Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen
Chapter 7
Op Galba volgde reeds in 't volgende jaar #Otho#, die maar 3 maanden keizer bleef en opgevolgd werd door #Vitellius#, een man, slecht van hart en onbekwaam als regent. Nu riepen de troepen in het Oosten hun' veldheer #Vespasianus# tot keizer uit. Deze lag juist met zijn leger voor de stad Jeruzalem. De Joden, het geterg der Romeinsche stadhouders moede, waren onder Nero in opstand gekomen. Na een driejarigen strijd waren zij door Vespasianus beperkt tot hunne hoofdstad en deze verdedigden zij met wanhopige woede. Vespasianus begaf zich nu naar Italië en stelde zijn zoon Titus aan tot opperbevelhebber. In de lente van het jaar 70 n. C. besloot deze Jeruzalem door storm te veroveren. De verdeeldheid, die er onder de belegerden heerschte, de honger en het gebrek, die tot eene onbeschrijflijke hoogte waren geklommen, kwamen de Romeinen te hulp. Titus bood eerst nog vergiffenis aan, wanneer de Joden hunne stad wilden overgeven, maar ze wezen die verachtelijk van de hand. De ééne muur en de ééne toren na den anderen werden nu veroverd. Toen nu ook de burcht Sion en de tempel in des vijands macht waren gevallen, kon er van geen verzet meer sprake zijn. De stad Jeruzalem werd geslecht, de bewoners òf gedood òf tot slaven gemaakt. De prachtige tempel, dien Titus wilde sparen, werd door de roekeloosheid van een Romeinsch soldaat eene prooi der vlammen. (70 n. C.) In hetzelfde jaar werd een ander klein volk, de Batavieren, die onder Claudius Civilis zich tegen Rome hadden verzet, weer onderworpen.
#Vespasianus# (69-79) was, vergeleken met zijne slechte voorgangers, een uitmuntend keizer. Hij herstelde de orde in het rijk, was spaarzaam en moedigde kunsten en wetenschappen aan. Zijn zoon #Titus#, (79-81) die, voor hij keizer werd, een losbandig leven had geleid, regeerde zoo voortreffelijk, dat zijne tijdgenooten hem noemden: #de liefde en wellust van het menschelijk geslacht#. En hij verdiende dien titel. Hij noemde elken dag verloren, waarop hij geene gelegenheid had gehad, op keizerlijke wijze milddadig te zijn. Toen men hem eens onder 't oog bracht, dat hij te goedhartig was en daardoor ook onwaardigen beweldadigde, zeide hij: "Van een' vorst mag niemand met een treurig gezicht weggaan." Jammer, dat zijne regeering zoo kort duurde en nog gekenmerkt werd door groote rampen. Behalve dat hongersnood en pest verschillende deelen van het rijk teisterden, werden in het jaar 79 door de uitbarsting van den Vesuvius drie steden: #Herculaneum#, #Pompeji# en #Stabiae# onder asch en lava bedolven. Sedert menschenheugenis had de vulkaan niet gebraakt, en daardoor was men zorgeloos geworden. Oofttuinen, wijngaarden en villa's overdekten de vruchtbare hellingen des bergs, en aan den voet blonken de drie steden uit door weelde, rijkdom en welvaart. Daar verheft zich op den 24 Aug. eene wolk van ongewone grootte uit den Vesuvius, en weldra valt eene ontzaglijke massa asch en steenen neder. Aardbeving op aardbeving doet de hechtste en stevigste gebouwen instorten. Steeds heviger wordt de aschregen; voeten hoog bedekt de asch den omtrek, en weldra neemt een stroom van gloeiende lava zijn' weg over de prachtige velden. Toen de zon den volgenden dag het tooneel der verwoesting bescheen, waren de drie bloeiende steden van de aarde verdwenen. Een beroemd natuurkundige, #Plinius de oude#, die zich te dicht bij het tooneel der verwoesting waagde, werd het slachtoffer van zijne zucht naar kennis. In latere eeuwen is het gelukt Herculaneum en Pompeji weder op te delven; de eerste stad sinds 1713, de tweede sedert 1748. De huizen en meubels zijn goed bewaard gebleven, dank zij de dikke laag asch, die de verbranding door de gloeiende lava tegenhield. Men kan in deze steden dus aanschouwelijk zien, hoe de Romeinen te dien tijde leefden, hoe hunne woningen eruitzagen, welke gereedschappen zij gebruikten, welke spijzen zij nuttigden enz. Daardoor is men tot de kennis van veel wetenswaardigs gekomen.
Titus stierf in het jaar 81, naar men zegt tengevolge van vergif, hem toegediend door zijn wreeden broeder #Domitianus#.
29. EENE VERDRUKTE SECTE TOT EER VERHEVEN.
Constantijn de Groote (323-337).
Toen Augustus keizer van 't Romeinsche rijk was, werd in de kleine stad Bethlehem in Judea Jezus Christus, de stichter van den Christelijken godsdienst, geboren. Hoewel gering en onaanzienlijk naar de wereld, heeft hij voor de beschaving, veredeling en verbetering van ons geslacht meer gedaan dan al de keizers van het machtige Romeinsche rijk te zamen. Op zijn dertigste jaar trad hij openlijk als leeraar onder zijn volk op. Doch, wijl hij alle menschen, hetzij ze rijk of arm waren, onverbloemd de waarheid deed hooren, haalde hij zich den haat van velen op den hals, die het eindelijk zoo ver wisten te brengen, dat hij gevangengenomen en gekruisigd werd. Met zijn' dood verdwenen zijne beginselen en zijn geest niet van de aarde. Tijdens zijn leven had Jezus twaalf leerlingen om zich verzameld, die later zijn' godsdienst, het Christendom, niet alleen in Palaestina maar ook in andere landen predikten. Zoo werd het Christendom weldra ook in Europa, onder de beschaafde Grieken en Romeinen verkondigd. Vooral armen en verdrukten namen begeerig een' godsdienst aan, die zich bovenal de aankweeking van algemeene menschenliefde ten doel stelde. Hevige vervolgingen hadden de Christenen van sommige Romeinsche keizers door te staan. Ze werden als honden geslagen, gemarteld en gedood. Duizenden verloren hun leven op den brandstapel, aan het kruis of op eene andere barbaarsche wijze. Doch het bloed der martelaren bleek het zaad der kerk te zijn. Hoe meer de Christenen werden vervolgd en onder hunne vervolging nog liefde voor hunne vijanden en een onbezweken geloofsmoed aan den dag legden, des te grooter werd hun aantal. De vervolgingen hadden verder nog dit gunstig gevolg, dat de Christelijke gemeente bevrijd bleef van dezulken, die alleen uit eigenbelang zich bij haar aansloten. In de vierde eeuw kwam er verademing voor de verdrukte Christenen. Ze hadden dit te danken aan #Constantijn den Grooten#, een man, die als een der bekwaamste keizers van Rome bekend staat.
Constantijn had, vóór hij aan de regeering kwam, vele mededingers te overwinnen. Zijn' voorspoed in den oorlog had hij vooral aan de krachtige hulp der Christenen te danken, die in grooten getale in zijne legers dienden. Vandaar dat hij zeer gunstig jegens hen gestemd was, waartoe zeker ook zal hebben bijgedragen, dat zijne moeder Helena eene Christin was.
Anderen schrijven zijne gunstige gezindheid toe aan een buitengewoon verschijnsel in de lucht, dat hij zou hebben waargenomen. Toen hij namelijk met zijn leger tegenover dat van zijn' mededinger #Maxentius# stond, wendde hij zich in een vurig gebed tot God om bijstand. En ziet! er gebeurde een wonder. Op klaarlichten dag meende Constantijn boven de zon het teeken des kruises te zien staan, met dit opschrift: "In dit teeken zult gij overwinnen." Groot en verschillend was de uitwerking van dit verschijnsel. De Heidenen vreesden er het ergste van; de Christenen werden vervuld met vroolijken moed. Daardoor gesterkt trokken ze naar Rome en veroverden de stad na een bloedig gevecht.
Wat er van dit verhaal ook zij: zeker is het, dat Constantijn na zijne overwinning zijn leger een nieuwen standaard gaf in den vorm van een kruis, #labarum# genoemd. De Christenen konden zich sedert dien tijd in zijne veelvermogende bescherming verheugen. Jegens de Heidenen was hij verdraagzaam; zij mochten als van ouds hunne goden vereeren.
In het jaar 330 verplaatste hij den zetel der regeering van Rome naar Byzantium, dat naar hem #Constantinopel# werd genoemd. Deze stad werd door hem met vele prachtige paleizen en trotsche kerken versierd en begon weldra zoo te bloeien, dat zij het oude Rome in de schaduw stelde.
Helena, de vrome moeder des Keizers, liet boven de plaats, waar men vermoedde, dat Jezus begraven was, eene prachtige kerk bouwen, die nog in wezen is.
Nadat Constantijn het Christendom tot godsdienst van den staat had verklaard, kwam het Heidendom in minachting; en velen haastten zich een' godsdienst aan te nemen, waardoor ze den keizer welgevallig werden. De Christelijke kerk werd daardoor niet beter. De oude reinheid van zeden, nederigheid en godsvrucht maakten dikwijls plaats voor heidensche losbandigheid, hoogmoed en praal.
Constantijn, hoewel een beschermer der Christenen, bleef den titel behouden van opperpriester; ook gaf hij soms blijken van wreedheid en bijgeloof. Zoo liet hij zijn eigen hoogbegaafden zoon Crispus en zijne gemalin Fausta om het leven brengen. Eerst, toen hij op 65 jarigen leeftijd zijn einde voelde naderen, liet hij zich doopen. Den 22 Mei 337 blies hij den laatsten adem uit.
30. EEN WOEST VOLK OP HET WERELDTOONEEL.
Omstreeks het jaar 375 kwam uit de steppen van Noord-Azië een woest ruitervolk, de #Hunnen#, te voorschijn. Schrik en angst gingen voor hen uit en geen wonder! Zoo woest en barbaarsch als de Hunnen waren, had men tot dusverre geen volk gezien. Verbeeldt u een klein slag van menschen, met baardelooze en leelijke aangezichten, doorploegd met groote litteekens. Door het onophoudelijk te paard zitten, hadden ze kromme beenen en waren slecht op den gang. Vuur gebruikten ze niet; vleesch en andere spijzen aten ze rauw, evenals de dieren des velds. Zonder kennis van de eenvoudigste werktuigen, zonder vaste woonplaatsen en wetten, zonder huis of haard trokken ze met hunne wagens van plaats tot plaats. Evenmin als het redeloos dier, zegt een geschiedschrijver van hen, kenden ze het onderscheid tusschen goed en kwaad; ze hadden geen' godsdienst en geen geloof.
Toen nu dit volk, dat zeker door de vrees nog zwarter zal zijn afgeschilderd dan het werkelijk was, over de Wolga trok, begon eene belangrijke gebeurtenis, die den grootsten invloed uitoefende op den toestand van Europa n. l. de groote #volksverhuizing#.
Aan deze zijde der Wolga, in het zuiden van Rusland, woonden toen de #Alanen# en #Gothen#. Dit laatste volk was weer verdeeld in Oost- en West-Gothen. De Alanen en Oost-Gothen werden òf door de Hunnen verdrongen òf vereenigden zich met hen. Zoo bleven de Hunnen eerst tot het midden der vijfde eeuw in Zuid-Rusland wonen, en men hoorde weinig van hen.
De West-Gothen, door de Hunnen bedreigd, verkregen van den Romeinschen keizer #Valens# verlof zich aan den Donau neer te zetten, onder voorwaarde, dat ze den Keizer in zijne oorlogen zouden bijstaan. Toen ze later door de Romeinen onmenschelijk werden behandeld, kwamen ze in opstand en versloegen keizer Valens in 378 in de #vlakte van Adrianopel#. Plunderend en moordend zwierven de verbitterde West-Gothen nu door het Balkan-schiereiland, totdat het den grooten keizer #Theodosius# gelukte vrede met hen te sluiten. Hij verleende hun vaste woonplaatsen in Thracië, waar zij volgens hunne eigene wetten en gebruiken leefden.
#Theodosius# was de laatste alleenheerscher van het Romeinsche rijk. Bij zijn dood (395) verdeelde hij het rijk in twee deelen; het westelijk deel, met Rome tot hoofdstad, kwam onder zijn 11 jarigen zoon #Honorius# en het oostelijk deel, waarvan Constantinopel de residentie werd, onder den 17 jarigen #Arcadius#. Van nu af bleef het rijk gescheiden in het Oost- of Grieksche Keizerrijk en in het West- of Latijnsche Keizerrijk. De jonge zonen van Theodosius, die alles behalve schrander en flink waren, kregen ieder een raadsman, aan wien zij de regeering konden overlaten; Arcadius den Galliër #Rufinus#--en Honorius den Vandaal #Stilico#.
Weldra braken er oneenigheden uit tusschen de beide rijken of liever tusschen de beide heerschzuchtige ministers. Rufinus haalde #Alarik#, den dapperen koning der West-Gothen, over om met zijne krijgers naar Italië te trekken; dat was een vruchtbaar en rijk gezegend land, en de Keizer te Rome was machteloos. Alarik liet zich dit geen tweemaal zeggen; hij trok over de Alpen, doch vond bij Stilico zulk een geduchte ontvangst, dat hij moest aftrekken. Honorius, bevreesd voor de toenemende macht van Stilico, vergold hem zijne diensten slecht; hij liet hem in eene kerk te Ravenna door sluipmoordenaars ombrengen.
Nauwelijks was dit Alarik ter ooren gekomen, of hij besloot van de gunstige gelegenheid gebruik te maken en weer een' inval te doen in Italië. Nu was er geen Stilico om hem tegen te houden. De Romeinen zelven waren zoo ontzenuwd, dat ze hoegenaamd niets tegen den dapperen Germaan konden uitrichten. De verdediging van hun gebied lieten ze dan ook aan vreemde legioenen over. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten drong Alarik Italië binnen en ging op Rome los. Rome was toen nog eene stad, die een millioen inwoners telde. Waren dezen, evenals in de dagen van ouds, dapper en vaderlandslievend geweest, dan zou Alarik zich zijne stoutheid zeker zeer berouwd hebben.
Hij sloot de stad zoo nauw in, dat er spoedig gebrek aan levensmiddelen ontstond. Vreeselijk werd de toestand in Rome; honger en pest sleepten duizenden ten grave. Nu werd er een gezantschap tot den Koning gezonden, dat hem eerst met dreigende woorden trachtte te verschrikken. Toen hij daarover in een luid gelach uitbarstte, spraken ze een toontje lager en vroegen wat Alarik eischte, wanneer hij wilde afzien van de plundering. Hij zeide: "Al het goud en zilver, alle kostbaarheden en alle slaven, die aanspraak hebben op den naam van barbaar." "En wat wilt ge ons dan laten?" vroegen de afgezanten ontsteld. "Uw leven," zei Alarik op trotschen toon.
Om bloedvergieten te voorkomen matigde hij evenwel zijne eischen; hij verkreeg 5000 pond goud, 30000 pond zilver en buitendien nog vele balen kostbare kleedingstoffen.
Ten gevolge van de dwaasheid van Honorius, die in geen vergelijk met Alarik wilde treden, trok hij in 410 nogmaals naar Rome en veroverde en plunderde het. Met schatten beladen trokken de Gothen naar Beneden-Italië. Hier werd Alarik ziek en stierf; zijn lijk werd op plechtige wijze in de bedding van het riviertje de Busento begraven.
#Ataulf#, zijn zwager, verliet het verwoeste land en vestigde zich met zijne Gothen in zuidelijk Gallië. Hier werd onder #Wallia# het West-Gothische rijk gesticht, dat Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad kreeg. De West-Gothen breidden hun gebied later ook over Spanje uit, waar zich sedert 409 de Alanen, Sueven en Vandalen hadden neergezet. De Vandalen, door de West-Gothen benauwd en geroepen door den Romeinschen stadhouder, Bonifacius, staken in 429 naar Afrika over, onderwierpen een groot deel van de noordkust, veroverden Carthago en plunderden van hier uit de kusten van Italië, Sicilië en Sardinië.
De Britten konden zich, nadat Stilio de Romeinsche legioenen naar Italië ontboden had, niet tegen de uit het noorden komende Picten en Schotten staande houden en riepen daarom de hulp in van de in Duitschland wonende Angelen en Saksen. Dezen onderwierpen in 449 het zuiden van Engeland en stichtten er zeven kleine koninkrijken.
#VERVOLG.#
Omstreeks het jaar 450 lieten de Hunnen weer van zich hooren. Verschillende stammen van dit volk, waarbij zich ook vele andere volken aansloten, waren omstreeks 440 onder het bestuur van #Atilla# of #Etzel# gekomen, die door zijne tijdgenooten de geesel Gods werd genoemd. Hij was een merkwaardig man, zoowel naar het lichaam als naar den geest.
Ofschoon klein van gewas, had hij een groot hoofd, diepliggende oogen, een platten neus, eene breede borst, zeer veel lichaamskracht en een trotschen gang. Voor zijne vijanden verschrikkelijk, was hij toch vol goedheid jegens zijne vrienden. Om zich heen zag hij gaarne pracht; doch hij zelf was zeer eenvoudig. Bij gastmalen werden zijne gasten met gouden en zilveren gereedschap bediend. Volgens de gebruiken van zijn volk at hij geen brood, maar gebruikte slechts een weinig vleesch. Na ieder gerecht ging de beker rond; dan werd er gedronken op Atilla's welzijn en prezen zangers in heldenzangen zijne daden. Terwijl zijne gasten vroolijk waren en schertsten, bleef hij zelf ernstig en bedaard. Alleen als zijn jongste zoon binnentrad, verhelderde zijn gelaat en liefkoosde hij hem.
Deze machtige vorst, voor wien vele volken beefden en Constantinopel en Rome sidderden, trok in het jaar 451 met een leger van 700,000 man naar het Westen. De schrik ging voor hem uit. Duitschland had het hard te verantwoorden; dorpen en steden gingen in vlammen op; lachende velden werden veranderd in woestijnen. Na over den Rijn getrokken te zijn, viel hij in Gallië.
Het West-Romeinsche rijk had toen in #Aëtius# een groot veldheer. Deze bracht de geheele macht des rijks op de been en verbond zich met vele Duitsche stammen als de Alanen, West-Gothen, Franken en Bourgondiërs, om met hen de macht van den Hunnenkoning te breken. In de groote vlakte, door de ouden de #Catalaunische# velden genoemd, waarin de stad #Chalons# ligt, kwam het tusschen beide legers tot een treffen.
Voor de slag begon, verzamelde Atilla zijne bevelhebbers om zich en zeide: "Weest mannen! Grijpt aan, slaat u door des vijands gelederen en werpt alles ter neer. Veracht de Romeinen, hunne slagorde en schilden; valt de Alanen en West-Gothen aan; in hen is de kracht des vijands. Ziet naar mij; wie mij niet volgt, is een kind des doods."
De slag was boven alle beschrijving hevig en bloedig; van weerszijden werd er met moed en verbittering gestreden; want er zou nu beslist worden, wie de overwinning zou behalen; de beschaafde wereld of de barbaarschheid. Reeds hadden de Hunnen het centrum tot wijken gebracht en de Romeinen vloden; ook de West-Gothen weken en hun Koning werd gedood, terwijl hij hen aanvuurde tot den strijd. Doch zijn dood deed de zijnen zoodanig in woede ontvlammen, dat zij zich opnieuw onder bevel van den zoon des overledenen in het strijdgewoel wierpen en de Hunnen op de vlucht sloegen. Bij het vallen van den nacht moest Atilla zich in zijn' wagenburcht terugtrekken. Bij de 200,000 dooden en gewonden bedekten het slagveld; het bloed vloeide in stroomen, en de gewonden dronken er van om niet van dorst te versmachten.
Den volgenden dag werd de slag niet hervat. Atilla keerde naar den Rijn terug, zonder door den vijand achtervolgd te worden. In 't volgende jaar ondernam hij nog een' rooftocht naar Italië en stierf in 453 onder geheimzinnige omstandigheden, die nog niet zijn opgehelderd.
Toen de schrik van zijn' naam zijne volken niet meer in bedwang hield, weigerden ze de gehoorzaamheid aan zijn' opvolger. De Hunnen keerden terug naar het Oosten, vanwaar zij gekomen waren. Het grootste deel van 't gebied, door Atilla veroverd, viel den Oost-Gothen in handen.
Te midden van de stormen der volksverhuizing viel het West-Romeinsche rijk in duigen, dat reeds lang van alle macht en aanzien beroofd was en ten speelbal van de vreemde soldaten had gestrekt. In 476 zette #Odoacer#, een aanvoerder van Duitsche krijgslieden, #Romulus Augustulus# af als keizer en noemde zich koning der Germaansche volken in Italië. Met deze gebeurtenis eindigt gewoonlijk de geschiedenis der oudheid.
Een nieuw volk, de Germanen, liet van nu af zijn gezag in Europa gelden; de meeste landen, vroeger tot het Romeinsche rijk behoorende, zooals Spanje, Gallië, Brittanje, België, Nederland enz. werden door Germaansche volksstammen in bezit genomen. Eerst waren ze wel ruw en onbeschaafd, maar door den invloed des Christendoms en de meerdere beschaving, die ze als onwillekeurig van de overwonnelingen overnamen, werden hunne zeden langzamerhand verzacht en verbeterd.
31. MOHAMMED.
In de geschiedenis der Christelijke kerk is sprake van 5 gemeenten, die door zendelingen de omgelegen volken tot het Christendom brachten, en daarom #moedergemeenten# worden genoemd, n.l. #Jeruzalem# in Palaestina, #Antiochië# in Syrië, #Alexandrië# in Aegypte, #Constantinopel# in het Grieksche Keizerrijk en #Rome# in Italië.
Door de bekeering der Germaansche volkeren nam de gemeente van Rome zeer in macht en aanzien toe. Haar bisschop verhief zich weldra boven die van andere gemeenten en werd later als paus het hoofd der kerk. Terwijl de Christelijke kerk zich naar het Westen al meer en meer uitbreidde, geraakte zij in het Oosten, waar de vier eerstgenoemde gemeenten vroeger grooten invloed hadden, deerlijk in verval. En geen wonder! In plaats van een leven te leiden vol liefde en zelfverloochening, zooals Christus het had gewild, streed men daar met de grootste verbittering over allerlei onbegrijpelijke leerstukken. Het Christendom gaf in het Oosten enkel aanleiding tot verdeeldheid en twist; dat het bovenal een godsdienst der liefde is, daaraan werd niet gedacht.
Omstreeks het jaar 600 trad in Arabië een man op, #Mohammed# genoemd, die de stichter van een nieuwen godsdienst werd, een godsdienst, die het Christendom in Azië en Afrika bijna van allen invloed en macht beroofde.
Arabië is een schiereiland, dat ongeveer zoo groot is als een derde deel van Europa. Het grootste deel van den bodem bestaat uit zandwoestijnen en ontoegankelijke gebergten, hier en daar slechts afgewisseld door vruchtbare plekken, #oasen# genoemd. De kusten, welke op sommige plaatsen zeer vruchtbaar zijn, werden bewoond door nijvere handelaars, die door een grooten handel in wierook, koffie en specerijen aanzienlijke schatten wonnen. In de woestijnen leefden, evenals in onzen tijd, de #Bedoeïnen#, rondzwervende herders, die dikwijls van roof leefden en wier eenige rijkdom in paarden en kameelen bestond. Over 't geheel waren en zijn de Arabieren een volk met dichterlijke gaven, met een levendig en diep gevoel. Praatziek zijn ze niet, maar toch kunnen ze hunne meening op eene welsprekende wijze te kennen geven. Evenals de woestijn zijn ze ernstig.
In dit land en onder dit volk en wel in de stad Mekka, werd Mohammed in 571 geboren. Zijn vader #Abdallah#, uit den aanzienlijken stam der Koreischieten, en zijne moeder #Amina# verloor hij reeds zeer vroeg. Na den dood zijns grootvaders kwam hij bij zijn' oom #Aboe Taleb#, een ervaren koopman, die hem op zijn reizen meenam. De knaap wies op tot een schoon en krachtig man, die door zijne edele houding en wegslepende redenaarsgaven weldra in het oog viel. Door zijne kennis en vlijt gelukten meestal zijne ondernemingen; door zijne minzaamheid won hij veler harten. Later kwam hij in dienst van eene rijke koopmansweduwe, #Chadidscha#, met wie hij in het huwelijk trad. Het geluk lachte hem nu van alle zijden toe. Hij had eene brave echtgenoote, goede zaken en vele vrienden. En toch was hij niet tevreden. De oorzaak lag in het volgende. Wegens zijne zaken had hij dikwijls groote reizen gedaan, en toen veel opgemerkt van de gewoonten en den godsdienst der menschen. Zijn eigen volk zag hij neerknielen voor goden, van menschenhanden gemaakt; hij zag in, dat het nog zeer onbeschaafd en achterlijk was. De Joden waren hem te trotsch en te onverdraagzaam; de Christenen, die hij had leeren kennen, droegen alleen den #naam#, maar hadden niets van den #geest# van Christus. Nu ontwaakte in hem de begeerte om de stichter te worden van een nieuwen godsdienst, die het beste van de bestaande godsdiensten in zich zou opnemen.