Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen
Chapter 2
Wat zij er zochten n.l. schatten, hebben zij verkregen; want oude schrijvers roemen als om strijd de pracht en weelde, die in de Phoenicische steden #Tyrus# en #Sidon# heerschten. 't Was trouwens ook geen wonder. De Phoeniciërs hadden toen den alleenhandel, dien zij door het verspreiden van allerlei schrikverwekkende fabelen als van nevelzeeën, zeemonsters, vliegende slangen, reuzenvogels en dergelijke wisten te behouden. Zij dreven als echte kooplieden handel in alles: koren, zilver, barnsteen, tin en niet het minst in slaven, die zij soms op zeer vreemde manier wisten machtig te worden; want de Phoeniciërs oefenden bij het zeer eerbaar beroep van handelaar, het alles behalve eervolle van zeeroover uit.
Havenplaatsen zijn voor een handeldrijvend volk eene behoefte. Daarom legden zij op verschillende plaatsen aan de Middellandsche zee koloniën aan. Zoo ontstonden op Cyprus, op Sicilië, op Sardinië, in Spanje (Gades=Cadix) en op de kust van Afrika (Carthago) Phoenicische volkplantingen, die weldra tot hoogen bloei kwamen.
De rustelooze handelsgeest der Phoeniciërs zocht intusschen ook elders handelswegen te openen en een levendige karavanenhandel met Aegypte, Babylon en Indië was alras een gevolg van hun streven.
Zulk een ondernemend en naar winstbejag strevend volk moest ook wel op het gebied der nijverheid vorderingen maken. Vele uitvindingen worden dan ook aan hen toegeschreven, misschien echter niet alle met recht. Zoo zegt men, dat de Phoeniciërs het glas hebben uitgevonden. Eenige zeelieden wilden n.l. op de zandige Syrische kust een vuur ontsteken, en namen, daar niets anders dadelijk voor de hand lag, een paar stukken salpeter, om hun' ketel er op te zetten. Door de hitte smolt de salpeter en het zand en verbond zich tot eene doorzichtige stof, het glas. Ook de ontdekking van de purperverf wordt aan hen toegeschreven. Even als bij de meeste uitvindingen was een toeval hiervan de oorzaak.
Een herdershond komt bij zijn' heer met een rooden muil. De herder meent, dat zijn hond bloedt, neemt eene vlok wol en veegt hem den muil af, maar ziet tot zijne groote verwondering, dat de roode kleur niet van bloed, maar van iets anders komt, en dat de wol met eene fraaie, roode stof doortrokken is. Hij merkt naderhand op, dat de hond de zich aan het strand bevindende slakken doorbijt en vandaar den rooden muil verkrijgt, en nu is de grondstof gevonden, waaruit de vindingrijke geest der Phoeniciërs weldra de prachtigste kleurschakeeringen weet te voorschijn te brengen.
Wij kunnen dus niet nalaten, bewondering te koesteren voor zulk een ondernemend en vindingrijk volk.
Zien we het echter in zijn maatschappelijk- en burgerlijk leven, dan bevalt het ons evenmin als de Babyloniërs.
Wij vinden dan een volk, dat geene moeite ontziet, om schatten te verzamelen, maar slechts met het doel om ze naderhand in de schandelijkste ongebondenheid te verkwisten.
We treffen verder bij hen een' godsdienst aan, die in zedeloosheid en wreedheid alle godsdiensten der Oostersche volken verre overtreft.
Menschenoffers waren bij den Baäl- en Molochdienst zeer gebruikelijk.
Van een Phoeniciesch rijk kan eigenlijk geen sprake zijn. 't Schijnt, dat iedere groote stad haar eigen koning en haar eigen bestuur had, maar tevens, dat de eene stad soms voor eene tijdlang de oppermacht over de andere uitoefende.
Tyrus en Sidon waren altijd de meest aanzienlijke steden.
5. CROESUS EN CYRUS.
In 't jaar 549 v. Chr. biedt Sardes, de hoofdstad van 't Lydische rijk, ons het treurige tooneel aan van strijd en verwoesting. Vóór de muren der stad is een slag geleverd, waarin de Lydiërs het onderspit hebben gedolven, en nu dringen de overwinnende Perzen over de lijken hunner vijanden in de veege stad, alles vernielende, wat hun in den weg komt en roovende, wat van hunne gading schijnt. Tusschen die bewijzen van moord en verwoesting zien wij een' brandstapel opgericht en een' man daarop vastgebonden, wiens voorkomen, ook in dezen rampzaligen toestand, zijne vorstelijke afkomst verraadt. 't Is de ongelukkige #Croesus#, weleer de rijkste van alle vorsten van Azië, de beheerscher van het machtige Lydië, die nu op bevel van #Cyrus#, den koning der Perzen, ter eere der goden zal geofferd worden. De houtmijt wordt aangestoken, en reeds stijgen de vlammen omhoog. Daar hoort men den ongelukkige tot driemaal roepen: "O Solon! Solon! Solon!" Cyrus, verwonderd over dezen uitroep, vraagt naar de beteekenis dezer woorden, en, nadat hij den gevangene heeft laten afklimmen, verhaalt Croesus het volgende: "Voor eenige jaren kreeg ik aan mijn hof een bezoek van den wijsten man uit geheel Griekenland, die de geheele wereld doorreisde, om nog meer kennis op te doen. 'k Liet hem al mijne paleizen, al mijne schatten zien. Ze lieten hem onverschillig. 'k Vroeg hem nu, welke man de gelukkigste was, dien hij op zijne vele reizen gezien had. Hij noemde mij een' burger Tellus uit Athene, die, na een gelukkig leven geleid te hebben, hoog bejaard in een zegevierenden slag den heldendood voor 't vaderland gevonden had. Toen ik hem daarop vroeg, wien hij nadien Tellus als den gelukkigste beschouwde, noemde hij twee Grieksche jongelingen, die bij gelegenheid van een groot feest hunne oude moeder in eenen wagen naar den tempel trokken, door 't volk luide werden toegejuicht wegens hunne kinderlijke liefde en vervolgens door vermoeidheid overmand, in slaap vielen, om nooit weer te ontwaken."
Toen ik, misnoegd, dat hij mijn geluk zoo gering schatte, hem vroeg of hij mij dan niet gelukkig achtte, sprak hij deze merkwaardige woorden: "O Croesus, niemand is vóór zijnen dood gelukkig te noemen. Als ik bedenk, dat het leven wel eens zeventig jaren duurt, dan denk ik tevens, hoeveel er in dien tijd veranderen kan. Deze woorden mishaagden mij toen. Hoe ondervind ik nu echter, hoezeer de wijze man recht had." Dit verhaal maakte op den veroveraar eenen diepen indruk. Tot nog toe had de gelukszon hem steeds beschenen. Bij zijne geboorte reeds door zijn' grootvader Astyages, koning van Medië, ter dood gedoemd, had eene medelijdende herdersvrouw zijn leven weten te redden. Ook later was hij meermalen in levensgevaar, maar telkens was het door toevallige omstandigheden afgewend. Toen hij man geworden was, had hij zich aan 't hoofd der Perzen, zijne stamgenooten, gesteld, en aan 't Medische rijk en aan de regeering van den verwijfden Astyages een einde gemaakt. Vervolgens had hij den rijksten staat van Azië vernietigd, en de machtigste monarch van Klein-Azië stond als gevangene voor hem.
Maar zou dat geluk hem altijd blijven toelachen? Hoe licht kon de grillige fortuin ook hem den rug toekeeren en van overwinnaar overwonneling maken! Cyrus schonk dadelijk den gevangen vorst het leven niet alleen, maar liet hem aan zijne tafel eten en hield hem als een wijzen raadsman hoog in eere.
Hij liet het bij deze veroveringen niet blijven. Nadat hij de Aziatische Grieken onderworpen had, trok hij op Babylon aan. Met geweld was echter tegen deze reuzenstad weinig uit te voeren. Daarom trachtte hij haar door list te nemen. Hij leidde het water van den Euphraat door een dieper kanaal om de stad, waardoor de rivier ondieper werd, en de soldaten konden zoodoende in de stad dringen. Juist terwijl koning Belsasar een overdadig feest vierde ter eere van den god Bel werd de wereldstad door de zegevierende Perzen ingenomen. (Daniël). Zijne veroveringszucht bracht hem echter ten val. In de nabijheid van de Kaspische zee woonde een arm, maar krachtig en vrijheidlievend bergvolk, de Massageten. Ook dit volk moest onderworpen worden. Nu verliet hem echter de fortuin. Cyrus werd in eene hinderlaag gelokt, 't leger werd geslagen, hij zelf sneuvelde. Tomiris, de koningin der Massageten, liet zijn hoofd afhouwen en in een vat met bloed dompelen, zeggende: "Drink u nu zat, barbaar." Een ander verhaal evenwel laat Cyrus in hoogen ouderdom eenen natuurlijken dood sterven.
Welke van deze verhalen het echte is, is moeilijk uit te maken.
6. BELEGERING EN VEROVERING VAN TROJE.
(Van ± 1194 tot 1184 v. C.)
#Paris#, de zoon van Priamus, koning van Troje (eene stad in Klein-Azië, niet verre van de str. der Dardanellen, toen Hellespont geheeten), had #Helena#, de vrouw van den Spartaanschen koning #Menelaüs#, geroofd en was met haar naar zijne geboortestad gevlucht.
De verbitterde Menelaüs riep nu de voornaamste Grieksche vorsten en helden op, tot een' krijgstocht tegen het rijke Troje.
De meeste vorsten van Griekenland gaven aan deze oproeping gehoor en weldra togen 100,000 strijders, op 1200 schepen, naar de vijandelijke stad.
De aanvoerder van den tocht was #Agamemnon#, de broeder van Menelaüs. Verder worden als hoofdpersonen genoemd de sluwe #Ulyssus#, de bedaarde en ervaren Nestor, de dappere en sterke Achilles en vele anderen.
Troje was echter eene sterke stad, en, konden de Grieken roemen op eene menigte dappere mannen, de Trojanen mochten bogen op #Hector# en #Aeneas#, die voor de dapperste Grieken niet behoefden onder te doen. De belegering had reeds negen jaren geduurd en nog stonden de muren van Troje even vast als altijd.
Veel bloed was reeds vergoten; de edele Hector en de dappere Achilles waren den heldendood gestorven; men begon aan 't welslagen der onderneming te wanhopen, ja, men sprak er zelfs van om scheep te gaan en het vaderland weder op te zoeken.
Toen verzon de sluwe Ulysses de volgende list:
"Weet gij wat, vrienden," riep hij vroolijk uit, "laat ons een groot houten paard timmeren en in zijn binnenste de dapperste Grieken verbergen. De anderen moeten intusschen met de schepen terugtrekken, maar vooraf al hetgeen zij achterlaten, verbranden, opdat de Trojanen, wanneer zij dit van hunne muren zien, in den waan komen, dat wij het beleg opbreken. Een moedig man moet zich in de nabijheid van het paard verbergen en de vijanden wijs maken, dat hij uit het leger der Grieken is gevlucht, omdat hij door hen slecht behandeld is.
"Vervolgens moet hij bewerken, dat de Trojanen het paard binnen de muren der stad brengen. Wanneer onze vijanden zich dan zorgeloos aan den slaap overgeven, geeft hij ons een teeken. Wij kruipen uit het paard, laten de anderen, die inmiddels met de schepen zijn teruggekeerd, binnen en verwoesten de stad."
Toen Ulyssus uitgesproken had, prezen allen zijn vindingrijk verstand, maar de zoon van Achilles stond driftig op en zeide: "Dappere mannen zijn gewoon hunne vijanden in 't open veld te bestrijden, daar moeten wij onze meerderheid boven de Trojanen toonen." Ulyssus bewonderde den dapperen jongeling en antwoordde: "Gij ziet wel, wakkere man! daar zelfs uw vader, die een halfgod in moed en sterkte was, deze sterke stad niet konde veroveren, dat dapperheid in de wereld niet alles kan uitrichten."
De voorslag werd nu aangenomen: een ontzaggelijk groot paard werd getimmerd, de dapperste helden begaven zich door eene zijdeur in den buik van het monster en de overigen trokken zich terug. Vol vreugde kwamen weldra de Trojanen aansnellen en zagen met verbazing het gevaarte aan. Zij beraadslaagden nu, of zij het verbranden dan wel in de zee werpen zouden.
Dat degenen, die in den buik van het paard zaten, bij deze beraadslaging niet zeer pleizierig te moede waren, laat zich denken.
Een Trojaansch priester sprak waarschuwende: "Meent gij, dat eene gave der Grieken geen bedrog verbergt? Vertrouwt het ding niet!"
Met die woorden stiet hij er met eene ijzeren lans in, en uit de diepte dreunde het als uit een kelderhol.
Ondertusschen kwam de Griek aanloopen, die zich in de nabijheid van het paard verborgen had. Hij speelde zoo meesterlijk zijne valsche rol, dat allen hem geloofden. Hij sprak aldus: "Tot hiertoe was alle hoop der Grieken op de hulp der godin Pallas gebouwd. Sedert echter uit den tempel, dien zij bij u te Troje heeft, haar beeld is gestolen, is de godin vertoornd geworden, en het geluk heeft de wapenen der Grieken verlaten. Nu zijn zij weggegaan om het beeld wederom op te sporen. Vooraf echter bouwden zij nog dit houten paard, dat zij als zoenoffer voor de beleedigde godin achterlieten. Zij maakten het zoo groot, opdat gij, Trojanen! het niet binnen de poorten uwer stad kondet bergen, dewijl alsdan de bescherming van Pallas u ten deel zou vallen."
Dit nu was juist voor de Trojanen een prikkel om het paard binnen de stad te halen. Zij braken een gedeelte van den muur af om den onheilbrengenden gast een' weg te banen.
Zij maakten raderen onder de voeten van het paard en trokken het jubelend binnen, zonder acht te slaan op de waarschuwingen van Kassandra, de profetes.
Vervolgens gaven zij zich tot in het holle van den nacht aan de uitgelatenste vreugde over bij maaltijd en drinkgelag. De bedrieger was intusschen ook in de stad geslopen en zwaaide vervolgens een brandende fakkel in de lucht, als een teeken voor de in de nabijheid toevende Grieken om weder te naderen. Toen klopte hij zacht aan den hollen buik van het paard en de opgesloten helden kwamen stilletjes te voorschijn. Met uitgetrokken zwaarden drongen zij in de huizen en eene vreeselijke slachting werd onder de slapende Trojanen aangericht.
Brandende fakkels werden in de huizen geslingerd en weldra stond Troje op vele plaatsen in lichten brand.
Te gelijkertijd stormden de andere Grieken de stad binnen en doodden alles, wat hen in handen kwam.
Zij behaalden een onmetelijken buit en sleepten vrouwen en kinderen naar het strand. Menelaüs voerde zijne vrouw Helena weder mede. Priamus en zijne zonen werden gedood; de koningin en hare dochters, waaronder ook de edele Andromaché, de vrouw van Hector, werden als slavinnen onder de overwinnaars verdeeld.
Troje werd met den grond gelijk gemaakt. Ziedaar een kort overzicht van de merkwaardige belegering, zooals die door #Homerus# in een beroemd dichtstuk: de #Ilias#, wordt verhaald.
7. EEN FEEST TE OLYMPIA.
Griekenland bestond weleer uit eene menigte onafhankelijke staatjes, die altijd naijverig op elkander waren en niet zelden bloedige oorlogen voerden.
Toch zijn de Grieken het beschaafdste volk der oudheid en de leermeesters der geheele beschaafde wereld geworden. Hoe ze dit geworden zijn? We zullen het u zeggen. Vooreerst leefden de Grieken in een heerlijk land, dat een gunstigen invloed moest uitoefenen op zijne bewoners. In de tweede plaats hadden ze een voortreffelijken aanleg. Verder waren er banden, die hen, hoe ook soms verdeeld en in gewoonten en zeden van elkaar verschillend, vereenigden en deden gevoelen, dat ze ééne natie waren. Tot die banden behoorden hun #dichterlijke godsdienst#, de #verbonden#, die zij sloten ter bescherming van een gemeenschappelijk heiligdom (amphictioniën) en niet het minst de #volksfeesten#.
De belangrijkste volksfeesten werden gevierd te _Olympia_, eene stad in het landschap Elis, in het westen van de Peloponnesus (Morea) gelegen. Bijna alle Grieksche staten namen hieraan deel. In plechtigen optocht trok het volk naar den tempel. Voorop gingen de versierde offerdieren, dan volgden de dienstdoende priesters, vervolgens de staatsbeambten, daarop de adel in schitterende kleeding, met groene olijftakken in de hand en eindelijk het volk.
Nadat de plechtige offers aan de goden gebracht waren, begonnen de eigenlijke spelen.
De Grieken meenden den goden geen grooter genoegen te kunnen geven, dan wanneer zij hunne kracht in den wedloop, in het worstelen, in het springen of in het vuistgevecht ten toon spreidden. Lichaamsoefeningen ter voorbereiding voor de wedspelen maakten dan ook een voornaam gedeelte van de opvoeding der jeugd uit. In de gymnasiën werd behalve van het lezen der werken van groote dichters, voornamelijk van Homerus, het meest werk gemaakt van loopen, worstelen, springen, slingeren enz.
De overwinning te behalen bij de Olympische spelen was de hoogste eer, die iemand kon te beurt vallen en toch was de prijs, dien de overwinnaar behaalde, slechts een olijfkrans.
Gedurende het feest werden alle vijandelijkheden gestaakt, opdat ieder in rust en vrede kon feestvieren. Niemand mocht er daarom gewapend verschijnen. Ten bewijze, hoe hoog de Grieken deze bijeenkomsten te Olympia in eere hielden, strekke, dat zelfs de jaartelling er naar geregeld werd. Men zeide b. v. dit of dat is gebeurd in het tweede of derde jaar van de zooveelste Olympiade. Eene Olympiade werd om de vier jaren gehouden, en men rekende dan van het jaar 776 v. C. af, omdat toen het eerst de namen der overwinnaars werden opgeschreven.
Het feest begon gewoonlijk met den wedloop. Zij, die naar den prijs dongen, waren in afdeelingen van vier man gesplitst. Zulk een wedloop was op verre na niet gemakkelijk, want de baan was geen effene, vaste weg, maar een ruimte, waar de voet telkens wegzonk in dik, mul zand.
't Kwam dus wel op kracht en volharding aan. Daarna werd er geworsteld. De worstelaars hadden vooraf hunne huid met olie ingewreven, opdat de hand hunner tegenpartij van het gladde lichaam zou afglijden.
Met voorovergebogen bovenlijf stonden zij tegenover elkander, gereed om elkander aan te grijpen; want het doel van den worstelaar was, zijne tegenpartij omhoog te heffen en hem dan op den grond te werpen.
Een gevaarlijke strijd was het vuistgevecht. De onderarmen waren omwonden met lederen riemen, van metalen knoppen voorzien; daardoor kwamen de slagen veel krachtiger aan.
Dat zulk een strijd dikwijls bloedig werd, ja, dat niet zelden een der kampvechters dood van het strijdperk werd weggedragen, laat zich gemakkelijk begrijpen. Vervolgens werden wedrennen gehouden op wagens met vier paarden bespannen. Dat was natuurlijk slechts een vermaak voor de rijken bestemd, daar de geringere burger niet in staat was, zulk een rijke equipage zich aan te schaffen. Ook deze wedstrijd was hoogst gevaarlijk, want dikwijls botsten de wagens in dolle vaart met geweld tegen elkander; de wagenmenners stortten dan uit het verbrijzelde vaartuig en werden door de hollende rossen langs de renbaan gesleurd. 't Ontbrak gewoonlijk niet aan middelen om de eerzucht bij de kampvechters op te wekken, want duizenden toeschouwers gaven voortdurend luide hunne goed- of afkeuring te kennen. Hoe groot de hitte ook mocht zijn: toch bleef de menigte op de kampplaats verzameld, en niet gemakkelijk zou iemand haar verlaten, voordat de spelen waren geëindigd.
Na den afloop van de kampspelen traden de overwinnaars voor de kamprechters; deze zett'en hun de olijfkrans op het hoofd en onder het gejuich van de menigte, trokken zij naar het altaar van Zeus, om den god dankoffers te brengen.
Met de schitterendste eerbewijzen werd de overwinnaar overal ontvangen; in zijne vaderstad aangekomen, haalde het volk hem feestelijk in, en dichters verwelkomden hem in liederen; bij openbare feesten mocht hij op de eereplaats zitten. In Sparta ontving hij het voorrecht om bij een' veldslag naast den koning te mogen strijden. In het kort, het voorrecht van Olympisch overwinnaar te zijn, werd een goddelijk geluk genoemd en de roem van zijn' naam weerklonk door geheel Griekenland.
De Olympische spelen waren ook in een ander opzicht van veel belang.
De uitstekendste kunstenaars trof men hier aan, om hunne kunstwerken onder het oog en ter beoordeeling van het Grieksche volk te brengen; dichters droegen hier hunne gedichten voor; kooplieden maakten van deze gelegenheid gebruik, om voordeelige zaken te doen.
Olympia was dus alle vier jaren de vereenigingsplaats van al, wat Griekenland als schoon, edel en geleerd kon aanwijzen, en daarom hebben deze spelen veel bijgedragen om de Grieken tot een welontwikkeld en kunstlievend, in één woord, tot een beschaafd volk te maken.
8. TWEE WETGEVERS (LYCURGUS EN SOLON).
Onder de vele steden, die men vroeger in Griekenland had, waren Athene en Sparta de voornaamste. Hoewel Atheners en Spartanen tot één volk behoorden, bestond er toch tusschen hen een groot verschil in aard en levenswijze.
De Spartaan achtte sterkte, gehardheid tegen alle vermoeienissen des levens en dapperheid in den oorlog als het hoogste goed; de Athener versmaadde dit alles wel niet, maar ruimde toch ook aan kunsten en wetenschappen eene belangrijke plaats in.
Dit was een gevolg, behalve van hunnen oorspronkelijken aanleg, van hunne verschillende wetgeving en opvoeding.
Ieder der genoemde steden mocht zich beroemen een' wetgever te bezitten, die het wel meende met zijn volk. Dat Sparta machtig werd en dikwijls de #hegemonie# (overwegende invloed van een enkelen staat) kon uitoefenen, had het te danken aan zijn' wetgever #Lycurgus#, die in de laatste helft der negende eeuw v. C. leefde. Deze was een koningszoon, die reeds de treffendste blijken had gegeven, dat eigenbelang en eerzucht hem vreemd waren; en het heil zijns vaderlands hem bovenal ter harte ging. Om aan de voortdurende twisten tusschen de twee koningen, die over Sparta regeerden, en het volk een einde te maken, stelde hij een' senaat aan, bestaande uit 28 aanzienlijke mannen boven de 60 jaren, die als 't ware de bemiddelaars waren tusschen de koningen en het volk.
De ongelijkheid van vermogen was toen in Sparta verbazend. Ten einde daaraan een eind te maken, wist hij het stoute plan door te drijven, den grondeigendom zóó te verdeelen, dat ieder Spartaansch burger een gelijk grondbezit kreeg. Maar zou de ongelijkheid van bezit geheel verdwijnen, dan moesten ook de roerende goederen verdeeld worden. Daar Lycurgus wel begreep, dat de rijken niet gemakkelijk te bewegen zouden zijn, om hunne schatten in goud en zilver ter algemeene verdeeling op te brengen, schafte hij de gouden en zilveren munten af en voerde ijzeren geld in, 't welk zóó zwaar was, dat men, om eene waarde van 500 gulden te vervoeren, een tweespans-wagen moest gebruiken. Door dezen maatregel, en doordat hij strenge maatregelen tegen de weelde nam, maakte Lycurgus natuurlijk wel vele in zijn oog nuttelooze menschen als goudsmeden, bouwmeesters, zalvenbereiders enz. overbodig, maar hij verbande tevens ook allen handel en verkeer uit de stad, daar het Spartaansch geld nergens dan in Sparta geldig was.
Dit was juist het doel van Lycurgus, want volgens zijne meening kweekten handel en omgang met vreemde volken allerlei ondeugden aan.
Ten einde weelde en onmatigheid met kracht te kunnen tegengaan, voerde hij gemeenschappelijke maaltijden in. Niemand mocht in zijn eigen huis eten, maar men kwam op bepaalde uren op eene bepaalde plaats te zamen, waar eenvoudige maar krachtige spijzen werden voorgediend. De hoofdschotel was eene zwarte soep.
Deze wel wat willekeurige wetten verwekten bij de aanzienlijken eene hevige verbittering tegen Lycurgus.
Eens zelfs sloeg een hartstochtelijk jongeling, Alkandros, hem met een wapen het oog uit. Toen hij zijnen vijanden echter bedaard zijn bebloed en geschonden gelaat toonde, ontwaakte het berouw in hunne harten, omdat zij den waarlijk edelen man zoo slecht hadden behandeld, en werd hij met gejuich naar zijne woning teruggevoerd. Lycurgus liet zijne medeburgers zweren, dat zij zijne wetten tenminste zoolang zouden houden, tot hij van eene reis, die hij voornemens was te doen, zou zijn teruggekeerd. Hij keerde niet terug, maar bracht zich in den vreemde zelf om 't leven, opdat zijne medeburgers aan hunnen eed gebonden zouden blijven.
De geheele opvoeding der Spartanen had alleen ten doel krachtige mannen, ferme soldaten te vormen. Alle pasgeborene kinderen werden onderzocht; waren zij zwak of ziekelijk, dan werden zij aan den hongerdood prijsgegeven. Waarom hen ook in 't leven te laten; zij konden immers nooit goede soldaten worden, zoo was de meening der hardvochtige Spartanen. Tot het zevende jaar bleven de kinderen in het ouderlijke huis; dan echter belastte de staat zich met hunne verdere vorming, echter volstrekt niet om hen te verwennen. Zij sliepen op riet, dat zij zichzelven moesten halen. Hunne kleeding was heel eenvoudig en winter en zomer gelijk, hunne maaltijden waren uiterst sober. Teneinde hen te leeren pijn en smart te kunnen verdragen, werden ze dikwijls openlijk gegeeseld; hij, die een smartkreet uitte, werd met minachting aangezien.