Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

Chapter 5

Chapter 53,615 wordsPublic domain

Lucretia, zoo heette de vrouw, liet daarop haren man en eenige beproefde vrienden uit het leger komen, verhaalde hun het voorgevallene en, den aangedanen smaad niet willende overleven, haalde zij een' dolk voor den dag en stak zich dien in het hart.--Nu toonde Brutus, dat zijne onnoozelheid slechts schijn was. Hij liet het lijk van Lucretia naar de markt brengen, verhaalde aan 't verzamelde volk de toedracht der zaak, trok den dolk uit de borst der edele vrouw en riep vervolgens het volk op om het juk van den gehaten tiran af te schudden.

Zijne woorden vonden algemeenen bijval. Men sloot de poorten, terwijl Brutus naar het leger snelde en daar wist te bewerken, dat ook dit den Koning afvallig werd en naar Rome terugkeerde. 't Koningschap werd afgeschaft en Rome tot eene republiek verklaard. In de plaats des konings kwamen nu twee mannen, #consuls# genaamd, die slechts voor één jaar gekozen werden, aan het hoofd van den staat.

't Volk koos uit dankbaarheid als eerste consuls de beide bevrijders van de tirannie: #Brutus# en #Collatinus#. 't Was er echter verre af, dat de verdreven Koning lijdelijk in zijne afzetting berustte. Eerst zocht hij in Rome ten zijnen gunste eene samenzwering te smeden. Werkelijk lieten zich eenige aanzienlijke jongelieden, die den glansrijken hofstaat en de schitterende feesten, door den Koning gegeven, boven de vrijheid stelden, overhalen om pogingen aan te wenden ter herstelling van het koningschap. De samenzwering werd echter toevallig door een' slaaf ontdekt en de schuldigen gevat. Onder dezen behoorden twee zonen van Brutus en twee neven van Collatinus.

Brutus toonde, dat de vrijheid van zijn vaderland hem boven alles dierbaar was. Hij zelf sprak, naar luid van het volksverhaal, over zijne zonen het doodvonnis uit, en nadat dit werkelijk aan hen voltrokken was, liet hij de natuur recht wedervaren. Hij omhulde zijn gelaat met zijnen mantel en ging weenend naar zijne woning. Collatinus poogde tevergeefs zijne neven te redden, maar verloor daardoor 't vertrouwen des volks, zoodat hij genoodzaakt was Rome te verlaten. Toen deze poging mislukt was, zocht Tarquinius op eene andere wijze te slagen. Hij zocht en vond hulp bij #Porsenna#, koning van Clusium (in Etrurië). Deze verscheen weldra met een machtig leger voor Rome's poorten en bracht de stad in 't uiterst gevaar. Bijna ongeloofelijke blijken van heldenmoed werden er tijdens deze belegering door de Romeinen gegeven.

Eeuwige roem verwierf zich in de eerste plaats #Horatius Cocles#. De Romeinen hadden een' uitval gedaan, maar werden door de Etruskers verslagen. Nu vloden zij naar de stad terug, op den voet gevolgd door de zegevierende vijanden. Gelukte het dezen met hen over de Tiberbrug te komen, dan waren zij in de stad en Rome was verloren. Daar houdt plotseling een dapper man stand. Hij beveelt zijnen makkers in allerijl de brug achter hem af te breken, terwijl hij alleen den strijd tegen de overmacht op zich neemt. Toen hij aan 't kraken der balken verneemt, dat de overtocht belemmerd is, werpt hij zich in den Tiber en komt, in weerwil van de pijlen der vijanden, behouden aan den anderen oever. Had Cocles voor 't oogenblik de stad gered, toch bleef haar toestand altoos nog hachelijk, te meer daar een hongersnood de ellende kwam vermeerderen. Daar weet een Romeinsch jongeling, _Mucius_, in de vijandelijke legerplaats en in 's Konings tent te dringen. Hij heeft vooraf aan den senaat verzocht den Koning te mogen dooden. Niet wetende, wie van de beide aanwezige personen de Koning is, doodt hij den geheimschrijver. Natuurlijk wordt hij gegrepen en door den Koning met de verschrikkelijkste straffen bedreigd. Doch Mucius roept uit: "Zie, hoe weinig _hij_ om zijn leven geeft, wien groote roem voor oogen staat." En zijne rechterhand in 't vuur houdende, dat op een in de nabijheid staand altaar brandde, liet hij haar zonder een teeken van smart te toonen, verbranden. Ontzet over zulk eene onverschrokkenheid liet de Koning den jongeling van 't altaar wegsleuren en schonk hem de vrijheid. Nu verklaarde Mucius, die vervolgens den eerenaam Scaevola (linkerhand) kreeg, dat nog 300 jongelingen gezworen hadden den Koning te dooden. Hij was de eerste en had zich vergist, een ander na hem zou gelukkiger zijn.

Deze verklaring vervulde den Koning met schrik en ontzetting, zoodat hij zich geneigd toonde tot onderhandeling. Hij liet de zaak van Tarquinius varen, en, nadat de Romeinen hem oorlogsvergoeding en gijzelaars hadden verstrekt, toog hij naar zijn land terug.

19. TWISTEN TUSSCHEN PATRICIËRS EN PLEBEJERS.

Patriciërs en plebejers! wat waren dat voor menschen, vraagt ge voorzeker! #Patriciërs# waren de aanzienlijken, die veelal een groot grondbezit hadden en geroepen konden worden tot alle ambten en waardigheden, dus de regeerende stand; de #plebejers# waren het mindere volk, oorspronkelijk bewoners van de veroverde steden, die weinig of geen landbezit hadden en tot geen ambt of waardigheid konden gekozen worden.

De patriciërs maakten van hun recht weldra een schromelijk misbruik. Niet alleen dat zij bij alle gelegenheden aan de plebejers hunne overmacht deden gevoelen, maar daar zij, als de rijken, dikwijls de schuldeischers van de laatsten waren, behandelden zij dezen allervreeselijkst wreed en hardvochtig. Een schuldeischer mocht zijn schuldenaar tot slaaf maken, hem verkoopen, ja zelfs dooden. Recht tegenover den rijke had de arme volstrekt niet, en dus moest hij zich de gruwelijkste dwingelandij en knevelarij laten welgevallen. Toch poogden de plebejers meermalen in dien ondragelijken toestand verandering te brengen. De gelegenheid daartoe bood zich trouwens vaak genoeg aan. Hoe laag de patriciër ook neerzag op den plebejer, hij kon hem toch niet missen, voornamelijk niet in de vele oorlogen, die Rome met zijne naburen te voeren had. Dit wisten de plebejers zeer goed, en daarom weigerden zij eenvoudig te vechten, wanneer er een oorlog uitbrak. Dan moesten de patriciërs hen weer met mooie woorden en groote beloften paaien, om toch de wapens op te vatten.

Even vlug als zij in 't beloven waren, even handig waren zij er ook bij, om die beloften te verbreken, wanneer het gevaar geweken was. Eindelijk echter was 't geduld der verdrukte plebejers ten einde. Zij togen in 494 gezamenlijk uit Rome en naar den zoogenaamden #Heiligen Berg# met het doel, daar eene nieuwe stad te stichten. Nu waren de patriciërs op hunne beurt in verlegenheid en genoodzaakt iets toe te geven. Zij zonden eenen afgezant naar het volk, wien het gelukte eene verzoening tot stand te brengen. Echter niet dan nadat de schuldenlast verminderd, in de verhouding van schuldeischer en schuldenaar verbetering gebracht en volksvertegenwoordigers (tribunen) aangesteld waren.

Deze #tribunen#, die uit de plebejers mochten verkozen worden, moesten waken, dat het volk geen onrecht geschiedde en konden dat doen door tegen een besluit van den senaat hun #veto# (ik verbied het) te laten hooren, waardoor het senaatsbesluit niet ten uitvoer gebracht kon worden.

Met leede oogen zagen de patriciërs zich een deel van hunne vroegere macht over de verachte plebejers ontrukken. Zij haakten dus naar eene gelegenheid, waardoor zij den vroegeren toestand weder in 't leven konden roepen. Die gelegenheid bood zich spoedig aan in een vreeselijken hongersnood. De senaat had in Rome's korenschuur, Sicilië, koren laten opkoopen en wilde het nu gelijkelijk onder 't volk verdeelen. Een zeker trotsch patriciër, #Marcius Coriolanus#, stelde echter voor, het volk eerst dán koren te verstrekken, wanneer het van zijne verkregene rechten afstand wilde doen.

Toen de plebejers dit vernamen, werden zij woedend en daagden Coriolanus voor eene volksrechtbank. Deze echter, het ergste vreezende, verliet Rome en begaf zich naar Rome's vijanden de #Volscen#.

Aan 't hoofd van een machtig vijandelijk leger verschijnt hij weldra voor zijne vaderstad. Benarde toestand voorwaar! Van binnen de honger, van buiten een vijand, hunkerende naar den val van de steeds naar meer macht strevende stad. Men zendt boden naar Coriolanus, die hem eene eervolle terugroeping aanbieden. Tevergeefs; de trotsche patriciër wijst hen terug. De priesters, met alle teekenen van hunne waardigheid bekleed, zoeken hem tot den aftocht te bewegen, maar moeten eveneens onverrichter zake terugkeeren.

Maar ziet--daar nadert een stoet vrouwen. Aan 't hoofd er van gaat Coriolanus' moeder, Veturia, vergezeld van zijne gemalin Volumnia. Hij wil eerbiedig zijne moeder begroeten, maar trotsch wijst zij hem op hare beurt terug; zij wil in den verrader van zijn vaderland niet haren zoon erkennen. Dit is voor Coriolanus te veel. "Moeder!" zoo roept hij, "gij hebt Rome gered maar uwen zoon verloren."--Hij heft de belegering op, maar moet volgens sommigen door de verbitterde Volscen zijn omgebracht. (491 v. Chr.)

Lang duurde de strijd tusschen de plebejers en patriciërs; niet zelden kwam het tot bloedige botsingen. Toch wisten de plebejers het eene voorrecht na het andere machtig te worden, totdat omstreeks het jaar 300 v. Chr. de klove tusschen beide standen was aangevuld.

Ondertusschen was Rome wederom den ondergang nabij geweest. De Galliërs, een woest volk, dat eerst in zuidelijk Frankrijk had gewoond, waren in 't noorden van Italië gevallen en drongen zegevierend naar 't zuiden, alles plunderende en verbrandende. Door de hoogst onvoorzichtige handelwijze der Romeinsche gezanten tot woede geprikkeld, togen de Galliërs onder hunnen dapperen aanvoerder Brennus naar Rome, versloegen het Romeinsche leger bij de #Allia#, een kleinen bijvloed van den Tiber (390), veroverden Rome en verwoestten de stad. De inwoners waren voor 't grootste gedeelte naar 't Capitool gevlucht, waar zij onder aanvoering van den dapperen #Manlius# den vijand manmoedigen tegenstand boden (ganzen op 't Capitool). Toch zou ook deze sterkte hebben moeten vallen, ware niet te rechter tijd de vroeger wegens zijne trotschheid en overmoed verdrevene #Camillus#, de veroveraar van Veji, die de verstrooide troepen der Romeinen verzameld had, tot ontzet opgedaagd. De Galliërs werden verslagen en trokken terug. Rome werd schooner herbouwd.

20. HET HELDENTIJDVAK DER ROMEINSCHE REPUBLIEK.

(342-275 j. v. Chr.)

Het tijdperk van 342-275 j. v. Chr. is de schoonste tijd der republiek. Het is rijk aan voorbeelden van uitstekenden heldenmoed, van zelfopofferende vaderlandsliefde en van strenge rechtvaardigheid. Tevens geeft het ons eene groote mate van eenvoud en reinheid van zeden te aanschouwen, zooveel te meer opmerkelijk in een land als Italië, waar weelde en losbandigheid maar al te veel gehuldigd werden. Daardoor bleef de republiek niet alleen behouden te midden der groote gevaren, die haar bedreigden, maar trad zij grooter en machtiger dan ooit uit den worstelstrijd te voorschijn. De meeste volken van Italië, naijverig op den snellen bloei van Romulus' stichting, keerden hunne wapens tegen Rome. Hoewel de strijd niet altijd gunstig voor de Romeinen afliep, (Caudinische passen 321) bleek toch de onbezweken moed en de zelfopofferende vaderlandsliefde der Romeinen den vijanden te sterk te zijn.

Liever dan u de aanleiding tot de eindelooze oorlogen mede te deelen, willen wij liever wijzen op enkele der vele heldenfiguren, waaraan dit tijdperk zoo overrijk is. Daar zien wij hoog ten ros en in schitterende wapenrusting #Marcus Curtius# zich in den afgrond werpen, om zoo den toorn der goden te stillen. Hier offert de strenge consul #Titus Manlius# zijnen dapperen zoon op, omdat hij tegen het legerbevel met een hem uitdagenden vijand gevochten heeft. Elders weer wijdt consul #Decius Mus# zich ter dood, omdat de auguren de zege des legers afhankelijk van den val des aanvoerders hebben gesteld. In den heeten strijd bij Sentinum (295) offert de #jongere Decius Mus# zich eveneens voor 't heil des vaderlands op. Ook tooneelen als die van David en Goliath geeft ons dit tijdperk te aanschouwen. Hoe! wil die tengere jongeling (#Titus Manlius#) zich meten met dien Gallischen reus? Hij durft het wagen en weldra zien wij hem, versierd met den zwaren ketting zijns vijands (vandaar zijn bijnaam Torquatus) door het jubelend leger tot dictator verheven.

In 280 kwamen de Romeinen voor 't eerst in oorlog met een buitenlandsch vorst n.l. met #Pyrrhus#, koning van Epirus.

Begeerig naar avonturen, voldeed hij gaarne aan de uitnoodiging der Tarentijnen om hen tegen de Romeinen bij te staan. Met een uitmuntend leger, voorzien van olifanten, die aan den krijg gewoon waren, landde hij in Beneden-Italië en was weldra in twee veldslagen overwinnaar (280 en 279 v. Chr.) Toch kon de scherpzinnige Pyrrhus bij den eersten slag niet nalaten uit te roepen: "Met zulke soldaten was de wereld mijn;" en bij den tweeden: "Nog eene overwinning als deze en ik ben verloren."

Mochten de Romeinen ook een enkelen keer den moed laten zinken, de blinde #Appius Claudius# wist weder veerkracht in de harten der verslagenen te brengen en aan den gezant, dien Pyrrhus gezonden had, gaf de senaat het trotsche antwoord: "Over een' vrede kan slechts gehandeld worden, nadat Pyrrhus Italië verlaten heeft." De stand van zaken veranderde, toen #Fabricius# en #Curius Dentatus# aan 't hoofd des legers kwamen. Pyrrhus tracht den eerste om te koopen, maar Fabricius, hoewel zelf arm, wijst met verontwaardiging de glansrijke aanbiedingen van de hand; eene poging, door hem aangewend om den Romein door middel van een kolossalen olifant schrik aan te jagen, mislukte eveneens.

De tweede was zoo eenvoudig in zijne levenswijze, dat, toen de gezanten van den senaat hem voor de eerste maal zijne benoeming als consul brachten, ze hem bezig vonden met het koken van een gerecht rapen. Het geluk begon Pyrrhus den rug toe te keeren. In den geduchten slag bij #Beneventum# (275) werd zijn leger totaal verslagen, terwijl de meeste zijner olifanten, vroeger de schrik der Romeinen, in 's vijands handen vielen.

Hij was genoodzaakt als overwonneling naar zijn land terug te keeren.

Zoo waren de Romeinen langzamerhand meester geworden van geheel Italië; alle staten moesten òf als bondgenooten òf als onderworpen provinciën hunne oppermacht erkennen.

21. EEN MAN VAN ZIJN WOORD (REGULUS).

Omstreeks het jaar 888 stichtte Dido, zuster van den Phoenicischen koning Pygmalion, op de noordkust van Afrika eene kolonie, die den naam kreeg van Karthago. Deze kolonie werd weldra door handel en zeevaart rijk en machtig; zij strekte haar gebied niet alleen uit over een groot gedeelte van Afrika's noordkust, maar ook over Sardinië, Corsica en meer dan de helft van Sicilië. 't Kon wel niet anders, of twee volken als de Romeinen en de Karthagers, die beide naar de wereldheerschappij streefden, moesten in botsing met elkander komen. Er was slechts eene aanleiding noodig, en die liet niet op zich wachten. De Mamertijnen, ontslagen huurtroepen van Agathocles, tiran van Syracuse, maakten door roof en plundering het geheele eiland Sicilië onveilig en bemachtigden zelfs de stad Messana, die zij, na haar uitgemoord te hebben, als wijkplaats bij hunne strooptochten bezigden. Aan dezen stand van zaken poogden de Syracusanen een eind te maken. Hun koning Hiero viel de Mamertijnen met een leger aan en bracht hun zulk eene gevoelige nederlaag toe, dat ze naar hulp moesten uitzien. Een gedeelte hunner zocht ondersteuning bij de Romeinen; de overigen bij de Karthagers.

Het schoone en rijke Sicilië was eene te begeerige prooi voor Rome, dan dat het de bede der roofzuchtige Mamertijnen zoude afwijzen, hoewel het er vast op konde rekenen, dat de strijd met het machtige Karthago dan niet kon uitblijven. Weldra stak in een donkeren stormachtigen nacht een Romeinsch landingsleger op vlotten over de straat van Messina en veroverde verschillende versterkte plaatsen. Door een verbond met Syracuse zocht Rome de Karthagers geheel van Sicilië te verdrijven. Dezen echter wreekten zich door met hunne machtige vloten de kusten van Italië te bestoken en aan den handel van Rome's bondgenooten een geducht nadeel toe te brengen. De Romeinen zagen zeer goed in, dat zij in 't bezit van eene vloot moesten zijn, als ze met kracht tegen de Karthagers wilden optreden.

Met ontzaggelijk veel moeite en groote inspanning bouwden ze nu naar het voorbeeld van een gestrand Karthaagsch oorlogschip eene vloot. Ieder schip had aan weerszijden enterbruggen, waardoor het met een vijandelijk schip verbonden kon worden, en zoo veranderde het zeegevecht eenigszins in een landgevecht. Met deze vloot bevocht de consul #Duilius# de eerste overwinning op de Karthagers bij Mylae, eene kleine plaats in het n. o. van Sicilië (260). Nu werden de Romeinen overmoedig. Eene vloot van 330 schepen met een groot leger aan boord, zeilde onder bevel van den dapperen consul #Regulus# naar Afrika. De Karthagers werden herhaalde malen verslagen, en reeds stonden de zegevierende Romeinen voor Karthago's poorten, toen er Grieksche hulptroepen landden onder aanvoering van den bekwamen Spartaan #Xantippus#.

Nu werden de overwinnaars op hunne beurt overwonnelingen; het grootste gedeelte van 't schoone leger sneuvelde, de rest viel met den dapperen aanvoerder in handen der vijanden. In weerwil van de overwinning wenschten de Karthagers niets liever dan een eervollen vrede. Om dien te verkrijgen zonden zij, volgens het verhaal, den gevangen consul als afgezant naar Rome, na hem vooraf te hebben doen zweren naar Karthago terug te keeren, ingeval hij den vrede niet tot stand bracht. Regulus komt te Rome, kwijt zich van zijne opdracht, maar raadt tevens den senaat aan den oorlog met kracht vol te houden, daar de Karthagers uitgeput zijn. Noch de welmeenende raad van den senaat, noch de dringende beden zijner vrienden zijn in staat, hem ontrouw aan zijns eens gegeven woord te smaken. Hij keerde naar Karthago terug, waar een vreeselijke dood hem wachtte. Nu is 't u zeker ook duidelijk, waarom men Antonius Hambroek wel den Nederlandschen Regulus noemt.

Het einde van dezen oorlog, den eersten der zoogenaamde #Punische# oorlogen, (264-241) was, dat de Karthagers het korenrijke Sicilië ontruimen en eene groote som voor oorlogskosten aan de Romeinen moesten betalen.

22. HET ROMEINSCHE RIJK IN GEVAAR. (HANNIBAL).

Karthago zocht zich in Spanje schadeloos te stellen voor 't verlies van Sicilië. #Hamilcar Barcas# en #Hasdrubal#, veldheeren der Karthagers, veroverden er aanzienlijke streken lands. De verovering der stad #Saguntum#, die zich onder Rome's bescherming gesteld had, gaf aanleiding tot den #tweeden Punischen# oorlog (218-201), een' oorlog, waarin Rome op den rand van zijnen ondergang werd gebracht. De man, die dat bewerkte, was #Hannibal#. Opgevoed in haat tegen Rome, gloeiende van vaderlandsliefde, bedeeld met buitengewone geestesgaven, was hij de rechte man voor 't groote doel, dat hij beoogde. Dat doel was niet minder, dan uit Spanje een leger over de Pyrenaeën en de Alpen te voeren en zoo in Italië te vallen ten einde den Romeinen in hun eigen land de wet voor te schrijven. Stout plan voorwaar!

Toen hij na de ongehoordste ontberingen en gevaren eindelijk in Opper-Italië's vlakten verscheen, was zijn leger tot op de helft geslonken; al zijne olifanten waren omgekomen. Toch is hij sterk genoeg om den Romeinschen legers bij de #Ticinus#, bij de #Trebia# (twee bijvloeden van de Po) en bij het meer #Trasimene# (in het tegenwoordige Toscane) eene volkomen nederlaag toe te brengen (218 en 217). Zonder de krijgskunst van den dictator #Fabius# (cunctator=draler), toen op verre na niet genoeg door de Romeinen gewaardeerd, ware Rome hoogstwaarschijnlijk verloren geweest. Toen later #Aemilius Paulus# en #Terentius Varro# de wijze taktiek van Fabius lieten varen, en Hannibal bij #Cannae# slag leverden, was eene geduchte nederlaag het gevolg van hunne onbesuisdheid. 50000 Romeinsche lijken bedekten het slagveld (216). Cannae was echter de keerkring van Hannibals geluk. In 't weelderige Capua, waar hij met zijn leger den winter doorbracht, werden zijne krachtige krijgers ontzenuwd; kleingeestige naijver in zijne vaderstad liet het hem aan de noodige hulp ontbreken, terwijl Rome eene kracht en vastberadenheid ontwikkelde, geëvenredigd aan het gevaar, waarin het verkeerde. Verschillende Italiaansche volken verbraken het bondgenootschap met Hannibal, totdat ten laatste slechts enkele versterkte plaatsen in Beneden-Italië in zijne macht waren.

Daar steekt de koene #Scipio#, die reeds in Spanje blijken van grooten moed en zeldzame bekwaamheid had gegeven, met een leger naar Afrika over en bedreigt Karthago. Hannibal snelt zijne vaderstad te hulp. Tevergeefs: de slag bij #Zama# (202) was ten nadeele van de Karthagers, en onder de schandelijkste voorwaarden moesten zij den vrede afbidden. Overal vervolgd door de Romeinen, die hem haatten en tegelijk vreesden, bracht Hannibal zich door vergif om 't leven (183).

Eene stad, die door handel en nijverheid zijn bestaan vindt, herstelt zich langzamerhand van de verliezen, die het geleden heeft. Zoo ook Karthago. Dit konden de Romeinen niet dulden. "Karthago moet verwoest worden", zoo besloot Cato zijne meeste redevoeringen in den Senaat. Eene aanleiding daartoe was spoedig gevonden. Een naburig koning (Masinissa van Numidië) maakte voortdurend strooptochten op Karthaagsch grondgebied. De Karthagers, geen oorlog mogende voeren zonder verlof der Romeinen, verzochten dezen om hulp, doch tevergeefs. Ten einde raad, grepen zij eindelijk zelven de wapens op en verjoegen de indringers. Schoone gelegenheid voor de Romeinen om een leger naar Karthago te zenden, ten einde de stad voor 't verbreken van de vredesvoorwaarden te straffen! De Romeinen eischen gijzelaars; men geeft ze hun; vervolgens hunne wapens; ook deze worden overgeleverd. Toen zij echter van de bedrukte inwoners vorderen hunne stad te verlaten, en minstens vijf mijlen van de zee zich eene nieuwe stad te bouwen, zegevierde de onderdrukte vaderlandsliefde over de honende vorderingen en bedreigingen der Romeinen. Nu geeft Karthago ons een tooneel te aanschouwen, waarbij het gevoelige hart van smart moet ineenkrimpen. Meer dan twee jaren werd er gestreden, aan den eenen kant met den moed der vertwijfeling, aan den anderen met grenzenlooze verbittering. Ieder huis moest veroverd worden; voet voor voet verdedigden de Karthagers den dierbaren grond, tot eindelijk met de sterke burcht hun laatste toevluchtsoord was gevallen. De koningin der Middellandsche zee ging in vlammen op. De aanvoerder der Romeinen, #Scipio Afrikanus de jongere#, kon bij 't zien van 't afgrijselijk tooneel zijne tranen niet bedwingen. 't Getuigt meer voor hem dan menige zege, op 't slagveld behaald. Van de 700,000 inwoners bleven slechts 50000 over, om den triomftocht van Scipio meer luister bij te zetten. Zoo eindigde de _derde_ of _laatste Punische_ oorlog. (149-146).--In 't zelfde jaar, waarin Karthago viel, werd ook #Corinthe# door den consul #Mummius# ingenomen, en daarmede was geheel Griekenland in Rome's macht. Omstreeks het jaar 130 konden de Romeinen zich beroemen, dat hunne heerschappij zich reeds uitstrekte over drie werelddeelen.

23. TWEE VRIENDEN DES VOLKS (DE GRACCHEN).