Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen
Chapter 9
De opvolgers van Alfred konden over 't geheel niet in zijne schaduw staan; daardoor ging het met zijn werk als met dat van Karel den Grooten: veel goeds ging er verloren. De Denen, merkende, dat zijn sterke arm het zwaard niet meer hanteerde, werden van jaar tot jaar stoutmoediger. Toen er in 1002 een vreeselijk bloedbad onder hen werd aangericht, gaf dit hun' koning #Swen# aanleiding om de Engelschen wreeder dan ooit te tuchtigen. Zijn zoon #Kanut# of #Knoet#, die van 1016-1035 regeerde; maakte zich zelfs meester van het rijk en regeerde wel gestreng, maar toch ook rechtvaardig. Later (1041) kwam de regeering onder koning Eduard weder aan de Angelsaksische koningsfamilie, doch niet lang. Na zijn' dood toch maakte Willem de veroveraar, hertog van Normandië, aanspraak op den troon van Engeland. Het Engelsche volk begeerde den Normandiër niet, maar verkoos #Harald#, een aanzienlijk edelman, tot koning. Willem liet zich dit niet welgevallen; hij trok aan het hoofd van een machtig, weluitgerust leger in 1066 naar Engeland. In het zuiden van dit land, nabij de stad #Hastings#, kwam het tot een treffen. Meer dan eens stond de kans voor Willem zeer hachelijk. Na een dapperen aanval van de Engelschen weken de Noormannen, en het gerucht verbreidde zich, dat Willem gedood was. Dadelijk sprong hij voor den dag, hield de vluchtelingen tegen, rukte zijn' helm af en riep: "Ik leef en zal overwinnen!" Tegen den avond was hij werkelijk meester van het slagveld. Harald, zijne beide broeders en de bloem van den Engelschen adel dekten met hunne lijken het slagveld. Den 26 December van het jaar 1066 liet Willem zich tot koning van Engeland te Londen kronen. Weldra bleek het, dat hij een streng heer was; zijne Normandische krijgers gaf hij rijke ambten en bezittingen en verbitterde daardoor de Angel-Saksen. Ook voerde hij in Engeland het leenstelsel in, doch zorgde dat zijne leenmannen hem niet boven 't hoofd konden groeien. Op zijn uitdrukkelijk bevel moesten Fransche taal en zeden in Engeland ingevoerd worden; daardoor kwam er eene vermenging van de Fransche taal der overheerschers met de Germaansche taal der overwonnelingen tot stand, en deze gaf den oorsprong aan de nieuwere Engelsche taal.
35. HENDRIK I EN OTTO I.
In het jaar 911 overleed de laatste nakomeling van Karel den Grooten, die over Duitschland het bewind voerde. Hij heette #Lodewijk# en droeg den bijnaam #het kind#.
Gedurende zijne zwakke regeering en die van zijne meeste voorgangers verkeerde Duitschland in een hoogst ongelukkigen toestand. De leenmannen namen gaandeweg in macht en aanzien toe. Ze stoorden zich bedroefd weinig aan hunne zwakke leenheeren en deden, wat ze verkozen. De weinige vrijen, die tot dusverre hunne onafhankelijkheid hadden weten te bewaren, werden door den nood gedwongen hunne bezittingen in eigendom af te staan aan den een of anderen machtigen heer, die hen tegen ruwe aanvallen kon beschermen. Deze gaf hun dan die bezittingen als een erfelijk leen terug. Het recht van den sterkste heerschte in dien tijd onbeperkt. Tot nog grooter ongeluk deden de Noormannen, Slaven en Hongaren juist toen hunne verwoestende invallen. Nergens vonden zij een leger, dat hen op hunne plundertochten stuitte; want er was volstrekt geen eenheid in het rijk. Aan dien ongelukkigen toestand werd een einde gemaakt door #Hendrik I#, die van 919 tot 936 de teugels van het bewind in handen had. Vóor hem had #Koenraad van Frankenland# als koning geregeerd, doch dezen was het niet gelukt, zich door de machtige hertogen te doen eerbiedigen. Bij zijn' dood beval hij Hendrik, hertog van Saksenland, zijn grootsten tegenstander, als zijn opvolger aan. Zijne edelmoedige daad droeg heerlijke vruchten.
Hendrik toch was een man, naar lichaam en geest geschikt om te regeeren. Hij had een koninklijk voorkomen, was groot en breed van gestalte, bezat een scherp verstand en was bedachtzaam en vriendelijk. 't Duurde niet lang, of al de oproerige hertogen erkenden zijne oppermacht. Lotharingen werd door hem aan Duitschland gehecht, en de Wenden, die in het n.w. van het rijk invallen deden, werden onderworpen. Met de Hongaren sloot hij een' wapenstilstand van negen jaren, onder voorwaarde, dat hij hun eene jaarlijksche schatting zou opbrengen. Wel was dit zeer vernederend voor Duitschland; maar de Koning had daarvoor zijne goede redenen. De Duitschers waren nog te zwak om het wilde ruitervolk te weerstaan; hij nam echter dadelijk vele heilzame en goede maatregelen, om hen daarvoor geschikt te maken. In de eerste plaats was hij er op bedacht om de orde en de veiligheid in het rijk te herstellen; de roovers ging hij met zoo krachtige hand te keer, dat ze weldra uitgeroeid waren. Daar het land bijna overal open was, stichtte hij vooral aan de oostelijke grenzen van het rijk versterkte #steden# en #burchten#, waarin de landlieden in tijd van nood eene veilige schuilplaats konden vinden. Ten einde de steden bevolkt te krijgen, gebood hij, dat van negen landlieden éen, bij loting te bepalen, zich er in moest nederzetten. De menschen, die zich in een' burcht of burg metterwoon gingen vestigen, werden burgers genoemd en ontvingen van den vorst vele voorrechten, waardoor ze zich gemakkelijk in hun lot leerden schikken. Wijl de nederlagen, die de Duitschers van de Hongaren leden, vooral aan eene verkeerde wijze van oorlogvoeren waren toe te schrijven, bracht hij ook daarin eene groote verbetering. De zware wapens werden door lichtere vervangen, en, behalve voor voetvolk, zorgde hij voor geoefende ruiters.
Eindelijk waren de negen jaren verstreken. Daar kwamen de Hongaarsche gezanten bij Hendrik om de schatting op te eischen.
"Dat is al, wat ik voor u heb," zei Hendrik op vastberaden toon en liet hun meteen een verminkten hond aanreiken. De gezanten waren woedend en beloofden zich vreeslijk te zullen wreken. Ze lieten het niet bij het zeggen. Een groot leger Hongaren drong moordend en plunderend tot in het hart van Duitschland door. Niet verre van #Merseburg# had Hendrik zijn leger geposteerd; daar kwam het in 993 tot een' slag. De Koning gewende eerst zijne soldaten aan het gezicht en de krijgsbewegingen der Hongaren. Toen hunne woede jegens dit woeste volk was opgewekt, schaarde hij zijn leger in slagorde. Zijne woorden vuurden den moed der zijnen zoodanig aan, dat ze uitriepen: "Wij willen strijden voor Gods altaren, voor de eer des rijks en voor de veiligheid der onzen!"
Hevig en onwederslaanbaar was de aanval der Duitschers; maar ook de Hongaren hielden zich dapper. Op hunne vlugge rossen stoven zij op den vijand in, doch moesten wijken voor Hendriks dappere krijgers. De Hongaren delfden het onderspit; in allerijl sloegen ze op de vlucht en werden acht dagen lang door de overwinnaars achtervolgd, die in de legerplaats de gevangen vrouwen en kinderen juichend bevrijdden en er een onmetelijken buit vonden.
Drie jaren na deze schitterende overwinning overleed Hendrik; zijn zoon #Otto# werd tot zijn' opvolger gekozen en met groote pracht te Aken gekroond. Evenals zijn vader was hij een krachtig en wijs regent, die ten volle den bijnaam van den grooten verdient, hem door tijdgenoot en nakomeling geschonken.
Ontzag en eerbiedwekkend was Otto's voorkomen. Het doel van zijn leven en werken was het voorbeeld van Karel den Grooten ná te volgen. Evenals deze was hij een geducht vijand, die zijne tegenstanders ter neder wierp en verpletterde; berouwhebbenden daarentegen behandelde hij met onuitputtelijke grootmoedigheid. Hij was een voorstander van het recht en woonde nu hier, dan daar in het rijk om daardoor de eenheid tusschen de verschillende stammen te bevorderen. Hij bevorderde de uitbreiding van het Christendom; onder zijn bestuur werd het tot de Denen en de Slaven gebracht.
Jammer, dat deze groote vorst het grootste deel zijner regeering op het slagveld moest doorbrengen. Sommige Duitsche hertogen weigerden hem als opperheer te erkennen en moesten daartoe door de scherpte des zwaards worden gedwongen. Veel verdriet veroorzaakten hem de samenzweringen, die door zijn naijverigen broeder Hendrik tegen hem gesmeed werden om hem van troon en leven te berooven. Gelukkig wist hij ze alle te verijdelen en betoonde zich telkens vergevensgezind. De Wenden en de Denen werden door hem onderworpen, ja zelfs de Polen moesten zijne opperheerschappij erkennen.
Het hoogste doel van zijn wenschen, de keizerskroon, kwam ook in zijn bezit. Door de vervolgde koningin #Adelheid# ter hulp geroepen, snelde hij in 951 naar Italië, overwon de vijanden der schoone en deugdzame vrouw en nam haar ten huwelijk. Daardoor werd hij koning van Italië. Op een tweeden tocht (962) liet Otto zich tot keizer kronen. Sedert dien tijd droegen de Duitsche koningen den titel van keizer, ofschoon in den beginne slechts zij dien mochten dragen, die in Rome door den Paus waren gekroond.
In het jaar 955 waagden de Hongaren weder een verwoestenden inval. In onafzienbare scharen trokken de woeste roovers het land door en riepen: "Onze paarden alleen kunnen den oorlog wel ten einde brengen; zij zullen de Duitsche rivieren en meren uitdrinken en de dorpen en steden onder hunne hoeven verpletteren. De Duitschers zijn zeker verloren, tenzij de aarde zich voor hen opene of de hemel op ons neerstorte." In de nabijheid van #Augsburg# op het #Lechveld# kwam het tusschen het leger van Otto en de Hongaren tot een' slag. Het Duitsche leger was wel niet talrijk, maar vol vertrouwen op God. Voor het begin van den strijd gebruikte de Koning met zijne krijgers het heilige avondmaal. Hierop knielden ze neder en smeekten God om hulp. De slag nam nu een' aanvang. De Duitschers streden met heldenmoed. De vijand werd overhoop geworpen en maakte zich in wilde vlucht uit de voeten. Meer dan 100,000 krijgers dekten, volgens het volksverhaal, met hunne lijken het slagveld.
Sedert deze overwinning herhaalden de Hongaren hunne verwoestende invallen niet meer. Niet lang daarna namen ze het Christendom aan, en daardoor werden hunne zeden zachter en vredelievender. Otto de groote stierf in het jaar 973. In den dom te Maagdenburg rust zijn gebeente, en op de markt van die stad is een standbeeld te zijner eere opgericht.
36. KIJKJE IN DE MIDDELEEUWSCHE MAATSCHAPPIJ.
I.
In het begin der Middeleeuwen was een groot deel van West-Europa nog bedekt met groote, ondoordringbare wouden; slechts hier en daar merkte men eenige steden en dorpen op. De eerste hadden haar ontstaan vooral aan Romeinsche legerplaatsen te danken. De Germaan hield toen nog niet van het wonen in steden, die hij als gevangenissen beschouwde; hij leefde liever op zijne hoeve, te midden der vrije natuur. Daar was hij onbeperkt gebieder over al zijne onderhoorigen en lijfeigenen, die zijne akkers bebouwden en zijn vee verzorgden. Hij zelf bemoeide zich daar niet mee; hij hield zich enkel bezig met jacht en vischvangst en nog het liefst met den krijg, want de Germanen waren over 't geheel zeer oorlogzuchtig. Zij waren dan ook recht in hun element, wanneer zij onder hunne zelfgekozen aanvoerders ten strijde konden trekken en rijken buit behalen. Dat de landbouw tengevolge daarvan op een zeer lagen trap stond, is gemakkelijk na te gaan. Van de graansoorten werden alleen haver en gerst verbouwd; in de 6de eeuw na Christus kwam de rogge en in de 8ste eeuw de tarwe naar West-Europa. Aan bemesting stoorden de Germanen zich niet: de lijfeigenen waren te lui of te onwillig om zich op de verbetering van den grond toe te leggen; vandaar dat hij slechts karige vruchten opleverde. Eerst nadat sommige kloosterlingen zich met ijver op de verbetering van den landbouw toelegden en hunne landerijen gingen bemesten, kwam daarin eenige verandering. Het aantal steden nam vooral in Duitschland zeer toe, nadat de Saksische keizers hunne onderdanen dwongen daarin een verblijf te zoeken. Vooral was dit het geval tijdens de kruistochten, toen de vrijgeworden lijfeigenen zich bij een kasteel of klooster gingen neerzetten en om deze nederzettingen muren bouwden ter beveiliging tegen de aanvallen der vijanden. De steden van toen zagen er geheel anders uit dan de tegenwoordige. De straten waren smal en bochtig; de huizen hoog en somber; plaveisel en straatverlichting waren voor de 15de eeuw eene ongekende weelde. In de huizen zag het ook al zeer eenvoudig uit; langs de wanden stonden banken; schoorsteenen kende men niet; glasruiten waren zeer zeldzaam. Steenen huizen zag men weinig; alleen paleizen, kerken en kloosters waren van steen opgetrokken; de meeste gebouwen bestonden uit hout.
Toen de bewoners der steden, poorters genoemd, later door handwerken en handel rijk werden, nam de weelde verbazend toe; de banken werden vervangen door sierlijk gebeeldhouwde stoelen; de grond werd met prachtige tapijten en de wanden met groote kristallen spiegels versierd. Dit alles was eene navolging van hetgeen de Westerlingen tijdens de kruistochten in het Oosten hadden gezien.
De #spijzen# zouden ons zeer vreemd en walgelijk zijn voorgekomen. Behalve het vleesch van varkens, paarden enz. gebruikte men ook dat van ooievaars, raven en zeehonden, alsmede walvischtongen. Vorken waren voor de 16de eeuw onbekend; men bracht de vaste spijzen met de hand naar den mond.
Ook de #kleeding# verschilde veel van de onze. De mannen droegen nauwsluitende tot de voeten reikende broeken, een wambuis en lederen schoenen of klompen; slechts aanzienlijke lieden droegen een' rok. Alleen in den oorlog bedekte men het hoofd met een' helm; in vredestijd liep men ongedekt. Hemden kende men niet; den hals droeg men bloot.
Na de kruistochten kwam in deze eenvoudige kleedij eene groote verandering. Men zag nu de mannen korte zijden lijfrokken dragen, met goud doorwerkt; ook soms een overkleed van zijde of fluweel, omzoomd met kostbaar bont. Broek en kousen waren uit één stuk en van laken vervaardigd. Aanzienlijke vrouwen kleedden zich in een lang, slepend gewaad, met goud doorstikt, met paarlen en edelgesteenten bezet en met wapens versierd. De #wetten# waren in den beginne niet geschreven, maar berustten op aloude gebruiken en instellingen. Bij de Franken mocht men ten tijde van Karel den Grooten geen vrij man tuchtigen; iedere misdaad kon door eene boete, #weergeld# genaamd, afgekocht worden. Hoe onbillijk ons thans dit weergeld ook moge schijnen, het had toch deze goede zijde, dat de bloedwraak, die nog ten huidigen dage bij sommige Oostersche volken vreeselijke gevolgen na zich sleept, er door voorkomen werd. Een' moord op een gewonen vrije kon men afkoopen met 200, van een graaf met 600 en van een lijfeigene met 35 goudstukken. Voor elk lichaamsdeel, dat gewond werd, voor elk scheldwoord, dat men elkaar naar 't hoofd wierp, was eene boete bepaald. Onder voorzitterschap van een' graaf of schout kwamen de schepenen, gewoonlijk de aanzienlijkste bewoners eener gouwe, bijeen om het recht uit te spreken. Kon de onschuld van den beklaagde niet duidelijk in 't licht worden gesteld, dan moest hij zich onderwerpen aan een zoogenaamd godsoordeel, dat uit een tweegevecht, uit de water- of vuurproef of iets dergelijks bestond.
Wanneer iemand de waterproef moest ondergaan, werd hij in een groot met water gevuld vat geworpen. Dreef hij boven, dan was hij door God gericht en ontving de straf der schuldigen; zonk hij, dan werd hij onschuldig verklaard en op vrije voeten gesteld, zoo hij ten minste nog leefde.
De onveiligheid van leven en bezittingen was in de Middeleeuwen ongelooflijk groot. Nergens bijna was men zijn leven zeker. Vooral de weinige vrijen, die er na de invoering van het leenstelsel overbleven, hadden het zwaar te verantwoorden. De eene stad was bijna onophoudelijk in oorlog met de andere; vandaar dat de burgers, zelfs in de residentie van den Paus, hunne huizen versterkten met zware balken en ijzeren traliën. Sommige adellijke heeren maakten er een beroep van, weerlooze landlieden en vreedzame reizigers van al het hunne te berooven en te mishandelen. Gewoonlijk was er geene macht in de wereld sterk genoeg om de boosdoeners te vatten en naar verdienste te straffen. De geestelijkheid trachtte door den #Godsvrede# ten minste eenige verademing te verschaffen. Daarbij werd op straffe van den banvloek bepaald, dat men de twisten van Donderdag-avond tot Maandag-morgen moest laten rusten.
Die onveiligheid en de schaamteloosheid der booswichten riepen in Duitschland eene instelling in het leven, onder den naam van #veemgerecht# bekend. Het woord #veem# is, naar men zegt, afkomstig van een woord, dat zooveel beteekent als #verbannen#, #vloeken#.
Het veemgerecht bestond uit een' voorzitter, die #vrijgraaf# heette en uit minstens 14 #vrijschepenen#, die men ook #wetenden# noemde, omdat ze bekend waren met de geheimen der heilige veem. Door een vreeselijken eed waren de rechters gehouden te zwijgen. Wie desniettegenstaande een geheim verklapte of iemand, door het veemgerecht ingedaagd, het vluchten mogelijk maakte, werd op huiveringwekkende wijze ter dood gebracht. De veemrechters erkenden slechts den keizer van Duitschland als hun opperhoofd; hij werd daarom ook ingewijd in al hunne geheimen.
De rechters kwamen in 't geheim op de eene of andere afgelegene plaats, in een bosch of op eene heide, te zamen, eerst bij dag, later alleen bij nacht. Wanneer iemand, hoog of laag, eene misdaad begaan had, werd hij door een der vrijschepenen aangeklaagd. Den volgenden dag werd dan op de deur van den beschuldigde eene indaging vastgehecht, waarbij hij werd opgeëischt om zich op een bepaalden tijd voor het veemgerecht te stellen ter verantwoording. Voldeed hij niet aan dezen eisch, dan werd hij zonder vorm van proces door een' der veemvechters of een' zijner handlangers om het leven gebracht. Verscheen bij wel ter bestemde plaatse, dan werd hij geblinddoekt en langs vele slingerpaden voor vermomde rechters gebracht. Kon de beklaagde zich met grond vrijpleiten van de hem ten laste gelegde misdaad, dan werd hij op even geheimzinnige wijze weer weggeleid; zoo niet, dan werd hij ter dood veroordeeld en het vonnis dadelijk aan hem voltrokken.
In den beginne werkte het veemgereecht krachtig de bandeloosheid tegen; later ontaardde het. De betere inrichting der gewone rechtbanken, de grootere macht der vorsten om de misdaden te keeren en de ontaarding van het veemgerecht zelf veroorzaakten, dat het tegen het einde der Middeleeuwen van alle macht en invloed was beroofd.
II.
Ten einde wat nauwkeuriger met den maatschappelijken toestand in dit tijdvak der geschiedenis bekend te worden, is het noodig, dat we nog iets vertellen van enkele instellingen en inrichtingen, die in de Middeleeuwen ontstonden en bloeiden.
In de eerste plaats het #leenstelsel#. Wanneer dit is ingevoerd, valt moeielijk te zeggen; het is langzamerhand ontstaan.
Het bestond hoofdzakelijk hierin, dat vorsten of aanzienlijke personen stukken land, uitgestrekte bosschen of vischrijke wateren voor persoonlijk gebruik afstonden aan die lieden, welke hun den een of anderen dienst hadden bewezen. De gever werd #leenheer# (souverein), de ontvanger #leenman# (vasal) genoemd. In den beginne stonden de bezitters van een vrij eigendom (allodium) in rang boven de leenmannen. Dit veranderde, toen de leenmannen door de vorsten met de aanzienlijkste ambten werden begiftigd, en zij hunne leenen erfelijk en door aankoop, verovering of erfenis grooter maakten. De vrije mannen kregen het nu zwaar te verantwoorden; menig machtig leenman aasde op hunne bezittingen, en daardoor waren ze genoodzaakt, die in eigendom aan een machtig vorst of heer af te slaan om ze daarna in leen weer terug te ontvangen. Daardoor verwierven zij zich de bescherming van den leenheer; zij waren nu niet alleen verplicht om op te komen ter verdediging van het vaderland, maar moesten in alle omstandigheden bij de eerste oproeping van den leenheer met gewapende mannen hem ter hulpe snellen. Weldra vond men in 't grootste deel van Europa slechts _enkele_ leenheeren, _vele_ leenmannen en geestelijken en voor de rest enkel lijfeigenen, die vooral te platten lande een treurig lot hadden. Uit deze lijfeigenen kwam, ten gevolge der kruistochten, de burgerstand te voorschijn; terwijl de adel van den nieuwen tijd grootendeels afkomstig is van de leenmannen.
De erfelijke leenen werden verdeeld in #zwaard#- en #spille#- #leenen#, terwijl men op sommige plaatsen ook #zonneleenen# had. Een zwaardleen was een leen, waarbij alleen een man kon opvolgen; bij een spilleleen had ook eene vrouw daartoe het recht. De bezitter van een zonneleen was van niemand afhankelijk dan van God en de zon; het was dus eigenlijk geen leen, maar een vrij eigendom of allodium.
Eene andere eigenaardige instelling was het #ridderwezen#. Evenmin als van het leenstelsel kan men zeggen, #wanneer# of #hoe# het ontstaan is. Dit is zeker, dat het langzamerhand werd ingevoerd bij alle Germaansche volken. Even zeker is het, dat Hendrik I van Saksen de grondslagen voor het ridderwezen heeft gelegd, en dat de kruistochten veel tot den bloei er van hebben bijgedragen. Een #ridder# dan was iemand, hetzij van adel of niet, die in den strijd te paard zat, met helm en harnas bedekt. Hij moest het Christendom verbreiden, weezen, weduwen en ongelukkigen beschermen tegen alle verdrukking; hij moest het onrecht wreken en de eer der vrouwen verdedigen. Verder moest hij zich onderscheiden door ootmoed voor God, menschlievendheid, dapperheid in den strijd en hoffelijkheid jegens de vrouwen. Voorwaar! eene grootsche en moeielijke taak. In rang stonden de ridders boven alle adellijken, die den ridderslag niet hadden ontvangen; bij aanzienlijke feesten zaten ze aan afzonderlijke tafels; bovendien hadden ze het recht om anderen tot ridder te slaan. De zonen der ridders werden gewoonlijk tot hun zevende jaar aan de zorg hunner moeders toevertrouwd; vervolgens moesten ze tot hun 14de jaar als #edelknaap# of #page# de vrouw van een vreemden ridder dienen en ontvingen dan onderwijs in muziek en dichtkunst, in loopen, zwemmen, rijden, schieten en in den wapenhandel. Daarna moesten ze nog 7 jaren als #schildknaap# in dienst van een' ridder vertoeven en ontvingen nu de laatste voorbereiding voor hun later leven. Ze moesten de paarden van hunnen heer verzorgen, zijne wapens poetsen en hem aan tafel bedienen. Voorts moesten ze zich oefenen in den wapenhandel en de onafscheidelijke metgezel zijn van hunnen heer in den strijd. Had de schildknaap bewijzen van moed en bekwaamheid gegeven, dan volgde met veel plechtigheid de ridderslag.
Nu mocht hij deelnemen aan de #tournooien# of #steekspelen#, die door vorsten en aanzienlijke ridders werden gegeven, en waarop hij zijne kracht en behendigheid kon toonen. Behalve met steekspelen vermaakten de edelen en ridders zich met de jacht op herten, beren, vossen, wilde zwijnen enz. Bijzonder geliefd was de #valkenjacht#, of liever de jacht, die men met afgerichte valken op klein gedierte hield.
Al deze vermaken hadden slechts in den zomer plaats; in den winter leidden de edelen over het geheel in hunne burchten een zeer vervelend leven. Waarmee zouden ze zich bezig houden? Lezen en schrijven hadden ze niet geleerd; dat was goed voor geestelijken en monniken: een rijke bron van genot was dus voor hen gesloten. Wel konden ze zich soms eens verlustigen in de grappen van hunnen #nar# of potsenmaker, maar ook dit werd op den duur vervelend.
Gelukkig waren ze, wanneer een rondtrekkende zanger bij tijd en wijle door schoone liederen hunne verveling kwam verdrijven. De aanvankelijk zoo schoone instelling van het ridderwezen ontaardde later op verregaande wijze. We behoeven slechts te spreken van de roofridders om dit aan te toonen. Deze mannen belemmerden met hunnen drom van woeste krijgers dikwijls den handel der nijvere burgers en stroopten de om hun' burcht gelegen streken af. Meestal leefden ze onderling in voortdurenden krijg en stoorden zich aan wet noch orde.