Part 13
Heel die woelige Meertsche hemel stond in zijn oogen. Het waren zotte wolken, die telkens van vorm verwisselden en veranderden, en alle minuten het aanschijn des hemels vernieuwden. Ginder boven klompte er zich een donkere massa blokwolken bijeen, loodblauw en zwanger van hagel en regen. Ze stuurde voorbij de zon, alles meesleepend op haar trotsche vaart, maar ze stootte tegen een reusachtig witten wolkenberg, brak kapot, werd verscheurd en in bleekblauwe reepen getrokken, die dieper en dieper den hemel inklommen, en zich ten lest heel hoog tegen de lucht hadden geplakt in schuchtere, witte protwolkskes. Terwijl was er van achter de aarde een rozige bergketen gegroeid, die zich oprichtte langsheen den zuider horizon. Het waren roze rotsbergen, van boven tintelend wit als versche sneeuw en klaar afgeteekend op het heldere lievevrouwenblauw der lucht.
Verre dorpstorekens staken er op af. 't Was een Zwitsersch landschap, maar de toppen zwollen op, en torens werden de verre bergen, torens die rezen naar de zon, van boven zilver en goud, en van onder aschgrauw, purper en bruin. Wolkenkathedralen met vensters, gangen en nissen; Walhalla's! Maar éér men er aan dacht vlokten ze uiteen in wattige brokken, zakten, vouwden ineen en regenden ginder uit over het heldere, bezonde land.
Eén ontzaggelijke, witte wolk, sterk ineengestoken lijk een reusachtige bloemkool, kwam nu in den hemel. Die was baas en koning van de lucht. De volle zon botste er op, en tranen liepen uit Pallieters oogen van het danig licht-geweld. Ze troonde een tijd boven de aarde, maar vloten kwamen van alle kanten op haar aangestormd, oorlogsvloten, schepen met dikke buiken, wit en bruin, en zij overweldigden haar en zogen al haar zilver en sterke vormen op. Anderen bouwden zich er boven op, anderen weer dreven wild erover, en zoo ging het gedurig en aaneen. Bouwen en breken. En dat leefde allemaal, dat wroette en krioelde en stond geen minuutje stil. De blauwte diepte er fijn en innig tusschen en de zon, de Paaschzon! Want morgen zou het Paschen zijn! De verjongde, malsche, gezuiverde zon speelde dwaas en uitgelaten in dat wolkenspel, lijk een kind 's morgends in het witte bed. Ze schoot Mozesstralen, bracht zilver en goud op het purper en geel en wit, en sloeg vonken in de lucht. En wie er mee deed aan dit wolkenspel, dat waren de duiven, die, in kladden of alleen, hoog opstegen, zich uit de lucht lieten vallen, nu eens wit als papier waren op het donker purper, en dan weer als gouden vlokken rakend eenen Mozesstraal.
O, het wolkenspel! 't Is schoon genoeg om den eenzamen herder een heelen dag mee bezig te houden.
En daaronder lag de jonge wereld, groen en versch.
De dunne wind liep er over met de vlugge schaduw der wolken en het schelle licht der zon.
Zwart stonden de boomen, maar in de zon zag men ze overdekt met geelgroen gaas. 't Waren brekende botten!
Alleen was hier en daar reeds een appelkokkenboomken, dat lichtrood en roos te helderen stond in het rillende leven.
De Nethe was vol zilveren tinteling, en de schepen met witte, gezwollen zeilen.
Maar onvoorziens was het donker en grijs geworden, en klets! de regen en de hagel knetterden hard en dwaas op den grond en op Pallieters gezicht. Lachend sprong hij op en liep schuilen onder een houtmijt.
Van hier zag hij den molen draaien, en veel verder nog molens met roode wieken in het loopend zonlicht. Doch ineens schoot de zon er hier weer door en hing de hagel over de Begijnenbosschen, en boven den slanken molen spande er zich, op de donkere lucht, een helder stuk regenboog.
De hanen kraaiden klaar en hel, en onder de houtmijt rook het naar versche viooltjes.
"Veur Marieke!" riep hij. Hij begon te zoeken en daar, tusschen het korte nieuwe gers stonden ze, purper en nat, die lieve goevrijdagsbloemekes! Hij meende ze af te plukken, maar stond weer recht en zegde:
"Neeë, 't is te schoen, ik laat ze staan!"
Hij sprong over de beek en ging nevens de velden naar huis. Het leven herbegon, de lucht hing vol geuren en beloften, en er liepen rillingen van ontwakende frischheid over de wereld. Overal waar er een vinger gers groeide, stond er een koppel madeliefjes te blinken, en langs alle kanten dreste het zot gesjirp der musschen.
De goede, geurige velden lagen thans ontdaan van 's winters barrigheden. De grond was overal bewerkt, het onkruid eruit gehaald; hij was doorsneden en doorploegd, omgespit, verkneed en gewreven, en daar lagen de velden nu, heerlijk in verschillende bruinen gevierkant. Hier en daar stonden musschenschrikken met hoed, broek en frak te waaien in den wind. En het schoone werk der velden herbegon voor gansch een jaar. Hier en over de Nethe trokken witte en bruine peerden met fieren stap den ploeg door 't veld; de grond viel open in vette schellen. Het was vleesch, om er in te bijten. De zaaiers gingen grootsch lijk koningen over de velden weg en weer, het zaad strooiend in de aarde. Overal zag men ze, klein lijk vingers, over de Nethe, tusschen de boomen, onder den molen en nevens de Begijnenbosschen. Ze strooiden het edel zaad. Er woei wind om, en zon. Dat was de eerste zegen, en de gewillige aarde ontving het, was er gelukkig en dronken om, want weer kon ze in weelde gaan baren, al die millioen zaden hare kinderen maken, moeder zijn.... Vele boeren waren aan 't patatten planten, en daar keerden en gingen de beervaten en karren, over en weer, wijd verspreidend hunnen snellen reuk.
De sleutelbloemen leien hun goud nevens de sloten. Pallieter plukte een tuiltje ervan en stak het op zijn hoed.
De koeien waren terug in den beemd, en de zwaluwen in de lucht.
Aanhoudend kwamen wolkschaduwen van ginderver donker aangeloopen, achtervolgd van helle, natte zon.
Pallieter stond dat allemaal bewonderend aan te zien. Och, hij was zoo gelukkig om al die nieuwe heerlijkheid; om de zon en de wind, om de weerkomst van den uitkoom, het volle, open leven!
Och, 't was zoo schoon, zoo heilig en zoo goed! En toen zag hij juist een jager, die bukkend voortsloop naar een goudfezant.
"Verdoemd," zei Pallieter, en hij meende juist in zijn handen te kletsen om den vogel op te jagen, als de jager zijn hoed afviel. En toen kreeg Pallieter een aardig gedacht. Hij liep haastig naar den hoed, schoof er een versche koeientaart in, en zette hem schoonekens terug.
De vogel vloog op, en de jager werd gewaar dat hij zijn hoed verloren had. Hij zocht en vond hem en wilde hem opzetten, maar als hij zag wat er in was, sloeg hij hem tegen den grond en stampte er op lijk een razende zot, en zette vuisten naar de koeien. En Pallieter stond van achter een houtmijt alles af te zien en lachte zich bijna een breuk.
Als hij thuis kwam, met de bloemen verslapt op zijn hoed, wapperde de witte vlag ter eere van het goede weer, en Marieke had in den hof het fonteintje opengedraaid, dat na een heele winter wachtens, weer zilverig opspoot met een frissche, koele perelenpluim.
Charlot was met Marieke in den hof eieren en oranjeappelen aan 't verbergen, die de kinderen van Fransoo straks, als de klokken weerom zouden luiden, mochten komen zoeken.
Pallieter had gisteren al die eieren geschilderd. Er waren er van alle koleuren; bloedroode, botergele, blauwe, groene, anderen bespikkeld, gestreept, met krullen en bollen; er waren er bij met een haantjen op, met een manneken, een lachende zon, met bloemen en boomen. Alles om ter hevigst van kleur, en nu ze daar lagen in de struiken, op den grond, waren het als vreemde vruchten, ineens, bij een gril der zon, gegroeid.
Charlot was blij, dat het gedaan was, en zei met een zucht:
"Dormee is de Vaste gedaan en kome de klokke vroem."
"Ge zijt er toch ni mager van geweurre!" lachte Pallieter.
"'k Hem ma toch niks te verwijte," zei Charlot fier. "'k Hem mor iens per dag man gusting geëte!"
"Dan waard' ook iedere kier oem te berste!"
"Watte?" riep Charlot geërgerd. "As het te veul is da 'k hier nen boterham mier eet as gewoente, dan weur 'k liever beggentje, veul liever dan mee elle mee te gaan nor die vremde streke, wor menscheters en wilde bieste woene! Verstade da? Sloeker! Gulzigen beer!"
"Och kom," zei Marieke, "maakt oe nie kwaa, Pallieter zegt da veur te lache!"
"Dan ik oek!" zei Charlot kort en afgebeten, en ze ging in de keuken terug aan heur werk. De meid had nu haar kapelin afgedaan, en weer was heur klein haardotsken voor een heele zomer zichtbaar. Ze had splinternieuwe, zwerte, blinkende klonen aan, beschilderd met een gele vogel op een groenen tak.
Na een half kwartierken was ze het gekijf al vergeten, en stond ze te zingen van:
"Ik heb tot speelgenootje een katje nog zoo klein...."
Pallieter wandelde met Marieken den hof in.
"En deur dezen schoenen hof zal de Nethe recht gelijk nen regel gaan. 't Is toch spijtig!"
"Als ge geren nen hof hebt, dan kunde in ons deurp kome woene, dor is 't oek schoen en dor zitte we vrij in de hei en in de bossche!"
"Neeë," zei Pallieter, "'k heb e gevuul van ne vogel: 'k wil overal woene!--Ge gaat toch wel gere mee, eh vrijke?" vroeg hij teeder nadien. En zij sloeg hare groote oogen gelukkig tot hem op, lei heure armen rond zijn hals, en zei:
"As ik mor bij ij mag blijve, meugde ma meeneme nor 't ende van de wereld."
En zij drukten malkander een langen, innigen zoen op den mond.
Charlot riep haar, want de kinderen kwamen, en lachend huppelde Marieke hen tegemoet. Pallieter zag haar achterna, en zei: "'t Is mijn zieltje."
Maar daar floot een merel in den knottigen kastanjeboom, en vloog toen naar de vest. De vesteboomen waren bruin van de botten en hongen vol musschengeschetter. In den hof stonden de perelaars in bleeke knop, die elken dag kon openbreken; de pruimeboomekens lieten al wat roze zien, de perzikeboomen pronkten in lichtroode, weelderige bloem.
De grond, die verjongd was met om te spitten, had ginder reeds melksalaad gegeven, en al verschillige bloemen opengebroken; op het molenheuveltje vettige, vleezige hyacinthen, en rond het fonteintje hier en daar reeds een geurende vlier. De pasgesneden haag zag bleekgroen.
Pallieter verschoot van de snelheid waarmee het leven werkte. Het stond nooit stil, het groeide en bloeide allemaal en overal, het brak los uit den grond, uit de boomen en het water; het mos plakte zich op de steenen en de zwam op de boomen, 't eene op het andere, gulzig om te leven, en alles overweldigend in een roes van jonge liefde, en brandend om te koppelen en te bevruchten. 't Was het versche bloed dat opsloeg.
Een eenden-driehoek keerde hoog in de lucht terug uit de warme landen! En ineens sprongen overal, in stad, dorp en begijnenhof, de paaschklokken los en galmden en jubelden over de wereld der Verrijzenis van God en van het leven! Christus is opgestaan!
De klokken kwamen van Rome terug, en ze zwierden een regen van eieren over de wereld. Het land rook van een nieuwe ziel, de jonge Lente stond gereed in de boomen! Alles had knop en bot, het Leven jubelde over den Dood. 't Was de Verrijzenis, de levengevende Verrijzenis!
En toen, smeltend van ontroering, kuste Pallieter den grond.
DE KRUISEN EN DE ZEGENING DER VELDEN
Het weer was terug slecht geworden, heelder dagen mot-en plasregens, grijs, triestig en gesloten. Niettemin werkten de boomen neerstig voort, alleen op eigen kracht. Zij bloemden toch! en de eene na de andere boom hulde zich in bruidsgewaad, en de bloemen openden hunne lippen om al de weelde van hunnen reuk uit te spreken. De zalvende zon bleef weg, en in plaats van dat de bloei uit den grond lossprong, zot en wild overtollig, gulzig naar licht en leven, kroop hij er uit, langzaam en voorzichtig.
"'t Zal betere," zei Pallieter, "as de kruise zulle gaan." Want zij zijn het toch, de kruisen, die de poorten opendoen voor de schoone, vaste dagen en den grooten Zomer. Al het schoon weer dat vroeger komt is maar schijn en misleiding. En een ieder werkte voort, wist dat het niet anders kon, en wachtte geduldig naar de kruisen.
En juist vandaag, als de kruisen moesten gaan was er met den nieuwen dag een blijde, volle wind opgestaan, die dansend over de aarde vaarde en al de waterlagen uit den hemel joeg.
De Kruisen gingen. Pallieter en Charlot gingen mee. Pallieter reed achter de processie aan, op Beyaard, en overzag alzoo den stoet en het land. Ze kwamen nu in het volle veld. De wind sloeg de roode vanen vooruit, speelde en drukte in de rokken der vrouwen en der priesters, en wierpen het latijnsch gezang als zaad uiteen over het veld.
Heel de hemel was zilver, van verre witte opeengestapelde worstwolken, die langs alle windstreken rond de aarde wandelen. Het licht kwám van de wolken.
Het zaad barstte in de aarde.
En het klonk in het latijn, het waaide gebrokkeld over de bruine velden, over het schittergeel rapenzaad, langs roos-en-blank bloemende boomgaards en riekende hoven: "Uyt de diepten heb ik geroepen tot u, Heere! Laet uw ooren luisterend wezen naar de stemme mijns biddens. Is 't dat gij de boosheden gade slaet, Heere, Heere, wie zal 't verdragen?"
De roode misdienaars rinkelden de bel en zwaaiden den geurigen, blauwen wierook weg. De pastoor in gouden-purpel koorhemd, waarboven blinkend zijn kletskop, sprenkelde met grootsch gebaar het wijwater zegenend over heel de schoone groeiende streek.
De boeren en boerinnen hielden hunnen paternoster vast, en lazen halfluid voor hunne vruchten, de beesten en den grond.
Heel hun leven lag daar schamel en bloot onder Gods grooten hemel. Van den hemel hing het alles af. De Hemel vol dood en leven, kwaad en goed, vuur en ijs, hitte, zon en lavende waters.
En zij vroegen onderdanig, als tolk voor de sprakeloosheid van 't zaad, de boomen en de vruchten: "Heere verhoor mijn gebed met uwe ooren, neem mijn klagelijk bidden in uwe waarheid, verhoor mij in uwe rechtveerdigheid.... Want de vijand heeft mijn ziel vervolgd, hij heeft in de aarde mijn ziele vernederd." 't Was de smeeking van de vruchten en het zaad en de boomen na den langen winter, den vijand: "Hij heeft mij gesteld in donker, gelijk de dooden der wereld. Om uwen naam, Heere, zult Gij mij levend maken. Gij zult mijne ziel van de tribulatie uitleiden en mijne vijanden geheel vernielen. Gij zult vernielen allen die mijn ziel verdrukken; want ik ben uw dienaar!"
Het gebed der gewassen des velds! De wind danste over de aarde en nam de woorden op. Onze Lievevrouw en heel de lichtende rij van al de engelen en de heiligen, die den hemel verhelderden, die macht hebben om donders tegen te houden, wateren doen stil staan en wind te keeren, al de heiligen, maagden, martelaren, pausen, zondaren, apostelen en belijders, tot zelfs de duizende onnoozele kinderen, ze werden allemaal als wachters gesteld over de menschen, de hoornbeesten, en de vruchten en de boomen.
En herhaaldelijk klonk het melodisch van zware mannenstemmen "Ora pro nobis" en "Ora-Orate pro nobis".
Pallieter bad innig mee. Hij was vol licht en leven, 't Kraakte in hem van geestelijken wellust. Hij had willen vlaggen zwaaien en mede rollen in den wind.
Het bidden was hem te stil en hij verhief zijn stem en zong mee zoo luid hij kon met de Priesters: "De profundis clamavi ad te Domine!" En als de processie de velden was omgegaan en terugkeerde, reed hij voort het schoone landschap door.
Het was heerlijk al dat bloeiende wit op de boomen! "'t Is het zog der aarde dat omhoog komt en overloopt," zei Pallieter. "De zon zal er boter van make!" De groote, blijde wind zoefde door de lucht en bromde in de boomen. Hij schudde het peerd zijn manen en zijn steert, en rukte Pallieters klak van zijn kop, dat zij omhoog vloog lijk een vogel en in 't tintelende water van de Nethe viel.
Doch Pallieter zag niet om, hij reed maar voort, wild en dwaas, zonder teugel, om al het geweld van den jongmakenden wind over hem te laten gaan. Mannelijk genot! Ver gingen de kruisen, wit en rood, langs de blonde wegen, en overal sloegen de molens lijk de priesters kruisen over 't veld, en ginder wapperde de wind een boerenmeid haar rokken omhoog. De zon tuimelde ineens door de wolken en dat gaf een taal aan al de koleuren des velds, dat alles sprak en juichte!
"De kruise late elle al gevoele!" riep Pallieter....
En nog den eigensten avond was de wind gaan liggen, kwam er over het land een zoete zoelte, en begonnen de perelaren bedwelmend te geuren. De hemel was zuiver lijk kristal, de sterren schenen klaar in de maagdelijke versche blauwte, en laag aan de lucht hong het eerste sikkeltje van de rijpende maan.
Pallieter lag met Marieke nog door het venster hunner slaapkamer. Zij waren reeds half ontkleed om slapen te gaan, maar de goedheid van den nacht weerhield hen uit het bed.
Marieke hield haar hoofd gelegen op Pallieters schouder, en hij had zijnen arm om haar heupen.
Ze zwegen en luisterden naar een nachtegaal, die alleen in de verholenheid van een bloeienden kerseboom zijn gouden hart liet roeren. Maar daar, als niet opeens begonnen, klonk er van op het Begijnhof het diepgevoeld gestreel van een cello.
"'t Is de pastoor," zei Pallieter.
"Spijtig dat 't Begijnhof gesloten is," zei Marieke.
"Wacht," wedervoer hij verheugd, "we zullen er mè het schuitje henegaan. Kom!"
Ze kleedden zich haastig aan en gingen in het schuitje.
Langs het smalle Hemdsmouwken dreven ze het Begijnhof op.
Terwijl klonk almaardoor de zoete gemoedelijke stem van den gevoeligen cello.
Stil vaarden ze, en aan 's pastoors hof, die met planten-bekleed-traliewerk van het waterken gescheiden was, hielden ze stil en bleven rechtstaande in het schuitje luisteren.
De pastoor zat buiten, onder een bloeiende perelaar. In den donkeren zag men alleen zijn grooten kop en zijn bleeke handen. Hij speelde de diepe "Droomerij" van Schumann. Het was lijk een gebed. De pastoor bad met zijne muziek.
Als 't uit was bleef er een lange stilte, 't Was voor Pallieter zonde in deze geurige stilte zijn stem te laten spreken: maar hij liet een grooten vollen zucht, de pastoor zag op en vroeg: "Zijn er daar mensche?..."
"Ikke!" zei Pallieter.
"Oe komt dan algijkes binne!" en hij kwam gauw afgeloopen en opende het traliepoortje, dat slechts open ging als de meid moest water scheppen, "'t Was zoe goe werke," zei de pastoor, "en ik zit zoe mor wa te striele en te strijke; kom binne!"
"'k Hem 'n ander gedacht," zei Pallieter, "nemt oewe celle mee oep ons schuitje, en we zullen al spelend 'n toerke nor 't hof Van Ringe doen!"
"Aangenome," zei de pastoor en hij kwam met zijn speeltuig op het schuitje. Zij vaarden terug naar de Nethe, en als de open velden rond hen lagen, begon hij weer te spelen, terwijl Pallieter riemde en Marieke roeide.
De cello sprak; 't was innig lijk een zingende menschenstem, 't klonk lijk uit de waterdiepte omhoog, 't Droeg de ijlheid van den hemel en jongheid van de lente, 't Was Beethoven, Benoit, Wagner, Palestrina en Grieg. Zoo dreven ze schoon als in een droom over het water weg, en over het nachtelijke, stille land wandelde de galm van de heerlijkste muziek der aarde. 't Was alsof God zijn voeten op de wereld had gezet.
DE VRUCHTBAARHEID
De schoone, goede Mei had voor goed zijn glorie in de boomen gehangen, en zijn weelde neergestreken over den grond. De keizerlijke kastanjelaren, die zoo veelvuldig 't Netheland begroeiden, hadden op hun groenenden berg al hunne witte bloemen opgestoken. En in de veldkapellekens brandde, ter eere van Ons Lievevrouwken, menigvuldig keersken.
Marieke was met haar moeder, die afgekomen was om als baker te dienen, en met Charlot, alle dagen naar een dier kapellekens geweest om den gunstigen afloop, en swenst groeide de vrucht rap en enorm. Maar de dagen gingen voorbij en tegen einde Juni, met de nieuwe maan, kon men het verwachten.
Dien dag kwam Pallieter terug van onderwegen Duffel, waar hij bij een wagenmaker een huifwagen had gaan bestellen, waarmede hij de wereld zou intrekken als de kleine geboren was.
De Junizon gloriede in de blauwe lucht en schudde haar gulden haren over de weelderige landen.
Pallieter slenterde langs de Nethe.
Ach! de schoone rivier, die nu vrij en wispelturig bochtte door de vette velden en de koeienrijke weiden; die op haar dijken reuzige populieren en breede kanadas omhoogstak: die heerlijke, aangename Nethe zou nu in een koudrecht kanaal herschapen worden.
"O land! z' ontnemen oe oew kroen!" zuchtte Pallieter, "mijn hert schrieuwt in mijn lijf."
Doch uit de verte klonk herhaaldelijk blekken horen-getoet.
"Da's Charlot die blaast veur 't kinderbed!" juichte Pallieter, en hij trok zijn schoenen uit, en begost te loopen zoo hard hij maar kon. Het horengetoet bleef maar klinken, draaide van het oosten naar het westen, en 't wilde maar niet ophouden.
Pallieter spoedde zich des te meer. Hij vloekte omdat hij niet rapper kon; maar daar graasden twee peerden in de weide, op nen omzien was Pallieter op het verschrikte peerd gesprongen, en zich vasthoudend aan de manen, rende hij snel over veld en wei naar den Reynaert.
Toen Charlot Pallieter zag aankomen, liet ze den horen vallen, liep hem tegemoet en riep, bleek van alteratie: "Bruur, Bruur, 't is nen drijlink! twee jongens en ien meske! Ierst kwam...." Pallieter liet haar voortbabbelen en liep, gevolgd van de meid naar boven. Hij wierp de deur open, en daar op het bed, waarin Marieke, bleek, met traantjes in de oogen hem toelachte, lagen neveneen drie naakte, verkensroze kinderen te kraaien en te schreeuwen.
De zon door 't open venster bunselde er op en trilde lichtend in hun week vleezeken.
Pallieter stond eerst aan den grond genageld, hij kost zijn oogen niet gelooven, het overweldigde hem. De moeder van Marieke en Charlot wisten geen raad, de een klatste water, de ander wierp een emmer om en krabde in heur haar.
"Zijde tevrede?" vroeg Marieke.
En toen vloeide Pallieter zijn vreugde over, hij liep naar zijn jong vrouwken, gaf haar duizend kussen, en zei: "Abraham moet mij benije!" en dan riep hij uitgelaten tot Charlot: "Haalt bakels, peters, wiegen en suikerboene! De drij hemskindere zen gebore!"
"Ja, ja," riep de verwarde Charlot en zij liep naar beneden, maar was daar seffens weerom en riep vol haast: "zij rap, zij rap, de pastoer is dor! doe z'ieder algij een hemmeken aan."
"Ni, ni," zei de pastoor, die boven kwam, "'k wil ze zien lak da'ze God on Pallieter hee gegeve."
En de pastoor sloeg verwonderd zijn handen saam en hij keerde zich om tot Pallieter, en zei: "Gelukkigen druivelaar," en dan tot Marieke: "Meske, meske, God zied oe gere," hij drukte hun de handen, en de tranen schoten in zijn oogen.
"Doe zoo voort," zei hij.
"Da beloof ik oe!" riep Pallieter.
"Menier pastoor," zei Marieke verlegen en rood-wordend, "de kinderen mutte zuige...."
"Ja, ja," lachte de pastoor, "doe mor, wij hemme da ni mier noodig, hé Pallieter, wij zullen er oep gon drinke."
En terwijl zij beneden schuimwijn gingen genieten, haalde Marieke haar twee dikke, malsche borsten te voorschijn, en gaf de kostelijke moedermelk aan de twee Pallieterkens, terwijl het Pallieterinneke schreeuwen bleef....
En beneden zat Pallieter met den pastoor aan de zesde flesch schuimwijn te drinken, ter eere van de drie, die hij gemaakt had.
DE WERELD IN
Daar stond de witgehuifde wagen vertrekkens gereed. Bijna al de begijnen, de drie blinden, veel kwezels en de pastoor stonden er te wachten om vaarwel te zeggen aan de bewoners van den "Reynaert".