# Pallieter

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/pallieter-11355/index.md

Maar daar was Marieke, die opgewekt in de slede sprong. Charlot, reeds bezig aan 't peekens en spruitjes kuischen voor de soep, die al over 't vuur hing met een groot stuk ossenvleesch erin, kwam mee buiten en vroeg:

"Och, da moet plizant zijn, ma 'k is meê rijë tot on de smet?"

"Zit mor in," zei Marieke. Charlot zette zich in de slee en zuchtte van de deugd.

"Mor ma gij nor huis brenge," zei ze nog, "want man soep staat oep! ze hangt over 't vuur!"

Loebas baste. Pallieter stak zijn pijp aan en zette zich van voor. De zweep kletste, de bellen rinkelden en daar reden ze door het volle witte land.

De boomen schoven voorbij, de witte velden draaiden, en Charlot hield zich stevig vast, vol vrees, aan Marieke.

Rap sneden ze door de sneeuw, 't gaf geen geluid, 't was zoet aan 't hert, en als wandelen, drijven, waaien op de lucht.

Alles wit, alles wit, boomen, wegen en veld, en daarboven, vast en gesloten, de grijze hemel. De hoeven zaten in den sneeuw verloren, geen menschen te zien, en hier en daar 'n koolzwarte kraai, die ergens neerstreek op het veld.

Van ver zagen zij hoe de roode gloed het hol van de klinkende smidse verhelderde. Daarheen dreef Pallieter de slee, om kopnagels in Beyaards ijzers te laten slaan.

De twee vrouwen gingen zich seffens warmen aan 't spuwende, zoevende vuur, en Pallieter, om gauw weg te zijn, hielp den smid en zijnen knecht aan den blaasbalg trekken. Terwijl men op het gloeiend ijzer hamerde en het vuur rood opspoot in de donkere smis lag daarbuiten het landschap wit en wijd. Pallieter kon er zijn oogen niet van afslaan en het juukte hem door het gansche lijf om weg te zijn, in de sneeuw, in die rare, schoone, witte weelde. En hij trok maar aan den blaasbalg, dat de vonken een meter hoog spuwden.

Charlot kloeg, en begon te zagen dat heur soep zou uitkoken.

"Als 't ni gesnied had, ging 'k te voet terug," zei ze norsch. Ze kon niet meer stilstaan van ongeduld.

Gelukkiglijk was Beyaard spoedig klaar. Charlot kroop het eerst in de slee en ze reden weg.

"Rap," zei ze, "want man soep."

Doch ineens zag ze dat de slee een andere weg inreed.

"Bruur," riep ze verbijsterd, "ge red verkierd!..."

"Altijd recht deur!" zei Pallieter.

"Mor 'k moet thuis zijn veur man soep!" kreet ze wanhopig.

"We moette gin soep hemme," antwoordde Pallieter kalm. Hij lei de zweep op Beyaard, en rapper reden ze door het veld.

Maar Charlot hield haar mond niet meer, en wilde te voet naar huis.

"Hoe mier ge zaagt," riep Pallieter, "hoe rapper we rije. Ge moet mee!"

"'k Zal dan over de soep zwijge," zei Charlot gelaten, maar zij voegde er nijdig bij:

"Maar 'k zal er toch oep peize...."

Na een kwartierken kwamen ze aan de mastebosschen en de heide die aan den Noordkant der Nethe zoo maar seffens begint, terwijl langs den Zuiderkant Brabants vette velden zich uitstrekken. Hei, de mastbosschen in den winter! Hoe schoon en heilig-plechtig was het hier! De mastboomen die, om zoo te zeggen, hunne breede armen buigend strekken om den sneeuw op te nemen. En waar ze bijeen stonden en bosschen, oneindige bosschen vormden, waar niet anders te zien was dan besneeuwden grond en besneeuwde masteboomen, voelde men zich als in een kerk.

Dat was daar in die roerelooze, ongekende stilte om te bidden! Soms bleven ze stilstaan, de drie, luisterend naar die stilte die het bosch beving, en dan waren ze zoo klein van hart en zoo vol diepen eerbied, dat ze onwillens niet verder rijden durfden of er moest eerst van uit de stille, witte boschdiepte een vogel lachen, of Beyaard zijn bellen doen rinkelen.

Die zingende bellen als Beyaard liep! Dat was een groot klankenfeest over de stille, besneeuwde heide. 't Was of overal bellen klingelden; het rinkelend zilverend geklank liep over de witte vlakten, het bleef in de bosschen hangen, het tuimelde, het regende uit de boomen. De kruinen waren ermee gevuld. De witte landen zongen.

Ze zagen slechts, op heel hunnen weg een oud, zwartgekapmanteld vrouwken dat met een bussel sprokkelhout voortsukkelde, in de richting van een ver, klein hutteken. Overal waar ze gegaan had, gaapten hare voetsporen in de sneeuw, 't Was één lange stippellint dat vanuit het bosch in groote kromming achter het wijfken liep.

Hoe genoten ze van dat rijden in de sleê, glijdend over den malschen, molligen sneeuw, omringd van wit-wit, belgerinkel en heilige natuurstilte! 't Was een feest! Het kwam aan de ziel!

En hij stond recht, Pallieter, recht van overmatig geluk, en soms liet hij honderden knallen van zijn zweep naar de verre einders loopen, of zong de strofe van een machtig lied. Loebas liep vooruit en baste naar groote kraaien.

Ten leste kwamen ze in een dorp terecht, en hielden stil voor de afspanning "De Zwaen". Ze gingen binnen en dronken er korten drank.

Beyaard, die met de slede aan de poort bleef staan, deed wat, en seffens vielen de tjilpende musschen, met hun bekken wroetend in de versche peerdevijgen.

't Was stil op 't dorp, dat een kring rondom het kleine maar hooggetorend kerkje vormde. Het kerkje in rooden steen met witte banden, stond er liefelijk midden in, met zijn witte kap en besneeuwde galmgaten.

Het was overal om ter stilste, de levenden waren zoowel vergeten als de dooden, wier zwerte, scheeve kruiskens nevens den kerkmuur nip opstaken uit de sneeuw.

De klok bromde tien slagen door de lucht, en de klanken hommelden verre weg over de daken en de velden.

Pallieter wilde van daar hoog de velden zien. Terwijl de vrouwen rond de roode stoof zaten en vertelden met de waardin over den strengen winter, zocht Pallieter den koster, een schoenmaker met een houten been. Het kostte veel moeite eer de vent toestemde, maar het geld won.

Ze klommen beiden op den killen, steenen wenteltrap, kropen door doffig balkwerk voorbij de twee klokken, die verlicht werden door de galmgaten. Dóór de latten zag Pallieter de witte wereld onder hem, besneeuwde hoeven, bosschen en ver in de verte andere kerktorens. Maar hij wilde hooger, en boven in den top van de steile spits wierp hij een houten deurken open en God! de aarde opende haar ziel!

Vlak onder hem de kleine kom van 't dorp, met zijn door palmhagen gescheiden hofkens en de ééne straat, die uitliep in het opene veld, dat zich, uren ver, wit uitstrekte met bosschen, vlakten, waterloopen, eenzame huizen, traagdraaiende molens, kasteeltjes, boomenbeplante wegen en andere dorpen, tot ginder heel, heel ver, waar de besneeuwde heuvelen van Grobbendonck zich wazig afteekenden op de loodgrijze lucht, die zwaar en roerloos over de witte wereld stond!

Het menschelijk leven was nauw te bespeuren in al die witheid en telde niet meer. Een schaarsch zwert ventje op het land of op een grachtbruggesken, en een wagen op den steenweg.

O, heel de witte, witte wereld! Hij was er niet meer als noodig om te groeien, te leven en leven te geven, maar als om niets anders te doen dan schoon en wit te zijn. En heel het land was stil lijk de sneeuw zelf.

Vervoerd riep Pallieter:

"De aarde bidt! Laat alle klokken los!"

"Neeë, nee!" zei de koster, die dat hoorde, "er is vandaag niks te doen, morge." Maar Pallieter liep naar beneden, naar de klokken, zette zich op den houten balk, duwde en duwde; en de klok begost te zwieren, de klepel ronkte tegen het brons, nog een klank, en plots was het in vollen gang. Het klokkengelui vulde de torenkamer en viel langs de galmgaten over de wijde, witte wereld met een zot gejubel. Pallieter was lijk dronken, de klanken gonsden en ronkten door hem heen, en bij elk omhooggaan zag hij door de galmgaten de wereld wit in sneeuw!

De koster trok aan zijn weinig haar van schrik, en beneden kwam de pastoor verbaasd aan zijn venster naar omhoog zien.

Als Pallieter er goed van genoten had, ging hij in "De Zwaen" een potteke koffie drinken, en toen reden zij langs een anderen weg huiswaarts.

Hier en daar hoorden ze vredig dorschgevlegel en jagerschoten en van achter een boschken kwam gekrijsch van een verken, dat men keelde.

Pallieter zweepte op Beyaard, om er gauw bij te zijn. Als ze er aan kwamen, rochelde het verken nog en de slachter tapte het bloed af in een eerden teil; het bloed gudste over de pan en sprenkelde rood in de sneeuw. De vrouw stak een vuur van rijsthout aan om het haar af te branden.

Het was een vet varken, een model, en Pallieter vroeg om de helft te koopen. Er werd geboden en afgeboden en eindelijk kreeg hij tegen ordentelijken prijs een halve beest. Als er de darmen waren uitgehaald, droeg hij het in de slede, en kreeg het de eereplaats tusschen Marieke en Charlot, en zoo reden ze dan verder door het witte land naar huis.

OUDE ZANGEN

Na den noen was het grijs uit de lucht en wierd de hemel bleekblauw met een verre slappe zon. De koude was bijtend, en voor den vlammenden haard zat Pallieter nu een pijp te smoren. Marieke zat te naaien nevens hem, en Charlot was in de andere plaats aan 't kousen stoppen. Het was stil en innig. Tybaert lag op Marieke's schoot te ronken, de hangklok tikte kalm over end' weer en boven het vuur zong de geelkoperen moor. Pallieter genoot van de vlammen die rond de groote houtblokken kronkelden. Het was er zoo vol vrede, het hout kraakte, en buiten, op de hofgracht van 't Begijnhof, schaverdijnden vele Begijntjes. Hun gesnap en helder gelach weerklonk frisch door de lucht. Over de Nethe hadden de jongens het Molenbeemdeken schoongekeerd, en nu was er een heele hoop volk aan 't rijden, menschen van den buiten en menschen van de stad. Men leurde er met appelsienen en smorende oliekoeken.

Pallieter bleef thuis om de zangers te hooren die Kerstmis kwamen wenschen en toch soms zoo'n schoone, naïeve, roerende liederen meêbrachten.

Er waren er al verschillige geweest, kinderen en groote menschen.

Weer werd er gebeld, en vijf vrouwen, waarvan drie in kapmantels, de andere met bonte sjaals op het hoofd, kwamen binnen met hun klonen in de hand.

"Meuge w' is zinge, menhier?"

"Lot hoere," zei Pallieter.

En met sleepende stem zongen ze het teedere, weemoedige liedeken:

"'t Was op eenen nieuwjaarsmorgen, 't Was op eenen nieuwjaarsdag dat Maria Magdalena ons Heer Jezus wandelen zag.

"Sta maar op Maria Magdalena, Sta maar op uit uwen bitteren nood, al uw zondekens, die zijn er u vergeven, al waren zij nog eens zoo groot," enz.

Ze kregen peperkoek en brood als ze gedaan hadden. Pas waren ze weg, of de drie blinde venten kwamen binnen. Een ervan droeg een papieren ster met roode bloemen bezet.

"We komen hier as de drij keunige, w' hemme dees ster gekrege, we kunne e schoe nief lieke."

"Jommor," zei Pallieter, "g'het elle nie verklied."

"We kunne makandere nie zien, menhier."

"Wacht dan wa'," zei Pallieter, "ge zult iens zooveel geld rondhale as ge verklied zij. Charlot, heuld is wat ijd kliergoed van de zolder!"

En Pallieter begon ze nu te verkleeden.

Den eerste, die klein en dik was, en wiens oogen rood waren uitgezworen, werd voor baard een stuk witten wat aan zijn gezicht geplakt en een blauwe slaapmuts opgezet. De andere was een korte, gebochelde, met gesloten oogschelen. Marieke sneed voor hem een papieren kroon, beplakt met zilverpapier van chocolade. Dat werd over zijn bolhoed geschoven, en hij kreeg als mantel op de schouders een blauwen voorschoot van Charlot. De blinden lieten hen begaan en lachten als ze malkander betastten. De derde, die het sigarenkistje droeg om het gekregen geld in te bergen, was een lange, magere vent met een Leo-XIII-gezicht, waarin het wit van zijn doffe oogbollen altijd naar den hemel zag. Hij wierd zwert gemaakt, en zette een verkreukelden hoogen hoed op. Op eenige minuten was 't gedaan en verbeeldden ze Gaspar, Melchior en Balthazar.

"Nij kunde zinge," zei Pallieter.

De drie sukkelaars, die malkander niet konden zien, malkander nooit gezien hadden, moesten toch lachen, omdat ze wisten dat ze verkleed waren en ze sloegen er menigen fijnen, zotten slag uit.

En ze zongen met den lach op den mond, terwijl de korte ster over end' weer draaide.

En onregelmatig, oud en kapot en zonder voois klonk het:

"Herders, brengt melk en zoetigheid, den lieven Jezus ligt en schreyt; hangt uwen langrock voor den wind, de voedstervader zorgt voor 't kind.

Maria geeft hem suikerpap en Jozef brengt den windellap; den lieven Jesus krijt van dorst, Zijn moeder geeft hem haere borst.

De locht vol schoone vogels vliegt, een engel met Maria wiegt, daar Jozef werkt den heelen nacht en wascht de luiers in de gracht.

Nu maeckt hij vier, dan raept hij hout, want in den winter is het koud, maar nu is Jozef zeer verblijd, omdat het kind niet meer en krijt.

Slaapt Jezus, slaapt Emmanuël, slaapt, grooten Prins van Israël; Duizend sielen zijn verblijd, omdat gij nu geboren sijt.

Den goeden God in d'hemelpoort en is op ons niet meer gestoort, want Jezus brengt den olijf meê: dit kindje brengt ons peys en vreê.

Zoo Maria haer heylig kind voor 't vier in diverse doeken windt, Zijn handen spelen hier en daar van haere borst tot in haer hayr.

Uyt Jezus wezen vloeit een soet, een soet, dat mijn siel leven doet; Segge ik nog: Bethleêm ik mis, want nu den stal een hemel is!"

Pallieter was er door gepakt, de tranen lekten van zijn kaken.

De drie blinden bleven wachten, gretig naar peperkoek en geld.

"Wa' moet 'k ze geve?" vroeg Charlot.

"Dat is ni te betale," zei Pallieter.

"Gef ons mor wa' da' menhier belieft," zeiden de blinden.

"Geft ze 't half varken," gebood Pallieter.

En hoe verschoten de drie venten, als hun vuile handen het vette varken betastten. Ze riepen ondereen, wild van blijdschap, en met hun drieën droegen ze eraan, lieten ster en sigarenkasken achter en sleurden en porden zingend het half verken naar 't Begijnhof.

Er kwamen er nog veel totdat het avond wierd. Nog reden er Begijntjes op de hofgracht en bleef er gewoel op het Molenbeemdeken.

"Nij gon ek oek schaverdijne," zei Pallieter.

Hij kleedde zich er naar, en ging langs den hof naar buiten. Hij spande de schaatsen aan, gezeten op zijn schuitje, dat half in 't water stak, bevrozen en besneeuwd. Hij danste eens rond op het besneeuwde ijs van de Nethe, en schoot er dan van onder, wiegend als een vogel in de lucht, rank en licht als een pluim.

Hij scheerde over de vrije, vaste waterbaan, en zijn hoofd stak juist genoeg boven de dijken uit, om het landschap te kunnen overschouwen.

De zon zakte rood in een purperen adem weg, kleurde even lichtelijk de sneeuw, en de rijpende maan in de groene lucht begon te glanzen.

Een vette ster sidderde boven den molen, die nog altijd draaide in de groeiende schemering.

Pallieter reed maar altijd door, zacht wiegend als meegedragen door den wind. Zoo kwam hij tegen Duffel. Het was al donker, en er brandden lichtjes in de eenzame huizekens. De zilveren maan lei schaduwen op de sneeuw. Verre geluiden stierven. Aan een vastgevrozen schip hield Pallieter stil, trok zich er op, en bleef van op het dek naar den avond zitten zien. Door het open vierkant kwam de roode gloed van 't lamplicht. Een vrouw zong haar kind in slaap.

De schaatsen over den schouder, ging Pallieter langs den kronkelenden dijk naar huis. Het was volle avond geworden nu, maar de maan had opnieuw het land verlicht met zilverblauwen schijn. De sterren rilden hoog en klaar in de lucht en het land was zoo helder, dat men de oogen vrij had als bij dag. Het was stil en eenzaam. De sneeuw kriepte onder Pallieters voeten, en zijn korte schaduw volgde hem blauwig mee als een ander wezen, en de schaduwen der boomen, donker op de witte sneeuw gestrekt, bogen zich herhaaldelijk over zijn lijf. De maan ging mee met hem. Zij was helder en klaar, en achter de zwarte boomen schoof ze maar altijd mee. De boomen aan den overkant, die met de volle heerlijkheid van haren schijn werden gedoopt, lieten op hun besneeuwde takken sterren pinkelen en vonken schitteren. Het waren lijk kristallen boomen. Bevroren fonteinen van licht.

De stilte, die over dat sprookjesland hing, was zoo schoon als de maan en de sneeuw, en roerde zoo innig als de verzilverde blauwte.

Ineens ging er hoog boven hem een ver gerucht op en zoevend vleugelengeruisch. Hij zag, en hoog in de lucht ontwaarde hij een machtige wilde-zwanenvlucht, op een lange, lange rei, die heel de streek overspande.

't Was ontzettend in dien goddelijke, lichten, stillen winternacht. Pallieter verroerde zich niet en hij zag en hij hoorde ze verder zuchten en ruischen, de bloeiende maan voorbij, waarop ze even zich af teekenden, en dan, van achter verlicht, den oneindigen winteravond in....

Aldoor denkend aan die grootsche vlucht der geheimzinnige zwanen, ging hij naar huis.

Als hij daar kwam, zaten er in de duisternis der kamer vier Begijnen met Marieke en Charlot, rond den brandewijnpot, waarboven een blauwe vlam wiegde, die hunne nieuwsgierige blikken blauwig verlichtte. De kamer rook naar verschgebakken wafelen. "Hoera!" riep Pallieter, wiens maag hol was lijk een doedelzak, en hij schoof bij hen, at een dozijntje wafelen, die hij ferm overgoot met volle pinten van den loozen brandewijn.

Daarna werd de lamp opgestoken en speelde Pallieter mee met de Begijntjes het waarachtig ganzenspel, tot het tijd was om naar de middernachtmis te gaan.

Pallieter zag hen na; op andere wegen zag hij nog menschen in dezelfde richting gaan. Stil werd het terug over de wereld, wit en zilver.

Christus werd vandaag geboren, de schapen stonden nu met den kop naar het Oosten, en de bijen zongen in hunne korven!

Het is de Vrede die moet komen over de wereld!

Daar hoog pinkelden de sterren en hieronder baden de menschen voor den Vrede, den Goddelijken vrede, die vandaag over de witte wereld kwam.

Pallieter voelde dat, hij werd er koud van, haalde zijn jachthoren, en op de Begijnenvest blies hij, op het koperen tuig, den witten maannacht in. De zware klanken, traag en lang geblazen, sleepten over de witte besneeuwde velden, en liepen in de Begijnenbosschen en de zilveren verten uit. Als hij binnen was, hief zich nog in een ver dorp het hoorngeschal vaag omhoog.

Kinderlijk blij was Pallieter als hij met zijn zoet Marieke in de armen in het warme beddeken lag.

Deze dag was schoon geweest! Een feest voor hart en ziel! Een geestelijke vreugde.

En hij sliep in met den lach op den mond, wijl de wereld koud en wit daaromme lag, overal de Vrede, de Goddelijke Vrede Koning was.

DOOILIED

Onverwachts, na een dag dat de ijzel de stammen der boomen, het onderste der takken en alles wat nog niet besneeuwd was, met zilver had betinteld, viel de dooi in.

Een plotselinge lauwte omringde en woog op alle dingen, en de besneeuwde daken en boomen en de ijskegels aan de pannen werden het seffens gewaar, en begonnen te lekken en te druppelen, de sneeuw zakte, het ijs kraakte en scheurde.

Drie dagen nadien dreven de ijsschollen op de Nethe met de tijen mee.

"Het fenste muziek gaat er nij over 't land," zei Pallieter tot den Pastoor. Zij beiden stonden op het steenen bruggesken van "het Hemdsmouwken", een zijarmken van de Nethe, dat door het Begijnhof zijn smal waterke kronkelde.

Van op het met mos begroeide bruggesken beluisterden zij het dooilied, dat over het Begijnhof zong. Het Begijnhof was oud en innig, dien Februari-morgen; Lichtmis! De roode gevelen en daken, de witte muurkens, langsheen het water hangend, de knoestige perelaren en appelaren in de kleine hofkes, alles was nat en beklamd, uitgeslagen van het water, en tegelijkertijd vinnig stralend in het heldere zonneken. Het was inderdaad maar een zonneken, maar het maakte over de aarde in al dat water zulk een groot lichtgespeel als een volwassene zomerzon. Het hong in de lucht vernieuwd en frisch lijk een schitterend gouden waterplasken. Hier en daar tegen de pannen, op de boomen, in een bloempot of een omgekeerde kuip, blankte nog de witte sneeuw die eens het land verblijdde, maar de sneeuw moest weg, zijn tijd was uit. Onder de sneeuw door waren versche krachten opgestaan, waarvoor hij uit den weg moest; uit de lucht waren zijn vijanden gekomen, met aan 't hoofd de jonge zon. En zij beglansde hem, loech er stekend op en door, en hij smolt, de goede sneeuw, en lekte en drupte in zingend, stralend water dood.

Zoet muziek van blinkende perelen, overal! Met de zon er in waren het als perelensnoeren die van de boomen en de pannen hongen. Zwaar, kletsend en rap, dreste het uit de dakgoten, het zong in de zinken buizen, plaste op de straatsteenen en 't klopte lijk harde kneukels en marbollen op het ingezakte, geelgeworden ijs, dat schitterde in de zon. Er waren van alle watergeluiden, rappe en korte, gedruip en gelek, gebonk in emmers en tonnen, gedres en geklets en hoe meer het oor luisterde, hoe rijker het lied aan klanken werd.

Het was de zang van de nieuwe zon, de eerste stemme van de naderende Lente! En de zonnige lucht was vol klokkengegalm. "Nij zulle we gauw on 't goe weer zijn," zei de pastoor. En na eene stilte en een zucht: "'t Is toch spijtig, Pallieter, da g' onze streek verlaat en de wereld intrekt. Och, bleft en bauwd oe wa' verder nen hof. Dorbij, as er e jaar over de nief Nethe is gegroeid, zuldet weral gewoen zijn en zuldet schoen vinne. Bleft!"

"Da's allemal waar," wedervoer Pallieter, "de streek mag na de veranderinge duzend kiere zoo schoen zijn!--Mor het gedacht en 't verlange oem overal en nieverans te wonen is in mijn bloed geslage. 'k Moet weg. Dad is in mij opgekome med in September, as 'k trijwde, ooievaars hiel hoeg in de loecht zien weg te trekken."

"Nor waar gade?" vroeg de Pastoor.

"Dat weet 'k nog ni, 't is iender waar," zei Pallieter.

"Ge zult er veul genot van hemme," zei de pastoor. "Was ik zoo oud ni, 'k ging mee!"

"En oewe rok dan?" vroeg Pallieter.

"Da was ik vergete," zei de pastoor lachend.

"Kom, we gaan nor Fransoe, kaves drinke oep de schoenheid van de waterzang." Ze gingen van 't Begijnhof weg en wandelden over de Begijnenvest. Uit de driedubbele hooge boomenrei, machtig van bouw als een kerk, met de landschappen als ramen, vielen de groote, zonbestraalde lekken zoo menigtallig, dat het als regen was.

De blijde, zotte perelendans!

Ze klopten op de boomen, sprongen van den eenen tak op den anderen, ze vermengden zich, en de een viel rapper dan de ander. Soms kwamen ze met handsvollen naar beneden gerold, dat de pastoor zijn tikkenhaan er bijna van inbutste, dan ging het weer op een wandelpas, om ineens weer zot neer te bonken en Pallieter zijn rug zoo nat te maken als een opneemvod. "Lot ze mor klappe!" zei Pallieter, "ze rieken nor de Lente!"

En zij lieten zich maar bedruipen, dat het nat in streepen over 's pastoors zwarte soutane naar omlaag rees, en het rond Pallieters hoedje lijk gouden bellen hong. Ze blonken allebei.

"Luistert," zei Pallieter.

"Hoort!" zei de pastoor.

En zij beluisterden het muziek van den koelen blinkenden perelendans.

Het land was een weelde van fijne koleuren en teedere tinten. De sneeuw lag er nog bij plekken, en er hongen heel fijne nevelen, die de verten bewasemden, en het rood der daken en het zwart der boomen verzachtten. Door de nevelen weefde de waterzon de weelde van haar jongen glans. En de verten waren daardoor lijk oude tapijten.

"Zie!" riep Pallieter, naar een sneeuwplek loopend in het gras, "een snieklokske! een snieklokske!" Door de sneeuw had zich, spijts koude en wind en schraalheid van de lucht, het bloemeken opgewerkt en belde nu zijn blanke klokskes onervaren in de lucht.

"God heeft zijn teen reeds op aarde gezet!" juichte Pallieter.

"Wij meuge God danke, de winter is uit!" zei de pastoor.

Op een boerderij over de Nethe, lieten twee boeren een witte veers bespringen door een jongen, rosgevlekten stier. Op een oogenblik was het gedaan, en was er zich in die koe nieuw leven aan 't bereiden. Daarna sprong de stier wat op en neer, en sloeg met zijn achterste pooten een emmer en aardklonten in de lucht.

"Wij hemme ne fijne Lichtmis," zei de pastoor.

"Ik hoor het licht krake," juichte Pallieter.

"De boome wiene van vreugde," zei de ander.

