Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

Chapter 8

Chapter 83,478 wordsPublic domain

Voor hij openlijk optrad, zonderde hij zich langen tijd in de eenzaamheid af, om over godsdienstige zaken na te denken. In het jaar 611 trad hij op onder zijn volk met de leer: "Er is maar één God en Mohammed is zijn profeet." In den beginne was zijn aanhang niet groot. Men lachte hem uit en vooral deden dit zijne eigene stadgenooten, de inwoners van Mekka. Zijne vrouw, zijn neef Ali en zijn schoonvader Aboe Beker waren zijne eerste volgelingen. Toen de aanhangers van Mohammed in aantal toenamen, werden zijne vijanden bevreesd en besloten hem te dooden. Mohammed werd dit gewaar en ontvluchtte de lagen zijner vijanden. In de stad #Medina# vond bij met zijne aanhangers eene veilige schuilplaats; de inwoners hoorden naar hem en bouwden de eerste moskee of tempel. Zijn aanhang nam nu zoo zeer toe, dat hij weldra aan de spits van een dapper leger naar Mekka optrok. Tegen zijne in geestdrift ontvlamde scharen was de stad niet bestand; zij gaf zich over en de inwoners moesten den #Islam# (zoo werd de leer van Mohammed genoemd) aannemen. Bij deze verovering bleef het niet; na korten tijd was geheel Arabië in de macht van den profeet. Zijne soldaten, die de verwachting op een hemel met allerlei zinnelijke genietingen tot de grootste doodsverachting voerde, waren onwederstaanbaar.

Nadat Mohammed tien jaren lang met het zwaard zijne leer had verbreid, ondernam hij eene groote bedevaart van Medina naar Mekka, begeleid door eene schaar van wel 100,000 geloovigen. Niet lang na zijne terugkomst begon hij te sukkelen, naar men wil, tengevolge van vergift, hem door eene Jodin toegediend, die de heiligheid van den profeet op de proef wilde stellen. Toen hij zijn einde voelde naderen, liet hij zich naar de moskee dragen en vermaande nog voor 't laatst het bedroefde volk. Hij stierf in 632 en werd te Medina begraven.

De leer van Mohammed is hoogst eenvoudig. Zijne volgelingen hebben aan 5 dingen te gelooven, n.l. aan God (Allah), aan zijne engelen en profeten (buiten Mohammed behooren tot deze laatsten: Adam, Noach, Abraham, Mozes en Christus); aan het laatste oordeel en aan de voorbeschikking d. i. het geloof aan de onveranderlijke, vooruitbepaalde noodwendigheid van alle menschelijke lotgevallen en daden.

De godsdienstplichten der Moslemin (geloovigen) bestaan volgens den Koran (d.i. het boek, waarin de leer van Mohammed is opgeteekend) in dagelijksch wasschen, bidden en vasten op bepaalde tijden en bedevaarten naar Medina en Mekka. De voornaamste deugden zijn: overgave aan, vertrouwen op en dankbaarheid jegens God. In den omgang met de menschen beveelt de Koran: eerlijkheid, dankbaarheid, trouw aan het eensgegeven woord, weldadigheid; strenge straffen bedreigt hij voor meineed, moord, woeker, spel en drank. Een ongelukkig voorschrift was, dat de Mohammedanen hun geloof met het zwaard moesten uitbreiden. "Het zwaard," zegt hij, "is de sleutel van den hemel."

Mohammed's opvolgers, #Khalifen# genoemd, veroverden weldra Palaestina, Syrië, Aegypte, Perzië en Afrika's noordkust. Overal moest het kruis wijken voor de halve maan. Zoo staken de Arabieren of Mooren, zooals ze in 't N. van Afrika genoemd werden, geroepen door de twistende Westgothische vorsten, zelfs naar Spanje over, maar--daarvan in een nieuw hoofdstuk.

32. SPANJE IN DE MIDDELEEUWEN.

In het jaar 711 werd in het Z. van Spanje, in de nabijheid van k. Trafalgar, een veldslag geleverd, die 7 dagen duurde, tusschen de uit Afrika overgestoken Arabieren onder #Tarik# en de West-Gothen onder hunnen koning #Roderik#. Gewichtig waren de gevolgen van dezen slag. Roderik werd geheel verslagen en het Spaansche schiereiland, behalve de bergachtige streken van Gallicië, Asturië en Biscaye, viel in de handen der Arabieren of Mooren. In de pas genoemde streken trokken de West-Gothen zich terug, wachtende op den geschikten tijd om het hun ontroofde weer te heroveren.

De Arabieren, blakende van ijver voor hun Mohammedaansch geloof, waren met Spanje alleen niet tevreden; zij poogden zich ook meester te maken van Frankrijk, maar werden in 732 tusschen #Tours# en #Poitiers# door den hofmeester #Karel Martell# volkomen geslagen.

De Arabische vorsten in Spanje waren tot het jaar 755 geheel afhankelijk van de #khalifen#, die als opvolgers van Mohammed het groote Arabische rijk bestuurden; na dien tijd vestigden zij er een onafhankelijk rijk. #Cordova#, aan den Guadalquivir, werd daarvan de hoofdstad. Deze stad werd door de Mooren tot een der prachtigste steden van Europa gemaakt. Volgens een verhaal, dat zeker niet van overdrijving is vrij te pleiten, was zij 5 uren lang en 3 uren breed, telde 600 moskeën en bezat prachtige wit marmeren paleizen, omgeven van de sierlijkste tuinen. De #Alcazar# of Koningsburcht, op een heuvel gelegen, muntte boven alle gebouwen uit in schoonheid.

Terwijl de overige volken van Europa meest allen nog zeer onbeschaafd en ruw waren, begon het in Spanje reeds geheel anders uit te zien.

Onder de Moorsche vorsten had men voortreffelijke regenten, die den bloei des lands en de welvaart der bewoners door goede maatregelen bevorderden. Kunstenaars en geleerden werden aangemoedigd en ondersteund. Vooral bloeiden de dicht- en bouwkunst, de geneeskunde, sterrekunde en wiskunde.

De Christenen hadden over 't geheel in Spanje niets te klagen; zij mochten ongehinderd en in 't openbaar hun' godsdienst uitoefenen en gingen niet gebukt onder zware belastingen. Wel werden zij soms hevig vervolgd, maar hadden er dan ook dikwijls zelven aanleiding toe gegeven.

Den hoogsten trap van bloei bereikte het khalifaat van Cordova onder #Abd Errahman# III, die van 912-961 regeerde. In zijn' tijd was de roem, die van de Arabische scholen en geleerden uitging, zoo groot, dat zelfs Christenen het niet beneden zich rekenden om in Spanje wijsheid op te doen. Zoo verhaalt men van een' Franschman #Gerbert#, die later als Sylvester II den pauselijken zetel beklom, dat hij in Spanje ter schole ging. In het volle gevoel zijner macht verwisselde #Abd Errahman# den titel van #emir# met dien van #khalif# en #opperhoofd der geloovigen#.

Niet lang na hem begon de macht der Mooren af te nemen. De West-Gothen drongen uit hunne gebergten steeds voorwaarts en ontrukten hun het eene stuk lands na het andere, waarvan kleine vorstendommen werden gemaakt. Toen nu in 1031 het khalifaat van Cordova zich oploste in verscheidene kleine Moorsche koninkrijken en de vroegere eensgezindheid geweken was, nam de macht der Christenen gestadig toe. Van weerszijden werd er met verbittering gestreden; men beschouwde het als een Godwelgevallig werk elkander elken duim breed gronds te betwisten. In deze oorlogen maakte een zekere #Rodrigo Diaz#, bijgenaamd de Cid (heer) zich door zijne heldendaden beroemd.

In het jaar 1236 moest Cordova bukken voor de macht van den koning van Castilië. De Mooren hielden zich evenwel nog twee en een halve eeuw staande in #Granada#, eene stad, die, evenals Cordova, kon bogen op de prachtigste gebouwen. Nog heden ten dage staren de reizigers vol bewondering op de ruïnen van het eens zoo schoone en groote paleis, de #Alhambra#.

Langzamerhand hadden de Christenen in Spanje drie koninkrijken gesticht n.l. #Castilië#, #Arragon# en #Portugal#. In het laatst der 15de eeuw huwde koning #Ferdinand# van #Arragon# met koningin #Isabella van Castilië# en daarmee was de grondslag gelegd voor Spanje's toekomstige macht. De Mooren ondervonden die in het jaar 1492, toen hun laatste bolwerk, Granada, zich aan het vereenigde leger van Ferdinand en Isabella moest overgeven. Bij de overgave werd den Mooren volkomene vrijheid van godsdienst toegestaan. De Christenen kwamen hunne beloften slecht na. Eerst trachtte men de Mooren door overreding, en toen dit niet baatte, door geweld tot het Christendom te bekeeren. Velen hunner verlieten liever het land, waar ze waren geboren en staken naar Afrika over; anderen gingen in schijn tot de Christelijke kerk over en werden Morisco's genoemd.

Onder Philips II kwamen de Morisco's in opstand, omdat deze hun wilde dwingen afstand te doen van hunne eigenaardige taal, zeden en gewoonten; zij werden evenwel door Philips halfbroeder, #Don Jan van Oostenrijk#, weder tot onderwerping gebracht.

Om de schijn-christenen onder de Mooren op te sporen werd de #inquisitie# of de rechtbank van geloofsonderzoek ingesteld. Toen evenwel het eene noch het andere baatte, gaf Philips III in 1609 bevel, dat de nog aanwezige afstammelingen der Mooren het land moesten ruimen.

Achthonderd duizend Mooren verlieten toen hun vaderland en staken naar Afrika over, waar velen zich als zeeroovers op hunne onderdrukkers trachtten te wreken. Spanje kreeg daardoor een grooten knak; bloeiende steden en dorpen werden ontvolkt; lachende streken, door gemis aan werklieden, veranderd in woestijnen. Ook den Joden trof een dergelijk lot. Dezen vonden in andere landen, vooral in Nederland, (Portugeesche Joden) eene veilige schuilplaats.

33. KAREL DE GROOTE.

(768-814).

Tijdens de volksverhuizing maakten de Franken zich meester van Gallië. Van het eerste stamhuis, het #Merovingische#, dat over hen regeerde, is alleen #Clovis# merkwaardig. Deze vorst, die van 481-511 op den troon zat, vernietigde het laatste overblijfsel van de Romeinsche macht in Gallië, overwon de Allemannen aan den Rijn, drong de West-Gothen over de Pyrenaeën en liet zich met vele zijner onderdanen doopen.

Grooter dan Clovis was #Karel de Groote#, naar wien het tweede stamhuis, het #Karolingische#, zijn' naam ontving. Hij was een zoon van #Pepijn den Korten#, die eerst hofmeester bij den laatsten Merovingischen koning was, maar later door de Frankische grooten tot koning verkozen en door den Paus gezalfd werd. Pepijn liet twee zonen #Karloman# en #Karel# na, die volgens de gewoonte der Franken ieder een deel van het rijk ontvingen. Na zes jaren stierf Karloman en Karel werd alleenheerscher.

Naar lichaam en geest was Karel waardig aan het hoofd eener dappere natie te staan. Hij was breed en krachtig van lichaamsbouw, zeven voet groot en had eene edele, eerbiedwekkende houding. In alle lichaamsoefeningen, zooals rijden, jagen, en zwemmen was hij volleerd; in kracht durfde niemand zijner onderdanen zich met hem meten. Zijne oogen waren helder en doordringend; zijn stem was duidelijk en aangenaam; zijne kleeding eenvoudig en krijgshaftig; hij versmaadde allen vreemden tooi en opschik.

Meer nog dan door zijn uiterlijk voorkomen, beheerschte hij de menschen door de kracht zijns geestes. Begaafd met een vasten wil, een doordringend verstand en een juist oordeel, zoowel over groote als kleine zaken, bezat hij tevens een hart, dat blaakte voor het geluk en de beschaving zijner onderdanen. Tegenspoed kon hem niet ontmoedigen, voorspoed hem niet hoogmoedig maken.

Het doel van zijn werken en streven was: #de vereeniging van alle Germaansche stammen onder één bestuur#. De Christelijke godsdienst zou de band zijn, die allen omslingerde. Dit doel heeft hij door allerlei middelen trachten te bereiken, al kostte het ook stroomen bloeds. Het grootste deel zijns levens bracht Karel in oorlogen door. Reeds dadelijk bij het aanvaarden zijner regeering moest hij oorlog voeren tegen de #Saksen#, een der machtigste Germaansche stammen, die aan de oostelijke grenzen van zijn rijk woonden. Deze Saksen, heldhaftig van aard en gehecht aan hun alouden godsdienst, deden soms invallen op het Frankische gebied. Karel trok tegen hen op, drong diep in hun land door en dwong hen den Christelijken godsdienst aan te nemen. Maar op dit dappere volk viel weinig staat te maken. Zoodra waren de Frankische legers niet uit hun land vertrokken, of zij stonden weder op, verdreven en doodden de zendelingen, haalden de Christentempels omver en richtten hunne heidensche altaren weder op. Vooral onder hunne dappere aanvoerders #Wittekind# en #Alboïn# streden ze dikwijls met goed gevolg. Eerst nadat Karel in 782 te #Verden# aan de Wezer 4500 Saksen op één dag had laten onthoofden en 10000 met vrouwen en kinderen naar een ander deel van zijn gebied had verbannen, was de tegenstand gebroken. Op het voorbeeld van Wittekind legden ze eindelijk de wapens neder en lieten zich doopen (785).

Ook in Italië en Spanje voerde Karel oorlogen. In 't eerstgenoemde land onderwierp hij Desiderius, koning der Longobarden, die den paus telkens het leven lastig maakte. Een deel van Desiderius gebied schonk hij aan dezen kerkvorst, die daardoor zeer in macht en aanzien toenam. In Spanje, kreeg Karel ter belooning voor de hulp, aan een Arabischen khalif bewezen, het land, tusschen den Ebro en de Pyrenaeën gelegen (Spaansche mark).

Toen hij in den kerstnacht van het jaar 800 te Rome in de St. Pieterskerk bad, zette paus Leo III hem onder de toejuiching van het verzamelde volk de keizerskroon op het hoofd, onder het uitspreken van deze woorden: "Leven en overwinning aan keizer Karel, den doorluchtige, den van God gekroonde, den groote, den vredestichter, den Romeinschen keizer."

Tengevolge van zijne overwinningen verkreeg Karel een rijk, dat zich uitstrekte van den Oder tot den Ebro en van de Noordzee tot de Middellandsche zee.

Met meer recht dan wegens zijne overwinningen mag Karel den bijnaam van den grooten dragen, door hetgeen hij deed ter beschaving en verlichting van zijne onderdanen. Hij zorgde voor de invoering van goede wetten, waardoor zoowel de arme als de rijke ongestoord bezitter van zijn eigendom werd. Mannen, zendgraven genoemd, bezochten op zijn bevel alle deelen van zijn gebied om te onderzoeken of de rechters hun plicht deden. Met al zijne macht bevorderde hij den bloei van den handel en den landbouw. Daartoe liet hij goede wegen aanleggen, kanalen graven en bruggen over rivieren slaan. Onder zijn rechtvaardig en streng bestuur verdwenen de roovers, die voorheen de wegen onveilig hadden gemaakt. De handwerken moedigde hij aan; zelf droeg hij nooit andere kleeding, dan die in zijne staten was vervaardigd. Kunsten en wetenschappen vonden in hem een ijverig beschermer; op gevorderden leeftijd leerde hij nog schrijven en gaf zoo een goed voorbeeld aan zijne edelen, die de wetenschappen verachtten. Groote geleerden als #Alcuinus#, #Eginhard# en #Angilbert# lokte hij aan zijn hof, onderhield zich gaarne met hen en stelde het hoogste belang in hunne gesprekken en hun onderwijs.

Kerken en kloosters verrezen op vele plaatsen op zijn bevel; hij verplichtte de geestelijken om scholen op te richten ter onderwijzing der jeugd. Zorgvuldig liet hij de oude gedichten der Duitschers opschrijven en verzamelen. We zouden te uitvoerig worden, wanneer we al de groote verdiensten van Karel wilden opnoemen. Het aangevoerde is voldoende om te bewijzen, dat hij niet alleen een #groot krijgsman#, maar ook een #uitstekend regent# was. Als mensch was Karel voorzeker niet vrij van gebreken, maar, gerekend naar den tijd, waarin hij leefde, waren deze betrekkelijk zeer klein.

De groote man bereikte den ouderdom van 71 jaar. Na eene 46 jarige regeering stierf hij te Aken, waar hij evenals te Nijmegen (Valkhof), Regensburg en Frankfort gaarne zijn verblijf hield. (814) Zijn zoon en opvolger #Lodewijk de Vrome# evenaarde hem wel in ijver voor den Christelijken godsdienst, maar miste geheel en al de groote talenten van zijn' vader. In 817 verdeelde hij reeds het rijk onder zijne drie zonen: Lodewijk, Pepijn en Lotharius. Toen hij later ten gunste van een vierden zoon Karel, de Kale bijgenaamd, een nieuwe verdeeling wou invoeren, stonden zijne oudste zonen tegen hem op en berokkenden hem veel verdriet. Later gingen ze ook onderling oorlogvoeren en brachten het rijk daardoor deerlijk in verwarring, totdat het #verdrag van Verdun# (843) daaraan een einde maakte. Daar Pepijn in 840 was gestorven, verdeelden de overgeblevene zonen het rijk aldus: #Lotharius# kreeg de keizerlijke waardigheid en Middel-Frankrijk of #Lotharingen# (het land tusschen den Rijn, de Rhône, de Maas en de Schelde), #Lodewijk# kreeg Oost-Frankrijk of Duitschland en #Karel de Kale# West-Frankrijk of Frankrijk. Het deel van Lotharius kwam later bijna geheel aan Duitschland.

34. TWEE ENGELSCHE KONINGEN.

In dezelfde eeuw, waarin Karel de Groote stierf, zag #Alfred de Groote# het levenslicht. Evenals aan Karel heeft men hem en wel met volle recht den bijnaam van den grooten gegeven. Wat Karel deed voor de Franken, heeft Alfred in niet mindere mate gedaan voor de Engelschen.

Vroeger hebben we vermeld, dat de Angelen en Saksen zich meester maakten van Engeland en er 7 kleine koninkrijken stichtten, die omstreeks 827 door koning #Egbert van Wessex# tot één rijk werden vereenigd. Die vereeniging was een geluk voor Engeland. Omstreeks dien tijd toch begonnen de Noormannen of Denen, zooals ze in Engeland genoemd werden, hunne verwoestende invallen in het rijk. Evenals in andere landen werd ook hier de weg, dien de Noormannen gevolgd hadden, aangewezen door verbrande dorpen en steden, verwoeste velden en uitgeplunderde inwoners. Nu is het licht te begrijpen, dat één machtig koning beter de Noormannen kon weerstaan, dan 7 onbeduidende vorsten. Toch hadden sommige koningen het zwaar te verantwoorden, ja zelfs was Engeland wel eens geheel in de macht der Denen.

Alfred werd geboren in het jaar 849. Op vijfjarigen leeftijd nam zijn vader #Ethelwulf# hem mede naar Rome en liet hem daar, zeer tegen den zin zijner oudere zonen, door den Paus tot koning zalven. Na den dood zijner 4 broeders, onder wier bestuur Engeland verschrikkelijk van de Denen had te lijden, beklom Alfred den troon (871-901). Met blijdschap werd hij door zijne onderdanen als koning gehuldigd, want men had groote verwachtingen van hem, niet alleen omdat hij dapper en onverschrokken, maar ook edel en wijs was. In de eerste jaren van zijn bestuur brachten de Denen hem vele nederlagen toe. Wel behaalde hij eene enkele maal de overwinning, maar dan kwamen er telkens weer groote scharen van vijanden over de zee, die hem al meer in het nauw brachten. Ten laatste bleef er slechts eene enkele provincie in zijne macht. Nu was zijn toestand hopeloos. Vele zijner getrouwste vrienden verlieten hem en onderwierpen zich aan de Denen. Alfred verloor den moed niet; als herder verkleed verborg hij zich voor zijne vijanden in een afgelegen deel des lands. Volgens de overlevering zat hij eens in de hut van een' koeherder bij het vuur en hield zich onledig met het vervaardigen van boog en pijlen. De huismoeder, die niet wist, wie haar gast was, gaf hem bevel op het brood te passen, dat ze in den oven gedaan had. Doch Alfred peinsde onophoudelijk op de middelen om zijn land van de Denen te verlossen, en daardoor dacht hij niet aan het brood, dat begon te verbranden. Toen de huisvrouw die ondertusschen weer binnen gekomen was, dit merkte, riep ze toornig uit: "Luie kerel, die ge zijt! Het brood eten, kunt ge, maar om het te bakken, daartoe zijt ge te dom."

Nadat zijne vijanden hunne nasporingen moe waren geworden, verliet Alfred deze schuilplaats en begaf zich met eenige getrouwen naar een burcht, die in een door moerassen en wouden ontoegankelijk oord lag. Weldra kwamen er vele dappere en vaderlandslievende mannen tot hem, zoodat hij met een klein legertje den vijand kon aanvallen en buit bemachtigen. Om met de plannen en strijdkrachten der Denen bekend te worden, verkleedde hij zich, volgens het volksverhaal, als harpspeler, ging onverschrokken naar het vijandelijk leger en verrukte de soldaten door zijn heerlijk gezang en snarenspel. Meteen had hij nu eene schoone gelegenheid om de legerplaats der vijanden op te nemen. Nadat hij zijne maatregelen goed genomen had, riep hij bij hoorngeschal de edelen en vrijen van zijn volk op ten strijde. Jubelend schaarden dezen zich onder de vanen van den geliefden vorst, dien ze reeds gestorven waanden.

Heftig was de aanval op het Deensche leger; langen tijd stond de kans twijfelachtig, tot eindelijk Alfred en de zijnen de overwinning behaalden. De Denen, die in leven waren gebleven, moesten het Christendom aannemen en kregen verlof zich in Oost-Angelen en Northumberland te vestigen.

Alfred nam nu gepaste maatregelen om de invallen der Denen niet alleen af te weren maar ook te voorkomen. Langs de kusten, vooral daar, waar de vijanden gewoonlijk eene landing beproefden, werden burchten aangelegd. Hij liet eene vloot bouwen, uit groote vaartuigen bestaande en bemand met dappere, geharde Saksen en Friezen. Deze vloot moest ten allen tijde gereed zijn om zee te kiezen en de vloot der Denen van de kusten te houden.

Niettegenstaande deze maatregelen deden de Denen in 893 weer opnieuw met groote overmacht een' inval, doch na een hardnekkigen oorlog, die 3 jaren duurde, werden ze verjaagd en waagden zich tijdens het leven van Alfred niet weder in Engeland.

Zoo was Alfred de redder en verlosser van zijn volk. Maar hij liet het daarbij niet blijven. Zooveel in zijn vermogen was, trachtte hij zijn volk op te heffen en te veredelen. Oude, goede wetten werden opnieuw door hem ingevoerd; veiligheid en orde overal hersteld, zoodat men, zooals de geschiedschrijvers verhalen, eene beurs op den weg kon laten liggen, zonder vrees te voelen, dat zij weggenomen zou worden. De geestelijkheid werd door hem bevoordeeld, mits zij haren plicht deed. Scholen en kerken verrezen overal onder zijn bestuur; landbouw en nijverheid werden krachtig door hem aangemoedigd. Om den handel te bevorderen zond hij schepen uit ter ontdekking van onbekende landen; wetenschap en kunst, die hij zelf ook gelukkig beoefende, vonden in hem een milden beschermer. Door eene juiste verdeeling van den tijd was het hem mogelijk buitengewoon veel te verrichten. Zijne oprechte vroomheid, rechtvaardigheid en voorkomendheid openden hem aller harten, en 't was dus niet te verwonderen, dat hij diep betreurd werd door zijn volk, toen hij den 28 October 901 ten grave daalde.

Niet zooveel goeds kunnen we meedeelen van Willem den Veroveraar, een vorst, die ruim anderhalve eeuw later leefde dan Alfred.