen in de weiden waren als levende plassen boter en melk. Een ganzendriehoek in de lucht, en uit het blauwe bosch het lachen van een ekster.
"Oh," zei Pallieter, "er kome nog ballonnekes in te keurt."
En wat deed hij, "den Bruur"? Hij haalde een koffiekom, maakte er met groene zeep en regenwater een zoppeken in, zocht de zuiverste pijp en zette zich weerom aan de haag. Met de pijp blaasde hij in het water, hard en lang, tot er babbelend een toren van opeengestapelde zeepbellen was uit opgerezen. Hij vatte een van de broze belletjes in zijn pijpekop, blies voorzichtig in den steel en zie een zilveren blaas ontbolde zich uit de pijp. In 't grooter worden kwamen er meteen fijne groene, roode, purpele en gouden kleuren in zwemmen, die dooreenliepen, rezen en daalden en in elkaar versmolten. Pallieter stond er van verpaft en zag er zijn eigen beeld, zijn huis en heel het landschap in.
"'t Is precies of da'k man ziel uitblaas," zei hij.
En als ze twee kinderkoppen groot was, zwaar wegend van de koleuren, loste hij ze met een klein schokje van de pijp en zie de ijle bel steeg langzaam in de blauwe lucht.
"Wad e schoen dinge, 't is zonde da' k da' ni on man plafon kan hange!"
En hij maakte er nog grootere, kleinere en heel klein en allen dreven ze, als fier over zich zelven, kalm naar omhoog.
Ze teekenden zich goud, of rood of groen af tegen de hemelblauwte en hongen daar te zweven nog schooner dan de sterren in den nacht.
Er gingen er heel hoog, anderen zakten neer op den grond, barstten kapot tegen een boom, maar de meesten brak de zon vaneen.
Petrus, de ooiëvaar, stond van op het dak met den bek in de pluimen, peinzend het spel na te zien. Pallieter zag het, en poogde blazen naar den vogel te doen drijven.
Het ging, maar hij liet ze gerust voorbij gaan. Doch een, die hem te dicht bijkwam,--'t was juist een gouden--purpele--sloeg hij met zijn rooden bek te niet.
"Bravo Peterus!" riep Pallieter, "ge kregt strak e stukske vliesch!" En hij maakte voort blazen, want hij kreeg niet genoeg van de hemelsche verven.
Terwijl hij daar bezig was, kwam er een magere, gele man voorbij, lezend in een dikken boek. Hij was filosoof, theoloog, historicus, natuurvorscher enz.
"Och," riep Pallieter, die hem kende, "hoe kunde nij nog nor snie zuuke van passeerde jaar, als de zon dor zoo schoen te schijnen hangt!"
"De zon gaat mij niet aan," zei de geleerde. "Ze schijnt altijd, ik zoek het wereldsysteem."
"Gij wilt ne scheet in e vogelekeveke gevange zette!" zei Pallieter, en kwaad ging de filozoof verder, lezend in zijn dikken boek.
Maar er ging een geritsel en beweeg onder de breede savooienblaren, en daar kwam, geel en zwart, de schildpad onderuit gekropen.
"Ei! Fille," zei Pallieter, "'k hem oe in twie dage ni mier gezien! Hoe is 't?... Kom is hier."
Fille, de schildpad, kwam, en Pallieter klopte met zijnen kneukel op haar blinkende schelp. Ze bezag hem. Hij nam ze in zijn armen en met haren drogen harden kop wreef ze heen en weer over zijn kaken.
"Gij goe stoem biestje," zei Pallieter haar neerzettend, "hier zie, da's veur ij...." En hij vong met de hand een van de honderd zonvliegen, die op de fijne lucht hingen te brommen, en stak ze in de schildpad haren bek.
Daar luidde het noeneklokske zilver gonzend uit het begijnhoftoreken en Charlot kwam uit de keuken, roepend met blijdschap:
"Hij is af!... ik zal hem is veurléze!..."
Ze zette zich vóór Pallieter, die, op zijn knieën gezeten, luisterde. Een veeg zon schoof over haar rood slaaplijf en haren blauwen voorschoot. Een inktplak liep van haren neus naar de onderste lip, en er bibberde een zonneke op haar linker oog, dat ze daarom toedeed. En alzoo las ze van het wit papier:
"_Beste Nonkel Hanrie_".
"Ik neem de pen in de hant oem oe den staat van mijn gezondheit te late wete en ik hoop van ellen hetzelfde. 't Is e zondag acht dage kèrremis en onze menhier Pallieter zij gèren emme dagge nor de fiest kwaamt lak passeerde jaar oem te smullen en te smeere. Hij hei gezeit dagget on man hiel familie mor moet zegge, want anders mut ekik te veul brieve schrijve. Komt mor met de vapeur, oem 't zelfden uur as passeerde jaar. Onzen baas zal me kar en peerd on de stasie staan oem de wijven oep te luië; de mannemense moette mor te voet gaan. De smet van on de Nethe zal e joenk vèrke doet doen oem oep t'ete, want gelak ge wet, onzen baas doe gin bieste doet, nog ginne pier. Da kan em ni over zan hert krijge, zeètem, mor a et ze toch oep. Hij wilt zelf gin biesten in huis hijve, en ik zij geren ne kaneurrevogel hemme, mor a wilt er vor den duuvel ni van wete. Ze moette vliege, zeètem. Ik hem al e schoe keveke gekocht van vier frank, mor onzen baas zeè van er mor nen blekken kaneurrevogel in te zette. De joenge patatten en d'eèrte zullen er in abondanse zijn en oek de jeèrbeze."
"De meid van den pastoor van 't Beggijnhof heèd e nief medikement verzonne oem appelkokketoerte te make. Ik zal er zoe is ien make. In ie woort, dor zal niks te keurt zijn. Mor leusterd: onzen baas heè gezeè dagge ma petekind Marieke sito, sito mut meebrenge, want dattem anders oep zanne poet zal spele. Ik geloef da 'k nij niks ni mier te zeggen hem, dan veul komplemente on Marieke en da'ze goe veur mij mut leze. In d' hoop dagge dan allemaal zult kome, schrijf ik met de pen en met het hart."
"CHARLOT BELLEKENS."
"Pé, Sé--Seffes as 't doenker is zal onzen baas ballonnekes aansteke, en e groet vierwerk make."
"CHARLOT BELLEKENS."
En als 't gedaan was met lezen liepen er twee vette tranen over hare roode wangen en ze zei seffens daarop met een krop in haar keel: "Kom ete."
HET VOGELENBEZOEK
Na het eten deed Pallieter klimsporen rond de beenen, nam een leerken op zijn schouder en trok de velden in om eens te zien hoe het met de eieren en de jonge vogelen stond. Hij deed bijna boom vóór boom, zette het leerken tegen de strunken om in de holten te zien, of klom met een kattenrapte in de toppen van de boomen.
Hij zag alzoo de roze, groen-en zwartbespikkelde eikes in de donkere nesten glimmen, hij telde ze, en had er deugd van, ze eens met lichten vinger te kunnen bestreelen.
Maar het langst kon hij blijven stilstaan voor een nest met platte jongen, die met hun gulzige bekken wijd open lagen te schreeuwen naar eten.
De velden lagen in den vrede van den noen. Er waren weinig boeren op het land. 't Was alleen de zon, in den fijnbewolkten hemel, die het groote werk deed. Ze warmde door en door de vette groenigheden.
De peekens zwollen ervan in den grond en het groen-blauwe koren ging er zichtbaar bij omhoog.
De verten waren zuiver lijk op gothieke schilderijen. En Bruur beklom nog vele boomen, sprak met een boer of boerenmeid, zat het veld te bezien, dronk zijn dorst af aan de beken en zoo was hij al 'n heele tap gegaan, en zijn maag keerde om van den danigen honger.
Hij meende naar huis te gaan maar daar zag hij ineens, gansch alleen op het bolle van de wijde streek een slanke populier torenhoog in de lucht rijzen, met erachter een ontzaggelijke Hollandsche witte wolk. Dáár wilde hij eerst nog op! Als hij maar hoog en gevaarlijk kost klimmen, dan was hij in zijn element. In een ommezien zat hij in den kruin.
God van de zee! Wat was de wereld paradijsschoon van daarboven! 't Was alsof de aarde heur hert had open gedaan! Uren ver strekte het vruchtbaar land onder hem zich uit. Hij zag wel twintig kerktorens en ik weet niet hoeveel hoeven langs alle kanten liggen. Alle dorpen hadden molens, en de roode daken en witte geveltjes lagen als fijne perelen van koraal en oesters in de kostelijke weelde van al die verschillende groenen van bosschen, beemden en gevierkante velden.
Zwarte treinen reden heel ver met 'n lange witte wolk achteraan, langzaam in de wijdte. Gezeilde schepen schoven op de Nethe die glinsterend, in rustige bochten, den eenen horizont met den andere verbond. En groot stond de hemel daarover, vijf keeren zoo hoog, en de zon vulde de aardkom met heur overheerlijk licht.
Alles scheen zoo klein en zuiver als een stuk nieuw speelgoed en Pallieter zei:
"Van hier gezien is de mens nog gin pijp toebak weerd!..."
Hij zat daar hoog en droog, als 'n reus, die baas was van dat land. En er kwam tot z'n groote vreugde, 'n wind het sop van den populier bewiegen. Pallieter touterde mee en 't was alsof hij op een wolk waaide naar een ander land. Zonder dat hij 't zelf wist galmde er uit zijn keel een machtig lied dat tot tegen den hemel klonk.
't Was hier te schoon om naar beneden te gaan. Maar 't witte licht vergulde, en de zon wierd grooter en grooter, en rood. Het rood jubelde de wolken in en rolde over de wereld.
En achter verre blauwe bosschen zakte de zon in een chaos van rustige, helverlichte reuzenwolken. De schaduwen schoten lang uit en namen de klaarte weg. Beneden was de wereld in de schemering, maar op Pallieter plakte het zonnegoud nog lijk rood papier. Hij had zijn eigen willen bestreelen.
Heel ver zag hij twee reigers zweven. Zijn oogen verlieten ze niet, want ze waren grootsch in den wassenden avond. Hij volgde mee de groote lijn die ze met wakken vleugelslag door de toesluitende avondlucht trokken. Soms bleven ze, 'n heelen tijd, met wijduitgestrekten vleugel en schoven dan roerloos voort op het donkerende blauw. Ze waren vol mysterie en gaven een diepen indruk. En even roerloos en zwijgend als ze gekomen waren verdwenen ze in de purperen schemering van den tegenover gestelden einder.
Als ze weg waren was er als iets van hunne ziel in de lucht gebleven. De zonnetriomf was uitgestorven; er flakkerde ten westen nog een vage klaarte en in het veld brandde ievers een lichtje.
Dat was de avond.
Toen daalde Pallieter af, en ging met de gauwte naar huis want zijn beer grolde in zijn lijf. Maar hij zweeg, want hij was aangedaan tot in het klokhuis van zijn ziel.
'S ZATERDAGS VOOR DE KERMIS
De zon werd grooter en vlamde de hemel in een rijkelijk blauw.
De weelderige boomen waren eens zoo groot geworden en de Nethedijken de helft verhoogd van het lisch, het riet, de smeerwortel en de witte kervels. Het gers der beemden kwam boven de knieën en de duizend vette kruiden wasten ondereen tusschen honderd verschillende bloemen. Zurkel, suikerij, vergeet-mij-nietjes, peerdepoot, wilde klaverpluskes enz., eenen heelen boek.
En den eenen dag tegen den andere veranderden zij van uitzicht. Nu eens was geel de hoofdkleur, dan purper, dan roos en dan weer groen, al naar gelang den groei der kruiden en der bloemen.
En dat was 'n blijdschap voor 't gezicht, en 'n wellust voor den neus.
De beken waren toe van 't groen, en het graan kwam boven de koppen der boeren.
De bosschen waren als bergen. En terwijl de zon daarbuiten de kroon bereidde van het jaar, dat zijn de zoete vruchten, waren de menschen in en rond hun huis alles gereed aan 't maken voor de kermis.
Deze nu viel juist op Sinksen, het feest van God den Heiligen Geest.
En bij Pallieter stoof het er!
Charlot haar hert was maar een boon groot van blijverwachten, want de schoone Begijnhofprocessie zou haren grooten ronde doen door het hof en over de Begijnenvest, ze zou er mêe ingaan en alzoo veel aflaten voor zichzelven en de zieltjes verdienen. Een zoete lach krulde gedurig om haren mond.