Pallieter

Part 10

Chapter 10 4,114 words Public domain Markdown

In 't huis wierd er met Marieke in 't bed over gesproken, die er blijde om was, en 't werd, na gewikt en gewogen te hebben, vastgesteld dat zij met den uitkoom, als 't groen terugkomt, samen met een foorwagen de wereld zouden intrekken.

EEN GRIJZE, NATTE DAG

Door den dikken grijzen mist, die het zicht der wereld sloot, viel de motregen fijn en kil.

De boomen glommen groen lijk kikkers. Alles was nat. Wie buiten kwam was nat tot in zijn longen.

De nattigheid, ze kroop in huis, besloeg de ruiten en beklamde de muren. De vloersteenen zweetten en het zout was nat. De klinken waren nat, het vertrek was nat, alles was nat tot in de ziel.

En door den mist, van uit een zwarten boom, koerde een eenzame tortelduif....

Het leven had zijn laatsten snik gegeven, en alles stond verlaten en kapot.

De boomen waren kletsbloot en erbarmelijk om te zien, met hunne verwarde, wringende takken. De zotte, nijdige, wilde wind had al hun blaren afgesleurd, ze in de lucht verstrooid, dat er bij waren die hoog gingen lijk vogels; andere liepen met duizenden achtereen over de wegen, geraakten ievers in een hoek, in een trekgat, waar ze niet meer uitkosten en ongedurig, ongenadig, met een stuk gazet soms, ronddraaiden, altijd maar draaien, dansen, schuiven en springen in het rond, om er zot van te worden.

Zoo duurde de bladerendans, eentonig en onafgebroken tot de regen ze vastsloeg en verrotte.

De boomen treurden lijk moeders om hun bladeren....

Onder het karrenkot stonden Marieke en Charlot met opgestroopte mouwen aan de dampende waschkuip, en Pallieter op de knieën gezeten, was aan het hout hakken.

Het was danig stil op het land, de vrouwen zwegen, en alleen het kappen en kraken van het hout ging een eindeken door den mist.

Men kost over de Nethe niet zien, zoo hevig had de smoor de wereld omhuld. Een witte nacht.

De boomen in den hof stonden daar grijs en triestig als nuttelooze dingen.

Vaag lijk een spook ging er een vent, met een zwarten hond achter hem, voorbij de haag. Hij bleef staan en riep met schorre stem: "Hé, Pallieter, zijde gij het?" en toen schoot hij in een geweldigen hoest. Als hij gedaan met hoesten had, riep Pallieter: "Ik ben 't in eige persoon!" "Wilde mij is overzette?...anders mut 'k zou wijd oemgaan." "Wor trekt henne, Piet?" riep Pallieter.

"Nor de Bagijnebossche hout koope! Gade mee? Er zen veul occases te doen!"

"'k Gaan mee!" riep Pallieter terug, "wacht wa!" Hij ging zijn mantelfrak aandoen.

"Vroeg thuis zijn, hè Pallieter?" vroeg Marieke, "'k zal oe straks is iet hiel aardeg vertelle!"

"Mag het Charlot ni hooren?..."

"Jawel, mor ... toe ga mor, en komt gauw terug!" Zij bloosde wat en streek met haren schoonen voorarm de bruine krullekens van haar voorhoofd weg.

"Ik mag alles hoore!" riep Charlot nijdig tot Pallieter, "en 'k zal 't nog ierder hoore als gij, zolle, curieuse mosterdpot!" en dan fleemend tot Marieke: "Is 't ni waar, ma schopke?"

"Zeker," zei Marieke, maar zij waschte voort.

"Toe, zeg het is," maande Charlot, "zegt er mor is 'n bitje van." Toen vertelde Marieke het.

"Zou da' waar zijn?" riep Charlot verblijd en aanstonds eischte ze dat Marieke er uitscheidde met wasschen, want dat was niet goed en kon leelijke gevolgen hebben. "Wa zal Pallieter blij zijn as'm dat hoort! Lot mij het hem zegge, zolle, ik kan da' goe," zei Charlot.

Pallieter ging met Pier en dezes hond over 't water, en dan op weg naar de Begijnenbosschen.

Ze volgden maar den kronkelenden wegel, want zij verkenden door den smoor de landstreek niet. De boomen groeiden telkens als ineens uit den grond, grijs, en doken dan weer seffens weg.

De regen hong lijk fijne pereltjes op Pallieters frak en de grond was verplat in een vettig slijk, dat tot over de knoesel kwam.

Zij kwamen voorbij een overstroomden beemd, waarin drie schuine knotwilgen treurden, de hond baste naar een krassende raaf, die zich seffens in den mist verloor.

Pallieter en de vent klapten over veldsche zaken, en de zwarte hond liep lijdzaam met den kop in den grond achteraan.

't Was overal om ter stilste, de regen viel onhoorbaar en er was geen de minste zucht.

Pallieter zweette en sloeg zijn frak open.

Eindelijk kwamen zij onder hooge boomen en stapten op rotten bladgrond en het licht werd kleiner.

't Waren hier de Begijnenbosschen.

Er vielen overal groote lekken van de boomen, zwaar en dof. Als zij verder gingen zagen zij, grijs bijeengehoopt, een groepje menschen staan rond een luid getallen roependen vent. Ze stonden er allen met natte neuzen en druipend van den regen. Pallieter en de vent schoven zich erbij.

De piepneuzige roepstem ging rap op en bleef hangen in de hooge, groote, natte boomen. Grijs en groen stonden ze daar, de machtige reuzen, eens zoo groot nog nu de mist ze omhulde.

De roeper ging met het volk naar een beuk. O, een beuk die drie man niet kosten omvatten. Hij spreidde zich ver uiteen en verborg zijn kruin in den mist; zijn voet stond struisch met veel woest kronkelende en ver loopende armen rotsvast in den grond. Een model van een boom. De koning van het woud. Als Pallieter dacht, dat deze reus binnen eenige dagen zou neergeveld worden! neen dat kon hij over zijn hert niet krijgen en tot den boom zei hij: "groeit!", en riep tot den roeper zulke groote som, dat deze bijna omver viel en met moeite "gebod" kon geven.

Nu had Pallieter een boom, maar een boom, menheer, zooals er misschien geen twee meer waren, 't Was maar een enkele boom, maar hij was er blij mee, alsof hij heel de wereld gekregen had. "Mijnen boom," zei hij "Als d' ander gevallen zen, stade gij hier nog, da beloof ik U! Groeit, mokt blare en neutjes, groeit gelijk ge wilt, en verberg de konijntjes onder uwen grooten voet, groeit!"

Hij kwam om winterhout te koopen, en kocht een boom. En met zijn lierenaar schreef hij in de schors het eenigste wat hij ooit geschreven heeft: "Melk den dag!"

Alleen trok hij er uit, dwars door het stille bosch, waar luide lekken vielen door den smoor.

Hij dacht aan de boomen en aan de menschen. En terwijl hij hier zoo alleen in dat verlaten woud slenterde en zielsgelukkig was om een boom, stak daarbuiten de wereld vol ellende en miserie, en waren de menschen ziek naar het verdriet en leefden om te sterven.

Het viel op hem lijk een blok. Maar ach! wat kon hij er aan doen? Was hij ook geen pier?

De wereld draait rond, hij draait mee en er is maar één verschil en dat is: dat hij van het draaien geniet. En dat geeft of verdeelt men met den besten wil der wereld niet aan anderen....

Als hij uit het bosch kwam, hoorde hij op den steenweg veel moe paardengetrap en rinkeling van losse hoefijzers. Uit den smoor doken, tegeneengedrumd, een twintig afgeleefde peerden op.

Ze waren hoog op hinkende, opgezwollen pooten, en hun goede, zware kop woog moedeloos naar omlaag aan den langen, pezigen hals.

Als vuisten staken de knoken er uit, en de ribben als vatbanden. Er waren blinden en gekneusden bij en allen drumden tegeneen als om elkander te steunen. Een hoop miserie. Zoo wierden ze naar de slachtbank gedreven door twee vuile venten, zonder de weldadige, eindelijke rust gekend te hebben in een vette wei. 't Waren lijk menschen. En na hun wreeden dood aten de menschen ze op.

"Van waar kome die?" vroeg Pallieter aan den eersten vent.

"Van Leuve," zei hij barsch.

Er scheurde iets in Pallieter. Van achter was de tweede vent, die het laatste paard, dat zeer hinkend ging, met het achterste der zweep tegen de stramme pooten klopte en bleef kloppen, zoo maar puur uit gewoonte.

Toen liep Pallieter zijn hert over en zonder zich te verzinnen, ging hij naar den vent en gaf hem een klets vlak in 't gezicht, dat deze op zijn hukken tuimelde. Maar de vent, ook niet lui gevallen, wipte zich vloekende op en sloeg Pallieter een blauw oog; doch Bruur greep den vent bij de keel en beiden rolden in het slijk. De andere vent kwam bijgeloopen om zijn spitsbroeder te helpen, maar Pallieter sleurde hem mee op den grond, riep:

"Holleke bolleke nieve solleke holleke bolleke knol!"

en hij knotste de twee naar genever riekende koppen eens duchtig tegeneen.

"En als ge nij die peerde nog slaagt, eet 'k elle pep! Bieste!" Pallieter ging weg, de mannen schreeuwden hem nog wat achterna, maar verroerden niet....

Als hij thuis kwam rook het naar versche koffie.

Fransoo zat achter de ronkende Mechelsche stoof met Marieke te klappen. Charlot dekte de tafel.

"Zie, wat hebt aan oew oog?" riepen ze met drieën.

"Tegen nén boem geloepe," zei Pallieter. "Mor lot ons koffie drinke, want 'k hem hoenger."

Maar Charlot kon het blijde nieuws niet in zich houden; zij vertelde het hem in zijn oor.

"Watte?" riep Pallieter vol blijdschap. "Is da' waar Marieke?" Marieke knikte bevestigend en wierd rood tot in heur haar.

Hij sprong naar haar toe, nam haar op in zijn armen en kuste haar op den natten mond dat zij naar asem moest snakken.

"Korentenbroed," riep Pallieter, "spikelatie en wijn! Leve den aankomeling! Roept de Pastoor, Charlot!" Vlug lijk 'n weerlicht had Charlot een anderen rok aangeschud, en liep lachend menheer Pastoor roepen.... De goede vent wenschte Pallieter proficiat, en tikte Marieke vaderlijk op hare wangen.

En verblijd zei hij: "Pallieter, jonge, nij kunde de wereld ni ingaan, nij er een kinneke komt, en moete op ons zalig Nethe-land blijve wonen!" Maar Pallieter zei: "Dat is mor uitgesteld. Als de kleine gebore zal zijn, gaan wij toch, en 'k zal mijn best doen van oe mee te neme!"

Zij dronken de versche koffie, aten melk en korentenbrood, hollandsche kaas, gezoden hesp, en veel andere smakelijkheden. Daarna bracht Charlot heel ouden wijn, "nog uit Jezekes tijd" zei ze. Zij staken een sigaar op en kropen rond de gezellige Mechelsche stoof. Zij vertelden dit en dat, maar meestal hing er een goede stilte rondom hen. Charlot kwam na den afwasch er zich bijzetten, in de hoop van veel te kunnen lachen. Marieke zat met den ronkenden Tybaert op den schoot.

Een smoorwolk omhulde hen, en de schemer kwam fluweelig binnen gevallen. Nipkes hoorbaar titste de regen tegen de ruiten, en het venstervlak, waardoorheen men niets zien kon door den mist, wierd langzamerhand grijzer en grijzer. De koppen verdoezelden in den donkeren, alleen de kachelpot en de drie sigaren bloosden in het mollegrauwe schemering. Hunne schaarsche woorden werden er als mee omhangen, zacht en gedempt.

De warmte was weldadig en werkte deugdelijk op hen in. Soms was er een heele lange stilte, waarin dan niets te hooren was, dan het frutselen van den regen op de ruiten.

En in zulke stilte, als uit een fluweelen keel, droeg de pastoor een dichtstuk van Gezelle voor. Niemand had over Gezelle gesproken, of getitst over kunst en ...toch deed het in dezen oogenblik als iets dat bij dezen avond behoorde. Het groeide als een bloem natuurlijk. Langzaam, zuiver en stil, maar met al de vroomheid van een groot menschenhert ging het:

Alleene, uit aller oogen zitte ik, in den hoogen hemel kijkend, sterrenvol; Alle ding is duister, uitgeweerd de luister van 't verheven stergerol.

Hoe kleen, O God hoe kleene, donker en alleene, ligge ik in dien grooten al van uw licht verloren, lijk een ongeboren kind, dat niemand baren zal!

* * * * *

Gesprakig is al 't wezen dat de wil van Dezen die het Woord is, worden liet; Stom en zijn uw stralen, sterren, niet, en talen doen ze meê in 't eeuwig lied.

Als 't uit was, zei er niemand een woord, noch een zucht, er bleef een gespannen stilte, een wachten en dan herbegon de pastoor:

O Lied, O Lied, gij helpt de smert wanneer de rampen raken, gij kunt, O lied, de wonde in 't hert, de wonde in 't hert vermaken! O Lied! O Lied! gij laaft den dorst, gij bluscht het brandend blaken, gij kunt, O lied, de droge borst en 't wee daarvan doen staken. O Lied! O Lied! het zwijgend nat dat leek nu langs mijn kaken, gij kunt het, en uw kunst is dat, gij kunt het honing maken.... O Lied! O Lied....

De laatste twee roepen "O Lied, O Lied," waren door de hevige klimming van 't gevoel zoo stil uitgesproken dat ze niemand had gehoord met de ooren, maar wel met het hart. Dan volgde na een pauze het hoog-mystieke dicht "Blijdschap". "Daar zijn blijde dagen nog in 't leven", en nadien steeg uit de stilte deze innigste belijding:

'k Hoore tuitend' hoornen en de navond is nabij voor mij; kinderen, blij en blonde, komt, de navond is nabij komt bij: zegene U de Allerhoogste, want de navond is nabij; komt bij; 'k hoore tuitend' hoornen en de navond is nabij voor mij!

Het eindigde met een gedempten snik, en toen bleef het stil. De regen leefde puntig op de ruiten, Pallieter liet een zucht. Marieke zuchtte hem na. Fransoo stak zijn sigaar opnieuw aan, en dit licht liet aan elkander zien, dat elk tranen in de oogen droeg, behalve Charlot, die op de stoofleuning ingeslapen was.

EEN SCHOONE WINTERDAG

Pallieter kwam buiten, en het was een weer, zoo kleer en zoo jeugdig, alsof opnieuw de lente begon. Hij haalde zijn klak, stak zijn pijp aan en ging op wandel om zijn beenen te rekken. De hemel was als antiek blauw porcelein, en een bol windeke liep door de lucht, dat in de hofkens het bleekend lijnwaad, aan koorden, klapperen en wapperen deed. Pallieter had er deugd van, te zien hoe de wind in witte vrouwenbroeken spande alsof er waarlijk billen in staken.

Op het veld stond hier en daar een boer te werken, een schup blonk, en het natte groen plakte smakelijk af tegen den bruinen grond. De verten waren bleek van zon, maar helder van doorzicht. Tusschen de kale boomen lagen de roode hoeven, en boven den dicht beboomden kant, langs het Zuiden, klompte blauw de struische toren van Mechelen.

Pallieter wreef in zijn handen en snuffelde den reuk op der platte aarde, die sedert dagen en dagen beregend was, en nu door dezen gezonden wind weer tot haar vaste vettigheid kwam.

De wegen werden droog en hard, een haan kraaide, er vlogen duiven, en Pallieter zei: "Dat is 'n heilig weer!" Zoo wandelend van den eenen weg op den andere, hoorde hij opeens ievers orgelmuziek.

't Waren als glazen pianoklokken, als kloppen op kristallen flesschen. Dat deed zoo goed en heerlijk in dezen verrassenden dag, dat Pallieters hert er van opwipte in zijn lijf. En hij er op af.

't Moest van achter den steenweg komen. Hij ging rapper. Achter den steenweg en een plek abeelenboomen stonden heel alleen twee roten werkmanshuizekes over elkander. Als Pallieter daar kwam was er geen mensch te zien, dan twee kinderen die met slijk aan 't spelen waren.

Zie! ginder kwam een magere, zwangere vrouw, en een ros meisje met een italiaansch orgel afgestooten. Als zij aan de huizen waren, hielden zij stil, en seffens greep de vrouw naar den draaier, en pardjinkel! rap en haastig, als om ter eerste te zijn, klopten heldere klanken het anders zoo langzame lied: "Connais-tu le pays?" En zie! de vuile gordijntjes schoven wat op zij, deuren gingen open en er kwamen wijven met en zonder kinderen op den arm voor. Zij knoopten hunne losse jakken haastig toe en streken het klishaar naar achter. Hun gezicht verkleerde en de een riep een zottigheid naar den ander. Zij schoven buiten, hielden de hand op de slip van hunnen rok en troepelden bijeen. Een hoop morsige jong stond nieuwsgierig rond het orgel en een kleine, magere manskerel, een kleermaker, te zien naar den witten driegdraad die op zijn broek en vest plakte, liep op zijn kousen in 't midden van de straat, zwaaide zijn armen, sloeg zijn beenen en gaf een danske af. De vrouwenmenschen schoten in een lach. Seffens grepen twee jonge deernen elkander vast, en begonnen te draaien dat hun rokken er van ballonden. Dat was de onderbreking, en opeens was al wat beenen had aan den dans. De moeders lieten hun kind in den wieg leggen of stopten het in den arm van een snotjongen, en dansten mee. De zwangere vrouw lachte dat haar dikke buik er van waggelde. Pallieter zag het aan met gelukkigen lach. Het ros meisje ging met een verroest kroesken rond en iedereen gaf een duit of een cent.

En de vrouw draaide de "Veuve Joyeuse", "Die Wacht am Rhein" en de wals van "Faust". Maar daar dreef en stootte een veldwachter de jong op zij en gebood barsch tot de verschrikte vrouw: "Hier ni spele, iets aanvrage oep den bureau, allé hoep!"

"Ge meugd hier toch orgel spele, zooveul as ge wilt!" Zei Pallieter.

"Ja, as ze gin cente vraagt."

"Awel, ze zal er gin vrage!" riep Pallieter tot den veldwachter en dan tot de vrouw, terwijl hij haar twee frank gaf: "Lient mij oe orgel veur e kortieke, ik vraag gi geld, 'k mag dus spele! Allé vroem on den dans! 'k zal ik draaie want van e goe weer mut ne mensch profiteere! Hoep!" En hij pakte den draaier vast en draaide er mee dat het orgeltje er bijna van kraakte!

De vrouwen walsten opnieuw en de kinderen mee.

Pallieter was gelukkig, en met luide stem zong hij mee de voos van 't lustig lied.

SNEEUW

Pallieter zag alle uren van den dag de lucht in, om er wolken te vinden die sneeuw zouden strooien. Sneeuw, witte reine sneeuw, die het bar gezicht des winters verheugdigt, die alles wit maakt, en heel de zwarte aarde verjongt.

Neen, hij kwam niet, de sneeuw. Heelder dagen voeren dunne wolken door de lucht, voortgezweept door scherpen Noorderwind, die de rappe Nethe, de overstroomde beemden en de grachtjes had dichtgevrozen met ijs van vijf vingeren dik. Dat was een wellust! Een hoogtij voor Palieter en Marieke, dit glanzende, gladde ijs, waarop ze uren ver, los en vrij lijk de vogels, wiegden en streken!

Alle morgenden waren de ruiten met vreemde ijsbloemen besponnen, maar de kern van den Winter, de Sneeuw, de goede, vredige Sneeuw, hij zat ievers aan den Noordpool en verroerde niet.

Pallieter snakte ernaar lijk een zieke naar zoet weer. Hij zei: "Ne winter zonder snie is lak ne zomer zonder zon ..."

Maar in den nacht voor Kerstmis was de Sneeuw gevallen, zacht en ongezien, in dikke, vette vlokken, aanhoudend en menigvuldig, tot het morgend wierd ...

Pallieter, die nog van niets wist, was het eerst wakker geworden. Zijn eerst gedachte was aan Marieke, die schoon en rustig in zijn arm sliep, wakker te kussen, maar een wittigheid sloeg hem plots in de oogen, hij zag naar 't open venster en zie! de tak van den notenboom die zich altijd zoo zwart tegen de lucht afteekende, was glinsterend wit van sneeuw. Pallieter liet een kreet. Hij wipte zich op zijn hukken. Heel de wereld was besneeuwd! God, o God! Geestdriftig sprong Pallieter over Marieke uit het bed en liep naar het venster; een goede kou sloeg hem in 't gezicht. Hij kon niets zeggen van aandoening en geluk. Sneeuw, sneeuw, overal witte, dikke sneeuw! De verten, de velden, de hagen, de waterwegen, de boomen, hoeven, wegen en straat, alles wit en blank, versch uit den hemel gevallen, met al de frischheid en de jongheid van een kind!

En die witheid deed alle geruchten zwijgen en gaf een stilte van een kerk over heel de wereld.

Pallieter had die heerlijkheid in éénen oogopslag gezien; zijn hert sprong op, juichend schoot hij zijn broek aan en holde van de trap roepend: "Het Geluk, het Geluk!"

Hij wierp de deur open en wou de sneeuw inrollen, maar ach, 't lag daar zoo maagdelijk om zelfs door geen musschenpootje geschonden te worden.

"Eén moet toch den ieste zijn," zei hij, sloeg een kruisken, en buitelde dan in de sneeuw. Hij rolde overentweer, liep door de mollige, koude tapijten, sloeg en stampte er in, lijk een zwemmer doet in 't water.

Marieke was aan 't venster komen zien en riep opgewekt, de handjes kletsend:

"Och, hoe schoen! hoe wit, hoe wit!"

Een sneeuwbal vloog nevens haar hoofd de kamer in en zij gichelde het uit, omdat Pallieter haar niet geraakt had, en riep:

"Wacht ik kom meespele!"

Ondertusschen was Pallieter al begonnen met een sneeuwen vent te maken. Zij hielp hem; hij stapelde het logge lijf op en zij rolde door den sneeuw een bol, die allengskens grooter en grooter wierd. Dat was de kop, en met getweeën hadden ze allen last om hem op het lijf te zetten. Pallieter plaatste er een ouden hoed op van een musschenschrik, stak hem een bezem in de hand en duwde met den duim oogen, neus en tanden in het hoofd en daarbij nog een steenen pijp.

Ginder kwam Charlot van de mis.

"Stekt oe weg," zei Pallieter tot Marieke.

Ze verscholen zich achter eenen boom en maakten op voorhand sneeuwballen gereed.

Charlot was nu nog ééns zoo dik door de vele winterkleeren, onderrokken, jakken en slaaplijven. Ze droeg een sajette kappelin met groene glazen perels in, sokken en zware kloonen aan de voeten, een roode wollen sjaal met groene ruiten, rond het lijf, en aan den hals een vos konijnenpelsken. Ze glimlachte. Maar klets! een sneeuwbal vloog naar heur hoofd, die rats haar kappelin op zij-sloeg. Het mensch was zoo verschrikt dat ze op een loop schoot, zooveel haar dikkigheid het toeliet! Maar de ballen waren haar te rap en klets, klets, een van achteren op den kop, twee, drie tegen haar dikke beenen en op haren rug, en toen ze binnen liep sterde er nog een wit op open op haar breed achterste.

Op het luid en smakelijk lachen van Pallieter en Marieken kwam ze terug buiten en riep vol toorn:

"Zijde nie beschomd, ma zoe doen te verschiete! Amé, Amé ...man hert klopt lak 'n klok!...."

Ruw sloeg ze de deur toe.

Toen begonnen ze naar malkander sneeuwballen te werpen. Ze vlogen over end' weer, de ballen; ze sisten door de lucht, botsten tegeneen, braken tegen de boomen, tot er ten leste een in de ruiten vloog en het gebroken glas in het huis deed rinkelen. Daarop Charlot terug aan de deur aan 't sakkeren tegen den sneeuwvent, want Pallieter had zich achter de regenwaterton verstoken, en Marieke was langs achter binnengeloopen.

Grommend trok Charlot terug naar haar keuken.

Pallieter bleef alleen en wierp sneeuwballen naar den windwijzer; een vent die een neus zette naar den wind, naar de eiken saterskoppen, die den uitsprong van het ver vooruitstekend dak droegen, naar de kelen op het dak en naar de fruitmandekes gebeeldhouwd op den gevel.

"Kome koffe drinken!" riep Charlot. Doch alvorens binnen te gaan, waterde Pallieter nog eerst zijn naam in de sneeuw.

Pallieter rook den aangenamen koffiegeur en spoedde zich naar binnen. Gebakken hesp, met geklutste eieren over, werd smorend op de tafel gebracht en er werd van de koffie gedronken en van de hesp gegeten, dat de lippen en de vingeren blonken van het vet, en den toren tarweboterhammen moest Charlot driemaal achtereen opbouwen.

Daarbuiten lag de witte wereld, helder de verten en de kamer verlichtend. Stilaan kwam uit de pure witheid ook al het dagelijksche leven los. De over-Neetsche molen, witbekleed, begon te draaien op de grijze lucht, een boerken stapte klein en zwart over het buikveld, en een helder belgerinkel liep op den steenweg met een slede mee.

Zwarte vogels vlogen in kladden van den toren de witte velden in.

"We gaan rijë met de slee!" riep Pallieter, den mond vol eten; "'t is een echt fiest! Den hemel ligt oep de wereld...."

Allebei gingen ze zich aanduffelen, ieder een berenmuts over het hoofd en pelsen aan het lijf. Pallieter haalde de slanke slee van onder het karrenkot, en spande er vlug de goede Beyaard aan. Het peerd werd met groote koperen bellen behangen, die roerden en Zongen bij het minste asemke van het dier.

Pallieter wachtte naar Marieke en liet de kiekens buiten. Doch ze hadden nauw den sneeuw gevoeld, een keer of drie gepikt, of ze liepen terug in het kot zich bijeen klodderen. Alleen de struische, groene haan met ros-gouden kop vloog op de besneeuwde doornhaag, en kraaide van daar zijn sterk geklaroen over de stille, witte streek, hij sloeg zijn vleugels eens open en toe, en wandelde dan terug naar binnen, en toen eerst leefde uit de verre, witte eenzaamheid, in een ander dorp, hanengekraai terug.