Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen
Chapter 4
Kalm en bedaard hoorde de 70 jarige grijsaard dit vonnis aan. Zijne leerlingen echter waren ten prooi aan de grootste droefheid en wanhoop. "Ach," zegt Apollodorus, "het grieft mij, dat gij zoo onschuldig moet sterven." Glimlachend antwoordt Socrates: "Zoudt gij misschien liever willen, dat ik schuldig stierf?" Maar men wil den geliefden meester bevrijden. Voor geld kan men in Athene veel gedaan krijgen. Criton heeft de wachters omgekocht. Alles is tot de vlucht naar Thessalië voorbereid. Criton kende echter nog niet de strenge beginselen van zijn' leeraar en vriend. "Mijn lieve Criton!" zegt Socrates, "ik heb zoolang de zegeningen genoten van de wetten van den staat, zoude ik er mij nu nog aan bezondigen? En bovendien wijs mij eene plaats aan waar men niet sterft."
De laatste dagen bracht Socrates met zijne geliefde jongeren in den kerker door, sprekende over de onsterfelijkheid der ziel en andere merkwaardige zaken.
Kalm en onverschrokken dronk de edele man den giftbeker. Met hem stierf Griekenlands edelste en beste burger. Pas was Socrates gestorven, of Athene besefte, dat het eene misdaad tegen hem gepleegd had. Men haastte zich zooveel mogelijk, zijne nagedachtenis te huldigen en zijne eer te herstellen, en de rechters, die voor zijnen dood gestemd hadden, werden zoodanig aan de openbare verachting prijsgegeven, dat sommigen de stad verlieten en anderen zich van het leven beroofden.
14. ALCIBIADES (PELOPONNESISCHE OORLOG).
Toen wij over Pericles spraken, hebben wij tevens gewaagd van een' oorlog, die ontstond tusschen Athene en de bondgenooten, met Sparta aan het hoofd (431-404). In dien voor Griekenland zoo treurigen tijd verschijnt een man op het wereldtooneel, die zoowel door de fortuin als door de natuur rijk gezegend was. Wij bedoelen #Alcibiades#. Van zeer aanzienlijke geboorte, bovenmate rijk, bezat hij tevens een schoonen lichaamsbouw, en had hij, bij een allergunstigsten aanleg, lust en liefde voor kunsten en wetenschappen. Ook was hij, 't geen in Athene niet weinig gold, ruim bedeeld met de gave der welsprekendheid. Hij zoude dus een waardig opvolger van Pericles zijn geworden, wanneer hij rust en bezadigdheid en minder eer- en heerschzucht bezeten had.
De bloedige oorlog tusschen de Grieksche staten had reeds 10 jaren geduurd, toen er door den vrede van Nicias een eind aan werd gemaakt. (421 v. C.) Echter voor korten tijd; de haat tusschen de beide voornaamste steden was te groot, dan dat een duurzame vrede mogelijk geweest ware.
Niemand was blijder, toen de oorlog weder uitbrak, dan de jonge Alcibiades. In den oorlog toch was roem te behalen, kon hij van zich laten spreken, kon hij schitteren. Hij wist dan ook te bewerken, dat er eene groote vloot werd uitgezonden naar Sicilië, om Syracuse en vervolgens het geheele korenrijke eiland te overmeesteren. 't Spreekt van zelf, dat hij zorgde, een der bevelhebbers te worden. Maar zijne talrijke vijanden zochten zijnen ondergang te bewerken. Nog eer de vloot uitliep, waren in Athene op zekeren nacht al de Hermeszuilen (standbeelden aan den god Mercurius gewijd) verminkt, en algemeen beschuldigde men Alcibiades, dat hij met zijne brooddronken soldaten, deze heiligschennis gepleegd had. Men liet hem echter eerst met de vloot uitzeilen, want zijne persoonlijkheid en welsprekendheid waren betooverend, en hij was de lieveling des volks.
In zijne afwezigheid werd hij van heiligschennis beschuldigd, en een schip de vloot nagezonden, om hem te halen.
Alcibiades ging eerst ook werkelijk mede, doch bedenkende, hoe wankel de volksgunst is, wist hij te ontvluchten naar eene veilige plaats. Te Athene werd hij nu ter dood veroordeeld.
"Ik wil hun toonen, dat ik nog leef," zeide hij en vertrok naar Sparta, Athene's doodvijand, waar hij met open armen ontvangen werd. Hier bewees hij den Spartanen dan ook voortreffelijke diensten door hun aanwijzingen te geven, hoe zij Athene het meeste kwaad konden berokkenen. De tocht naar Sicilië mislukte geheel. De aanvoerder Nicias werd openlijk te Syracuse onthoofd en eene groote menigte gevangenen zagen hun leven ellendig verkwijnen in de steengroeven van Syracuse.
Het gelukte Alcibiades intusschen niet, voortdurend het vertrouwen der Spartanen te behouden. Zijn overmoed verwekte hem ook hier vele vijanden en toen hij zijne veiligheid te Sparta bedreigd zag, vertrok hij naar het eiland Samos, waar de Atheensche vloot lag.
Nadat hij zich met zijne vaderstad verzoend had, behaalde de vloot onder zijne leiding verschillende overwinningen op de Spartanen en hunne bondgenooten. Nu was hij weder de man des volks. Hij, de ter dood veroordeelde, werd onder het gejubel der menigte te Athene ingehaald; de zuil, waarop zijne misdaad gegrift was, in zee geworpen en het opperbevel over de land- en zeemacht hem opgedragen. Eenige maanden later werd het hem echter weer ontnomen, toen zijn onderbevelhebber, in weerwil van zijn uitdrukkelijk bevel, in zijne afwezigheid slag leverde tegen de Spartanen, welke slag met de vernietiging der Atheensche vloot eindigde. Hij vluchtte vervolgens naar Thracië en daarna naar den Perzischen stadhouder in Klein-Azië; maar de Spartanen, zijnen invloed en zijne bekwaamheden vreezende, vervolgden hem ook hier, en lieten hem door sluipmoordenaars om 't leven brengen. (404).
Dat was het uiteinde van den schitterenden en hoogbegaafden, maar zelfzuchtigen en eerzuchtigen Alcibiades.
Athene ging nu met rassche schreden zijnen ondergang te gemoet. Lysander, de Spartaansche veldheer, versloeg de Atheners geheel en al; een vijandelijk leger bezette de stad; de muren werden afgebroken, de vloot weggevoerd, de democratische regeering afgeschaft en een aristocratisch bestuur (30 tirannen) er voor in de plaats gesteld. Athene's grootheid was voor altijd te niet.
15. EEN GEVAARLIJK HELPER (PHILIPPUS).
Wij zien van nu aan Griekenland ten prooi aan binnenlandsche onlusten. Nadat Sparta een' tijdlang eene drukkende tirannie had uitgeoefend, gelukte het aan het kleine Thebe, om onder zijne dappere veldheeren #Epaminondas# en #Pelopidas# voor een korten tijd de hegemonie te verkrijgen. We zeggen voor een korten tijd, want weldra mengde zich een vreemdeling in de Grieksche zaken, waardoor de zelfstandigheid van Griekenland geheel te niet ging. Die man was de bekwame, maar sluwe #Philippus van Macedonië#. Door list en geweld had hij zich den weg tot den troon gebaand; door list en geweld wist hij zich invloed en macht in Griekenland te bezorgen. De aanleiding hiertoe was deze. De bewoners van het landschap Phocis, waarin de heilige stad Delphi lag, hadden #heilig land# bebouwd en waren daarom tot betaling eener groote somme gelds veroordeeld. Toen de betaling achterwege bleef, werd besloten tot een' krijgstocht tegen Phocis (heilige oorlog 355). De Phocensen wierven huurtroepen aan en vielen daarmede zegevierend in Thessalië.
De Thessaliërs verzochten den Macedonischen koning om hulp, die deze hun ook verleende.
Hij versloeg de Phocensen en wist later door list en omkooping zooveel te bewerken, dat hij in een' oorlog tegen de bewoners van 't landschap Locris tot opperbevelhebber over 't Grieksche leger werd benoemd.
Te laat zagen de Grieken in, dat zij een' wolf tot herder over de kudde hadden aangesteld; te laat lieten zij recht wedervaren aan den beroemden #Demosthenes#, die niet opgehouden had met zijn onnavolgbaar redenaarstalent tegen de heerschzucht van den Macedoniër te waarschuwen.
Toen de Grieken zich nu met geweld van wapenen van den geweldenaar wilden ontdoen, werden zij in den geduchten slag bij #Chaeronea# (338) geheel verslagen. Met de Grieksche vrijheid was het gedaan.
De eerzuchtige plannen van Philippus waren veel omvattend. Het groote, maar reeds kwijnende Perzische rijk te doen vallen, was zijn doel. Te dien einde liet hij zich door de Grieken tot opperbevelhebber van een' krijgstocht tegen de Perzen benoemen. Deze tocht was echter weggelegd voor zijn beroemden zoon Alexander. Hij zelf werd op een bruiloftsfeest verraderlijk vermoord.
16. ALEXANDER DE GROOTE.
Alexander was een prins van den voortreffelijksten aanleg. Zijn vader Philippus trachtte dezen aanleg door allerlei lichaamsoefeningen en een goed onderwijs op de beste wijze te ontwikkelen.
Te dien einde riep hij den beroemden #Aristoteles# aan zijn hof, om de opvoeding van zijn hoopvollen zoon op zich te nemen. "Ik verheug mij," schreef hij aan Aristoteles, "dat het kind geboren is, terwijl gij leeft, om het te kunnen onderrichten en tot een goed koning op te leiden."
Alexander was in alle opzichten zulk eenen leermeester waardig; want hij leerde met den grootsten ijver en was met zijne gansche ziel aan zijnen leermeester verknocht. Reeds vroeg haakte Alexander naar verhevene, roemwaardige daden.
Koning te zijn over de geheele wereld was zijn vurigste wensch. Zoo dikwijls boden de tijding brachten van de overwinningen zijns vaders, werd hij bedroefd en zeide eens weenend: "Ach, mijn vader zal nog de geheele wereld veroveren en mij niets overlaten." Het liefst hoorde hij zijne leermeesters vertellen van de groote daden der oude helden, van oorlogen en veldslagen. Homerus was daarom zijn lievelingsdichter. Hij wenschte een held te worden als Achilles en hoopte even schoon bezongen te worden.
Op zijne veldtochten had hij Homerus' gedichten in een gouden kistje dan ook altijd bij zich. Op den ouderdom van achttien jaren toonde hij reeds zijne dapperheid in den slag bij Chaeronea, waarin de Grieken hunne vrijheid verloren.
Toen hij twee jaren later, na de vermoording zijns vaders, zelf koning werd, dachten de Grieken van zijne jonkheid en onervarenheid gebruik te kunnen maken om hunne vroegere onafhankelijkheid weder te herwinnen. De stad Thebe moest echter ondervinden, dat met den twintigjarigen Macedonischen koning niet te spotten viel. De stad werd stormenderhand ingenomen en tot den grond geslecht.
Alleen het huis van Pindarus, den dichter, die in schoone liederen de overwinnaars in de Grieksche kampspelen bezongen had, liet Alexander sparen.
Nu weigerde geen der Grieksche staten den moedigen en ondernemenden jongeling meer gehoorzaamheid. Te Corinthe liet hij zich benoemen tot opperbevelhebber der Grieken tegen de Perzen. Aan het hoofd van een leger van 35000 man trok Alexander dan ook in 334 op om het reeds kwijnende Perzische rijk aan te vallen.
Hij stak den Hellespont over, en toen hij den voet op Aziatischen bodem zette, riep hij zegevierend uit: "Azië is mijn!"
Nadat Alexander het slagveld van Troje en vooral het graf van Achilles bezocht had, kwam het bij een klein riviertje de #Granicus# tot een hardnekkig gevecht tusschen het Grieksch Macedonisch leger en het Perzische, waarbij Alexander zoude gedood zijn, had niet zijn vriend Clitus hem gered.
Door deze overwinning werd hij meester van Klein-Azië. De eene overwinning volgde nu op de andere. Steden, die zich niet vrijwillig overgaven, werden stormenderhand ingenomen. Toch besloot de Perzische koning Darius Codomannus alle pogingen aan te wenden om den zegevierenden Macedoniër in zijne overwinningen te stuiten.
Met een leger van 600,000 man viel Darius het veel zwakkere leger van Alexander aan bij _Issus_, maar de Grieksche dapperheid en krijgskunst behaalden ook hier weder de zege op de overmacht. (333).
Honderdduizend Perzen sneuvelden; Darius vluchtte. Zijne moeder, zijne vrouw, twee dochters en een zoon benevens een onmetelijke buit vielen den overwinnaar in handen. Geheel tegen het toenmalige krijgsgebruik behandelde hij zijne aanzienlijke gevangenen met de grootste achting en eerbied. Toen Darius dit vernam, werd hij daardoor zoo getroffen, dat hij uitriep: "Goden! laat mij mijn rijk behouden, maar hebt gij den ondergang er van besloten, geef het dan aan Alexander van Macedonië."
De jonge held trok nu, zonder zich verder om Darius te bekommeren, langs de zeekust naar het zuiden, veroverde en verwoestte de rijke en machtige handelsstad Tyrus, maakte zich vervolgens meester van Palaestina en rukte eindelijk over de landengte van Suez naar Aegypte.
Aegypte was vroeger door Cambyses, koning van Perzië, veroverd en steeds hard behandeld; daarom beschouwden de Aegyptenaren de Perzen als hunne doodvijanden.
Geen wonder dus, dat men in Aegypte Alexander als redder begroette. Zijn tocht door het land geleek een zegetocht. Aan een der monden van den Nijl stichtte hij een nieuwe handelsstad, naar hem Alexandria genoemd, die weldra in plaats van het verwoeste Tyrus de zetel van den wereldhandel werd. In de groote Lybische zandwoestijn lag eene oase en daarin een tempel, aan Jupiter gewijd. Van de priesters van dezen god werd, evenals van die te Delphi, gezegd, dat ze de toekomst konden voorspellen. Alexander wenschte dien tempel te zien, die priesters te hooren en ondernam daarom een gevaarvollen tocht door de woestijn, dien hij echter gelukkig volbracht.
Door de priesters van Jupiter werd hij tot zijn groote vreugde voor een' zoon van Jupiter verklaard. Na dezen grooten uitstap keerde hij naar Azië terug, om Darius op te zoeken. Hij vond hem bij #Arbela# in Assyrië met een leger, in aantal wederom verre het zijne overtreffende. Alexanders krijgskunde en de dapperheid zijner troepen behaalden echter ook hier de overwinning. (331).
Nu was het Perzische rijk geheel in de macht van den stoutmoedigen Macedoniër. De voornaamste Perzische steden Babylon, Susa, Persépolis en Ecbatana vielen den overwinnaar in handen. Darius zocht zijn heil in de vlucht, maar werd door zijnen landvoogd Bessus gevangengenomen en verraderlijk vermoord. Deze laaghartige kreeg echter weldra de straf voor zijne snoodheid. Alexander liet hem vervolgen: hij werd gevat en ter dood gebracht. Darius' lijk liet hij echter naar Persépolis, de begraafplaats der Perzische koningen, brengen en daar op koninklijke wijze ter aarde bestellen. 't Scheen Alexander ondertusschen in Azië goed te bevallen, althans hij toonde volstrekt geen lust om naar Macedonië terug te keeren.
Hij huwde eene Perzische vrouw, liet zich op Oostersche wijze bedienen, eischte, dat men zich op Oostersche wijze voór hem zou nederwerpen en kleedde zich als een Pers. Hij hoorde gaarne, dat men hem bovenmate vleide; wie dit niet verkoos te doen, maakte zijn' toorn gaande, zooals bleek, toen hij zijn' vriend Clitus, die niet instemmen wilde met de laffe vleierijen der anderen, eigenhandig doorstak.
Het bezit van het Perzische rijk was echter op verre na niet voldoende om de eer- en heerschzucht van Alexander te bevredigen. Indië, het fabelachtige, rijke Indië te onderwerpen was nu het doel van zijn streven. Toen hij de grensrivier, den Indus, overtrok, kwamen hem verscheidene vorsten met rijke geschenken te gemoet. Eén koning echter, de dappere #Porus#, poogde hem het verder doordringen te beletten. Maar hoewel hij en zijn leger wonderen van dapperheid ten toon spreidden, moest ook hij het onderspit delven. Met wonden bedekt werd hij gevangengenomen, maar door Alexander allergrootmoedigst behandeld; hij kreeg niet alleen zijn geheel koninkrijk terug, maar ontving daarenboven nog verschillende nieuwe provinciën.
Na de onderwerping van Porus zou het Alexander niet moeielijk zijn gevallen geheel Indië te veroveren, wanneer zijne Macedoniërs niet oproerig geworden waren en geweigerd hadden hem verder te volgen.
Alexander moest dus tot den terugtocht besluiten, die dan ook onder de grootste bezwaren ondernomen werd. Te Babylon aangekomen, ontwierp hij weder nieuwe veroveringsplannen, maar te midden zijner groote toerustingen rukte de dood hem weg in den nog jeugdigen ouderdom van 33 jaren. (323).
Treurig en mismoedig stonden zijne veldheeren en vrienden bij zijn sterfbed.
Hij reikte hen de hand, en na hen veelbeteekend aangezien te hebben, zeide hij: "Ik heb een voorgevoel, dat er na mijnen dood bloedige twisten zullen ontstaan." Men vroeg hem nog, wien hij tot opvolger bestemde.
Hij antwoordde: "den waardigste." Alexanders voorzegging kwam uit. Zijn dood was het sein tot een langen en bloedigen strijd. Toch hebben zijne veroveringen zeer veel goeds tot stand gebracht; want daardoor kwamen de Grieken met de Oostersche volken in aanraking, werden beschaafder en leerden elkander meer achten als menschen van gelijke beweging en afkomst.
17. DE STICHTING VAN ROME.
(753).
We willen nu Griekenland, dat langen tijd het tooneel der wereldgebeurtenissen was, verlaten en verplaatsen ons met onze gedachten naar het heerlijke Italië. Nog altijd blijft Rome de merkwaardigste stad van Italië niet alleen, maar in vele opzichten ook van de wereld. Vooreerst wegens hare oudheid, waarin weinige steden van Europa met haar kunnen wedijveren, maar ook vooral wegens de groote rol, die zij langen tijd in de geschiedenis der wereld heeft gespeeld en in zekeren zin nog speelt. Het verhaal van de stichting dezer stad is zoo wonderlijk, dat men aan eene sage moet denken, waarin waarheid en verdichting zoodanig dooreengemengd zijn, dat de eerste moeielijk is aan te wijzen, het verhaal luidt aldus:
Na de verwoesting van Troje vluchtte de koningszoon #Aeneas# met eenige getrouwen naar Italië, en wel naar 't landschap Latium, welks koning hem vriendschappelijk opnam. Zijn zoon Ascanius stichtte de stad Alba Longa, die weldra de hoofdstad werd van een koninkrijk van dien naam. De achtste koning, Procus genaamd, liet bij zijn overlijden twee zonen na, Numitor en Amulius, van welken de oudste hem zou opvolgen.
Numitor werd echter door zijn heerschzuchtigen, jongeren broeder van den troon gestooten, die ook zijn' zoon op de jacht doodde en zijne dochter Rhea Silvia dwong Vestaalsche maagd (priesteres van Vesta) te worden, waardoor zij de gelofte moest afleggen, nimmer te huwen.
In weerwil van die gelofte huwde zij in stilte en kreeg tweelingzonen. Toen Amulius dit gewaar werd, was zijne woede grenzenloos. Hij liet de moeder in de gevangenis, de kinderen in den Tiber werpen.
De Tiber was juist buiten zijne oevers getreden, en de kinderen bleven, toen 't water wegliep, in hun mandje op het droge staan. Eene wolvin, die daar kwam, zoogde de van honger schreiende knaapjes en een specht deelde de voedsterzorgen met haar.
Zoo werden zij door Faustulus, herder van Amulius, gevonden. Deze, wel wetende, wat er gebeurd was, giste dadelijk de afkomst der kinderen en, bewogen met hun lot, nam hij ze mee naar zijne vrouw, die ze als hare kinderen opvoedde. De knapen, #Romulus# en #Remus# genaamd, onderscheidden zich reeds spoedig van de andere herdersknapen door hunnen moed. Zij verdedigden de kudden van hunnen pleegvader tegen wilde dieren en roovers. Ook kwamen zij niet zelden in strijd met andere herders over de beste kudden. Bij een gevecht met Numitors herders werd Remus eens gevangengenomen en voor Numitor gevoerd. Nu snelde Faustulus met Romulus spoedig naar Numitor en ontdekte het gansche geheim. Dadelijk waren de driftige jongelingen er op bedacht, zich op hunnen wreeden oudoom te wreken. Zij riepen hunne gezellen op, overvielen Amulius in Alba Longa, doodden hem en herstelden Numitor in zijne verloren waardigheid. Deze gaf hun tot loon een stuk land, ongeveer ter plaatse, waar zij door Faustulus gered waren, met den raad, daar eene stad te bouwen. De broeders volgden dien raad en bouwden eene stad, die natuurlijk eerst zeer onaanzienlijk was. Toen het bouwen gedaan was, moest de stad eenen naam hebben. Nu ontstond er twist tusschen de beide broeders, wie dien zou geven. Daar men 't niet eens kon worden, wilde men de beslissing aan de goden overlaten. Deze zouden door de vlucht hunner vogels (de adelaars) aanwijzen, wie de eer zouden hebben, de stad te benoemen. Maar ziet! nu ontstond er weer verschil, daar Remus het eerst zes arenden en Romulus er kort daarna twaalf zag.
Remus beweerde, omdat hij ze 't eerst gezien had, de gunsteling der goden te zijn, terwijl Romulus hetzelfde volhield, omdat hij de #meeste# vogels gezien had.
Toen Remus zijn' broeder daarenboven nog bespotte over de geringheid van den bouw, en ten bewijze daarvan over den ringmuur heensprong, werd Romulus zoo toornig, dat hij zijn' zwaard greep en zijn' broeder versloeg. Nu had hij dus geenen mededinger meer, en zijne stichting kreeg den naam van Rome.
Thans kwam het er op aan bewoners in de stad te krijgen. Daarom noodigde Romulus allen uit, onverschillig wie, om zich in de nieuwe stad metterwoon te vestigen.
Dat de bevolking, die er kwam, niet van de allerfijnste soort was, laat zich licht begrijpen, en dat de inwoners van Rome weldra niet ter goeder naam en faam bekend stonden, eveneens. Daarom konden de Romeinen ook geene vrouwen ten huwelijk krijgen, hoeveel moeite zij daartoe ook aanwendden. Zij gingen nu hunne toevlucht tot list en geweld nemen. Romulus noodigde de omliggende volken, vooral de Sabijnen, uit tot een groot feest. Deze kwamen in de vreedzaamste stemming der wereld ongewapend met hunne vrouwen en dochters. Te midden van het feest evenwel vielen de gewapende Romeinen op de niets kwaads vermoedende vrouwen aan en sleepten ze in hunne huizen, terwijl hare mannen, broeders en vaders vluchtten. Dezen kwamen natuurlijk spoedig gewapend terug, om hunne betrekkingen op te vorderen. De vrouwen scheen het evenwel bij de Romeinen zoo goed te bevallen, dat zij eene verzoening wisten te bewerken. Nu werd er besloten, dat de Sabijnen en de Romeinen voortaan één volk zouden uitmaken, waarover Romulus en de Sabijnsche koning Titus gemeenschappelijk zouden regeeren.
Romulus ruimde zijn' medekoning echter spoedig uit den weg en regeerde overigens zoo willekeurig en wreed, dat hij den algemeenen haat der aanzienlijken (patriciërs) op zich laadde. Dezen maakten hem daarom in een raadsvergadering van kant en vertelden aan 't volk, dat hij uit hun midden ten hemel was gevaren.
18. EEN VRIEND VAN ZIJN VADERLAND (BRUTUS).
250 Jaren lang regeerden er koningen over Rome. Slechts onder een enkelen van deze en wel onder den opvolger van Romulus, den Sabijn #Numa Pompilius#, bleef het zwaard rusten.
Numa maakte zich voor Rome verdienstelijk door het geven van wijze wetten en de regeling van den godsdienst. Zijn tienjarig bestuur was de gelukkigste tijd, dien Rome onder zijne koningen had. De meeste zijner opvolgers waren er op bedacht Rome's grondgebied te vergrooten, zoodat de tempel van Janus door Numa, den man des vredes, gesticht, maar zelden gesloten was. Deze tempel n.l. mocht alleen in vredestrijd gesloten worden.
Langzamerhand werden de volken in de onmiddellijke nabijheid van Rome door de oorlogzuchtige Romeinen onderworpen en wel het eerst de bewoners van de moederstad Alba Longa (Horatiërs en Curatiërs). De laatste der koningen was #Tarquinius# om zijne trotschheid de _trotsche_ (superbus) geheeten. Door vele misdaden en bezoedeld met het bloed zijns schoonvaders Servius Tullius was hij tot den troon gekomen; door geweld en wreedheid zocht hij zich staande te houden. Hij begon zijne regeering met het dooden van al de leden zijner familie, met uitzondering van Lucius Junius, die, door zich onnoozel te houden, den dood ontkwam en als een onschadelijk wezen ten speelbal der hovelingen aan het hof bleef leven. Daarom kreeg hij den bijnaam van Brutus (de onnoozele). Tarquinius maakte zich intusschen door zijne trotschheid bij aanzienlijken en geringen meer en meer gehaat, totdat de schandelijke daad van zijn' zoon Sextus de maat deed overvloeien. Terwijl Tarquinius eene vijandelijke stad belegerde, ging Sextus de vrouw van een' der legeraanvoerders, Collatinus, op eene gruwelijke wijze beleedigen.