Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen
Chapter 6
Hoe glansrijk de toestand van Rome uiterlijk ook scheen, inwendig liet hij veel te wenschen over. 't Verschil tusschen patriciërs en plebejers was veel vereffend, maar dat tusschen rijken en armen was langzamerhand geweldig groot geworden. De groote schatten, die naar Rome uit de overwonnen gewesten vloeiden, waren slechts voor de voornamen; het volk moest leven van 't geen de rijken het verkozen toe te werpen. 't Volk was slechts een werktuig in de hand der aanzienlijken; de staatsambten werden niet meer bezet door de waardigsten, maar door diegenen, welke er het meest voor betaalden. Aan dien toestand zocht een edel broederpaar een einde te maken, n.l. #Tiberius# en #Cajus Gracchus.# Zij waren zonen van #Sempronius Tiberius Gracchus# en #Cornelia#, eene dochter van Scipio, den overwinnaar van Hannibal, eene der edelste vrouwen, die Rome weet aan te wijzen. Na den dood haars mans wijdde zij zich geheel aan de opvoeding harer twaalf kinderen, waarvan zij echter slechts drie mocht behouden t. w. het bovengemelde broederpaar en Sempronia, die de gade werd van Scipio den jongeren.
Deze kinderen voedde zij met de grootste zorgvuldigheid op en ontzag geene moeite of kosten, om ze tot zulke edele en brave menschen te vormen als eens hun grootvader Scipio geweest was. Eene voorname vrouw toonde haar eens hare kostbaarheden. Cornelia wees op hare beide zonen en zeide vol moedertrots: "Dit zijn mijne eenigste en grootste schatten." De kinderen stelden de verwachting hunner edele moeder niet te leur. De woorden, die Cornelia zich eens in 't bijzijn van hare zonen ontvallen liet: "Zullen de Romeinen mij steeds de schoonmoeder van Scipio en niet ook de moeder der Gracchen noemen?" maakten op hen zulk een diepen indruk, dat zij al hunne krachten inspanden, om eene waardige plaats onder Rome's beroemde mannen in te nemen. Tiberius, de oudste, koos, toen hij tot de waardigheid van volkstribuun geroepen werd, de zijde des volks tegen den adel.
Hij stelde daarom de vernieuwde invoering eener oude akkerwet voor, waarbij niemand meer dan 500 morgen staatslanderijen mocht bezitten. 't Spreekt van zelve, dat de aanzienlijken woedend waren op den stouten tribuun. Toen daarom de tijd van zijn tribunaat was afgeloopen, zochten zij met geweld zijne herkiezing tegen te gaan. In een straatgevecht vond Tiberius Gracchus met 300 zijner aanhangers den dood (133 J. v. C.) De patriciërs zorgden er nu voor, dat de wet van de akkerverdeeling niet tot uitvoering kwam.
Elf jaren later vatte Cajus de taak op, die zijn broeder niet had kunnen volbrengen. Hartstochtelijk en onstuimig kwam hij op voor de rechten van 't verdrukte volk; maar zijne pogingen stuitten af op den onwil van den senaat en de zelfzucht der aanzienlijken. In een geducht oproer viel ook hij met 3000 zijner medeburgers (121 J. v. C.) als een offer van zijnen ijver voor 't welzijn des volks. Ofschoon aan 't stoffelijk overschot der beide broeders geene eerlijke begrafenis werd gegund, maar hunne lijken in den Tiber werden geworpen, erkende het volk toch eenige jaren later, wat het in Cornelia's wakkere zonen verloren had. Standbeelden verrezen tot hunne nagedachtenis, en de plaatsen, waar zij gevallen waren, werden als heilig verklaard. Cornelia's wensch werd vervuld, want toen zij in hoogen ouderdom stierf, werd voor haar een koperen gedenkteeken opgericht met het eenvoudige, maar veel beteekenende opschrift: "Cornelia, de moeder der Gracchen."
24. DE EERSTE BURGEROORLOG (MARIUS EN SULLA).
Onzedelijkheid en bandeloosheid namen in Rome hand over hand toe. De vroegere eerlijkheid, matigheid en vaderlandsliefde zocht men er tevergeefs. Voor geld kon men alles gedaan krijgen. Dat ondervond #Jugurtha#, koning van Numidië, een volslagen booswicht. Door misdaden was hij op den troon gekomen, door misdaden hield hij zich erop staande. Hoe onbeschaamd hij echter ook zijne euveldaden pleegde, langen tijd wist hij de senatoren den mond door goud te stoppen, zoodat hij, zelf daarover verbaasd, uitriep: "O Rome, gij zoudt u zelf verkoopen, als maar iemand genoeg voor u bood." Eindelijk was de maat zijner misdaden vol: hij werd gevangen genomen en stierf te Rome den hongerdood (106). Twee mannen hadden zich in den oorlog tegen Jugurtha bijzonder onderscheiden, n.l. #Marius# en #Sulla#. De eerste was een ruw, woest mensch van geringe afkomst, maar die door dapperheid en de gunst des volks tot groote macht en aanzien was geklommen. De tweede, jong en van edele afkomst, was de man, op wien de aanzienlijken hunne oogen gevestigd hielden. Feller dan ooit toch stonden de aanzienlijken en geringen tegenover elkander. Voor Marius kwam intusschen spoedig de gelegenheid, dat hij zich voor Rome verdienstelijk kon maken. Ruwe, krijgszuchtige Germaansche volken, bekend onder den naam van Cimbren en Teutonen, waren aan den Donau verschenen (113), hadden het eene Romeinsche leger vóór, het andere ná, verslagen en rukten nu naar Italië en Gallië op.
In dit dreigend gevaar werd Marius vijf jaren achtereen tot consul verkozen. Hij stelde dit groote vertrouwen niet te leur, maar vernietigde eerst de Teutonen bij _Aix_, in 't Z. van Gallië (102) en snelde vervolgens Catulus tegen de Cimbren te hulp, die dan ook bij #Vercellae#, in 't N.w. van Italië, geheel verslagen werden (101). Meer dan 100,000 Cimbren zouden in dezen slag zijn omgekomen. Marius was nu de afgod des volks geworden. Een ander gevaar dreigde ondertusschen in 't Oosten. Daar was een tweede Alexander opgestaan in den persoon van Mithridates, koning van Pontus, een land, ten Z. van de Zwarte zee gelegen. Hij veroverde weldra geheel Klein-Azië, en ten einde zijn' haat tegen Rome duidelijk aan den dag te leggen, liet hij op éénen dag in verschillende steden van Klein-Azië 80000 Romeinsche burgers ombrengen. Tegen dezen moordenaar zou een leger worden afgezonden en de aristocraten wisten Sulla, die zich in den oorlog tegen de Italiaansche bondgenooten had onderscheiden, tot opperbevelhebber te doen verkiezen.
Dit was zeer tegen den zin van de partij van Marius. Zij bewerkte een' opstand te Rome; Sulla's voornaamste aanhangers begaven zich tot hem in het leger, en 't viel hem niet moeilijk zijne soldaten, die zeer aan hem gehecht waren, te bewegen, naar Rome op te trekken. Marius' partij moest nu 't onderspit delven; hij zelf zwierf als vluchteling rond en bereikte eindelijk Karthago's puinhoopen, waar hij over de wisseling der fortuin kon nadenken.
't Uur der wrake zou echter spoedig voor hem slaan. Cinna, die bij Sulla's vertrek naar 't Oosten tot consul was aangesteld, riep Marius in het jaar 87 terug en deed daardoor den #eersten burgeroorlog# ontvlammen. Vreeselijk was de slachting, die onder de aanhangers van Sulla werd aangericht; vijf dagen en vijf nachten werd er onophoudelijk gemoord; Rome's straten stroomden van bloed. Toch zou Rome nog vreeselijker dingen aanschouwen. Sulla had gelukkig tegen Mithridates gestreden (88-84), en toen hij vernam, wat er te Rome gebeurd was, haastte hij zich, vrede te sluiten en zijn leger naar Rome te voeren. Een leger van 200,000 soldaten onder den jongen Marius (Marius zelf was in 86 gestorven) zoude zijn' intocht in Rome beletten, maar tevergeefs. Het bleek tegen Sulla's in den krijg geoefende legioenen niet bestand te zijn. We willen u besparen, lezers, de beschrijving van een bloedbad, zooals de geschiedenis bezwaarlijk een tweede kan aanwijzen. Om er een klein denkbeeld van te geven, melden wij alleen, dat 15 gewezen consuls, 90 senatoren, 2600 ridders en meer dan 100,000 burgers op bevel van Sulla ter dood werden gebracht (83). Nu was de rust hersteld, want ieder sidderde en beefde voor den man, die het leven zijner medeburgers zoo weinig telde. Twee jaren lang heerschte Sulla onder den titel van dictator met onbeperkte macht; toen legde hij plotseling zijn ambt neder, (79) trok zich op een landgoed terug en stierf daar het volgende jaar.
25. DE TWEEDE BURGEROORLOG (CAESAR).
Sulla's geluk spoorde andere eerzuchtige mannen tot navolging aan. Daar was vooreerst #Pompejus#, de gunsteling der grooten en een vriend van Sulla, die zich door vele gelukkige veldtochten den naam van "den roemruchtigen" had verworven. Hij had in Spanje de aanhangers van Marius onder Sertorius overwonnen, (72) gedeeltelijk den gevaarlijken slavenopstand onder Spartacus gedempt, (71) de Middellandsche zee van zeeroovers gezuiverd, (67) den ouden vijand van Rome, Mithridates, voor goed onschadelijk gemaakt, (64) Rome's heerschappij in Klein-Azië, Syrië en Palaestina bevestigd en onmetelijke schatten naar Rome gebracht. Een ander legerhoofd van Sulla, #Crassus#, oefende door zijn fabelachtigen rijkdom eenen grooten invloed uit, daar duizenden burgers hem als hunnen schuldeischer moesten ontzien. Grooter dan beiden was #Julius Caesar#. Rijk door de natuur begaafd, vereenigde hij in zich de schitterende hoedanigheden van eenen Alcibiades met de bezadigdheid en het kalme overleg van eenen Pericles. Hoezeer eer- en heerschzucht zijn hart vervulden, blijkt daaruit, dat hij betuigde "liever de eerste in een vergeten dorp dan de tweede in Rome te willen zijn." Toen hij het standbeeld, ter eere van Alexander den Grooten opgericht, beschouwde, riep hij uit: "Toen gij zoo oud waart als ik, hadt gij reeds de wereld veroverd en ik, ik heb nog niets gedaan!" Pompejus en Caesar zagen weldra in, dat zij zonder elkanders hulp niets vermochten en daarom verbonden zij zich met Crassus tot het #eerste driemanschap# (Triumviraat) (60).
Verstand en dapperheid, (Caesar) geluk en roem (Pompejus) en rijkdom (Crassus) hadden elkander de hand gereikt om de wereldheerschappij te deelen. Caesar werd tot proconsul benoemd van Gallië, dat hij nog eerst moest veroveren, maar waardoor hij ook gelegenheid had, roem en eer te behalen en een aan hem verknocht leger te vormen. Pompejus kreeg Spanje en Crassus Syrië als de beste plaats om zijn nooit verzadigden gouddorst te voldoen.
Behalve deze mannen stonden in Rome hoog in achting de strenge #Cato#, een man, republikein in zijn hart en eerlijk als goud en #Cicero#, de Romeinsche Demosthenes. Behalve door zijne welsprekendheid en geleerdheid had deze laatste zich verdienstelijk gemaakt door de ontdekking der schandelijke samenzwering van Catalina (63). De driemannen wisten echter deze beide bekwame mannen behendig op zijde te schuiven. Terwijl Pompejus te Rome in behaaglijke rust leefde en zijne provinciën door legaten liet besturen, terwijl Crassus in 't Oosten schatten op schatten stapelde en weldra in een' strijd tegen de Parthen sneuvelde, (50) veroverde Caesar in 8 veldtochten (58-50) Gallië en bedwong de Belgen en verschillende andere Germaansche volken.
Voor twee zulke eerzuchtige mannen als Pompejus en Caesar was 't groote Romeinsche rijk nog te klein. 't Duurde niet lang, of 't verbond werd verbroken en Rome weder het tooneel van den burgerkrijg.
Toen Caesar na de verovering van Gallië zijn leger niet ontslaan wilde, werd hij door den senaat tot vijand des vaderlands verklaard en Pompejus met het opperbevel tegen hem belast. (49) Maar Caesar voorkwam hem. Voordat Pompejus, die vroeger gesnoefd had, dat hij slechts op den grond zou behoeven te stampen om legioenen te zien verrijzen, nog met zijne toerustingen gereed was, was Caesar in Italië gevallen en had Rome zonder slag of stoot ingenomen. Pompejus en zijne aanhangers waren haastig gevlucht. Vervolgens stak de overwinnaar naar Spanje over, versloeg daar het leger van Pompejus en ging toen zijnen tegenstander zelven in Griekenland achtervolgen. Bij #Pharsalus#, eene stad in het landschap Thessalië, viel een geduchte slag voor, die geheel ten nadeele van Pompejus afliep. (47) Hij vluchtte naar Aegypte, maar werd aldaar bij zijne landing op last des Konings verraderlijk vermoord. Caesar had zijn doel bereikt; hij was nu de eerste man in Rome.
De senaat haastte zich hem voor zijn leven te benoemen tot dictator en imperator. Met de republiek was 't gedaan. (Cato's dood 46). Toch was Caesar's regering in zekeren zin voor Rome zeer heilzaam, want nadat zijne eerzucht bevredigd was, gaf hij vele goede wetten en versierde Rome met prachtige gebouwen. Ook ging hij zich niet op zijne tegenstanders wreken, zooals Marius en Sulla gedaan hadden. Caesar zocht de liefde van 't volk te winnen en misschien zou hem dit gelukt zijn, had niet zijne heerschzucht de woede gaande gemaakt van vele republikeinsche senatoren. Dezen smeedden weldra eene samenzwering, aan welker hoofd #Brutus# en #Cassius# stonden.
Op den 15 Maart van 't jaar 44 vielen in den senaat verscheidene samengezworenen met dolken op hem aan. Daar het hem niet aan moed ontbrak, trok ook hij zijnen degen; maar toen hij onder zijne moordenaars zijn aangenomen zoon Brutus zag, omhulde hij zijn gelaat met zijnen mantel onder den smartelijken uitroep: "Ook gij, mijn zoon Brutus!" en zonk doodelijk getroffen neer aan den voet van 't standbeeld van Pompejus, met wonden overdekt.
26. AUGUSTUS.
Caesars dood was weer 't sein tot nieuwe burgeroorlogen. Eerst scheen het, dat #Marcus Antonius# het grootste voordeel van den val des machtigen mans zoude trekken, maar deze kreeg in eenen achterneef van Caesar, #Octavianus# genoemd, spoedig een geduchten mededinger. Marcus Antonius was een zedeloos brasser, volstrekt niet bemind bij 't volk, maar wel bij de soldaten der lijfwacht, wier aanvoerder hij was. Eerst meende men, dat de sluwe Octavianus vijandelijk tegen Antonius zou optreden, maar weldra kwam zijn eigenlijk plan aan 't licht. Hij verbond zich met zijn' tegenstander en met een zekeren #Lepidus#, een weinig beteekenend mensch, tot een #tweede driemanschap#, dat nu opnieuw de wereldheerschappij deelde (43). Weder was Rome het tooneel van de gruwelijkste vervolgingen.
Onder de vele slachtoffers van 't geweld behoorde ook de redenaar #Cicero#, die door zijne redevoeringen de woede van Antonius had gaande gemaakt. Ondertusschen zwelgde deze laatste in Oostersche weelde aan 't hof der Aegyptische koningin Cleopatra. Daardoor verbeurde hij de achting van ieder' weldenkende en laadde den haat op zich van Octavianus, wiens zuster Octavia hij gehuwd, maar schandelijk verwaarloosd had. Hij werd daarom tot vijand van den staat verklaard. Octavianus werd afgezonden om hem te bevechten, en deze versloeg hem geheel in den slag bij het voorgebergte #Actium#, aan de Jonische zee. (31 v. Chr.) Een zelfmoord maakte een einde aan zijn roemloos leven. Ook Cleopatra, die tevergeefs getracht had, den overwinnaar gunstig voor zich te stemmen, doodde zich zelve. Nu was er niemand meer, die Octavianus de heerschappij kon betwisten, want Lepidus was reeds lang op zijde geschoven. Octavianus ontving den titel van imperator (opperbevelhebber van vloot en leger). 't Volk noemde hem echter #Augustus#, d. w. z. de geheiligde, en onder dien naam is hij 't meest bekend.
Zoo was Augustus beheerscher van een rijk, dat zich over 3 werelddeelen uitstrekte, van den Atlantischen Oceaan tot den Euphraat, van den Rijn en den Donau tot de woestijnen van Arabië en Afrika. In dit groote rijk leefden ongeveer 120 millioenen menschen en vond men 6000 aanzienlijke steden, waarvan Alexandrië, Antiochië en Rome de grootste waren. Vooral Rome was de stad der steden. Zij telde eene bevolking van meer dan 1-1/2 millioen inwoners. Prachtige gebouwen, waaronder 400 tempels, groote schouwburgen en sierlijke paleizen, verhieven zich overal. Op ruime markten, goed ingerichte badplaatsen, trotsche triomfbogen, eerzuilen en waterleidingen kon Rome met recht zich verheffen.
De republiek, hoewel in schijn door Augustus in stand gehouden, had inderdaad opgehouden te bestaan en plaats gemaakt voor de monarchie. Hoewel er op de wijze, waarop Augustus tot de hoogste waardigheden in den staat was gekomen, veel te laken viel, was zijne regeering toch zeer gelukkig voor Rome. 't Land had behoefte aan rust, aan veiligheid, aan eene krachtige hand, aan een' man, wiens wil wet was. Voor zelfregeering was het volk reeds lang niet meer geschikt; daarvoor was het te zeer bedorven en ontzenuwd. 't Was slechts het werktuig in de hand van den een of anderen eerzuchtige. Diepe vrede heerschte dan ook in 't geheele rijk en de gevolgen daarvan, welvaart en voorspoed, lieten zich spoedig zien. Augustus was er op bedacht betere middelen van verkeer als: wegen, kanalen, waterleidingen enz. aan te leggen, de rechtspleging te verbeteren en de veiligheid der burgers te verzekeren. Het tijdperk van Augustus wordt met recht het gouden tijdperk van kunsten en wetenschappen genoemd. Zij vonden in hem een milden beschermer en vereerder. Vooral stond hem hierin zijn vriend #Maecenas# getrouw terzijde, zoodat men tegenwoordig nog zegt van iemand, die kunsten en wetenschappen liefheeft en bevordert: "'t Is een maecenas."
27. EEN DAPPER GERMAAN (HERMAN).
Hoogstwaarschijnlijk zal binnen kort de 1200 voet hooge Grotenburg, een top van het Teutoburgerwoud, met een waarlijk reusachtig standbeeld versierd worden. Het is het Hermansgedenkteeken, eene schepping van den vaderlandslievenden #Jozeph Ernst von Bandel# uit Anspach in Beieren. Op een koepelvormigen onderbouw van 95 voet zal het 90 voet hooge, uit koper gegotene standbeeld van #Herman#, den bevrijder van Duitschland, opgericht worden "in het midden der landstreken, waar hij zijne heldendaden verrichtte, ver heen ziende in 't vrije vaderland en van verre gezien als een wegwijzer ter plaatse van onzen roem." (von Bandel). 't Is dus wel een belangrijke zaak, wel een gewichtig persoon, waaraan wij te denken hebben.
Laat ons zien. De wereldbedwingende Romeinen hadden hunne heerschappij ook in Duitschland uitgebreid en zoowel door kracht van wapenen als door list, verraad en omkooping een groot gedeelte er van onderworpen. Een voor vrijheid en vaderland dweepend jongeling, Herman, vorst der Cherusken, die in Rome in alle kunsten en wetenschappen der Romeinen was onderwezen, vatte het stoute plan op, den vrijen Duitschen bodem van de overweldigers te bevrijden. Voorzichtigheid en beleid aan dapperheid parende, wist hij langen tijd vriendschap met de Romeinen te veinzen, terwijl hij in 't geheim zijn grootsch ontwerp voorbereidde. Eindelijk is hij gereed. Vele dappere Duitsche scharen zijn bereid, alles voor de vrijheid ten offer te brengen. #Varus#, de gehate Romeinsche stadhouder van de landen aan beide zijden des Rijns, trekt op 't bericht, dat een Duitsche stam is opgestaan, naar de Wezer.
Als geoefend veldheer valt Herman niet terstond de vijanden aan, maar verzwakt hen door onophoudelijke, kleine aanvallen en lokt ze zoodoende in het dichte Teutoburgerwoud. 't Is een vreeselijk weer. De regen valt bij stroomen neder; de storm huilt akelig door de takken der boomen. De uitgeputte Romeinen kunnen zich ternauwernood staande houden op den doorweekten, glibberigen en drassigen bodem. Daar verheft zich boven het geloei van den storm het krijgsgehuil der Duitschers; een hagelbui van pijlen en steenen valt neer op de verschrikte Romeinen en dunt vreeselijk hunne gelederen.
Schrik en ontzetting maken zich van hen meester. Nergens vertoont zich eenige uitkomst, nergens redding. Verschrikkelijk is de slachting, die onder de Romeinen wordt aangericht. Varus, ten einde raad en zijne nederlaag niet willende overleven, stort zich in zijn zwaard. Een gevolg van dezen roemrijken slag was, dat de Romeinen uit Duitschland verdreven werden. (9 j. n. Chr.) Wel poogden eenige jaren later #Tiberius# en #Germanicus# de nederlaag van Varus te wreken, de laatste zelfs met goed gevolg; maar de Romeinen zagen toch in, dat een volk, 't welk bij eendracht zulk eene kracht kon ontwikkelen, niet geschikt was een slavenjuk te torschen en bepaalden zich in 't vervolg tot verdediging der grenzen door 't stichten van versterkte kasteelen aan den Rijn en den Donau, die later den oorsprong aan verscheidene steden hebben gegeven.
28. DRIE ROMEINSCHE KEIZERS.
De keizers uit het geslacht van Augustus: #Tiberius#, #Caligula#, #Claudius# en #Nero# waren óf wreede en ontaarde óf onbeduidende menschen. Het Romeinsche volk vertrapte in hunne dagen, tengevolge ook al van hun slecht voorbeeld, alle wetten van zedelijkheid en deugd met voeten. De vroeger zoo trotsche senaat werd slechts een lijdelijk werktuig in de handen der keizers; de eigenlijke macht berustte bij de soldaten en wel vooral bij de lijfwacht des keizers: de #praetorianen#. Zij waren de meesters van Rome en beschikten naar welgevallen over den troon. Hij, die 't meest bij hen in gunst stond, of liever nog, hij, die hun 't meeste geld bood, werd met het purper bekleed. Zelfs vreemdelingen, wanneer ze over veel geld te beschikken hadden, werden ten troon verheven.
De laatste keizer (Caesar) uit het geslacht van Augustus was de wreede #Nero# (54-68 n. C). Zijn naam wordt nog gebruikt, om een wreedaard aan te duiden. Nog geen 17 jaren oud volgde hij zijnen stiefvader Claudius in de regeering op. Hij was een jongeling van een voortreffelijken aanleg, maar ontving, helaas! eene slechte opvoeding. Toen de beroemde #Seneca# zijn leermeester werd, was het kwaad reeds te diep in hem geworteld; vandaar, dat wel de smaak voor wetenschap en kunst bij hem ontwikkeld, maar de neiging tot zedelooze vermaken niet in hem werd uitgeroeid. In den beginne, toen hij zich door Seneca liet leiden, toonde Nero zich zachtmoedig en weldadig en scheen zijne regeering eene weldaad voor het volk. Spoedig evenwel werd hij door lage, vleiende hovelingen geheel bedorven; en de man, die vroeger had gewenscht niet te kunnen schrijven om daardoor bevrijd te zijn van het onderteekenen der doodvonnissen, liet nu het bloed van duizenden zijner onderdanen stroomen. In waanzinnige woede liet hij zelfs zijne eigene moeder, zijne gemalin, zijn' stiefbroeder en zijn' leermeester Seneca om het leven brengen. In het jaar 64 n. C. brak in Rome een vreeselijke brand uit, die een groot gedeelte der hoofdstad in de asch legde. Nero liet de stad schooner dan ooit herbouwen, doch het volk was op hem verbitterd en beschuldigde hem, dat hij den brand had veroorzaakt. Om deze verdenking van zich af te schuiven, wierp hij de schuld op de gehate Christenen, die hij van nu aan vreeselijk liet vervolgen en martelen. Het volk werd eindelijk den dwingeland moede. De stadhouder van Spanje, #Galba#, werd door de soldaten tot keizer uitgeroepen en Nero doodde zich zelven, eerst 32 jaren oud. De levensgeschiedenis van Nero toont ons, hoe een oorspronkelijk goed mensch door eene slechte opvoeding en een verkeerd gezelschap kan worden bedorven!